Luuk Gruwez. Lamp aan

                                                       Gerard Stigter / K. Schippers

 

Luuk Gruwez. Lamp aan

 

De auteur: Pseudoniem van Gerard Stigter. Richtte samen met ondermeer Bernlef in 1958 het tijdschrift Barbarber op. Werd in de loop der jaren bekroond met tal van prijzen, waarvan de P.C. Hooftprijs en de Librisprijs de belangrijkste zijn.

Het boek: Poëziegeschenk naar aanleiding van Gedichtenweek 2014.

ONS OORDEEL: Negen gedichten die soms intrigeren, maar vaak een te monotone en te schrale thematiek hebben om lang te boeien.

 

‘Als je goed om/ je heen kijkt/ zie je dat alles/ gekleurd is.’ Zo luidt ‘De Ontdekking’, een vroeger gedicht van K. Schippers dat eigenlijk perfect resumeert wat in zijn Gedichtenweekgeschenk aan de orde is en goed aansluit bij het thema van de Gedichtenweek 2014: verwondering. Verwondering is namelijk het leidmotief van deze dichter. In de jaren zestig van de vorige eeuw heeft hij zich geprofileerd als een pleitbezorger van het alledaagse en in die hoedanigheid wilde hij zich afzetten tegen de generatie voor hem, de Vijftigers, die Kunst met een hoofdletter plachten te schrijven en naar zijn smaak door een te groot sérieux werden bevangen. Daartegenover stelde hij de kunst van de onbevangenheid, waarmee doodgewone dingen werden gadegeslagen waarvan de alledaagsheid door de dichtersblik werd geïntensiveerd.

Ook in ‘Buiten beeld’ propageert Schippers de haast kinderlijke kunst van het kijken. Met heel veel verwondering als streefdoel. Het probleem met deze poëzie is evenwel dat zij je kan aanzetten je over alles en nog wat te verwonderen, maar op de lange duur door haar te smalle premisse de indruk wekt dat je je in feite over niets nog echt verwondert. Soms verwordt die kijkdwang tot een dichterlijk truukje. En het pleidooi voor de intensiteit van de waarneming leidt weldra tot een zekere kijkmoeheid. Ach ja, zo is het wel, maar ook: is het dat maar?

Uiteindelijk houdt de dichter zich voornamelijk bezig met bestaan en onbestaan. Vanaf wanneer bestaat iets? Allicht nog het meest wanneer het wordt gezien. En in welk verband staat het zichtbare tot het onzichtbare? Want ook dat laatste wordt een aantal keer gesuggereerd. ‘Hoeveel keer bestaat iets?/ Lamp uit, lamp aan’, staat er. De dichter wil een wereld waarin het licht aan is. Wat zou kunnen impliceren dat wat niet gezien kan worden, niet bestaat. Maar doordat Schippers desondanks geregeld naar iets als een groter, onzichtbaar geheel verwijst dat zich – zie de titel van de bundel – ‘buiten beeld’ bevindt, blijkt hij toch te geloven dat er meer is dan het waarneembare. Een enkele keer breidt hij dat zelfs in kosmische zin uit met referenties aan hemel en heelal, bijvoorbeeld in een enigszins flauw grafisch gedicht dat alleen maar uit los over de bladspiegel verpreide punten bestaat en dat ‘De stand van moedervlekken aan de hemel’ heet. Het moet welhaast de bedoeling van de dichter zijn een soort brug te slaan tussen het vertrouwde ondermaanse (‘moedervlekken’) en het nauwelijks kenbare buitenaardse (‘de hemel’), een voorwaar haast mystieke aangelegenheid voor een dichter die qua mentaliteit zozeer down to earth is en bij het hier en nu zweert.

Maar over het algemeen is Schippers’ realiteit er een van papieren zakdoekjes en van een bewuste trivialiteit. ‘de dingen hebben geen samenhang/ t.o.v. elkaar,’ heet het. Maar het is kennelijk de taak van dichter én lezer toch een verband te creëren. Er kan van alles samen op een tafel liggen: dingen die niets met elkaar te maken hebben. Maar precies doordat die tafel in een gedicht staat, hebben zij juist alles met elkaar te maken in de ogen van de kijklustige lezer wiens leesgedrag er immers op gericht moet zijn ze te verenigen. En toch luidt het: ”t geheel/ onttrekt zich aan je gezicht.’ Opnieuw een bevestiging van de titel van de bundel.

Verwondering blijft de realiteit overeind houden en bewoonbaar maken. Soms gaat dat niet zonder slag of stoot. Dan kan er wel eens een geestige samenhang ontstaan zoals in de historie van de vuile was in een hotelkamer en de vraag waar je met die handdoek, die T-shirt en die sokken moet blijven. Je kunt die dingen, aldus Schippers, ook in het hotel in de was geven, maar dan is het meteen afgelopen met het gedicht waarin ze nu nog te lezen staan. Ze laten je hoe dan ook pas los wanneer ze voorgoed uit het beeld verdwijnen: ‘Obiter dictum,/ neem de was anders mee,/ bewaar de was voor thuis/ of hang de gestreepte sokken/ nog even over de rand van het balkon./ Een morgen of een middag,/ dan zijn ze verdwenen.’ Het mag duidelijk zijn dat de dichter niet wil zwichten voor het grote verdwijnen. Want door te schrijven bindt hij er voortdurend de strijd mee aan. Anderzijds laten de dingen hem kennelijk pas echt met rust  wanneer ze zich, eenmaal opgeschreven, voorgoed uit zijn gezichtsveld mogen verwijderen.  

      

__________________

K. SCHIPPERS

Buiten beeld

Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek en Poetry International ter gelegenheid van de Poëzieweek (30-1-2014 t/m 5-2-2014). Gratis bij aankoop van minstens 12,50 euro aan poëzie.

 

 

Zwart

 

Zie van deze letters,

die u hier leest,

heel even alleen maar

 

het zwart of elke

betekenis is weggeglipt.

 

Staketsels en rondingen,

meer niet.

 

Bekijk ze

als een vijfjarig kind

dat nog nooit

iets heeft gelezen.

 

K. Schippers

Bookmark and Share

Comments are closed.