Luuk Gruwez. Op al wat leeft verliefd

 

Luuk Gruwez. Op al wat leeft verliefd

 

Leo Vroman was een van die zeldzame, erg aanstekelijke mensen die erin slagen tot op zeer hoge leeftijd zichzelf te blijven zonder veel aan kwaliteit te moeten inboeten. In ‘Die vleugels’, zijn recentste dichtbundel, slaat hij voortdurend en met een ongeëvenaarde scheppingsdrift de vleugels uit naar het gebied over de levensgrens. Natuurlijk realiseert hij zich in zijn inleiding al dat hij abnormaal veel gedichten schrijft, maar hij heeft kennelijk een punt bereikt waarop hij zich van de kritiek nauwelijks nog iets hoeft aan te trekken. De enige structuur die hij in zijn bundel aanbrengt, is van chronologische aard. Hij baseert zich op de ontstaansdatum die hij onder elk gedicht vermeldt.

Vroman gelooft, net als Hugo Claus, in de veelheid vanuit het adagium dat een groot aantal gedichten ook een verhoogde kans op eeuwigheid impliceert. In een Engelstalig gedicht formuleert hij het aldus: ‘He decided to guarantee / living in eternity / by writing a pile of poetry.’ Uiteraard resulteert deze manier van werken niet altijd in poëzie van zeldzame kwaliteit. De dichter laat zich er zelf bepaald sarcastisch over uit: ‘(…) ik lijd sinds een paar jaar geleden / aan een ernstige lekkage./ (…) / Niet van urine of water / maar van gedicht na gedicht.’ Een lekkage dus. En die moet hij zien te dichten. Want hij neemt er aanstoot aan dat iets verloren gaat. Dus verzamelt hij alles, zodat het kan blijven voortbestaan.

Vromans schriftuur is wat hem in leven houdt. Het is zijn perpetuum mobile. Ook wanneer hij eenmaal gestorven zal zijn, zo merkt hij op, gaat hij misschien nog door: ‘Soms vrees ik dat mijn as / doodkoud bezig zal blijven / door te gaan zoals ik was / met verzen te schrijven, (…).’ Onvermijdelijk zijn intussen de reflecties op de oude dag en al zijn facetten hier schering en inslag. Je zou kunnen stellen dat je, als je zo oud bent, nog enkel bestaat uit herinneringen. Dat geldt niet helemaal voor deze dichter, die niet nalaat vooruit te blikken tot voorbij de grens van zijn bestaan. Er zijn passages  in deze bundel die suggereren dat het met de dood niet echt afgelopen is, dat er toch een soort getransformeerd voortbestaan is, al was het maar via het vehikel van de gedachte. Anderzijds blijft Vroman er nuchter onder: ‘Waar komt ons gekke geloof vandaan / dat wij iets van de nadood weten? / Hoe lang mist een opgegeten / kip dan nog haar haan?’ Het voortbestaan blijft toch vooral gelieerd aan het schrijven. De dichter pretendeert dit te doen vanuit een ‘tweelingsverlangen’. Hij wil een idee in woorden vangen en als gedicht weer bevrijden.

Het is een beetje gek iemand die zozeer als de chroniqueur van de nuchtere feiten bekend staat, toch af en toe een alchemistentruc te zien toepassen om zijn bestaan te rekken. Hij vraagt zich af wat er van hem over zal zijn wanneer hij eenmaal lichamelijk verdwijnt. Niet zoveel misschien, maar in zijn optiek wel iets als liefde en het vooruitzicht op een nieuwe samenhang in die wonderbaarlijke kosmos waarover hij zo vaak dicht: ‘Wat ik het meest liefheb is / dit volledige heelal, / maar wat ik later mis / mis ik nu al, (…).’ Heel die poëzie wordt gestut door zijn weigering om wat dan ook te missen. Wat zijn houding tegenover de dood bepaalt, is verliefdheid op de hele schepping. Dat is het wat hem zo lang in leven houdt. ‘Aarde, vergeef mij als je belieft / maar ik ben op al wat leeft verliefd: / je mieren, muizen, olifanten, / kinderen en kamerplanten.’

Vroman, ook bioloog, is als geen ander dichter in het Nederlands begaan met de fysiologie van het lichaam, niet het minst dat van hemzelf. Ondanks de geliefde en bij uitbreiding al het bestaande rondom hem, staat daarbij toch in de eerste plaats zijn ik centraal. Dat realiseert hij zich maar al te goed wanneer hij een enkele keer niet de hoofdrol speelt: ‘Dit is nu eens een gedicht / dat niet over mij gaat (…).’ Dit soort zelfrelativeringen komt gelukkig herhaaldelijk voor. Maar het is ook de biologie zelf die voor relativering zorgt. ‘Ik ben een zoogdier in het diepste van mijn ziel,’ schrijft hij. Van alle Nederlandstalige dichters is hij dan ook de dierlijkste. Hij mediteert onophoudelijk over de biologie in ons lijf en laat zijn eigen fysieke eigenaardigheden niet onbesproken, bijvoorbeeld wanneer hij het over zijn merkwaardige neus en zijn ‘valkerige kop’ heeft.

‘Waar moet het met mijn hersens heen / als er binnen ze geen / gedicht meer wordt geboren?’ Dit is wat Vroman toch ook wel verontrust. Anderzijds lijkt hij rationeel gesproken verzoend met zijn levenseinde. Hij voelt een zekere schuld wanneer hij bedenkt dat hij nog leeft terwijl zoveel anderen al voortijdig dood zijn gegaan, bijvoorbeeld in oorlogsgebied. ‘Dus basta! Ruim genoeg over mijn dood!’ schrijft hij dan. En hij legt zich neer bij zijn sterfelijkheid en vraagt zich af of het niet langzamerhand tijd wordt dat hij wordt opgehaald.     

 

__________________

LEO VROMAN

Die vleugels

Uitgeverij Querido, 160 blz.,18,95 euro.

 

 

EEN ERNSTIGE KEUZE

 

Enkel jou wil ik nog zien

om mij door je lieve handen

eeuwig aan te laten randen.

O, bed en dekens bovendien,

 

en alles waar je veel van houdt:

het liefste drinken wil en eten,

en ja, de zon en de planeten

anders gaat het fout.

 

En voor het waarschijnlijke geval

dat de lust van onze lijven

afhangt van dit lief heelal

 

laat mij even denken. Nou

laat dat dan ook maar blijven.

Maar verder enkel jou.

 

6 juni 2012

 

Leo Vroman

 

 

Leo Vroman is op 98-jarige leeftijd overleden en wordt gezien als een van de grootste Nederlandse dichters. Hij overleed  in Fort Worth in de VS, waar hij woonde. Meer over Vroman: http://www.nrc.nl/nieuws/2014/02/22/dichter-leo-vroman-98-overleden/ (mj/webmeester)

 

Leo Vroman



Bookmark and Share

Comments are closed.