Janita Monna. Ironie en melancholie

 

Anton Korteweg – Waar ik nooit goed in was steeds slechter kunnen

 

Kinderpoëzie bestaat, maar zijn er buiten de kinderen ook andere groepen met een eigen label binnen de poëzie? Worden er bijvoorbeeld gedichten geschreven ‘speciaal voor vrouwen’ of ‘uitsluitend voor mannen’, voor hoogopgeleide allochtonen of voor ouderen? Natuurlijk, iedere dichter heeft zijn eigen lezerspubliek. Maar zoals veel kinderpoëzie ook interessant is voor volwassenen, sluit goede kunst nooit mensen uit.

Wat niet wegneemt dat die kunst thema’s kan aansnijden die sommige groepen meer zullen aanspreken dan andere. Neem bijvoorbeeld de laatste bundel van Anton Korteweg, in zijn werkzame leven directeur van het Letterkundig Museum, en al meer dan veertig jaar dichter: Waar ik nooit goed in was steeds slechter kunnen gaat – onder meer – over de man op leeftijd. De bundel verscheen in de herfst van 2013. Een haast symbolisch verschijningsmoment, want Korteweg dichtte eerder al eens nauwelijks anders naar een herfstblad te kunnen kijken dan als verwijzing naar de dood.

De oudere man in zijn gedichten koopt nog het liefst een treinkaartje bij een loket, heeft geen mobieltje, en zoekt een partner via contactadvertenties. Hij is als een schaatser, die, ‘druppel aan de neus/ lichaam licht voorover’ een beetje aan het uitrijden is, zo is te lezen in ‘Hoe gaat het nu met hem, na zijn pensioen?’.

Hij wordt afgeschilderd als een sukkelaar, maar dan één die ook zijn zegeningen telt, zoals de gepensioneerde directeur die zich al veertig jaar met dezelfde vrouw gelukkig is. En de langeafstandswandelaar die tijdens ‘grandes randonnées’ in de Franse natuur achter zijn vrouw aanhobbelt. Die als hij valt, door haar overeind wordt geholpen. Hij is een man die bij het zien van mooie vergezichten liefst zwelgt in het idee van vergankelijkheid –  ‘this too must pass’ –, maar door de eega kordaat in het heden gehouden wordt: ‘”Sukkel,” zei je, “wees liever blij om wat bestaat. (…).”’

Natuurlijk schreef Korteweg (1944) niet altijd over ouder zijn. In vroeger werk – toen de kinderen nog thuis woonden – kwam ook een ‘niet te demonteren kinderzit’ voorbij. Maar gebleven is die mengeling van ironie en melancholie waarmee het hele leven wordt aanschouwd.

In die neiging tot grappigheid belandt Korteweg ook wel eens aan de verkeerde kant van de streep. Te jolig is zijn poging het idee van een leuke vakantie levendig te houden via taal, door beginletters van woorden om te draaien: ‘zing consequent/ de lof van roudweuzen en halen booi/ miegende vlieren (…).’ En bij het jubelvers over buiten poepen – in al te nadrukkelijk eindrijm (buitenkakken-bakken) – zullen kinderen misschien schateren, het ontlokt anderen nauwelijks een glimlach.

Toch, als we diezelfde hannesende man de bus in zien stappen, behoedzaam, beducht op het snelle optrekken van de chauffeur, en als die man weemoedig verzucht ‘De achterbank van schoolreisjes is onbereikbaar’, dan raakt dat iedereen die de middelbare schooltijd achter zich gelaten heeft.

 

Over het gevaar dat overal loert, ook ten zuiden van Eindhoven

 

Niets oogt zo geruststellend als een streekbus

die bezadigd z’n gangetje gaat

tussen platanen en op weg naar Eersel.

 

Toch doe je er goed aan zodra

de kans zich voordoet direct

na het instappen te gaan zitten,

 

zodat de chauffeur niet verleid wordt

door geniepig snel op te trekken

je tot wat stuntelig gestruikel te verplichten,

 

waarna je, met je plastic tasje zwaaiend,

grijpend naar stangen, neerploft op de schoot

van een rond, wijdbeens moeke.

 

De achterbank van schoolreisjes is onbereikbaar.

 

Anton Korteweg – Waar ik nooit goed in was steeds slechter kunnen. Meulenhoff, 64 pagina’s, 18,95 euro, isbn 9789029089333

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Anton Korteweg bij Knetterende Letteren


Bookmark and Share

Comments are closed.