Janita Monna. Licht melancholieke grensverkenningen

 

Miriam Van hee – ook daar valt het licht

 

Het is de ergste nachtmerrie: je wilt ergens voor vluchten, en dat lukt niet. Je probeert te rennen, je benen draaien rondjes, maar onzichtbaar elastiek houd je op de plaats. Wat je ook doet, je komt niet vooruit. Je beweegt en staat stil.

Dat gevoel, en vooral dat samenvallen van stilstand en beweging vangt Miriam Van hee in haar poëzie. Haar nieuwe bundel ook daar valt het licht opent zelfs met een gedicht getiteld ‘sur place’.

De Vlaamse Van hee beschrijft daarin een dorp gezien vanuit een hotelkamer. Traag wordt het beeld op scherp gesteld, en meteen wordt ook de waarneming op losse schroeven gezet:

‘beneden ligt het dorp, het lijkt/ alsof het alles heeft’. In dit stilstaande dorpsgezicht zijn desondanks minieme bewegingen te bespeuren, veroorzaakt door wind, door licht, door tijd, door zaken kortom, waarop niet of nauwelijks vat te krijgen is: ‘vlekken// licht bewegen op de aarden weg’.

Ook Van hee’s poëzie oogt bij eerste lezing vrij onopvallend. Geen grote woorden, geen wild geëxperimenteer met taal of exuberante beelden. Van hee roept niet, ze fluistert eerder. Het verklaart misschien waarom ze – ondanks de prijzen die haar poëzie ten deel vielen – geen al te grote lezersschare in Nederland heeft.

Maar achter die vrij onnadrukkelijke regels is een duidelijke spanning voelbaar; achter de woorden die bewegingsloos op de pagina staan, beweegt het. Langzaam: ‘dat je de woorden/moest vinden die een beweging beschreven/ van handen, vertraagd, naar het hoofd’.

De gedichten in ook daar valt het licht proberen steeds weer dat wankele evenwicht te vinden waar ook de wielrenner die op een baan een ‘sur place’ maakt, naar op zoek is. In geladen regels wordt de grens verkend tussen leven en dood, beweging en stilstand, vroeger en nu, kind en volwassene, stad en land; waar gaat de ene toestand over in de andere? Kun je, zo peinst Van hee, na je dood nog heel even voortleven, zoals muziek die gestopt is, kan naklinken in je hoofd? ‘(…) dat de tijd/ voor de doden nog heel even zou kunnen duren, een/ afdaling lang, de tijd om de zonsondergang waar// te nemen’.

In die licht melancholieke grensverkenningen huist ook ‘ontwakend verdriet’ om wat voorbij ging en zal gaan, om dat waar niet meer bij te komen valt. Pijn, soms om dingen die zich nauwelijks benoemen laten. En slechts een enkele keer breekt een lichte paniek door de regels heen:

 

plots stond een hond voor de jongen

en hoe ik ook toestormde, ik kwam

te laat om zijn angst te bedwingen

 

Hier tekent zich iets af wat op een nachtmerrie lijkt. Een oncontroleerbare angst die – al is het maar voor even – o zo kalm door taal bedwongen wordt.

 

ROZEBROEKEN

 

plots stond een hond voor de jongen

en hoe ik ook toestormde, ik kwam

te laat om zijn angst te bedwingen

 

daar hangen seringen, zei ik

laten we ruiken, ik til je op, we nemen

ze mee voor je vader en moeder

juni is goed voor de bloemen

 

en hoor je de vogels zingen, vroeg ik,

en kijk hoe de vliegen hun vleugeltjes

poetsen en laten we nog even wachten

hier, aan de rand van de gracht zal

de reiger opstijgen, dat zei ik, hij

luisterde, leek het, maar van

welke dingen droomt hij vannacht

 

Miriam Van hee – ook daar valt het licht. De Bezige Bij, 16,50 euro, 48 pagina’s, isbn 9789023479017

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Video: Van hee en de VSB Poëzieprijs (2014)



Bookmark and Share

Comments are closed.