Janita Monna. Terloops onvergetelijk

 

Judith Herzberg – Liever brieven

 

Ooit vroeg dichter J.C. Bloem zich vertwijfeld af ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,/ voor de rechtvaardiging van een bestaan’. Jawel, het zijn vaak maar een paar gedichten die een dichter onsterfelijk maken en niet per se een kloek verzameld werk. Gedichten die, al zijn ze honderd jaar oud en oneindig vaak gebloemleesd, hun kracht houden.

Ook Judith Herzberg heeft een stuk of wat, of zeg maar gerust een behoorlijke stapel, onvergetelijke gedichten op haar naam staan. Neem haar beroemde ‘Kinderspiegel’, of haar bewerking van het Hooglied in 27 Liefdesliedjes, of ‘Zoals’, over het vaak ongemerkt intuïtieve handelen van de mens.

Herzberg laat het oog vaak langs het centrum glijden en richt de aandacht op wat zich in de randgebieden afspeelt. Die observaties verwoordt ze tastend, met een zekere aarzeling, wat haar gedichten een aangename openheid geeft.

Onlangs verscheen een nieuwe bundel van de P.C. Hooftprijswinnaar, Liever brieven. Een kleine bundel, die niet in zijn geheel geslaagd is.

Want waar in Herzbergs beste gedichten de scheve blik onnadrukkelijk is, als terloops opgemerkt, lijkt die hier nogal eens gezocht. Neem ‘a single turtle’, naar aanleiding van een onderschrift bij een foto van plastica, gevonden in de maag van een schildpad. ‘A single turtle’ is te lezen als ‘een enkele schildpad’. Maar Herzberg bewandelt een andere weg, en vat ‘single’ op als ‘alleenstaand’, in de zin van ‘vrijgezel’.

 

Zien wij als singles geen verschil

of zijn verloofde turtles net zo vraatgraag

happen ze net zo dom naar wat er dobbert,

wordt afval lukraak opgeslokt?

 

Een beetje flauw. Dan is een onzingedicht als ‘Aarzelaarshakhout’ beter geslaagd, vooral om het sterke taalspel: namen van bomen worden soepel maar gedecideerd in de rol van werkwoord of bepaling gedwongen: ‘Plataan!/ trek je van dat abeel/ en die kornoelje/ toch niets aan/ en taxus rustig.’

Toch bevat Liever brieven ook een paar nieuwe klassiekers, zoals die waarin de ouderdom doorschemert. Want daarin is niks geforceerd, maar zijn pijn en verdriet te voelen in nuchtere woorden. Daar wordt het wrang als de dichter vrienden ‘bij wie liefde en geheimen/ veilig leken’, onbetrouwbaar noemt omdat zij zomaar stilletjes de dood in zijn geslopen.

En ook dit is een echte Herzbergstrofe, uit een gedicht waarin behoedzaam wordt geanticipeerd op het eens onvermijdelijke afscheid, met ‘voorverdriet’ en ‘onverliefd’, als van die typische Herzberg woorden: ‘Het voorverdriet/ de angst voor onvermijdelijk/ verlies, maakt preventief/ vast onverliefd.’

Aan het stapeltje klassiekers uit haar werk zou ook dit gedicht toegevoegd mogen worden: ‘Toegift’. Het werd ooit geschreven voor een man die alleen, zonder vrienden en familie, stierf. Zelfmoord waarschijnlijk. Het is zonder enige poespas, zonder troost, maar toch vol mededogen.

 

TOEGIFT


Natuurlijk haal je liever iemand uit het water

die nog te redden is. Maar stel dat hij nog leefde

wat hadden we dan voor hem kunnen doen. Hem vragen

waar zijn wanhoop op berustte, hem zijn geliefde

 

weer terugbezorgen, of zijn werk, of zelfvertrouwen?

Nu kunnen we een heel klein beetje rouwen

niet eens om hem, omdat we hem niet kennen,

maar uit een vaag gevoel van menselijk fatsoen.

 

De bijna-liefde, bijna aandacht die hij straks nog

meekrijgt in zijn kist was misschien nét dat

kleine beetje dat hem had kunnen redden,

dat hij bij leven heeft gemist.

 

Judith Herzberg – Liever brieven. De Harmonie, 15,90 euro, 56 pagina’s, isbn 9789076168586

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Het uur van de wolf – ‘Bijna nooit, Judith Herzberg’ (documentaire, 2010)




Bookmark and Share

Comments are closed.