Janita Monna. Vragen van alle tijden

 

Huub Beurskens – Hotel Eden

 

Hotel Eden, wie wil er niet naartoe? Een paar dagen ontspannen in een paradijselijke omgeving, uitzicht op een tuin waar de zondeval zijn intrede nog niet heeft gedaan. Vanzelfsprekend kozen tal van hotels die naam.

Hotel Eden is ook de titel van de nieuwe dichtbundel van dichter, essayist, prozaschrijver Huub Beurskens, al worden bij dat terugverlangen naar de paradijselijke staat worden meteen ook enkele kanttekeningen geplaatst. Goed, sinds Eva van de appel snoepte staat de wereld er niet best voor: ‘Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,/ dat we dol van woorden blijven dolen, kezen,/ pezen, moorden in heel de zelf aangerichte ravage’. Maar was het zoveel aangenamer toen God de mens liet geloven in een eeuwig leven? De slotregel van dit gedicht spreekt voor zich: ‘Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.’

De gedichten in Hotel Eden bieden uitzicht op als paradijselijk ervaren situaties, vaak vanuit een verrassend perspectief: hoe kan ‘jasmijn beroezend geuren zonder dat zelf te ruiken, vraagt de dichter zich af in een stadspark met paarsrode rododendrons en ‘parkdronkaards’ als orakelende goden. Struinend in Villa Borghese wordt de mens aangesproken door goudvissen.

Maar hoe overweldigend het natuurschoon, het besef van sterfelijkheid, van voorbijgaan van tijd en de onmogelijkheid opnieuw te beleven wat eens was, dringt zich altijd weer op. Ook in het intrigerende doorkijkje – met dank aan de schilders Caspar David Friedrich en Magritte –, van figuren op de rug gezien, waarin de dichter zichzelf en wat hij in voorbije jaren zag, herkent:

 

(…) en ik zie me voor een uitzicht

dat zich pas weer voordoet zoals het zich eens voordeed,

 

ongereproduceerd idyllisch, betoverend of groots, indien ik

met mij toen samen in zijn plaats sta of naast hem als mijn

eigen vriend, zijn arm die op mijn schouder rust.

 

Beurskens’ vragen zijn van alle tijden, hij spiegelt ze aan geliefde auteurs: Witold Gombrowicz, Nabokov, Pound en giet ze in zijn volstrekt eigen taal. Vol aanstekelijk rollend rijm – ‘liefst elk gedicht met sinterklaasrijm’ –, zwierige nieuwvormingen (‘meiweiglorie’, ‘vlinderwimpertippen’) en kantelende regelafbrekingen. In die allerminst sobere regels is hij nu eens persoonlijk, op het anekdotische af, dan meer afstandelijk onderzoekend en vrolijk constaterend ‘het universum is een prima instituut’.

Ooit bezwoer de dichter ‘godsdienstgodafvallige’ te zijn. In dit hotel wordt ‘Godalsdiezoubestaan’ opnieuw bevraagd. Bijvoorbeeld in het even breekbare als krachtige portret van een oude, waarschijnlijk dementerende moeder. Ze slijt haar dagen in een verzorgingstehuis en stelt zich steeds dezelfde vraag: “‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?”’ De zoon, zich realiserend dat zijn moeder vooral in een vroeger leeft, bedenkt dat die vraag weleens betrekking uit de catechismus zou kunnen komen. Maar als hij haar antwoordt: ‘Om God te dienen (…)’, komt ze scherp uit de hoek: ‘“Dat jij nog gelooft in dat gezemel.”’


EERSTE VRAAG

 

‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’ vroeg ze

telkens weer, in haar negentigste, rood

 

omrande oogjes vanwege het gebrek aan

traanvocht. ‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’

Amper nog in staat overeind te komen,

 

weinig eetlust meer. ‘Waartoe ben ik eigenlijk

hier?’ Hoe ik ook geduldig probeerde het

haar uit te leggen, drie, vier keer, dat ze al

jaren geleden niet meer zelfstandig wonen

 

kon, niet goed ter been, mijn geboortejaar

wist ze feilloos, maar niet dat waarin we

heden leefden, dat ‘diepblauw’ de kleur

van de deur van haar grootouderlijk huis

was geweest, maar niet hoe de verpleegster

 

heette die haar dagelijks waste en kleedde.

‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’ Tot ik met

een schrik dacht: wie weet is het geen vraag

van nu, maar een van toen en daar, de eerste

 

uit haar catechismus, die met de belofte

van een hemel, en antwoordde: ‘Om God

te dienen en daardoor hier en hiernamaals

 

gelukkig te zijn.’ Ze keek me er niet eens

bij aan: ‘Dat jij nog gelooft in dat gezemel.’

 

 

Huub Beurskens – Hotel Eden. Nieuw Amsterdam, 17,50 euro, 46 pagina’s, isbn 9789046815274

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Zie verder: NRC Handelsblad, Cobra.be 



Bookmark and Share

Comments are closed.