Janita Monna. Verplichte lectuur, ook voor politici

 

Frank Martinus Arion – Heimwee en de Ruïne

 

Voor de meeste Nederlanders is 10.10.10 een datum als alle andere. Maar voor Antillianen is het een bijzondere dag, want op 10 oktober 2010 hield het land ‘Nederlandse Antillen’ op te bestaan.

Afgelopen vierde Curaçao dat het nu drie jaar op eigen benen staat; op diezelfde dag werden de verzamelde gedichten van Frank Martinus Arion gepresenteerd. Niet toevallig. Want Arion, in Nederland vooral bekend van zijn roman Dubbelspel, is een ‘Yu di Kòrsou’. Een ‘landskind’, dat de sfeer van zijn geboorte-eiland zinderend beschreef, niet alleen in zijn klassieker over de vier domino spelende mannen, maar ook in verhalen. En in poëzie.

Daaruit is nu een ruime selectie bijeengebracht onder de titel Heimwee en de Ruïne. Daarin gaat het vaak over identiteit, mooier uitgedrukt als: ‘Twee continenten op je lippen/ Balanceer ze maar jongen’.

In zijn oorspronkelijk in 1957 verschenen bundel ‘Stemmen uit Afrika’ neemt Arion als ‘gids’ blanke toeristen mee naar het donkere woud. In deze afstammingsliederen – eenvoudig, soms wat statig van taal, en opzwepend van ritme – worden eeuwenoude vooroordelen van de blanke man over de zwarte omgedraaid: donker is niet langer gevaarlijk, maar puur. ‘waarom zou de witte wereld anders/ zich hebben ingescheept naar/ de dichte wouden, zoekende,/ alsof zij iets verloren hebben?’ Arions blik op de koloniale geschiedenis, op de Antilliaanse samenleving en het tussen twee werelden,  wordt vermengd met Bijbelse en mythologische verhalen: ‘wist ge dat negers niet vervloekten zijn;/ doch gezuiverden, omdat de zon uit hen/ het kwaad heeft weggebrand?’

De stem van deze Curaçaoënaar, die lang in Nederland woonde, is rijk aan schakeringen. Hij klinkt gedragen en speels, surreëel en spreektalig. Grote woorden heeft hij niet nodig. Nogal eens neemt hij stelling in zijn gedichten, maar door zijn humor en door zijn zwoele sensualiteit wordt het nooit drammerig. Zijn Curaçao, het ‘kleine eiland van 63 kilometer’, bezingt hij met liefdevolle weemoed; plagerig drijft hij de spot met de ‘blanke negerinnen’, vrouwen die trots zijn op hun lichte, bijna blanke huid, maar die van binnen ’zwart’ zullen blijven: want zodra er muziek klinkt, zullen ze door hun ‘achterwerk’ verraden worden. Ook Afrika verheerlijkt hij niet, omdat negers daar evengoed ‘oorlog maken’ voor een ‘goed kostuum.’

In 1969, het jaar dat een staking van Shell-werknemers uitmondde in een volksopstand en Willemstad in brand stond, schreef Arion: ‘Dichters gaan de plaatsen innemen van politici/ En economen’. Zover zal het niet snel komen.

Maar veertig jaar oud of niet, de gedichten zijn onverminderd actueel: zoals ‘Dubbelspel’ verplichte lectuur is voor iedereen die meer van Curaçao en de (voormalige) Antillen wil begrijpen, is Heimwee en de Ruïne dat ook. En zeker voor politici.

 
DE BLANKE NEGERINNEN

 

Ik houd van die Antilliaansen die zeggen

Ik ben geen negerin, althans niet meer,

Omdat hun huid zo blank is zeggen zij dit

Maar hun achterwerk verraadt hen:

 

Het blijft door de jaren heen even los.

 

Hun vlees is lillerig onder hun nieuwe

Kleur en gaver stel ik mij voor

Als het ineens de muziek van bongo’s hoort

En reageert op de onfeilbare voorouders.

 

Als dat vlees de gladde gezichten

Van de wulpse maraca’s voelt

Hoe kan het in godsnaam nee zeggen!

En wie weet, wie weet hoeveel gevoel

 

Dat vlees ondanks zijn kleur toch nog bezit.

 

Het perst zich soms naar me toe als een golf

Brengt mij zelfs aan het schrikken en wankelen

Als een rijkdom die ik niet verwacht

En wat er tussen die borsten aan beweging gebeurt,

 

Wie kan het zeggen die het niet heeft zien aan-

Komen en gevoeld; en van dichtbij vastgehouden.

O, terwijl daarboven hun glimlach heilig zegt

Gebeuren er daaronder dingen, die ik eigenlijk

 

Niet volledig hier kan openbaren.

 

Dikker zijn ze vaak die negerinnen, echter beweeglijker

En bewerkelijker en, door wat overtollig vlees

Van wellicht een beter leven, wijder in het midden.

Maar ze zijn toepasselijk als een haven.

 

En hun voordelen zijn heimelijker.

 

Ik ben allang tot hun bestaan ontwaakt.

Tot die soepele taal van hun borsten,

Die veel seinen, als vogels en als seismografen.

Het wachtwoord voor hen is: Wees snel maar stil;

 

Want ze haten luidruchtige en langzame negers.

 

 

Frank Martinus Arion – Heimwee en de ruïne. De Bezige Bij, Amsterdam; 192 pagina’s, 24,90 euro, isbn 9789023482932

(Tegelijk met de dichtbundel is ook de documentaire ‘Frank Martinus Arion: Yu di Kòrsou’ uitgebracht. De film van regisseur Cindy Kerseborn toont thema’s in leven en werk van deze grote, inmiddels bejaarde Antilliaanse schrijver, via gesprekken met hemzelf en met mensen uit zijn meer of minder directe omgeving.)

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Zie verder: de Volkskrant



Bookmark and Share

Comments are closed.