Janita Monna. Dwanggedachten en waandenkbeelden

 

Lieke Marsman – De eerste letter

 

De ‘a’ is de eerste letter van het alfabet en de ‘a’ is ook de eerste letter van het woord ‘angst’. Tot zover geen nieuws. Vermeldenswaardig wordt het pas als die beide, taal en angst, een speciale verbinding aangaan. Zoals dat gebeurt in de nieuwe bundel van de jonge dichteres Lieke Marsman, waarin angst voor van alles en nog wat de poëzie in de weg zit: ‘Poëzie / lijkt me vandaag (…)/een oude geliefde/ van wie ik het nummer/ nog niet uit mij telefoon/ durf te wissen’.

Dat Marsman een denker was, toonde ze al in haar debuut Wat ik mijzelf graag voorhoud (2010), waarvoor ze zo’n beetje alle debuutprijzen kreeg. In die gedichten was een kleine anekdote of gebeurtenis genoeg om een uitdijend heelal van gedachten op te tuigen.

Maar in De eerste letter is de taal niet meer zo vanzelfsprekend. Poëzie is verdrongen door dwanggedachten (alle staten van Amerika in alfabetische volgorde zetten) en waandenkbeelden (‘Als alles op mij betrekking had’) die een eigen leven leiden en die maar moeilijk tot bedaren gebracht kunnen worden. Op papier klinkt het ongeveer zoals het er in het hoofd aan toe moet gaan, er is voortdurend gepraat: Marsman dicht alsof ze mompelt in zichzelf, dan als ruziet ze met (ex)vriendjes, om zich plotseling te realiseren: ‘tegen wie praat ik eigenlijk?’

Die gedachten schakelt ze losjes aaneen, hink-stap-springend van bijvoorbeeld wolven, naar een schorpioen naar een geit met een navelstreng. Ofwel, ze hult paniek in een flinke dosis absurditeit. Zonder door zich overigens te overschreeuwen. Integendeel, want in de kieren van die groteske situaties, is angst en kwetsbaarheid voelbaar; niet voor niets valt nu en dan het woord ‘zacht’.

De bundel is te lezen als een poging de taal weer terug te krijgen, zich al pratend aan de haren uit het moeras te trekken en rust in het hoofd te vinden: ‘De mooiste mens/ is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen/ woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje/ thee.’ Maar waar aanvankelijk gezocht wordt naar hulp – ‘dat iemand me hieruit tilt’ – eindigt De eerste letter met een wiegeliedje. De panische storm, lijkt te zijn gaan liggen. Er is rust, er is iets als een begin van liefde voelbaar, en ook de poëzie is terug: ‘Is er een einde aan dit ontegenzeggelijk zwijgen// ten overstaan van het gehamer van binnen?’

Het wiegeliedje leest zelfs als een teder en praktisch levensadvies. Met een paar regels die zo op een tegeltje kunnen:

 

het moeilijke aan ouder worden is niet

dat je steeds verdrietiger wordt

maar dat je steeds meer woorden krijgt

om je verdriet te beschrijven

 

 

 

POËZIE

 

Op het moment voelt het wel

een beetje alsof ik weer achter het

zwembadgebouw een verstopplaats

loop te zoeken ja, een vochtige plek

met plastic frietbakjes

en bladgroen voor mijn ogen.

Ver weg knaagt iets

een weg in mij, wat veiligheid

zou kunnen zijn, maar zo

voel ik me eigenlijk altijd

wel een beetje als ik net

ben klaargekomen

en alleen nog maar het muffe dons

van de dekens ruik. Ik probeerde

De hele dag op het woord

‘Bastognekoeken’ te komen

en toen dat eindelijk lukte, bleef ik

gewoon op bed zitten. Poëzie

lijkt me vandaag een land

waar ik geen ticket naar toe

heb gekregen, een oude geliefde

van wie ik het nummer

nog niet uit mijn telefoon

durf te wissen, een ver eiland

vol pinguïns.

 

Lieke Marsman – De eerste letter. Van Oorschot. 64 pagina’s, 14,50 euro, isbn9789028260580

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.
 Zie verder: de Volkskrant, Cultuurbewust.nl, Meandermagazine.net, Liter, NRC Handelsblad 



Bookmark and Share

Comments are closed.