Janita Monna. Poëzie als dansend denken

 

Hélène Gelèns – applaus vanuit het donker

 

D nw bndl vn Hln Glns s t. Wie nu denkt dat het toetsenbord van de recensent kaduuk is, die heeft het mis, en ook de eindredacteur heeft niet zitten slapen. Bovendien, zo moeilijk was het waarschijnlijk niet om dat eerste zinnetje te ontcijferen. Klinkers worden vanzelf aangevuld – het is een grapje, testje, dat vaker rondgaat en dat laat zien: mensen lezen op woordbeeld.

Toch bevat applaus van uit het donker, zoals de nieuwe bundel van Hélène Gelèns heet, een gedicht dat het invullend vermogen van de hersens op de proef stelt. Het laat zien dat wat vanzelfsprekend lijkt, dat niet hoeft te zijn. ‘is h  t:  ik  tege  d  laarz n?’ Je zou het kunnen lezen als ‘Is het: ik tegen de laarzen?’ Maar Gelèns doet op de pagina ernaast een andere suggestie: ‘is het: zwik tegen danslaarzen?’ Een intrigerende vraag.

Gelèns debuteerde in 2006 in de Sandwichreeks van toenmalig Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij, voor haar tweede bundel zet af en zweef ontving ze de Jan Campertprijs: haar naam is stevig gevestigd, zelfs al staan er pas drie bundels achter.

Misschien wel meer dan in de eerdere bundels staat de ‘taaI’ op de voorgrond. En bij dichters met het klank- en ritmegevoel van Gelèns leidt dat tot uiterst muzikale poëzie, die nu en dan zelfs aanschuurt tegen de klankpoëzie. Een voorbeeld uit het gedicht waarmee de bundel opent:

 

je bepaalt: dat is pluis dat is niet pluis

dit hier pluis dat daar niet pluis

vroeger niet pluis nu pluis en straks

 

vanuit het donker applaus

 

Het zijn haast dansende zinnetjes, met een soepel ritme en een subtiel ploffend rijm (‘pluis’- ‘applaus’), dat die lichte zinnetjes niet alleen iets onbehaaglijks geeft, maar ook meteen naar de kern van de bundel leidt: intuïtie, denken en de invloed van de buitenwereld en hoe die drie zich tot elkaar verhouden.

Bij Gelèns mondt dat niet uit in poëzie waar de theorie als een zware deken overheen gedrapeerd is. Eerder is het een soort spelend essayeren, waarbij ze leentjebuur speelt bij de filosofie, de exacte wetenschap, de literatuur en andere kunsten. Zie een gedicht als ‘Onraad’, waarin ze die disciplines bijeenbrengt. Het opent met slechts een paar woorden die meteen een verhaal vertellen: ‘voet voet vloer voet riek voet vloer’. (Voel het ritme.) Hier stapt een argeloos iemand een schuur/wei in waar gevaar dreigt. Maar Gelèns laat de anekdote voor wat die is en volgt een andere weg. Ze zorgt ervoor dat het gevaar onschadelijk gemaakt wordt – door de hersens, de verbeelding. Dus klinkt het opbeurend: ‘vertrouw op je denkkracht, je verwacht een riek/ bedenk een niet-riek een onriek iets a-riekaals’. Het is poëzie als dansend denken en Gelèns sleurt de lezer erin mee.

 

SLUITINGSTIJD

 

je bepaalt: dat is pluis dat is niet pluis

dit hier pluis dat daar niet pluis

vroeger niet pluis nu pluis en straks

 

vanuit het donker applaus

en je zegt ijdelheid ijdelheid

alles is ijdelheid, je schrapt

(ijdelheid der ijdelheden)

zegt alles is! alles is!

alles is maar wat het is, je schrapt

alles! alles! zeg je ineens

vijf uur is de sluitingstijd van alles

 

terwijl je nog schrapt: alle all al a

applaus vanuit het donker

en je weet niet: pluis of niet pluis

 

Hélène Gelèns – applaus vanuit het donker. Cossee, 64 pagina’s, 16,90 euro, isbn 9789059363960

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.



Bookmark and Share

Comments are closed.