Yves T’Sjoen. Oor Elisabeth Eybers en Jan van Nijlen

“fluwelig vloog een uil voorbij”. Elisabeth Eybers en Jan van Nijlen

Voor de opstellenbundel Over de grens van de tijd (1997) beschrijft Pierre H. Dubois in een biografisch-anekdotische bijdrage ‘[d]e literaire familie van Jan van Nijlen’. Jan Greshoff, in 1939 Nederlands immigrant in Zuid-Afrika, krijgt in die kroniek een hoofdrol toebedeeld. Elisabeth Eybers behoort ook tot de literaire genealogie van Van Nijlen. Al was het maar voor het gedicht ‘In die Domkerk’, opgedragen aan Jan van Nijlen en opgenomen in de openingsafdeling ‘Gedigte’ van de bundel Neerslag (1958). Mogelijk door bemiddeling van Greshoff, maar zeker door toedoen van de Amsterdamse uitgever Geert van Oorschot, kwamen Jan van Nijlen en Elisabeth Eybers in de loop van 1958 in contact met elkaar.

In Zuurvrij. Berichten van het Letterenhuis, het ledenblad van het gelijknamige instituut in Antwerpen, verschijnt vanaf de eerste aflevering de rubriek ‘Friends Abroad’. Ter gelegenheid van de zilveren jubileumaflevering in 2013 organiseerde het Letterenhuis vanaf 12 april tot 29 juni 2014 de expositie ‘Verre vrienden. Brieven van buitenlandse schrijvers’. In vitrinekasten zijn de voorbije maanden de brieven van buitenlandse en Vlaamse schrijvers, componisten en beeldende kunstenaars geëxposeerd die het internationale netwerk van auteurs zoals Victor Brunclair, Gust Gils, Herman de Coninck en Hugo Raes documenteren.

In aflevering 24 van Zuurvrij publiceerde Jan Robert een documentaire bijdrage over de correspondentie tussen Eybers en Van Nijlen, meer bepaald naar aanleiding van de vier brieven van Eybers die zich in de literaire nalatenschap van Van Nijlen bevinden. Mijn aandacht is vandaag weer gevestigd op de briefwisseling dankzij een tekst van Diane ’s Heeren in Zuurvrij 26 (juni 2014). Terugblikkend op de expositie in het Letterenhuis merkt ’s Heeren op dat de tentoongestelde brieven van Eybers “iets [laten] zien van het verlangen naar verwantschap en contact met het verre Europa”. Naar aanleiding van deze retrospectie las ik de tekst van Jan Robert opnieuw. Onder de titel ‘Die late maar tog tydige kennismaking van Elisabeth Eybers met die digter Jan van Nijlen’ worden de brieven geciteerd en van commentaar voorzien die tussen 16 juni 1958 en 26 mei 1959 tussen de Zuid-Afrikaanse dichteres en de Vlaamse schrijver zijn gewisseld.

Uitgeverij G.A. van Oorschot gaf in 1957 een eerste editie uit van Eybers’ Versamelde gedigte. Van Nijlen liet de Nederlandse uitgever Geert van Oorschot weten dat met Eybers’ verzameluitgave “een prachtboek” was verschenen van een schrijfster die “met dat Afrikaans [wonderen doet]” (het citaat is overgenomen uit Ena Jansens’ boek Afstand en verbintenis. Elisabeth Eybers in Amsterdam, 1998). Ook omgekeerd sprak Eybers zich in lovende bewoordingen uit over Van Nijlens poëzie die in een door Clem Bittremieux samengestelde auteurseditie was verschenen.

Eybers’ eerste kennismaking met de gedichten van Jan van Nijlen kan worden gedateerd in mei-juni 1958, toen de Zuid-Afrikaanse schrijfster een reis ondernam in Duitsland, Oostenrijk, Italië en Frankrijk. Jan Robert noteert dat de vroegst gedateerde brief, 16 juni 1958, enkele weken na een eerste of zelfs enige ontmoeting tussen beide schrijvers in aanwezigheid van beider uitgever plaatsvond. Eybers las in het voorjaar van 1958 blijkbaar ’s avonds voor het slapengaan telkens een tweetal gedichten van Van Nijlen, in een boekuitgave die ze van Van Oorschot te leen had gekregen, en ze was naar eigen zeggen danig onder de indruk. Van Nijlen had net tevoren zijn laatste dichtbundel Te laat voor deze wereld (1957) uitgegeven en in een brief de dato 26 mei 1959 noemt Eybers met name Van Nijlens ‘Twee minuten lente’ (uit De slaapwandelaar, 1948) het gedicht “wat ek telkens met diep ontroering herlees”.

Letterenhuis-medewerker Jan Robert, die de correspondentie uitstekend becommentarieert, wijst er op dat Eybers tijdens haar lectuur aan het eind van de jaren vijftig van de verzamelbundel een gedicht voor Van Nijlen heeft geconcipieerd. Vanuit Johannesburg stuurde zij het typoscript met de titel ‘In die domkerk (vir Jan van Nijlen)’ naar de Brusselse auteur. In diezelfde brief beklemtoonde zij dat Van Nijlens poëzie in de jaren vijftig “’n proses van ‘verjonging’ uit innerlike noodsaak” doormaakte (brief dd. 4 september 1958). Eybers onderstreepte in een volgende brief (dd. 26 mei 1959) dat het enthousiasme van en de vriendschap met Van Oorschot haar weer aan het schrijven brachten en dat zij zich distantieerde van de officiële literatuur van Zuid-Afrika. In datzelfde schrijven vroeg zij Van Nijlen om een gekalligrafeerde versie van ‘Twee minuten lente’. Zijzelf voegde twee typoscripten toe aan de brief die de gedichten ‘Oorsig’ en ‘Briewebesteller’ bevat en later zijn gebundeld in Balans (1962). Het eerste gedicht zou na voordracht door Geert van Ooschot Van Nijlens uitgesproken voorkeur hebben genoten.

Het is Jan Robert bij gebrek aan voldoende documentair materiaal onduidelijk of na Eybers’ echtscheiding en haar migratie naar Amsterdam nog een volgende ontmoeting met de bejaarde Vlaamse dichter plaatsvond. Van Nijlen was in 1961 zevenenzeventig, Eybers zesenveertig. Pas eind jaren vijftig, naar Eybers’ zeggen door toedoen van Van Oorschot, heeft zij zich resoluter op haar schrijverschap gericht en niet langer op haar “lewe as huisvrou en sakenmansvrou”. Het is precies in deze cruciale periode dat Elisabeth Eybers haar liefde voor Van Nijlens werk heeft uitgesproken.

Zoals zij al schreef in de eerste brief, juni 1958, was de lectuur van Van Nijlens poëzie “’n heerlike ervaring, wat gelukkig nog lank zal voortduur”. Eybers’ poëziedebuut Belydenis in die skemering (1936) is de expressie van een neoklassieke poëtica en dus van een vormbewustzijn. Motieven als vergankelijkheid, verlangen en melancholie zijn karakteristiek voor haar (eerste) bundels. In dat opzicht zie ik een raakvlak met Van Nijlens oeuvre dat in de periode van de briefwisseling (1958-1959) nagenoeg zijn voltooiing bereikte. Het verdient hoe dan ook aanbeveling de poëticale raakvlakken tussen de jonge Zuid-Afrikaanse auteur en de neoclassicistische schrijver Van Nijlen van dichterbij te bekijken. Jan Roberts verzamelde archivalia zijn de uitgelezen basis voor een diepgravender poëticale lezing van ‘Twee minuten lente’ en ‘In die Domkerk’. Bij uitbreiding geldt dat voor méér werk van beide dichters.

Twee minuten lente

Ik wist niet dat de maan hier scheen

boven de naakte beukebomen

in de eerste dagen van april.

Nooit is een voorjaar zo gekomen,

zo plotseling, zo fel, zo pril:

er waarden ongekende geuren,

de kruin der bomen wiegde zacht,

de struiken, in den vroegen nacht,

kregen een schijn van kleuren.

Het duurde slechts een paar minuten,

fluwelig vloog een uil voorbij,

een wind stak op, de regen viel

en al de voorjaarsattributen

lagen verregend in de klei.

Toen zag ik dat nog lichten brandden

aan vele vensters in de stad,

ik dacht: ik heb dit jaar mijn deel

aan zuiverheid en jeugd gehad,

maar twee minuten is niet veel.

(De slaapwandelaar, in Verzamelde gedichten, 1964, p. 324).

In die Domkerk

(vir Jan van Nijlen)

’n Somber vrou omhels die smal biegkraam

selfkruisigend op soek na sielerus

en bo haar hoof brand heerlik, ongeblus

ná driekwartduisend jaar, die kleureraam.

Vergeef my onbegrip, ook ek is vrou

en glo die kunstenaar, nie die priester, het

iets uit die paradys vir my gered:

elkeen bly aan haar eie nood getrou.

(Neerslag, in Versamelde gedigte, 1995, p. 181).

Geraadpleegde bron: Jan Robert, ‘Die late maar tog tydige kennismaking van Elisabeth Eybers met die digter Jan van Nijlen’, in Zuurvrij. Berichten uit het Letterenhuis 24, juni 2013, p. 98-105.

Bookmark and Share

Comments are closed.