Yves T’Sjoen. Over Roland Jooris en Elisabeth Eybers

Sturende dichters in de achteruitkijkspiegel. Over Roland Jooris en Elisabeth Eybers

Velerlei strategische en marktgerichte overwegingen, bekommernissen die de zichtbaarheid van een dichterschap betreffen en poëticale opvattingen – de inschattingslijst is om evidente redenen allesbehalve exhaustief ─ kunnen ten grondslag liggen aan de presentatie van een oeuvre-in-opbouw. Indien de schrijver een bloemlezing uit de eigen poëzieproductie samenstelt, kan de uitgave de waarde hebben van of in ieder geval worden gelezen als een poëticaal statement. Indien actuele poëzieopvattingen moet worden scherp gesteld, wordt vanzelfsprekend overwegend uit recent werk gekozen (type Jooris). Mogelijk tracht de dichter als een curator van de eigen publieke ruimte of als geschiedschrijver van het literaire optreden de ontwikkeling van het schrijverschap afdoende in kaart te brengen (type Gerlach of Knibbe). Er zijn ook auteurs die op thematische of stilistische gronden een eigen keuze presenteren (type Snoek) of die veeleer anachronistisch en zelfs retrospectief van het meest recente naar het oudere werk aan de slag gaan (type Nooteboom).

Verzamelbundels en beeldconstructies

In de Nederlandstalige poëzie hebben schrijvers met uiteenlopende poëtica’s zelfbloemlezingen of auteursedities met verzamelde gedichten samengesteld, zoals (et j’en passe malheureusement beaucoup) Benno Barnard, J. Bernlef, Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Remco Campert, Hugo Claus, Herman de Coninck, Christine D’haen, Charles Ducal, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Peter Holvoet-Hanssen, Roland Jooris, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Rutger Kopland, Gerrit Komrij, Anton Korteweg, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens, Cees Nooteboom, K. Schippers, Miriam Van hee en Eddy van Vliet. De selectiecriteria voor de keuze zijn zoals gezegd divers te noemen. In alle gevallen gaat het over geautoriseerde tekstuitgaven: de schrijver stelt zelf samen en herschrijft, zorgt voor een nieuwe compositie, voegt woorden, regels en strofen toe of laat weg. Bekend is dat Nolens in de drie verzamelbundels die hij samenstelde, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven (2012), telkens de eerste bundels Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973) buiten beeld hield. Variantenstudie wijst uit dat vroeger werk in die verzamelingen opmerkelijk meer wijzigingen vertoont dan publicaties van recentere datum. In Hart tegen hart ondergingen alle titels tot De gedroomde figuur (1986) – Nolens’ doorbraak bij een breder publiek ─ emendaties, toevoegingen en herschrijvingen. Aandacht voor de vroege experimentele poëzie en Nolens’ betrokkenheid bij het tijdschrift Labris (1962-1973), zoals in Poëziekrant (2013/8), zal er volgens de dichter (in een e-mail aan ondergetekende) toe leiden dat binnen afzienbare tijd een verzameling met de (bewerkte) vroegste experimenten zal tot stand komen. Ook Gruwez, met de verzamelbundels Bandeloze gedichten (1996) en Garderobe (2010), heeft het debuut Stofzuigergedichten (1973) consequent buitengesloten. Ducal bracht in de verzamelde gedichten Alsof ik er haast ben (2012) minimale varianten aan maar deze tekstwijzigingen zijn niet zonder betekenis. Datzelfde geldt voor Gerlachs verzameling Het gedicht gebeurt nu (2010) en Hertmans’ Muziek voor de overtocht (2006).

Schrijvers kunnen naar eigen goeddunken en al dan niet op voorspraak van of in overleg met een uitgever, een redacteur, een criticus of een collega-dichter ouder tekstmateriaal onder handen nemen en op een variante wijze aanbieden aan het hedendaagse leespubliek. De verzamelde varianten – van gewijzigde titels, tekststructuur en bundelarchitectuur tot variante tekstregels, weglating of toevoeging van motto’s en opdrachten enzovoort – leveren boeiend tekstmateriaal voor poëtica-, stijl- en bijvoorbeeld ook compositieonderzoek.

Roland Jooris in retrospect

Roland Jooris

Roland Jooris (1936) heeft tot vandaag drie keer een keuze uit zijn literaire productie samengesteld: Gedichten 1958-78 (1978), de bloemlezing in de reeks Dichters van nu (nr. 9, 1997) en onlangs Sculpturen. Een keuze uit het werk (2014). In het inleidende essay van Carl de Strycker wordt verduidelijkt welke selectiegronden Jooris telkens weer in stelling brengt: “In Gedichten 1958-78 werd gekozen voor een actuele stand van zaken eerder dan voor een volledig beeld. Anders dan de titel doet vermoeden, bevat dit boek dus niet al de gedichten die Jooris tussen 1958 en 1978 schreef. Wel is het een doordachte keuze vanuit de opvattingen anno 1978” (2014: 6). De Strycker preciseert verder nog: “Geen verzameld werk dus en ook geen representatieve bloemlezing waarin wat algemeen beschouwd wordt als kenmerkend werk samengebracht wordt, maar wel een bundeling van die verzen die vanuit de huidige inzichten van de dichter overeind blijven” (2014: 6-7). Jooris heeft met behulp van een nieuwe zelfbloemlezing, met overwegend gedichten uit recente bundels en tien vooralsnog ongepubliceerde teksten, inderdaad een nieuw frame geconstrueerd. Door bepaalde accenten te leggen en latere gedichten naar het voorplan te schuiven kun je ook de vroege poëzie van deze schrijver vanuit dat perspectief anders gaan lezen. De Strycker toont overtuigend aan dat in de zogenaamde nieuw-realistische bundels Een konsumptief landschap (1969), Laarne (1971) en Het museum van de zomer (1974) “autonomie en abstractie” (2014: 8) al centraal stonden, dat ook toen het “ultieme doel [was] om de taal in haar loutere materialiteit te tonen, ontdaan van haar verwijzende functie” (p.12) en dat de dichter “de zoektocht van een dichter [verbeeldt] naar de onvermoede mogelijkheden van de taal” (2014: 15). De Strycker betoogt dat er, in tegenstelling tot de beeldvorming in de literatuurgeschiedschrijving, geen sprake kan zijn van een poëticaal breukmoment of een spectaculaire dichterlijke ontwikkeling maar dat veeleer moet worden gesproken over “een consequent dichterschap en een consistent oeuvre” (2014: 8).

Interessant aan deze casus is niet alleen dat de schrijver een autokritisch en sturend beeld construeert van het literaire werk en daarvoor stringente keuzes maakt zodat veel dichtwerk, ook de bekende of meest besproken en geciteerde gedichten in het oeuvre, buiten beeld blijft. Roland Jooris laat de lezer zien dat voor hem het gedicht een “talig construct” is, een grafisch ontwerp of een sculptuur, en de poëzie niets anders dan een verbeelde werkelijkheid creëert. De schrijver maakt zich op die manier helemaal los van het cliché van de nieuw-realistische dichter die louter wil registreren en de blik op de realiteit met behulp van het woord intensifieert. Sculpturen biedt de lezer van vandaag niets minder dan een leeswijzer aan, een gebruiksaanwijzing der poëzie, en stelt hem of haar in staat de hardnekkige clichébeelden te retoucheren en de gedichten, ook het werk van de jaren zestig en zeventig, nu anders te lezen.

Drukvergelijkend onderzoek dat ik de afgelopen jaren samen met studenten heb ondernomen, zoals in de context van een seminarie editiewetenschap, heeft bijgedragen tot onder meer een verfijnder poëticaonderzoek, inzicht in de ontwikkeling van een schrijversidioom, van de componeerpoëtica, stilistische en thematische verschuivingen.

Elisabeth Eybers en weerzin voor indiscretie

Elisabeth Eybers

Een soortgelijke studie kan worden opgezet voor Elisabeth Eybers (1915-2007) en zonder twijfel méér Zuid-Afrikaanse schrijvers. Dezer dagen herlees ik de Versamelde gedigte (1990, 1995 en 2004). Achter in de fraaie uitgave van 1995, verschenen naar aanleiding van haar tachtigste verjaardag, liet de schrijfster de volgende verantwoording opnemen:

Hierdie versamelbundel bevat die gedigte wat ek tussen my sewentiende en agt-en-sewentigste jaar geskrywe het, met die volgende uitsonderings: veertig van die ses-en-veertig verse uit my eerste bundel wat in 1936 verskyn het en uiteraard uit onervare jeugwerk bestaan, ’n stuk of tien gedigte uit die drie daaropvolgende bundels, asook één vers uit die werk wat ontstaan het nà my landverhuising in 1961. Die afgekeurde verse lyk my by nader insien op namaak, in die laasgenoemde geval wél eg maar indiskreet. (1995: 653)

Hoewel ook de Versamelde gedigte (G.A. van Oorschot, Amsterdam 1957) maar zes gedichten uit het debuut bevat, wordt de keuze pas voor het eerst geëxpliciteerd in een uitgeversnoot van Gedigte 1936-1958 (Tafelberg, Kaapstad 1978): “By die samestelling van Gedigte 1936-1958 is in oorleg met die digteres besluit om net ses gedigte uit Belydenis in die Skemering op te neem”. In de latere vermeerderde drukken in de fondsen van Human & Rousseau, Tafelberg Uitgewers en Querido is Eybers’ toelichting steeds opgenomen.

Deze auteursuitspraak doet me denken aan Herman de Coninck en diens verwerping van de leeseditie met alle gedichten van Hans Lodeizen. De Coninck sprak over de uitgekieperde prullenmand van de door hem bewonderde dichter Lodeizen. Opname van door de schrijver verworpen gedichten doet afbreuk aan het beeld dat De Coninck zich van zijn geadoreerde dichter heeft gevormd. Ook Eybers zou opname van de meeste gedichten in Belydenis in die skemering (1936), op zes teksten na, als “indiskreet” beschouwen. Of in een parafrase van de verantwoording die Nolens in elk van zijn verzamelbundels laat opnemen: toen had zij misschien naar later inzicht  wel al woorden maar nog geen taal. Het tekstvergelijkende onderzoek kan een aanvang nemen.

Bronnen

Elisabeth Eybers, Versamelde gedigte. Human & Rousseau/Tafelberg, Kaapstad 1995.

Roland Jooris, Sculpturen. Een keuze uit het werk. Carl de Strycker (inleiding), [Roland Jooris en] Bart van der Straeten (samenstelling). Poëziecentrum, Gent 2014.

Bookmark and Share

Comments are closed.