Yves T’Sjoen. “Sy drif en drang” – Dirk J. Opperman in de sterrelingse nacht van Jonkershoek

 

Gisteren is op initiatief van het Departement Afrikaans en Nederlands van de Universiteit Stellenbosch het eeuwfeest van Dirk Jan Opperman (1914-1985) met luister en bloemen gevierd. Op 29 september 2014 zal het precies honderd jaar geleden zijn dat deze dichter, bloemlezer, criticus en hoogleraar is geboren. Opperman is een geprezen en geprijsd dichter-criticus met in totaal vier eredoctoraten van Zuid-Afrikaanse universiteiten. Het ging maandag over een icoon van de Afrikaanse letteren.

Het huldebetoon bestond uit een opeenvolging van persoonlijke getuigenissen, onder anderen van André P. Brink, Etienne Brits en Lina Spies, spitante en wel eens larmoyante anekdotes en de voordracht van een keur uit Oppermans verzamelde gedichten. Opperman had nogal wat verzamelde gedichten uitgegeven en een Groot Verseboek – waarvan Brink later het redacteurschap zou overnemen. Oud-collega’s en studenten, onder wie de professoren Ronel Foster, Joan Hambidge, Chris van der Merwe en feestorganisator Dorothea van Zyl, alsook twee van de drie dochters van de schrijver-academicus voerden het woord in een goedgeluimd auditorium van het Wilcocksgebouw, de plek waar vroeger het departement was gevestigd.

In mijn colleges over Afrikaanstalige literatuur aan de Universiteit Gent krijgt Opperman een hoofdrol toebedeeld. Obligaat zijn de referenties aan zijn multitaskende aanwezigheid in het Afrikaanse literaire bedrijf, van canoniserende anthologist en proactieve apologeet van dichters en hun bundels tot charismatisch initiator van het Letterkundig Laboratorium in Stellenbosch. Ik lees dan vooral gedichten zoals ‘Ou kandelaar’ en het veel gebloemleesde ‘Dood van Opperman’. Gerrit Komrij heeft onder meer die teksten opgenomen in zijn persoonlijke staalkaart De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999).

De dichter Opperman was geen belijdeniskunstenaar. Hij had het herhaaldelijk, in lezingen en essays, over het gedicht als een objectief correlaat. In de schrijver ging een Afrikaanse T.S. Eliot schuil: gedichten met een gesloten structuur of, zoals Etienne Brits het gisteren verwoordde, poëzie waarin zo veel méér schuilgaat dan de tekst voorwendt. Het is, met Joan Hambidge, de poëzie die de schrijver vandaag in leven houdt. Het proefschrift Digters van Dertig mag dan wel nog steeds geroemd worden, het is de dichter die vandaag wordt gelezen. Ik vraag me daarbij af in hoeverre Oppermans dichterlijke oeuvre en poëticale opvattingen nog doorwerken in de literaire productie van jonge dichters in het Afrikaans. De lectuur door Joan Hambidge van enkele gelegenheidsgedichten kan wijzen op een doorwerking, in de periode na het optreden van onder anderen Lina Spies,maar Hambidge was dan ook alweer een betrokkene, een bevoorrecht  toeschouwer tijdens Laboratoriumsessies die de poëziegoeroe Opperman regelmatig in de Eikestad organiseerde.

De viering baadde in een atmosfeer van gezellige welwillendheid en droeg ook wel een zweem van nostalgisch besef. Na afloop toog ik naar het huis waar Opperman heeft gewoond, nu omzoomd door een kale witte muur en beveiligd tegen het gevaar.

Gisterenavond is de evergreen van de Afrikaanse dichtkunst voorgelezen door Johan Nel. Het gedicht doet me soms denken aan Jan van Nijlens ‘De dubbelganger’, waarin de schrijver een personage opvoert dat zijn naam draagt. Er zit, in tegenstelling tot Van Nijlen, zelfspot in Oppermans tekst: “jy sou hom nooit/aangesien het vir ’n digter”. Dat laatste deed men gisteren in Stellenbosch niettemin met empathie en trots: een dichter is gefêteerd in een volstrekt wit auditorium.

Jonkershoek was mooi in de lentenacht. Ik dacht er aan de woorden dat “hy driftig oorlog [het] verklaar/teen skyn, teen skynheiligheid”. Die oorlog woedt nog elke dag.

 

DOOD VAN OPPERMAN

 

Hy was ’n mens van hierdie grond

en het as mens doodnugter

tussen sy medemense rondbeweeg —

jy sou hom nooit

aangesien het vir ’n digter.

 

In swaar tye van ons stryd:

die oorgang dertig — vyftig,

het hy driftig oorlog verklaar

teen skyn, teen skynheiligheid

en die belangrike barbaar.

 

Groot ingespan en groot ontspan,

soos Goethe gesê het:

‘Niks mensliks

het hom ooit verbygegaan.’

Dit was Dirk Opperman.

 

Later was daar in sy drif en drang

wel iets angswekkends, en sy vriende

het dikwels onder mekaar die vraag

gestel: “Waarom word dié driftige man

se einde dan so tragies vertraag?’

 

Nogtans, sy dood die bly ’n skok,

soos die dood van elke mens maar skok.

Aan sy vrou en kinders

wat bewus was van sy doel,

spreek Die Burger sy diepste meegevoel.

 

 

© DJ Opperman (Uit: Komas uit ‘n bamboesstok, 1979: Human & Rousseau)

 

 

Bookmark and Share

2 Kommentare op “Yves T’Sjoen. “Sy drif en drang” – Dirk J. Opperman in de sterrelingse nacht van Jonkershoek”

  1. Joan Hambidge :

    Dit was ‘n ongelooflike aand met verskillende perspektiewe. Ons had elkeen 6 minute …

    http://joanhambidge.blogspot.com/

  2. Gisela Ullyatt :

    Komas uit ‘n Bamboesstok bly een van die mees revolusionêre bundels in Afrikaans wat oor die persoonlike siekte-ervaring gaan. En natuurlik betrek dit terselfdertyd soveel meer. Ek sou bittergraag hierdie geleentheid en huldiging wou bywoon.