Luuk Gruwez. Tussen slak en God



De mens is blijkbaar het enige wezen dat geen enkel talent voor sterven heeft: het  is een stelling die in twee verschillende gedichten van Marjolijn van Heemstra te lezen staat. ‘Meer hoef dan voet’ is een bundel waarin zij zich omstandig beraadt over haar plek in het bestaan. Kennelijk dichter bij het dier dan bij die mens. Waar bevindt die zich overigens? Het is een vraag die zij zich in haar evolutionaire verbazing voortdurend stelt. En zij suggereert een antwoord: allicht ergens tussen slak en God. En waar bevindt die laatste zich? Zowat overal: ‘God moest een sluiproute zijn, de ingang ergens vlakbij, het hoge raam/ in de meisjes-wc, (…).’ Het verwondert niet dat Marjolijn van Heemstra ook godsdienstwetenschappen heeft gestudeerd.

Merkwaardig vaak bezint zij zich over wat groter en kleiner dan een mens is en over de spanwijdte van diens habitat.  Zij is, kortom, op zoek naar een identiteitsbewijs dat tevens een definitie inhoudt van wat zijzelf is, alsook de mensensoort waartoe zij behoort en die zich misschien te weinig realiseert hoeveel dierlijkheid er in haar aanwezig is. Zit er inderdaad niet meer hoef dan voet in elk van ons? Het thema komt al aan bod in het eerste gedicht: ‘in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm/ terug naar het begin en een mens zich naar het einde (…).’ De mens is maar een schakel in de evolutie.

Veel van deze gedichten zijn geschreven in het ruimtevaartcentrum ESA  in Noordwijk. Groot is de dichterlijke fascinatie voor ruimtevaart, voor de aperte poging van een mens om letterlijk boven zichzelf uit te stijgen en zich van zijn benepen aardsheid te ontdoen. Het is een motief dat blijkbaar zelfs een kind al drijft, zij het bij wijze van spel: ‘Maar op een grasveld in Noordwijk lanceert een kind/ in astronautenpak een raket van colaflessen, (…)’. Van Heemstra heeft als dichter veel van een wetenschappelijk researcher op zoek naar sporen. Zo ontzagwekkend groot is het heelal dat wij geen klare kijk hebben op de ontstaansgeschiedenis en de verdwijningsgeschiedenis van de levende wezens die het ooit bevolkt hebben of nog bevolken: ‘(…) We weten niet/ waarheen de dieren zijn die zich traag, in duizend,/ duizend jaren, onttrokken aan het zicht.’  Het DNA-onderzoek naar de oorsprong lijkt onbegonnen werk. Het maakt de studie van de sporen die wij nalaten niet minder belangwekkend. En elk spoor is een metafoor. De dichteres legt misschien ongewild de vinger op de wonde wanneer zij stelt: ‘Het stikt hier van de metaforen’. In de wirwar van beelden dreigt de lezer inderdaad meermalen zelf het spoor te verliezen.

De relatie tussen het grote en het kleine: het is een van de belangrijkste thema’s. ‘Ik was reusachtig! Wat je nu ziet is verkleind/ tot een pak van bloed en tanden,’ lezen wij in één gedicht. En een paar regels verder staat te lezen dat ‘potvissen in/ aquaria zweven waar het licht van de mier/ en de melkweg schijnt’. Ook hier weer wordt een groot prehistorisch dier opgedist, de supersaurus, die in al zijn voluminositeit contrasteert met wat onooglijk klein is. Bovendien zit het kleine in het grote vervat, zoals dat bij matroesjka’s het geval is. Dat geldt ook voor moeders. In elke moeder zit er een andere moeder verborgen, zoals er in een matroesjka een poppetje zit, waarin opnieuw een poppetje zit, enzovoort. Van groot naar klein, met alle mogelijkheden vandien: ‘Vrouw was één van duizend dingen die wij konden worden.’ Maar er is, zo blijkt uit enkele gedichten over geboorte, niet alleen aandacht voor de wording, maar ook voor de verdwijning. Van Heemstra beschrijft in ‘Dooier’ iets wat op een miskraam lijkt: ‘Mijn eerste schopte het niet verder dan een klein/ kartonnen bakje, te nat voor een graf.’ Kennelijk is dit waar het haar om te doen is: ‘Ongedaan maken van verlies.’ Poëzie als vorm van regeneratie, zoals dit bij insecten als wandelende takken het geval is wanneer die per ongeluk een arm verliezen.

Wanneer de dichter haar wezenlijke zelf wil zien in een gedicht waarin een volledige bodyscan van haar gemaakt wordt, blijkt zij verbijsterd door de omvang van haar duisternis. Zij is niet meer dan een ‘ondermaats pantoffeldier’. Om dit euvel ongedaan te maken is het  zaak dat zij zichzelf restaureert tot zij een vaste identiteit verwerft. Dit gebeurt in ‘Collageen’, een van de mooiste gedichten. Zij schrijft en lijmt zichzelf bij elkaar tot de definitieve gedaante ontstaat, waaruit haar ware aard spreekt en waarbij zij van haar eigen lichaam een onverwisselbaar geheel maakt: ‘(…) ik ben steeds minder/ met een ander te verwarren.’

Van Heemstra is zich bewust van al het leven dat haar omringt. Maar geeft zich daarbuiten iemand werkelijk rekenschap van een mensenleven? In het heelal mag dit namelijk, zo blijkt uit ‘Beste Marsbewoner,’ het slotgedicht, maar op een schamele status rekenen. De allerlaatste verzen luiden zo: ‘Het wordt tijd/ dat iemand ons vindt.’ Iemand van Mars dus. Van de aarde met al haar tribulaties valt niet bijster veel te verwachten. Wij zullen het hogerop moeten zoeken. En daar is poëzie als deze misschien een geschikt vehikel voor.

__________________

MARJOLIJN VAN HEEMSTRA

Meer hoef dan voet

De Bezige Bij, 59 blz., 17,50 euro.

AANTAL STERREN:

***

Bookmark and Share

Comments are closed.