Bert Bevers. Twijfelaars in bloei

Frank De Vos (foto Bert Bevers)

Twijfelaars in bloei

51. Zo ‘jong’ was Frank De Vos (° Hoboken, 1956) toen hij met Infiniti debuteerde als dichter. Daarna liet hij er geen gras over groeien en volgden In omstandigheden (2008), Trek de wind niet van de wieken (2009), Excisa (2010) en Naamvallen in het ontheemde (2012). En nu is er een vijfde bundel: Twijfelaars in bloei.

Twijfelaars in bloei

“Het weglaten, het niet schrijven is voor Frank De Vos essentieel. Wat tussen de woorden staat, wat nog een invulling moet krijgen bepaalt in hoge mate wat er wel geschreven staat en tilt dat geschrevene op naar een universeel menselijk niveau,” noteerde Richard Foqué (in  De Boekhouding, de recensierubriek in De Auteur – het tijdschrift van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen –) over Excisa. En, ook daarin, over Naamvallen in het onbekende: “Deze bundel is niet alleen inhoudelijk beklijvend maar getuigt zeker ook van een taalkundig meesterschap. Frank De Vos is een taalsmid. Hij dompelt zich onder in een vaak barokke woordenzee, laat zich schijnbaar meedrijven om dan trefzeker de woorden te laten uitspatten in het vers: confronterend en bezwerend tezelfdertijd. Lijfelijke poëzie die  blijft kleven.”       

Zo, dat hoef ik dan niet meer te schrijven. Maar ik had het kunnen schrijven. Met Twijfelaars in bloei plaatst De Vos (van opleiding historicus, in het dagelijks leven behalve dichter ook zakenman en troubadour) naar mijn smaak een waar orgelpunt op zijn zesde decennium, de tijdspanne waarin hij artistiek openbloeide. Het is een kleine maar fijne bundel, die 22 verzen omvat.

Frank De Vos weigert in zijn expressie schroomvallig te zijn. De afdelingen La mélancolie c’est le bonheur d’être triste (een citaat uit het oeuvre van Victor Hugo) en Descripta bestaan uit ‘losse’ verzen, waaronder gedichten die hij schreef bij een lied van Leo Ferré, het gehucht Doel (waarvan hij DorpsDichter was), een beeld van Hubert Minnebo of een foto van Hartmut De Maertelaere. Graag gelezen, niks op aan te merken, petje af. Maar, de gustibus non est disputandem, mijn lezershart ligt bij de eerste afdeling Om het afscheid dat afscheid neuriet. In dit hoofdstuk maakt hij weemoed haast fysiek voelbaar. Prachtig: Tussen jou en ooit viel niet te kiezen. / Ik weet het: ooit is zoals uiteindelijk, / een loper die altijd past. Ook schoon: Ik laat nu je geur die zwijgen zal, / die ik in kleur herdenken moet: // mosgroen dat je aarde dekt, / oker voor je adem, / blauw voor je gemis, een eenzame scheur. Ter vollediger illustratie citeer ik Ostinato integraal:

Met ons was ik begroeid, even.

 

Zoals die koffiekoek tussen de geur van koffie en kaneel geweven,

op die zondagmorgen, en op wat je bracht.

 

Het palmtakje dat je kruisigde, dat ik vergat, steeds weer vergeet.

Naar dat onze blijf ik kijken, naar al dat samen eten.

 

Je bent zo fier in vieren en ook zo moedig zonder taal.

Ik beadem elke tafel met dit weten, met nog een zoen zoals het past.

 

Voor jou dus ma. Je afgeketste kei die nat blijft van je water,

na het vlies dat brak.

Frank De Vos heeft zich een geheel eigen plaatsje op de poëziekaart afgebakend. Hij heeft (zoals de door hem en trouwens evenzeer door mij bewonderde Maurice Gilliams) van de echte dichter de onbepaalbare bekoring, van de echte lyricus het accent.

Slechts één inhoudelijke bemerking, betreffende het ‘vadergedicht’ Preludio: Het ukje dat ik werd, in vichyblauw geruit / op je arm, loslippig op de trap. // Waar ging het heen en al die zomers zonder leugen? / Waar zal het blijven? Mooi, maar hier blijf ik toch even ‘haken’. Had hij niet beter Waar ging het heen al die zomers zonder leugen? kunnen schrijven? Want zoals het er nu staat is er naar mijn bescheiden mening sprake van een foutieve samentrekking van singularis en pluralis. Ik zou geopteerd hebben voor Waar ging het heen, en bleven al die zomers zonder leugen? Maar dit is, ik geef het grif toe, een slak op laag water.

Voor het overige grijpen de mijmeringen over zijn jeugd, zijn vader, zijn schone broer en vooral de herinneringen aan zijn dierbare overleden moeder absoluut naar de keel van de aandachtige lezer. Frank De Vos is behalve een reeds rijp man, met deze Parlando con intima voce voortaan tevens een rijp dichter!

Overigens mag ik beslist niet vergeten te vermelden dat het boekje smaakvol geïllustreerd  is met intrigerende collages van Frank Castelyns.

Twijfelaars in bloei, Frank De Vos, Uitgeverij P, Leuven 2014, ISBN 978-94-91455-49-0

© Bert Bevers/ 2014

 

Bookmark and Share

Comments are closed.