Luuk Gruwez. Roland Jooris – Een beeldhouwer van taal

 

De auteur: Al vijfenvijftig jaar lang een dichter die zich, hoewel hij zich van woorden bedient, minstens evenzeer plastisch kunstenaar voelt.  

Het boek: Een soort ‘work in progress’. Bewust geen verzamelbundel, maar een keuze uit het eigen werk tot dusver, gelegitimeerd door de huidige poëtica en aangevuld met tien nieuwe gedichten.

ONS OORDEEL: Poëzie die vanwege de hoge abstractiegraad nogal wat vergt van de lezer, maar die overtuigt vanwege haar authenticiteit en consistentie.

 

Hoewel Roland Jooris een dichter is die zo precies mogelijk probeert te kijken, profileert hij zich als kampioen van de aarzeling. Wat hem aan het schrijven houdt, is het feit dat niets ooit voldoende adequaat bekeken kan worden:

 

 ‘in zijn donkere kamer

 ruimen de dingen

 voor vermoeden

 plaats’.

En inderdaad: vermoeden is een van zijn hoofdactiviteiten, veel meer dan weten. De middelen waarvan hij zich daartoe bedient, zijn evenzeer die van een plastisch kunstenaar als die van een dichter. Er is  er is in de Nederlandstalige poëzie niemand die zozeer op een plastisch kunstenaar lijkt. Al ettelijke decennia. Roland Jooris maakt met een pen in de hand schetsen die heel erg op woorden lijken. En met die woorden heeft hij het moeilijk wanneer zij hem te talrijk zijn. Hij heeft in zijn poëzie namelijk het minimalisme nodig van de door hem bewonderde kunstenaars en aan overtolligheid heeft hij een gloeiende hekel. Als een streep of een cirkel volstaat, dan hoeft daar niets aan toegevoegd. Het leven geeft al voldoende overbodig commentaar; in de kunst heeft enkel de essentie spreekrecht. Dat is bijvoorbeeld zo in een bundel die veelzeggend ‘Kromte’ heet. De meeste dingen, stelt Jooris vast, zijn krom. Deze overtuiging maakt van hem een ondogmatisch dichter die rechtlijnigheid schuwt, doordat zij te zeer verwant is aan het eeuwige gelijk. Zijn poëtische credo is te menselijk om zich met onwrikbaarheid te omkleden. Alles is krom in de wereld. In wat wij zien. In wat wij denken. In wat wij voelen. Er is geen andere waarheid dan het gebrek aan waarheid.

In zijn briljante inleiding bij deze bundel schrijft Carl De Strycker dat elke dichter van een vergelijkbaar kaliber zonder meer een verzameld werk verdient, maar dat Roland Jooris zulks onder geen beding verlangt doordat hij ervoor schroomt geconfronteerd te worden met te veel oud werk waar hij nu niet meer achter staat. Het is typisch Jooris om er zo over te denken. Hij is er blijkens een interview van overtuigd dat ook schrappen soms een toevoeging is. ‘Sculpturen,’ schrijft De Strycker, ‘is een bundel van de dichter Roland Jooris uit 2014 en dat is een schrijver die niet meer de neorealist is waarvoor hij, op basis van ‘Gedichten 1958-78′, doorgaat in de literatuurgeschiedenis.’ Het laatste oordeel is steeds het meest gezaghebbende en dat is wat deze dichter heeft nagestreefd door, naast een selectie uit het vroegere werk, de aandacht te vestigen op tien nieuwe gedichten.

Er kleeft iets contemplatiefs, om niet te zeggen iets mystieks aan het poëtische streven van Jooris. Enerzijds wil hij gedichten schrijven waarnaar je als het ware kunt kijken en die compleet op zichzelf staan, los van hun betekenis. Anderzijds wil hij ook voorbij die gedichten kijken naar het grote niets dat zich daar bevindt en waarin hij kennelijk een beetje Zensgewijs wil opgaan. Terecht merkt De Strycker op dat deze poëzie misschien wel meer over inzien dan over zien gaat, doordat de wereld die geschapen wordt er geen van registratie is, maar van verbeelding. Wat beschreven wordt, is een verbeelde wereld die er net uitziet als de echte wereld. Alleen is het er een die het verlangen naar een zekere onthechting wekt. Zo is poëzie voor Jooris toch ook een poging om aan de dood te ontsnappen. ‘Om te ontkomen,’ lezen we, ‘bestaan we’. Er  vindt daarbij een spel plaats tussen wat momentaan en wat oneindig is: ‘is het een ogenblik lang/ voorbijgaand toch/ eeuwig/ (…)/ zwemt iemand zich weg/ tot oneindigheid/ opduikt’. En nog: ‘boven het ondermaanse/ aan de zoom van een/ verwildering/ (…)/ altijd/ het alomtegenwoordig veraf/ nabije in het nietsvermoedend/ licht’. Het zijn verzen uit de tien nieuwe gedichten die de bundel afsluiten. ‘het onverklaarbare/ houdt ons/ overeind’, staat er. Roland Jooris wil de woorden ontwijken die hem te zeer aan alleen maar het dagelijkse kluisteren. Zijn verzen klinken evenwel nooit dogmatisch, want hij vermijdt zekerheden, ventileert nevel, wazigheid, gebrek aan rechtlijnigheid en een bewuste vaagheid. Hij houdt van wat nog ongevormd is. Of van wat in vormeloosheid uiteenvalt. Vandaar dat veel met wording te maken heeft. (Talrijk zijn overigens de woorden die eindigen op het suffix ‘-ing’ en daardoor naar een ontstaansgeschiedenis verwijzen.)

Het is treffend dat het slotgedicht van ‘Sculpturen’ ‘Genese’ heet. Uitgerekend wanneer je denkt: alles in deze bundel is nu afgerond. Maar nee, voor Jooris begint het daar juist. Nooit is zijn ‘work in progress’ af. Nooit is evenmin de mens af. Hier is een dichter aan het woord die suggereert dat wij er met zijn allen alles aan doen om niet te zeer te moeten sidderen voor de grote leegte.

__________________

ROLAND JOORIS

Sculpturen

Een keuze uit het werk

gekozen door Bart Van der Straeten

Poëziecentrum, 124 blz., 25,99 euro.

Bookmark and Share

Comments are closed.