Luuk Gruwez. SCHRIJVEN OM DE TAAL TE EREN

 


De auteur: Zowel met de VSB Poëzieprijs, de Constantijn Huygensprijs als -recent- met de P.C. Hooftprijs bekroonde dichteres.

Het boek: Dichtbundel waarin Brassinga een gesprek met haar geliefde doden aangaat en in eerste instantie een eredienst voor haar geliefde, de taal, wil houden.

ONS OORDEEL: Dit is poëzie die niet alleen fascineert, maar velen ook zal afschrikken en zelfs irriteren vanwege haar soms nogal lukrake beeldenarsenaal.

 

SCHRIJVEN OM DE TAAL TE EREN

 

‘Om te schrijven als geen ander moet u eerst/ lezen alles wat geschreven staat, alles weten/ wat sinds Adam gedacht is en gezegd.’ Dat schrijft Anneke Brassinga in het gedicht ‘Kolos’ uit ‘Het wederkerige’. Dit is het credo dat hier geldt. Omwille van de frequente cultuurhistorische allusies wordt de lezer her en der omstandig tot navorsingswerk gedwongen. T.S.Eliot, Desiderius Erasmus, Lucretius, Rudolf Carnap, Guillaume Dufay, Stéphane Mallarmé, Walt Whitman, Hans Lodeizen en anderen: zij passeren allemaal de revue. De dichteres maakt wie haar leest deelachtig aan de kennis waarmee ze niet minder dan de wereld wil beheersen. Daar is niets tegen. Alleen drijft zij meer dan eens een wig tussen haar en de lezer. De enige liaison die zij met hem aangaat lijkt er soms een te zijn die enkel op het muzikale timbre van haar gedichten is gestoeld en op een taal die vrijwel altijd wil bedwelmen, in hoeveel  registers zij hier ook wordt gepresenteerd, niet zelden gelardeerd met archaïsmen en neologismen. Het volstaat even te googelen om vast te stellen dat velen zich mateloos ergeren aan wat zij, niet gehinderd door kennis, als geraaskal bestempelen. Het probleem met Brassinga’s poëzie is inderdaad dat van de interpretatie. Sommige gedichten zijn assemblages van ingrediënten uit diverse werelden, banaal of verheven, lukraak gelieerd aan elkaar, lijkt het. Mede daardoor laten zij soms nauwelijks een invalshoek toe. Het zijn de woorden die wel onderling een verband aangaan, maar niet met de lezer. Want de taal is autonoom en trekt zich van de gebruikers van het woord weinig aan: ‘Wat niemand weet, zei hij, is dat de taal,/ abstract van aard, uitsluitend zich bekommert/ om zichzelf (…)’. En in een interview in Poëziekrant bevestigt Brassinga deze verzen. Gepolst naar de mate waarop zij met haar lezer is begaan, repliceert zij als volgt: ‘De dichter zelf moet dat allemaal niets kunnen schelen. Hij schrijft om de taal te eren.’ Het wekt dan ook geen verbazing dat zij in verhouding meer bekroond dan echt gelezen wordt. ‘Woorden,’ schrijft zij, ‘zijn gruis in een taalloos kabaal,/ zelfs mijn knie/ snapt niet wat ik zeg (…)’.

De taal eren. Is er dan werkelijk niets anders waaraan die dienstig is behalve aan zichzelf? Jawel. Zij blijkt een instrument te zijn waarmee de dichteres zich teweerstelt tegen het inherente geweld van de natuur en de genadeloosheid waarmee die ons van onze geliefden berooft. Flora en fauna krijgen een prominente rol toebedeeld. Maar zij zijn niet altijd bevorderlijk voor de gemoedsrust, trekken zich ook al niet veel aan van een mens. Het behoort bovendien tot iemands eigenheid dat hij, net als elk dier, moet leven in een element, zeg maar een natuurlijke habitat, waarop hij niet noodzakelijk is gesteld:  ‘een waterdier’, bijvoorbeeld, ‘dat in het water/ niet van water houdt.’

Precies omdat er met die natuur zelf geen conversatie, laat staan een vergelijk, mogelijk is, voelt de dichteres zich geroepen te memoreren bij het leven. Brassinga wekt haar geliefden uitbundig uit de doden. Zij wil met hen het glas heffen over hun sterven heen en minstens zolang haar gedichten duren. Het wemelt van de in memoriams, onder meer voor collega en vriend Erik Menkveld. En in een briljant gedicht als ‘Auf Flügeln des Gesanges I’ staat te lezen dat doden dankzij de poëzie weer tot leven komen. Waarna je hen, helaas, opnieuw verliezen kan. Het maakt allemaal deel uit van het orfische karakter van veel van deze gedichten. De muzikale context, hier afkomstig van Schubert, genereert zowel winst als verlies. Net als in de mythe van Orpheus en Eurydice is er, zolang de muziek weerklinkt, sprake van hereniging met wie gestorven is: ‘Het wederkerige’ uit de titel betekent misschien ook datgene wat weerkeert. Maar net zo goed is daarna het verlies van de geliefde onherroepelijker.

Verlies is dus omnipresent. Ook in de de vertaalde gedichten van Deborah Digges achteraan de bundel. Zij is de Amerikaanse dichteres die in 2009 op negenenvijftigjarige leeftijd zelfmoord pleegde door van een sporttribune te springen. ‘Soms, als het me niet lukt om gedichten te schrijven, neem ik me voor om een einde aan mijn leven te maken,’ geeft ook Brassinga in hogergenoemde Poëziekrant toe. Vier prachtige gedichten van Digges heeft zij hier vertaald. Verzen geschreven op de scheidswand tussen leven en dood, met een absolute urgentie en met de nadruk op datgene waar het uiteindelijk om gaat: liefde. Ook in de epiloog van de bundel, een vertaling van een gedicht van Edna St. Vincent Millay, is dit de teneur. Een ik is van haar geliefde gescheiden door de dood. Alle plekken die haar aan hem doen denken omdat zij er met hem samen is geweest, beklemmen haar. Maar komt zij uiteindelijk daar waar zij nooit met hem was en waar niets aan hem denken doet, dan voelt zij zich net zo verslagen. Kennelijk maakt niets iemand zo aanwezig als wanneer hij wordt gemist. ‘Wat is een leven zonder liefdesglans?’ heeft Brassinga eerder al verzucht. Het is de onderliggende toon van al haar verzen.

 

__________________

ANNEKE BRASSINGA

Het wederkerige

De Bezige Bij, 72 blz., 18,50 euro.

 

*

Auf Flügeln des Gesanges

 

I

Vannacht zag ik de vuilnismannen op hun kar

stapvoets door de stegen gaan, in fervente onder-

werping aan het dionysisch ideaal, veelstemmig

 

Schubert ten gehore brengend; een verheffend

koorlied, rafelig als een vod. Ook op de been

was Freud, met in de hand zijn hogehoed van glas –

 

de droom navolgend die hij zelf had opgeschreven;

alwie ik zag was melancholisch aan het streven.

Zo kan ik doen alsof er nog een leven komt

 

waarin ik eindelijk jou ontmoet – alsof wij

in de schaduwen van morgen elkaar, hervonden,

opnieuw voorgoed verliezen konden.

 

(c) Anneke Brassinga (Uit: Het wederkerige, 2015: De Bezige Bij)

 

 

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Luuk Gruwez. SCHRIJVEN OM DE TAAL TE EREN”

  1. carina van der walt :

    Dankjewel Luuc. Inderdaad. Brassinga beweegt van vuilnismannen naar Schubert naar Freud en dan “alwie ik zag was melancholies aan het streven”. Het is herkenbaar. Zijn we niet ook maar dromers? De toepassing op het eigen leven “in de schaduwen van morgen” waar we “elkaar, hervonden” en weer “opnieuw voorgoed verliezen kon” tekent voor mij het beloop van het menselijke bestaan.