Luuk Gruwez. Resensie: Kameleon (Charlotte van den Broeck)

Kameleon deur Charlotte van den Broeck
(De Arbeiderspers, 62 blz., 18,99 euro.)

Resensent: Luuk Gruwez

Ik ben zo klein

De auteur: Charlotte Van den Broeck (1991) wordt met veel bombarie aangekondigd als een nieuwe stem in de wereld  van de Nederlandstalige poëzie.

Het boek: In haar dichtbundel gaat zij op zoek naar haar lichamelijkheid en de identiteit die daaraan kan worden verbonden. Als een kameleon probeert zij de juiste schutskleur te vinden.

ONS OORDEEL: Dit is poëzie met een eigen timbre, zoveel is zeker. Toch weten de hier verzamelde gedichten niet altijd evenzeer te boeien. Hun schutskleur is soms te zeer de meest extreme, namelijk die van het duister.

De schepping is volgens Charlotte Van den Broeck in eerste instantie een vrouwenzaak. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het zaad is in haar verzen inferieur aan het ei en al zeker aan de baring. Moeders, en bij uitbreiding vrouwen, zijn de echte uitvoerders van het bestaan. Wanneer kan mijn lichaam zich ‘ik’ noemen, in het huidige geval meer bepaald een vrouwelijk ik, en waar eindigt de eigen huid en begint het omringende landschap? Ziedaar een van de belangrijkste vragen van deze dichteres. Alsook deze: wanneer kan men binnen een huid thuis zijn als in een huis? Van den Broeck roept bij die vragen niet altijd de hulp van de lezer in. Integendeel. Met haar kameleontische schutskleuren lijkt ze hem zelfs enigszins op een afstand te houden. Alleen een kameleon kan zoveel ikken bevatten zonder zichzelf kwijt te raken. Haar ultieme ik is dan ook zeer mobiel en variabel, verandert om de haverklap, zodat de dichteres ongrijpbaar wordt en het nooit helemaal duidelijk is waar zij eindigt en waar het landschap dat haar omringt, begint: ‘Flank aan flank zwenken we in elkaar uit,/ zwenken we over elkaars randen heen tot ik niet meer weet/ waar lichaam in landschap overgaat. Zover het oog reikt/ (…) is er vlakte en voorbij het oog hellen we verder in elkaar over/ in de zoom van dit plooibare huis dat huid heet.’

Het lichaam  maakt, kortom, deel uit van het landschap. Het landschap? Het lijkt wel of Van den Broeck er pijn aan hebben kan omdat haar lichaam er deel van uitmaakt. Maar het is ook het decorum waarin zij haar lijf de pirouettes van een ballerina kan laten opvoeren. De dichteres lijkt daarbij minstens evenzeer een queeste te ondernemen naar de wereld als naar zichzelf. En de wereld is noch min noch meer een kosmos die onder meer door wonderlijke wezens wordt bevolkt: de triceratops (dinosaurus), de lampyridae (glimwormen), de felidae (katachtigen), de walvissen, een schildpadje, en – ja – natuurlijk ook de kameleon. De wereld wordt in grote mate bevolkt door raadselachtigen.

Van den Broeck presenteert zich in deze bundel overigens niet uitsluitend als een kameleon. In een gedicht dat ‘Grand Jeté’ heet, bedient zij zich van een bekende zweeftechniek uit de balletwereld om een brug te slaan tussen haarzelf en al het andere. Je krijgt als lezer, misschien onbewust, heel vaak de indruk dat het haar te doen is om wat ons verbindt. Vandaar het belang van het water dat ons allen kan omvatten? Met name in de eerste cyclus is sprake van het alles verbindende water: het lijkt haast een collectief vruchtwater in een opnieuw bij uitstek vrouwelijke wereld. De dichteres brengt die toets subtiel aan, is zich er mogelijk zelf niet eens van bewust. Hoewel! Dat haar wereld in de eerste plaats een vrouwelijke is, wordt al meteen duidelijk in het vooropstaande motto van Friedrich Schiller: ‘Nach nichts ringt die weibliche Gefallsucht so sehr als nach den Schein des Naiven.’ Het is een uitspraak die vragen oproept: is de schijn van het naïeve bij uitstek vrouwelijk? Het lijkt te vloeken met wat Charlotte Van den Broeck een bundel lang beweert. Of niet. Misschien bedoelt zij dat het bestaan van een vrouw van een grotere spontaneïteit is, dat het zich niet door de dwingelandij van te veel ratio laat knechten?

Het is, me dunkt, in elk geval lang geleden dat een dichteres zo intensief met haar vrouwelijkheid is omgegaan, een vrouwelijkheid die op zijn minst een op zichzelf staande entiteit wil zijn. Een vrouwelijkheid zonder tekort, zonder leegte. Er staat een belangrijk vers in de laatste, misschien wel sterkste cyclus van de bundel: ‘Een holte is pas een leegte als er niets meer in past.’  Van den Broeck wil er in haar poëzie voor zorgen dat een kind de perfecte afmetingen heeft om met een perfecte emotie een perfecte zwangerschap lang in zijn moeder te passen, waarna het, eenmaal geboren, ook volkomen op maat in de wereld past. Het intrigeert dat dit volgens deze dichteres zo exclusief een taak is die voor een vrouw is weggelegd.

Wil Van den Broeck in haar poëzie misschien een autiste zijn die maling aan de ‘grote’ buitenwereld heeft? Dat zou je kunnen opmaken uit de eerste cyclus waarin veel aandacht is voor buitenlandse plaatsen, niet zelden relatieve negorijen in Zweden. Hier weerklinkt veel liefde voor de natuur en voor dorpen die op grote sympathie kunnen rekenen: Sisjön, bijvoorbeeld, of Örebro of Växjö of Hvannadalshnúkur. Ook op die laatste plek kan Charlotte Van den Broeck met heel haar lijf ruimhartig gedijen. ‘Boven deze lakens’ herhaalt ze tot vijf keer toe.

Haar belangrijkste bezinning blijft hoe dan ook die over haar umwelt, haar genealogische determinaties. De dichteres lijkt op een bepaald moment zelfs in niets van haar moeder te verschillen. Maar ook de hele schepping komt langs, al vanaf het begin. Belangrijke vraag is: wie ben ik, wie mag ik zijn? En minstens even belangrijk: wat is mijn plaats in de totaliteit van de wereld? Want, schrijft Charlotte Van den Broeck, tot drie keer toe: ‘zo klein ben ik’. Dit is een dichteres voor wie het heelal veel te groot is en die dit dan maar wil terugbrengen tot een moeder waarin ze op haar gemak is. Waarin ze volkomen past.  Niet meer en vooral ook niet minder.

 

© Luuk Gruwez / 2015

Bookmark and Share

Comments are closed.