Yves T’Sjoen. Dichters des Vaderlands in de West-Kaap

cats

Dichters des Vaderlands in de West-Kaap

Onder de kop ‘Breyten Breytenbach: “Ope gesprek oor taal nodig”’, gepubliceerd in Die Burger van 21 september, neemt Willem de Vries het volgende citaat op: “Maak mekaar sáám anders met Afrikaans”. Het krantenartikel refereert aan het gesprek dat Francis Galloway met de schrijver voerde tijdens de vierde editie van Tuin van Digters in Wellington (19-20 september 2015). Behartigenswaardige uitspraken zijn: “Ek praat van kreolisering, ek praat van saam mekaar anders maak. En Afrikaans ís dit” en ook: “[…] ons is besonder bevoorreg met hierdie taal wat ontstaan het uit tale wat op mekaar ingepraat en saam ’n ander taal geword het. Dit is die manier waardeur jy jouself leer ken. Dis ’n taal wat die wysies en deuntjies van ander tale in hom opneem en ook die textuur van ander tale”. Breytenbach spreekt over taal als een levend organisme, een levensbepalend medium dat zoals het menselijke bestaan en de natuur zelf voortdurend aan verandering onderhevig is en invloeden van andere talen en culturen ondergaat. Afrikaans wordt wel eens de zuster- of dochtertaal van het zeventiende-eeuwse Nederlands of Zeeuws-Vlaams genoemd. Die klemtoon is reductionistisch en doet geen recht aan de rijkdom van het Afrikaans. Het is, zoals Breytenbach stelt, een gecreoliseerde taal met tal van inheemse en buitengaatse invloeden. Afrikaans is, zoals elke levende taal, inderdaad “’n taal wat die wysies en deuntjies van ander tale in hom opneem en ook die textuur van andere taal”.

Dezer dagen zijn de Dichters des Vaderlands van Nederland en België te gast in de West-Kaap. Hun aanwezigheid is in menig opzicht niet onbelangrijk voor het contact tussen talen en schrijvers in die verschillende talen. Maar misschien zet hun passage in Wellington, Stellenbosch, Bellville en Kaapstad landelijke culturele instituten en personen, zoals de Akademie vir Kuns en Wetenskappe, aan het denken. Misschien kan een nieuw initiatief worden genomen in deze roerige tijden. Niet dat de wereld er in Zuid-Afrika spectaculair anders door wordt, maar het kan een daad van symbolische waarde zijn.

Met steun van het Nederlandse Letterenfonds en de Vertegenwoordiging van de Vlaamse regering in Zuid-Afrika namen Anne Vegter en Charles Ducal afgelopen weekend deel aan Tuin van Digters. Beiden lazen voor uit eigen werk, ook uit de gedichten die zij van ambtswege hebben geproduceerd, en zij zijn bij die gelegenheid in gesprek gegaan met respectievelijk Antjie Krog en Alfred Schaffer. Dat leverde interessante dialogen en kruisbestuivingen van ideeën en klankkleuren op. Ik denk bijvoorbeeld aan raakvlakken tussen Vegters en Krogs poëzie (in Mede-wete, 2014) die ik eerder onmogelijk kon opmerken en waar ook de Nederlandse schrijfster van te kijken stond. Daarnaast presenteerde Anne Vegter op uitnodiging een poëzieworkshop bij UWK in Bellville en op vrijdag 18 september een bijeenkomst over sexual abuse in de literatuur. Op maandagochtend 21 september waren Vegter en Ducal te gast in het college van Alfred Schaffer waar zij voor studenten Nederlands en Afrikaans uit eigen werk voorlazen en met de docent in gesprek gingen. Ook SAVN en UWK, op uitnodiging van Anastasia de Vries, zijn instituties waar de dichters uit Nederland en België hun opwachting maken.

De Wellingtonse uitspraak van Breytenbach in gedachten moet het postkoloniale contact tussen schrijvers uit het Nederlandse taalgebied en het Afrikaans van cruciaal belang worden genoemd. Niet uit misplaatste neokoloniale of melancholisch politiek-ideologische overwegingen, evenmin om linguïstisch-historische redenen (‘zuster- of dochtertalen’). Het transnationale gesprek, met auteurs uit verschillende taalgebieden, dus ook Afrikaans en Nederlands, is van grote betekenis voor een taal die weliswaar door de perverse taalideologie van apartheid is aangetast maar vooral steeds, ook vandaag en morgen, nieuwe impulsen ondergaat. Afrikaans en Nederlands hebben zoals alle zwarte inheemse talen veranderende texturen, eigen “wijsies en deuntjies”, die tot klinken moeten worden gebracht in een multiculturele omgeving. Het gebruik van de eigen moedertaal in het gesprek met de ander niet minder dan een mensenrecht. Breytenbach verwerpt de blinde anglificering en de markteconomische nivellering, niet alleen in Zuid-Afrika maar in globaal perspectief. De schoonheid en de rijkdom van Zoeloe en Xhosa, om me te beperken tot deze talen, zijn van onschatbare waarde. Ze bezitten een even rijke textuur en klankkleur als bijvoorbeeld het Afrikaans. Waarom zouden we dan met zijn allen (slecht) Engels spreken? Deze taalvariëteit, maar dan van het Nederlands, kwam helemaal tot uitdrukking tijdens de publieke optredens van Anne Vegter en Charles Ducal. Vlaams is de geuzennaam die men heeft bedacht voor het Nederlands dat ten zuiden van de Moerdijk wordt gesproken. Ook dit een teken van taaldiscriminering maar dan in het Nederlandse taalgebied.

Het ambt van Dichter des Vaderlands wordt in Nederland en België uiteenlopend ingevuld en heeft een heel andere geschiedenis. In Nederland introduceerde Gerrit Komrij naar Anglo-Amerikaans model de functie van Poet Laureate. Later namen ook Ramsey Nasr, Driek van Wissen en sinds kort Anne Vegter het mandaat op. In de historiek van het Vaderlandse Dichterschap ondergingen de spelregels in Nederland wel eens wijzigingen. De Nederlandse dichter wordt verondersteld teksten te ontwerpen die met de actualiteit zijn verbonden en die vervolgens in NRC Handelsblad worden afgedrukt. In tegenstelling tot Nederland is het Belgische Dichterschap des Vaderlands, pas een jaar geleden geïnitieerd, een literair initiatief dat door Poëziecentrum (Gent), Vonk & Zonen (Antwerpen) en het Maison de la Poésie (Namen) is ondernomen. Het is geen politieke maar een culturele daad. De Franstalig Belgische schrijfster Laurence Vielle neemt vanaf januari 2016 de fakkel van Charles Ducal over. Tegelijk wordt met ambassadeurs gewerkt: vandaag is de Waalse auteur Ducals vertegenwoordiger in Franstalig België en vanaf januari neemt Ducal die rol waar voor de nieuwe Dichter des Vaderlands. Charles Ducal lichtte in Wellington en Stellenbosch toe welke de doelstellingen zijn van het dichtersambt. Naast het slechten van de muur tussen taal- en cultuurgemeenschappen (in België gaat het over Nederlands, Frans en Duits) wil de Dichter des Vaderlands thema’s aansnijden die “zo veel mogelijk Belgen relevant vinden, wat de publieke opinie beroert”. Daarenboven wil hij of zij mensen dichter bij elkaar brengen en een tegengewicht bieden voor het neo-liberale rechtse discours dat vandaag het maatschappelijke leven in België domineert. Wat vooral van belang is: het is een manier voor Vlamingen de Franstalige dichters in België te leren kennen en andersom. Ten spijte van het culturele verdrag tussen de Nederlandse en Franse cultuurgemeenschappen bestaat veel onkunde en een stuitend gebrek aan belangstelling voor literatuur aan de andere kant van de taalgrens. Het aanstellen van ambassadeurs draagt er aanzienlijk toe bij dat er makkelijker toegang mogelijk is tot elkaars literaire netwerken en culturele organisaties. Wat ook anders is ten opzichte van de Nederlandse ambtsinvulling is dat de productie van de Belgische dichter steeds in drie talen bekend wordt gesteld. Door de teksten in de krant te publiceren is het de betrachting een zo breed mogelijk maatschappelijk veld te bereiken.

Ik keer terug naar de uitspraken van Breytenbach die door Die Burger zijn geciteerd. Aandacht voor onze medemens, voor elkaars cultuur en taal, zal bijdragen tot een verrijking van en meer cohesie in het sociale weefsel waarin we als individu bestaan. Tot een meer leefbaar bestaan. Vandaag staat de bevoorrechting en dus de status van het Afrikaans in Zuid-Afrika, en in het bijzonder op de universitaire campus van Stellenbosch, ter discussie. Vasthouden aan en verwijlen in het verleden is een slechte raadgever. Niet dat het Afrikaans als taal moet worden bestreden. Ze bloeit als nooit tevoren indien we het werk van zo vele interessante Zuid-Afrikaanse schrijvers lezen. Ze is even rijk, vitaal en ritmisch als alle andere inheemse talen. Breytenbach pleit vooral voor het behoud van de meertaligheid, voor een wereld in en van talen, met naast het Afrikaans prachtige zwarte talen die ook de moedertaal zijn van miljoenen mensen. Het gesprek tussen de talen moet worden bevorderd en zal vanuit dat respect en die aandacht van Zuid-Afrika een betere leefomgeving maken. Het is misschien een idee, zoals Alfred Schaffer opmerkte, ook in Zuid-Afrika een Dichter des Vaderlands aan te stellen en daar een werkbare formule voor te verzinnen. Misschien moeten enkele organisaties daarover eens samenzitten. Waarom zouden de teksten van die aan te duiden schrijver niet in de tien andere inheemse talen kunnen worden vertaald? Als dat lukt met een grondwet, dan ook met de poëzie. Transformatie, het woord dat vandaag om de haverklap in verhitte discussies valt, is inderdaad niet de omzetting van wit in zwart. Breytenbach spreekt over een geleidelijk proces waarbij inclusiveness en privileges vooral obstakels zijn. Hoewel de Belgische politieke en sociale context met drie taalgemeenschappen onvergelijkbaar is, kan de symbolische waarde van het Dichterschap des Vaderlands ook in Zuid-Afrika misschien gelden als antidotum. Een tegengewicht voor het conservatieve denken en de retrospectieve blik die de geesten verlamt. Het kan de kloof tussen mensen, zoals door een bepaald politiek discours uitvergroot, dichten en de aandacht voor de anderen aanscherpen. Ik ben nieuwsgierig welke schrijver in het complexe en door het verleden ontwrichte Zuid-Afrika moet worden voorgedragen als eerste Dichter des Vaderlands.

Bookmark and Share

16 Kommentare op “Yves T’Sjoen. Dichters des Vaderlands in de West-Kaap”

  1. Maria Snyman :

    Wat die nuwe Suid-Afrika nagelaat het om te doen is om een massiewe tolk- en vertalingsinstituut tot stand te bring, d.w.s. om indirek een massiewe fokus op die onvermydelikheid van ve-taal-ing te plaas, en by implikasie dus ook op die vraag “wat sou ‘n ‘relevante’ vertaling kon wees?” (Derrida).

    Lank, lank gelede toe ek vingeralleen die eerste keer deur Europa gereis het en in elke stad, soos dit maar met so ‘n vingeralleenvrou kan gebeur, ‘n “pick-up” of twee gemaak het (d.i. ‘n lokale seun wat my ‘n paar dinge van die betrokke stad gewys het), het dit my opgeval hoe hulle in Duitsland omtrent almal vertalers was. Dalk was dit toeval, maar dit het my opgeval en bygebly. Ek het pas 350 opstelle oor die moontlikheid van moedertaalonderrig gelees en die tekort aan boeke en ander bronne (soos bv. “goeie moedertaalonderwysers” soos dit ‘n paar keer gestel is) in die Afrikatale blyk ‘n groot struikelblok vir diE moontlikheid in die Afrikatale te wees. (‘n Paar studente het inderdaad ook die ironie opgemerk betrokke by die feit dat die koloniseerder van onlangse koloniseerders se taal nou juis die venster na vryheid en internasionale geleenthede geword het – en om Rhodes se neus af te sny is dus baie soos om jou eie neus af te sny.)

    My punt is, dink net hoeveel meer ons van mekaar se “wysies en deuntjies” kon geweet het met so ‘n batteljon vertalers (en dus heel moontlik ook skrywers, taalredigeerders, deeltydse taalonderwysers, ens. ens.) in ons midde in Suid-Afrika.
    Maar nou ja, taal is mos maar steeds net ‘n middel tot ‘n doel vir die meeste mense, d.i. in kontras met beide die bek en die stert van die Ouroboros, en dit is mos net met motors wat ‘n Mercedez of BMW ‘n moet is.

  2. Maria Snyman :

    Kom ek toevallig ook nou af op Karin Schimke se “What is preventing linguistic cross-pollination?” en leer ek dat Internasionale Vertalingsdag op 30 September “is sometimes called St Jerome’s Day, after the Bible translator who is considered the patron saint of translators.” Die WAT vertel my dat ‘n Hiëronimiet “Enigeen van die lede van verskeie kluisenaarordes wat die heilige Hieronymus tot beskermheilige gehad het” is. Dalk is dit die goeie sonskynweer van Suid-Afrika – en dus die braaivleis, rugby en sonskynkultuur daarvan – se skuld dat vertaling nie die aandag geniet het wat dit verdien het nie. Wel, rugby se dae blyk getel te wees na die ding teen Japan …

    Hier is die skakel na Schimke se skrywe:
    http://www.litnet.co.za/on-uwc-creates-and-the-lack-of-literary-translations-from-and-into-other-indigenous-languages/.

  3. Buiteblaf Breytenbach :

    Amen, Juf Snyman! Maar solank daar nog ‘n vinger is, is mens nie alleen nie, kan daar nog vertaal word, al is dit ook net reeds omdat die maan aan die uitwys van die vinger verbind is. En kyk net hoeveel wereldê van vervoering het Jeroen in sy Tuin van Luste met die skildervinger as skindervlinder oopgeaai…

  4. Maria Snyman :

    Dankie vir die verleiende terugvoer Mnr Breytenbach – “In die begin was daar [‘n vinger]”, om een van my gunsteling “pick [me] ups” vry te vertaal (u weet seker van wie ek praat, ek praat mos altyd van hom)!

    U het my stil (ek rus nog ‘n bietjie van daardie 350 opstelle in drie weke) maar supersonnige erfenisdag dan ook ewe skielik nóg ‘n dimensie bygegee, want al waaraan/waarin ek kon dink was Stockenström se “vingertaal” (waarmee Die stomme aarde [2007:134] so vreeslik waar-skuwend afsluit).

    Hoe graag sou ek die vinger wou verhef,
    meteen die lug skeur en brandend lag

    (Stockenström 2007:85)

    maar/want

    […] sy, sy breek en spat soos ‘n hotnotsvy
    as liggeel die maanvrug in haar venster hang.

    (Stockenström 2007:46)

    dit is die wonder wat hom voltrek in die grot

    geel vinger rooi klei dit is die wonder
    die eland lewend geraak op die wand van klip

    […]

    dit is die wonder wat hom voltrek as die pyl
    in die hand wat hand bly kwas word
    hand wat die klip laat leef

    hand wat laat leef lewende hand
    doop in die slang en gifbol se gif die pyl
    en span die boog breed soos die horison

    na die teiken geteken teen die groot-groot lug.

    (Stockenström 2007:83-84)

    Want,

    hande-viervoet sou hy ook, op ‘n lei,
    kon leer lees en skryf het, later
    die relatiwiteitsteorie vinger-in-die-sand
    kon uitgewerk het, en uitgevee het

    (Stockenström 2007:41)

    en

    reusagtig groot, met my wysvingertop
    die buitelyne van ‘n mens* sagkens trek,
    teer en geduldig, want dit duur lank

    bly dus, in meneer Derrida se dis-koers, asof voorgeskrewe.

    *“’n openbare gat sonder afmetings” (Breytenbach [2005:308], in “Chopin se vingers”), as jy my vra.

    Daardie trek van “die buitelyne van ‘n mens” is wat gedugte digters buitensporig goed doen, en waaraan die vertaler/vertolker – daardie een wat so daarop aandring om te wil regop staan so “met sy weekdele bloot” (Stockenström 2007:41)? – eindeloos kan deelneem sonder om daaraan te kan behoort.

    Wat ‘n verstommende erfenis om oor vrolik te kan wees – “wysies en deuntjies […] textuur”, en teks-tuur – hoe verskriklik baie vertalingswerk wat nog gedoen moet word?!

    Ritselend is sy, sy is die ritselende een.
    Die vingers ‘n hopie stokkies op haar skoot.

    (Stockenström 2007:19)

    Viva die digter (wat altyd nog moet kom gesien hoe hy altyd nog vertaal kan en moet word)!

    Erfnis (WAT 2014 s.v. “erfnis”): “Die hele besit van ‘n oorledene wat deur een of meer persone geërf word”, oftewel, die dood is nie die finale horison nie …

    Laasgenoemde is natuurlik weliswaar ‘n gedagte wat mens kan laat

    Wens dit was ‘n plofkop daar
    skuins bo Vlaeberg se middagson
    en dat ek nie [hoef te] tob en rou en wonder
    moet ek ‘n vers oor ‘n komeet skryf?

    (Stockenström 2007:135)

    Soos springkane haar wriemelende vingers. Sy stop
    hulle in haar mond en kners
    om nie te skreeu, mompel,
    vlerke, saagtandpote tussen die lippe.

    (Stockenström 2007:19)

    Hoe lyk met Stockenström “als eerste Dichter des Vaderlands”?! Ek dink net “Die eland” gee haar al ‘n goeie en regverdige kans. Dalk sal mens hierdie posisie in hierdie land aan ten minste twee digters op ‘n slag moet moet toevertrou, een ‘n man en een ‘n vrou … ???

  5. Buiteblaf Breytenbach :

    Die gedagte van ‘n Dichter des Vaderlands sal ongelukkig nie voete (of vingers) kry in Moerland nie, altans nie in Afrikaans nie. (Daar bestaan reeds die tradisie van poet laureate in Suid-Afrika. Mazisi Kunene was die eerste een, al het hy hom self die ‘titel’ opgelê, en as ek dit reg het is Willy Kgotsitsele tans die bok. Wat die verwagtinge is wat daarmee gepaard gaan, en die voordele indien enige, sal ek nie weet nie – maar die benaming klink ghrênd en klingelend soos ‘n ketting om die nek.)

    Dit is werklik so goed dat u Stockenström se werke te berde bring! En hoe verfrissend in die ware sin en sing van die woord is dit om herinner te word aan watter fenomenale digter sy is. Dis sy, die stil ene in ons rumoerige wêreld, wie se stem sal bly voortklink land nadat die geraas van ons leë blikke verswelg geraak het deur ‘n tsunami van landgenote wat onder geen omstandighede Afferkaans wil hoor nie.

    Wat die Een aangaan deur wie u bewoon word, wie se Naam nie eens meer genoem hoef te word nie: dit was seker toe al bitter swaar vir die “pick-ups” om hulle so as derde (en oorbodige) been te belewe toe hulle in alle voortvarendheid vir u die vyner fingeroefeninge van fertolktaling wou bedye?

  6. Maria Snyman :

    Dankie weereens vir u interessante en insiggewende terugvoer, Mnr Breytenbach – ek het inderdaad nie tred gehou met die feit dat daar ’n (soort van) Suid-Afrikaanse poet laureate is nie.

    Rakende u meegevoel met my eertydse “pick ups” hoef u u nie te bekommer nie – ek het toe nog nie (die naam en) van Derrida (en sy 1 + 1 = 3*) gehoor (of gesien) nie en ek kon dus darem ’n paar folkliedjies bedye word (of ek altyd die vingeroefeninge reggekry het, kan ek nie meer onthou nie).

    * Hy kyk nie daardie onderhandeling tussen die een een en die ander een mis nie en hy tel dit dus by – hy het ’n oog vir wat tussen die lyne gebeur.

    Ek gaan nie kan ontken dat die naam Derrida nou ’n probleem vir my word nie, maar ek kla nie oor hierdie probleem waarmee ek opgesaal is nie want hy het my al ’n paar aardskuddende oomblikke laat beleef, ‘n paar verstommende dinge bedye – hy doen fenomenale demonstruksies volgens my, dit bring mens in vervoering en voer jou terug tot by daardie Grieke wat so heerlik Grieks is (ek sê niks oor my ses weke oor ‘n Griekse eilande heen nie) en in wie se Griekse wet en wêreld ons vandag nog leef en wat oproere oor onlangse Engelse kolonialiseerders vir my regtig Grieks/geheimsinnig maak (as mens neuse wil afsny sal mens volgens my Sokrates se knopneus* in die hande moet probeer kry) – en waarsonder ek nie dink ek myself met soveel vrymoedigheid met een van Afrikaans se verstommendste digters so op Versindaba sou kon ver-woes nie. Ek verwonder my aan die eer wat my te beurt val!

    * Sokrates was trots op sy neus, sy ge-sig. Soos hy in Plato se Die Symposium sê:
    “My eie oë moet mooier wees, want hulle peul uit en ek kan daarom beter sien. En vir dieselfde rede is my neus ook mooier, want my neusvleuels waaier uit en so kan ek dus meer geure bymekaar maak”. (My vertaling).

  7. Waldemar Gouws :

    Hierdie vaderland, Yves T’sjoen, is in ‘n gemors (funksioneel, in terme van morele statuur, identiteitsgewys). Die eintlike volkslied van Suid-Afrika, Sontonga en Mqhayi se “Nkosi Sikelel’i Afrika,” het nie eers oorspronklik na die land by die naam verwys nie, maar na die hele kontinent (‘n laat-negentiende eeuse uitdrukking van Christelike pan-Afrikanisme). Die naam “South Africa” is later by die seSotho strofe ingevoeg. Tweehonderd jaar gelede sou enige Afrikaan in Kaapstad slegs ‘n slaaf kon wees. Vierhonderd jaar gelede wás Kaapstad nog nie daar nie.
    En die Afrikaanse digters se verhouding met die vaderland is problematies. Nederland en Belgiё en Suid-Afrika het elk digters, maar dit is waar die analogie in haar ligte spore stop. Om jou ooit ‘n Afrikaansskrywende Digter des Vaderlands te wil voorstel, oorskry op oorbluffende wyse die grens van redelikheid. (Onaantrekliker as Digter van die Afrikaanse Trop kan dit seker nie). Baie makliker om eerder ‘n Zoeloe-pryssanger in so ‘n posisie, soos Vegter en Ducal s’n, te druk ter wille van die fatsoenlike.
    In die mees onlangse digbundels van die drie belangrikste Afrikaanse digters, is die verhouding met die land duidelik op die lappe. In 2013 het Marlene van Niekerk se Kaar vir ons haar “Brief aan Suid-Afrika” laat lees, met die reёls: “Dis oor jóú dat ek wil rym, ek wil die clichés van jou kweeste,/jou stupid mannetjiesmites van renaissance en ontwaking/inruil vir helder ghoens in jou verwaarloosde skoolgrond…” Hierdie wens om in te gryp word egter gekontrasteer met die moontlikheid van migrasie in die gedig “Klipmuur,” met sy beskrywing van die tot ‘n einde kom van die uitleef van ‘n sekere kulturele tradisie wanneer: “die laaste silwer vis vertrek van ‘n vertroude kus.”
    In Mede-wete (2014) maak Antjie Krog gebruik van die werk van die Israeliese skrywer David Grossman as paralelle model vir haar gedig “mirakel” met die gesogte aanvang: “ek behoort aan hierdie land/dit het my gemaak…” Egter geen verwysing in hierdie atmosfeer na die Palestynse Magmoed Darwiesj nie. In “Essay-abstrakte re: Sinaps” sien Krog die plek van die Afrikaanse letterkunde as ondergeneem in ‘n plakkershutjie: “die afrikaanse letterkunde sinkshackend almal hurk op die grondvloer druk mekaar vir ekstra beenspasie nou en dan pluk iemand die blikdeur oop is julle wragtig nog hier?”
    En in die gedig “my vriende” skryf Breyten Breytenbach (uit vyf-en-veertig skemeraandsange uit die eenbeendanser se werkruimte, 2014): “…maar hulle is moeg van utopiebedremmeling/…en in die aand luister hulle na ballades van ontnugtering…”
    Waarna sou ‘n keurkomitee van Kuns en Kultuur, met die hulp van Binnelandse Sake, soek in kandidate vir die posisie van Digter des Vaderlands?

  8. Leon Retief :

    Maria, waarom skryf jy nie maar DRRD nie – soos die Jode skryf oor YHWH? 🙂 (grappie hoor, ek geniet altyd jou skrywes)

  9. Maria Snyman :

    O kritieke krater, ek kan ook maar goed stadig van begryp wees! Snap ek nou eers met Leon se opmerking die volle implikasie van Mnr BB se opmerking oor my huiwering om Derrida se naam te noem en dat dit mos is wat met God se naam gebeur! Dit is natuurlik ‘n baie “telling” flater, maar die eintlike rede vir hierdie huiwering, Mnr BB, is omdat die naam Derrida party mense die aapstuipe of horries gee.’n Ander rede is omdat die naam Derrida vir my al lankal baie deeglik en konkreet net ‘n spoor is waarvoor ‘n mens ‘n neus nog beter as Sokrates s’n moet hê, d.w.s. meer soos ‘n hond s’n, vir hierdie naam om sin te maak.

    Ek het intussen ook Mnr BB se gesprek op RSG onthou waarin hy sy kommer uitspreek oor die skade wat die akademie/teorie aanrig rakende die daarstelling van digters. Soos ek dit sien is teorie die tweede beste opsie vir die wat nie so delikaat met woorde kan onderhandel nie – die digkuns bly ‘n uiters fyngevatte tegniek wat boon-op ook ‘n sekere talent daarvoor voorveronderstel. Inderdaad kort ons meer digters, maar wees genadig met die wat nie paal haal nie, Mnr BB.

    Ek is dan ook heeltemal een met Avital Ronell (2005) in haar skrywe “On the Misery of Theory without Poetry: Heidegger’s Reading of Hölderlin’s “Andenken.” Ek kan ‘n sekere vorm of vlak van teorie glad nie meer lees nie. Dis of “Derrida” (d.w.s. enige fenomenale pro-vokatiewe skrywer) of die digkuns vir my.

    Intussen “teach” en “tutor” ek “Englishh for Academic Purposes” met groot plesier – ek vertel die studente hulle kan dit sien as verskoning om skrywers te word want die land kort baie meer baie goeie skrywers, so, kom laat ons leer van sinne maak!

  10. Maria Snyman :

    Cesare Pavese (1908 – 1950): “Traveling is a brutality. It forces you to trust strangers and to lose sight of all that familiar comfort of home and friends.
    You are constantly off balance. Nothing is yours except the essential things: air, sleep, dreams, sea, the sky – all things tending towards the eternal or what we imagine of it.”

    “Travelling”, “translation”, travail, “tracing” (die buitelyne van ‘n [ander] mens sagkens […],
    teer en geduldig, want dit duur lank” en daar is ‘n onvermydelike geweld betrokke), ensovoorts – transaksies – “Maak mekaar sáám anders in Afrikaans [in Afrika, in die wêreld, op die aardbol, die “zeropunt van alle perspepsie, die oneindige horison van elke objek”, aldus Leavey (1989:14) vooraan Mnr D se inleiding tot sy vertaling van Husserl se “The Origin of Geometry” waarvoor Anne Carson se opmerking oor Sappho wat “seems less interested in these characters as individuals than in the geometric figure that they form” naamlik ‘n driehoek in “Decreation. How Women like Sappho, Marguerite Porete and Simone Weil tell God” nuttig sou wees, en waar die karakters behels ‘n meisie (en haar “voice and laughter”), ‘n man “who listens close” en Sappho wat op ‘n stadium sê “”greener than grass I am” en wat Anne beskryf as ‘n moment van “ekstasis, literally ‘standing outside oneself,’ a condition regarded by the Greeks as typical of mad persons, geniuses and lovers, and ascribed to poets by Aristotle.”

    Selfbewustheid, skaamte, jaloesie … ek wonder soms of dit nie is wat mense (bewustelik of onbewustelik) in hierdie land mal dryf nie (die studente wat so skryf oor die feit dat daar nie genoeg boeke en ander bronne vir moedertaalonderrig is soos in Afrikaans en Engels nie …).

  11. Die Vaderlandsdigter van die nuwe Suid-Afrika (of sy nou wil of nie) is Antjie Krog. Daar is ‘n boek tot hierdie effek nou net uitgereik: Speaking Poetry to Power.

  12. Leon Retief :

    Jawellnofine. Gaan die power hoegenaamd die poetry lees? En selfs al done hulle dit gaan hulle in elk geval hul gatte daaraan afvee.

  13. Buiteblaf Breytenbach :

    Ek moet met jou saamstem, Leon- al het Mnr Rautenbach ‘n punt beet met die wiel wat ontwerp word. Ek vermoed dis eerder ‘n proses (dikwels ‘n prosessie en soms selfs iets van ‘n protes) van Speaking Perfume to Poephol. Of is dit dalk ‘Sparking’? In die somberte is elke vonk en vuurvliegie ‘n verligting. Verdomp!

  14. Waldemar Gouws :

    Onder Thabo Mbeki het Antjie Krog nog status in die boonste kring gehad. En waar Mbeki vir Neruda geken het, weet ek net van een liedjie wat Zuma ken, nl. “my masjiengeweer, gee dit aan.” Ek dink nie daardie liedjie begin met ‘n hoofletter nie -dis dalk Z se vrye vers. “Moederland” sou eerder inpas in die hele register (“gamut”) van Antjie Krog se werk.

  15. Leon Retief :

    Daar is ‘n federale eleksie hier op 19 Oktober. Ek vertrou nie die regerende konserwatiewe party nie, (of nie te veel nie) die liberale party se leier Justin Trudeau is ‘n intellektuele dwerg met ‘n mooi glimlag en mooi hairdo, die new democratic party se leier Thomas Mulcair is ‘n wolf in skaapsklere. Gelukkig is daar ‘n party waarvoor en kan en gaan stem want hulle het ‘n kandidaat hier in Takbokkakebeen. Wat nie in die skakel wat ek aan die einde gee genoem word nie is dit: “We promise not to keep any of our promises.”
    https://www.youtube.com/watch?v=U-dtYleuQOM
    Dalk het SA so ‘n party nodig… 🙂

  16. Gert :

    Ten minste hoef Antjie nie verse te skryf vir die koningin se verjaarsdag en Kate se baba nie, so gepraat van Perfume to Poephol. 🙂