Delphine Lecompte. We maken een kringetje van jongens en van meisjes

We maken een kringetje van jongens en van meisjes

 

We zijn twaalf kinderen in de duinen

Er kan er maar een de leider zijn

Mijn nicht zegt: ‘We maken twee kringen:

Een goede kring van kinderen die beschermd worden door hun vaders,

En een slechte kring van kinderen wier vaders weggelopen zijn.’

 

De vader van mijn nicht is politieagent, sterk

Hij slaat zijn vrouw, maar het is niet heel erg

Mijn bloedeigen vader is vertrokken in een soort zeppelin, of stoffige bus

Ik zwaaide hem uit tot zijn vehikel kleiner was dan een haaienvin, of waterjuffer

Ik kreeg een kaart uit Lima, ik kan niet terugschrijven, ik ben te lui.

 

Ik zit met vier andere kinderen in de slechte kring

We zijn de kinderen die naar lijm en hondenferomonen ruiken

De zeven goede kinderen ruiken naar plasticine en verantwoordelijke egels

Mijn nicht deelt rozijnen uit in haar slome onbenullige kring

Wij de slechte kinderen kunnen op onze kin kloppen, of in opstand komen.

 

We komen niet in opstand, we zijn gebroken

En daarbij: rozijnen zijn te gezond om voor te vechten, niet eens echte snoepjes

Kijk! De vader van een kind uit de goede kring staat op een duintop

Hij is dan ook de schrikwekkende duinwachter, hij draagt een geweer

Oh nee! Mijn vader strompelt dronken op ons af, ik mag hem negeren.

 

Mijn vader probeert mij te omhelzen, ik vecht

De duinwachter schiet mijn vader neer, hij is geen echte held

Wanneer mijn vader bijkomt in een ziekenhuiskamer plant hij reeds een nieuwe reis

Naar Mali, omdat Lima niet bestaat, ik mag niet mee omdat ik hem heb verraden.

 

© Delphine Lecompte / 2016

Bookmark and Share

Comments are closed.