Recensie: Gedichten 1963-2014 (Patrick Conrad)

download

KONTEN ALS BLAASBALGEN

Door Luuk Gruwez

 

Het dichterschap van Patrick Conrad begint eigenlijk pas in 1970 met de bundel Met Sappho op de sofa: na ruim tweehonderd bladzijden in de verzamelbundel As – Gedichten1963-2014. Wat de lezer daarvoor te lezen krijgt zijn vaak niet meer dan vingeroefeningen, omringd door veel bladwit. Wat aan zijn Sappho voorafgaat heeft de tand des tijds niet weten te doorstaan. Veel heeft natuurlijk te maken met het postexperimentele, postsurrealistische tijdsklimaat, het gebrabbel dat in die tijd doorging voor poëzie. Het onderbewuste mocht gezapig kabbelen zonder dat men zich zorgen diende te maken over betekenis. Zit er dan geen enkel thema in die vroege verzen? Jawel, maar een zeer vage, een die een constante in dit oeuvre aankondigt: een grote hang naar de sensualiteit en de erotiek van vrouwenlichamen, gepolijst met een esthetiek die niet vreemd is aan de glamour van de filmwereld. De dichter houdt ervan zijn verzen te laten voorafgaan door citaten die bij voorkeur in het Frans zijn gesteld en die ontleend zijn aan Lamartine, Baudelaire, Apollinaire e tutti quanti. Het zijn stuk voor stuk regels die veel sterker zijn dan die van hemzelf.

Ook in Met Sappho op de sofa heeft Conrad het genereuze bladwit nog lief, maar hier en daar duikt al iets op dat volumineuzer is, alsof de dichter niet langer bang voor verzen is. Je krijgt als lezer voor het eerst de indruk dat het ergens over gaat. Niet dat poëzie dat per se hoeft te doen: soms kan alleen haar sonoriteit, de betovering van haar zegging al imponeren. Bij de jonge Conrad is dat te weinig het geval. Er heerst veel pose, opgevrolijkt door een beetje namedropping her en der én door handvaste tekeningen. Het is poëzie die op een vervelend voorspel lijkt, een faliekante poging tot erotiek: verlokking waarop maar geen vervulling volgt. Veel pathetiek ook, veel o’s, veel flou artistisque en soms een soort Nederlands dat uit een Franstalige strot lijkt geperst. Waarom, nogmaals, toch zoveel wit in een obees boekwerk van ruim één kilogram? Shakespeare, Borges, Pessoa en Rimbaud zijn met vele grammen minder tevreden. En ja, ook Claus bij wie deze dichter af en toe de mosterd heeft gehaald in bespiegelingen over een bestaan dat, inclusief geboorte en dood, toch vooral als theater wordt gezien. Het beste leven is gelogen.

Maar plotseling – en wij bevinden ons dan al op bladzij 315 – vindt er in de bundel 11 sad songs for Edward Kienholz een kantelmoment plaats. De verzen blijven een purperbrokaten weelderigheid uitstralen met veel assonanties en alliteraties. De sfeer blijft die van ouderwetse decadentie – ‘ouderwets’ in haar inmiddels achterhaalde poging tot modieusheid maar de gedichten krijgen meer body. Conrad handhaaft zijn voorkeur voor Franse citaten en voor Engelstalige gedichttitels. Ze moeten het eclecticisme illustreren dat van oudsher eigen is aan de dandy – een snuifje dit en een snuifje dat. En vooral is de dichter een groot liefhebber van kitsch: ‘Kitsch is a beautiful word, a beautiful word, a beautiful word,’ citeert hij de Engelse zanger Barry Ryan.  Je vraagt je als lezer af op welke onderliggende behoeften die kitsch een antwoord is. Ik had althans de neiging om te denken aan een quote van de Oostenrijkse architect Friedensreich Hundertwasser: ‘The absence of kitsch makes our life unbearable.’ De dichter moet veel schone schijn opdissen om zijn bestaan, onderhevig aan fysieke ontluistering, leefbaar te houden. Enkel een spel kan hem zijn vervaldatum af en toe doen vergeten. ‘Ik ben de eeuwig verliefde, de gemaskerde held,/ de vernielde, gepantserde nar in uniform./ Alleen op mijn heuvel in dit land zonder heuvels/ maar met stille stromen als plassen vol tranen,’ schrijft hij. Liefde gaat achter een masker schuil. Conrads heldhaftigheid is die van een nar, een acteur. Hij is de enige die met een zeker dedain op een heuvel staat, terwijl hij het gajes in de vlakte gadeslaat. Misschien zullen sommigen zich aan zoveel weigering om oprecht te zijn ergeren, maar net zo goed kunnen anderen bewondering opbrengen voor dit streven naar een alternatief bestaan. Want het ultieme doel blijft hoe dan ook liefde, mislukte en geslaagde liefde, pijnlijke en zalvende. En als dit niet kan: een dichterlijke prothese daarvan. Is er zoveel verschil tussen echte en gelogen liefde, tussen schijn en zijn? De dichter vraagt het zich af: Vous parlez d’amour, Mesdames?Mais vous rêvez! Op overdreven veel fiducie in de waarachtigheid van de liefde valt deze dichter niet te betrappen. Ook heeft hij, naast zijn fascinatie voor luxe, veel oog voor lelijkheid; ‘Ik hou niet van konten als blaasbalgen/ en dijen als de Dolomyten (sic!) doen me walgen. (…) Potsierlijk keert zij haar kwabben in kringen en kronkels,/ zoogdier, zuigdier, buidel vol Vlaamse spijzen en wijnen.’  Maar ook schrijft hij: ‘Wellicht smeek ik slechts om tederheid.’

Conrad is een van die zeldzame dichters wier beste werk ontstaat in het voorgeborchte van de ouderdom. Zijn frases worden minder hol, zijn zegging meer to the point. En minder dan in vroeger werk voelt hij de behoefte om zijn pauwenstaart op te zetten bij wijze van baltsgedrag. Het baltsgedrag dat de poëzie toch altijd een beetje is.

____________________

PATRICK CONRAD

AS. Gedichten 1963-2014

Poëziecentrum, 760 blz., 34,90 euro.

Bookmark and Share

Comments are closed.