Yves T’Sjoen. Eenentwintigste-eeuwse Nederlandstalige poëzie in Afrikaans

Nederlands.Afrikaans

‘Van uren ver hoort men ons’. Eenentwintigste-eeuwse Nederlandstalige poëzie in Afrikaans

In 1997 stelden Johann Lodewyk Marais en Ad Zuiderent de bloemlezing Ons klein en silwerige planeet (JL van Schaik Akademies) samen. Luidens de ondertitel presenteert de bundel “Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse gedigte oor die omgewing”. De verbindende factor van de in totaal zeventig teksten van Zuid-Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse auteurs is een ecologische thematiek en meer bepaald “de omgang van mensen met hun natuurlijke omgeving”. In Zuid-Afrika en de Lage Landen krijgt de omgang met de natuur om voor de hand liggende (ruimtelijke) redenen een wel zeer verschillende invulling. Op het achterplat van het boek wordt melding gemaakt van “de eerste omvangrijke gezamenlijke publicatie van Afrikaans- en Nederlandstalige schrijvers sinds de grote politieke veranderingen in Zuid-Afrika”. Onder meer naar het voorbeeld van deze anthologiebundel hebben Ronel Foster en ik ruim tien jaar later het plan opgevat, bij wijze van addendum bij de opstellenbundel Over grenzen. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/Oor grense. ’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie (Acco, 2009), een tweetalige poëziebloemlezing samen te stellen. Helaas is van dat plan, onder druk van auteursrechtelijke en financiële kwesties, niets in huis gekomen.

Het concept van de tweetalige editie, met gedichten die in de oorspronkelijke brontaal zijn weergegeven, levert de basisgedachte voor een nieuw initiatief. Begin 2016 tijdens een koude januaridag in Antwerpen, vlakbij de majestueuze Onze Lieve Vrouwekathedraal, hebben Daniel Hugo en ik overleg gepleegd over een bloemlezing uit eenentwintigste-eeuwse Nederlandstalige poëzie voor een Zuid-Afrikaanse lezerspubliek. In het fonds van Protea Boekhuis van directeur Nicol Stassen bezorgde vertaler Daniel Hugo inmiddels enkele uitgaven met werk van Nederlandstalige dichters (De Coninck, Komrij, Kopland, Schaffer, Van hee en recent Nolens). Volgens het nieuwe plan zullen gedichten van Nederlandse en Vlaamse auteurs worden geselecteerd en samen met de Afrikaanse vertaling worden aangeboden.

Uitgangspunten die ten grondslag liggen aan literaire bloemlezingen zijn zoals bekend zeer uiteenlopend en nooit vrijblijvend. Daarom lijkt het ons een aanzienlijke meerwaarde voor het boek dat we in gedachten hebben de dichters te betrekken bij de keuze. Die idee is destijds aangewend voor de bundel De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig (Meulenhoff, 2011). In samenspraak met zeventien dichters in het Nederlandse taalgebied trad ik bij die gelegenheid op als curator. De dichters konden zelf, terugblikkend op hun werk van de jaren zeventig, een keuze maken. De meesten verkozen later werk, soms heel recent, en enkele dichters (Benno Barnard, Huub Beurskens, Wiel Kusters en Willem Jan Otten) presenteerden onder meer ongepubliceerd werk. Dat was inderdaad ook een mogelijkheid. Voor de afbakening van de periodebepaling “[dichters] van de jaren zeventig” is er voor geopteerd schrijvers te selecteren die tussen 1944 en 1954 zijn geboren en tussen 1968 en 1984 hun debuut in de poëzie hebben gemaakt. In ieder geval waren zij allen productief in de jaren zeventig – dat was het uitgangspunt. Nolens bood gedichten aan die in Bres (2007) zijn gebundeld, Anton Korteweg blikte terug en verzamelde teksten van de voorbije dertig jaar en Benno Barnard stuurde drie onuitgegeven gedichten. Die vrijheid kan je schrijvers gunnen indien zij (kunnen) worden betrokken bij het selectieproces.

Vooral de optie van de zelfbloemlezing is wat mij betreft verrijkend. In overleg met hedendaagse auteurs, die rond de millenniumovergang hun debuut maakten en inmiddels ruim anderhalf decennium aan de weg timmeren, zal een keuze van dertig namen worden gemaakt. Elke auteur kiest uit het gebundelde werk drie gedichten. Het is met behulp van die zelf-ondernomen selectie dat zij zich presenteren aan een anderstalig, in dit geval een Afrikaans sprekend en lezend publiek. Daniel Hugo is bereid gevonden de Afrikaanse vertalingen te maken zodat de teksten in beide talen worden aangeboden.

Bijna twintig jaar na Ons klein en silwerige planeet kan een tweetalige poëziebloemlezing Afrikaans-Nederlands verschijnen. Een met betrokken auteurs overlegde keuze uit hedendaagse Nederlandstalige poëzie wordt op die manier beschikbaar in Zuid-Afrika. Voor de meeste dichters is dat in het buitenland niet minder dan een binnenkomer: het boek biedt een forum waar Zuid-Afrikaanse lezers zullen kennis maken met schrijvers die vandaag aanwezig zijn in en soms een stempel drukken op het literaire landschap van Nederland en Vlaanderen.

Dat is alvast de betrachting. Het is een plan dat op die koude dag kort na Nieuwjaar is gesmeed. Of het plan de volgende jaren kan worden gerealiseerd, hangt nu af van subsidiënten. Ten vroegste in 2019 bestaat in het fonds van Protea Boekhuis ruimte voor een dergelijke ambitieuze want revelerende poëzie-uitgave. Hoe relevant de bloemlezingen uit werk van enkele Nederlandstalige auteurs in het Afrikaans ook zijn, er is alles voor te zeggen voortaan met een staalkaart te werken en dus een verzameling met teksten van auteurs en de meest uiteenlopende poëtica’s die vandaag functioneren in de hedendaagse literatuur van de Lage Landen. De hoop is er dus op gevestigd dat Nicol Stassen die uitgeefruimte vindt en ook het geld bij Nederlandse en Vlaamse letterenfondsen teneinde de auteursrechtelijke en dus financiële kwesties te regelen. Over de idee zijn de samensteller, de vertaler en de uitgever het alvast roerend eens. Het boek zal een promotie zijn voor de poëzie van het Nederlandse taalgebied en schrijvers van vandaag toegang verlenen tot het Afrikaanse lezerspubliek. Wie weet wordt er daarna wel méér van hun hand vertaald, worden Nederlandstalige dichters uitgenodigd op literaire festivals, krijgen ze een tribune in Zuid-Afrika. In de omgekeerde richting bestaan soortgelijke initiatieven, gaande van Gerrit Komrij’s vuistdikke bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (Bert Bakker 1999), alsook de miniversie De Afrikaanse poëzie in 10 gedichten en een lexicon (Bert Bakker 1999), tot anthologiebundels die onder anderen Adriaan van Dis en Robert Dorsman met Zuid-Afrikaanse poëzie hebben samengesteld (O wye en droewe land. Honderd-en-een gedichten uit de Afrikaanse poëzie, Meulenhoff, 1998).

  • De titel ‘Van uren ver hoort men ons’ is ontleend aan de tekst ‘Gedicht in de wijvorm’ van de Antwerpse schrijver Gust Gils (1924-2002) en staat in de bundel zeer verlaten reiziger (1954).
  • Een recensie over deze bloemlezingen (Komrij, Van Dis-Dorsman) is terug te vinden op de DBNL en is van de hand van Jan Deloof (Ons Erfdeel 43 (2000), p. 116-120): http://www.dbnl.org/tekst/_ons003200001_01/_ons003200001_01_0019.php.

 

(c) Yves T’Sjoen / Junie 2016

 

Bookmark and Share

Comments are closed.