Luuk Gruwez. Schoon is de jeugd, Agnes Althans

Luuk Gruwez. SCHOON IS DE JEUGD, AGNES ALTHANS

 

Er is misschien een gradueel verschil tussen een kijker en een toeschouwer. Legt de eerste niet een grotere ijver aan de dag dan de laatste, inspecteert hij niet gretiger wat hem omringt?  Een toeschouwer laat zijn aandacht wel eens verslappen. Anton Korteweg is in de allereerste plaats een kijker. Hij trekt als een jager op pad om zijn prooi te beloeren. Niet om hem te doden, maar om hem juist door middel van een zo uitgebreid mogelijke reeks snapshots te beschermen tegen het verdwijnen. Meer dan een jager, maakt dit van hem een fotograaf. De verzamelbundel Ouderen zijn het gelukkigst, met alle gedichten van 1971 tot nu, is niet alleen een collectie impressies, maar geeft ook weer hoe een blik op de dingen in de loop van de jaren gegarandeerd verandert, zelfs als er veel hetzelfde blijft. Korteweg stelt verwonderd vast hoe voor ouder wordende ogen de werkelijkheid andere nuances krijgt. Hij beschrijft de spanning tussen wat hij ziet en wat hij heeft gezien. En, om alweer een titel van een van zijn dichtbundels te citeren: Eeuwig heimwee drijft hem voort. Of toch niet helemaal. Hij staat het zichzelf namelijk niet echt toe; hij corrigeert zich voortdurend, zoals een impressionistisch schilder dit doet in confrontatie met de schakeringen van het licht. Er hangt een bedrieglijke luchtigheid over deze poëzie, een antidotum tegen de zwaarte van het bestaan. Kortewegs ironie is een soort preutsheid waarmee hij voorkomt op zijn naaktste zelf te worden betrapt. Maar die lichtheid is bedrieglijk. ‘Schoon is de jeugd, Agnes althans.’ Natuurlijk weet hij: straks niet meer.

Deprimeert deze instelling hem? Ook hier is het weer dubbel. Als geen ander kan hij glimlachen om zijn nederlagen. Zijn eindbalans is nooit gespeend van zelfcorrigerende geestigheid, alsof hij zich geen pure wanhoop toestaat. Natuurlijk is het rijk van de ouderdom, ondanks de titel, niet het meest paradijselijke. Behalve, alla, blijkens sommige statistieken in Nederland. Maar Korteweg blijft op zijn hoede. Meestal middels de truc van de anticipatie. Hij bestrijdt de ouderdom en het almaar naderende afscheid door er uitgebreid zijn zegje over te doen. Ik ken geen dichter die zich zozeer uitslooft om zijn jeugd te behouden door over zijn ouderdom te schrijven. Al lang voor zijn oude dag was deze strategie hem eigen, nam hij afscheid van wat hem al dan niet lief was. Eerst om op eigen benen te leren staan zoals in zijn debuut Niks geen romantic agony, waar hij zich met een zekere minzaamheid distantieert van zijn old time religion, later toch vooral om te voorkomen dat hij straks geen tijd voor afscheid meer overheeft, hij die de dood voor wil zijn.

‘Op weg van niets naar niets’: zo heet een cyclus. Voor een andere bundel, een van zijn somberste, ontleent hij zijn titel aan zijn soulmate J.C Bloem: Tussen twee stilten. Tussen niets en niets probeert hij toch nog iets te vinden dat groter dan niets is. En dus ook groter dan niemand. Daartoe moet hij de dagelijksheid liefdevol genoeg bejegenen. Nu is nu, weet hij. Wij hebben niets anders. Het ongeluk van sommigen, misschien ook hun geluk, is dat zij hun hoop vestigen op enig daarna. Al keurt Korteweg dit niet af. Misschien vermijden zij daarmee kommer en kwel. Je kunt niet lijden aan wat er niet is. En bovendien: ‘Men moet, zei Sartre al, / maat houden in het lijden.’ Kun je met zo’n instelling ook gelukkig zijn? Alleen met mate dus. Er wordt geweldig veel gefietst in deze poëzie. Zo’n vehikel dat grote opmerkzaamheid toestaat, kan ook veel zintuigelijk genot en een zekere monterheid opleveren. Maar wat deze poëzie niet enkel monter maakt, is het melancholische besef dat de dichter op zeker moment zijn pedalen niet meer rond krijgt. Misschien legt hij zich daar maar met moeite bij neer. Nog zoveel had hij willen zien. Zien is zijn belangrijkste activiteit. Zien als vorm van zijn.

Want het gaat Korteweg om meer dan enkel kijken. Alles wat hij ziet krijgt een bespiegelende lading mee en moet de leegte opvullen. Het is niet waar dat hij alleen maar de frivole Frans wil uithangen. Hij probeert een dichtersleven lang uit te vinden wat geluk is. En of je het wel moet nastreven. Daarin is een ontwikkeling merkbaar. De queeste naar een ideaal geluk wordt langzamerhand vervangen door die naar een geluk dat meer behapbaar is. En eigenlijk zit er ook een evolutie in de belangstelling voor seksualiteit. Het gaat van seks of wat daarvoor moet doorgaan naar liefde of wat daarvoor moet doorgaan. Op een bepaald moment wordt de wang belangrijker dan het geslachtsorgaan of de lippen.

Zijn ouderen werkelijk het gelukkigst? Het is de uitspraak van iemand die al in zijn debuut strijd voert tegen het te machtige verloop der jaren. Een van ‘s dichters dominantste vragen luidt ook decennia hierna nog als volgt: ‘Gaat het wel goed met me?’ Korteweg probeert met Hollandse nuchterheid te achterhalen of het beter is dat hij blijft of dat hij weggaat. Net als Kopland, die andere soulmate van hem, heeft hij een gedicht geschreven dat ‘Weggaan’ heet. Voor Kopland was weggaan eigenlijk altijd een vorm van blijven, vanwege de sporen die iemand nog een poosje achterlaat. Bij Korteweg, die ‘comfortabel ongelukkig’ is, klinkt het amper anders. Het is niet mogelijk om te blijven. Maar laten wij zo elegant, zo zorgvuldig mogelijk verdwijnen.

____________________

ANTON KORTEWEG

Ouderen zijn het gelukkigst en alle andere gedichten van 1971 tot nu

Meulenhoff, 671 blz., 39,99 euro.

 

Bookmark and Share

Comments are closed.