Willem Roggeman. Het einde van de avant-garde

Het einde van de avant-garde

 

Deze morgen was je Cabaret Voltaire in Zürich
toen een baby plots zijn eerste groet stamelde:
Jij, jouw, jou jouw, ik jouw, jij mij, —wij?

Op het middaguur verscheen een blauwe ruiter.

In Amsterdam werd je het terras van Café Eylders
terwijl de julizon op het Leidse Plein uiteenspatte:
Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur

En vanavond ben je het atelier in Bergen aan Zee
waar Lucebert zijn losbollige verbeelding losliet:
scheert met de pes de pana de nieketan

Daarna begint de reis naar het einde van de nacht.

Je blijft altijd het grote zwarte vierkant
in het bekende schilderij van Malevitsj.

Soms ben je het donkerrood van Rothko.
Een naakte verschijning bij het middagmaal
in de kelderwoning van William Burroughs.

Nooit ben je een hoofdletter geworden
in de 73 gedichten van e.e.cummings.

Je zette de laatste voetstap van Giacometti.
Je bent de revolver in de hand van Majakofski.

Dit uitdovend tijdperk eindigt met een niesbui
en je rijmt voortaan voorzichtig als een sonnet.
Je woorden worden doorzichtig, voorspelbaar.
Een veeg teken. De taal wordt nu totaal egaal.

 

 

*Dit gedicht bevat drie citaten uit klankgedichten van drie avant-gardedichters. De derde regel is de Nederlandse vertaling van de Duitse regel “Du, Deiner, Dich Dir, ich Dir, Du mir,—wir?” uit het gedicht “An Anna Blume” van Kurt Schwitters (1887-1948), de zevende regel komt uit het gedicht “Oote” van Jan Hanlo (1912-1969) en regel tien komt uit het gedicht “hu we wie” van Lucebert (1924-1994).

© Willem Roggeman / 2016

Bookmark and Share

Comments are closed.