Yves T’Sjoen. Proeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

imagesProeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

De beeldvorming van een literatuur in het buitenland verloopt langs verschillende sporen. Dat buitengaats geconcipieerde geschiedverhaal rijmt niet per se met de geschiedenis die in het taal- of cultuurgebied wordt gegenereerd. Tal van actoren zijn betrokken bij de cultuurtransmissie en construeren hun particuliere beelden van een literatuur. Tot de actoren behoren onder velen vertalers en uitgevers, critici en schrijvers, academici, culturele kranten- en tijdschriftredacteuren. Vanuit een particulier perspectief, geleid door bijvoorbeeld esthetische en didactische strategieën, worden in geschiedenisboeken beelden van literatuur geconcipieerd. Als het over buitenlandse literatuur gaat, dan spelen ook weer andere factoren een rol van betekenis, zoals de beschikbaarheid van de literatuur (in vertaling), uitgeversfondsen met vertaalde literatuur (zoals Podium voor de Afrikaanse poëzie), aandacht in lokale en nationale media et cetera.

Academisch literatuuronderwijs

In de kritische en creatieve receptie of dus de beeldvorming van anderstalige teksten in een taal- en cultuurgebied is ook het academisch onderwijs aan universiteiten van belang. In overzichtscursussen krijgen anderstalige studenten een verhaal gepresenteerd waarin panorama’s worden geschetst van literaire bedrijvigheid in het buitenland. Deze geschiedkundige overzichten zijn in tegenstelling tot wat ze voorwenden specifiek en worden in aanzienlijke mate bepaald door het perspectief van de docent en diens premissen. Elke literatuurgeschiedenis wordt in de verhalende vorm gebracht, met de focus op schrijvers en hun teksten, sinds enkele jaren ook nadrukkelijk gericht op de institutionele inbedding van literatuur (zoals de rol van uitgeverijen, tijdschriften, bibliotheken) én met aandacht voor het gesprek over literatuur in de afgezoomde periode. Alleen al dat selectieve lijstje wijst op ingrediënten voor een geschiedverhaal die ikzelf in ieder geval als belangwekkend beschouw.

Wie een verhaal brengt over Afrikaanse literatuur, bijvoorbeeld, presenteert een tekstselectie en hangt beelden op van literaire oeuvres en publieke schrijversoptredens. Er worden verbanden gesuggereerd, teksten worden op een welbepaalde manier besproken en desnoods als illustratiemateriaal gebruikt voor het literatuurhistorische discours. De encyclopedische en bio- en bibliografische referenties dienen hoogstens als pijlers voor een particulier betoog waarin zoals gezegd altijd weer eigen accenten worden gelegd. Een overzicht van dominante tendensen in een tijdvak kan idealiter worden gecomplementeerd met verhalen waarin esthetische paradigmaverschuivingen, literaire experimenten, avant-gardebewegingen en meer perifere literaire verschijnselen centraal staan. De bovenstroom, wat aan de oppervlakte van de letteren zichtbaar is, wordt in hoge mate mee bepaald door de onderstroom die aan het oog onttrokken is. En ik voeg er meteen aan toe: ook door alle tussenstromen. Wat vanuit hedendaags perspectief relevant lijkt, terugblikkend op een gebeurtenis of tendens, hoeft niet overeen te stemmen met hoe een en ander in die periode is gepercipieerd, welke schrijvers toen als belangwekkend zijn voorgesteld, welke teksten toentertijd een onderwerp van gesprek waren. Het literaire bedrijf is daarenboven een dynamisch proces van actie en reactie. Het is daarom relevant naar mijn oordeel de pendelbewegingen tussen literaire opvattingen te laten zien. Niet alleen vanuit een panoramisch perspectief maar soms ook in de ontwikkeling van een individuele schrijverspoëtica.

Afrikaanse literatuur in Gent

Universiteitsgebou

Universiteitsgebou

Aan de Universiteit Gent wordt al sinds een decennium het opleidingsonderdeel Afrikaans: taal- en letterkunde gedoceerd. Het vak heeft een hybride structuur: naast taalgeschiedenis en taalverwerving wordt aandacht geschonken aan de taalkunde van het Afrikaans, maatschappelijke en politieke geschiedenis en vanzelfsprekend ook de Afrikaanstalige literatuur. Elk jaar volgen tussen dertig en vijftig studenten Afrikaans. Deze derdejaarsstudenten nemen kennis van en worden enthousiast gemaakt voor taal en literatuur. Veel meer dan een introductie kan het vak niet bieden. Daarom verdient het aanbeveling in de masteropleiding te beginnen met een vak Afrikaanse literatuur nadat studenten in de bacheloropleiding Afrikaanse taalkunde en taalverwerving hebben gevolgd. Sommige studenten wijden vandaag in hun masteropleiding de scriptie aan een aspect van de Afrikaanse taal- of letterkunde. Voor de letterkunde wordt sinds dit academiejaar gewerkt met een syllabus: Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays (W∞lf, Gent 2016, 193 pagina’s). Naast een schetsmatig en overwegend bibliografisch overzicht van trends en ook trendbreuken in de Afrikaanse literatuur van de twintigste en vroeg-eenentwintigste eeuw zijn literatuurbeschouwingen en meer op de maatschappelijke en academische Zuid-Afrikaanse actualiteit gerichte teksten gebundeld die ik de afgelopen twee jaar schreef voor weblogs zoals LitNet NeerlandiNet en Versindaba en voor de website van Knack Magazine.

Voor het panoramische overzicht is om evidente redenen, en vooral dankbaar, gebruik gemaakt van het overzichtswerk Skrywers in die strydperk. Krachtlijnen in de Zuid-Afrikaanse letterkunde (Eep Francken en Luc Renders, Bert Bakker, Amsterdam 2005; sinds kort beschikbaar in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren). Naast feitelijke gegevens – schrijversnamen, jaartallen en titels van boeken en tijdschriften – bevat het overzicht enkele termen, zoals ‘(anti)normatiewe plaasroman’ en ‘grensliteratuur’, en politieke en maatschappelijke context. Wat in het boek van Francken en Renders ontbreekt naast de plejade van canonieke Afrikaans schrijvende auteurs zijn primaire teksten – afgezien van de fragmenten die in de monografieën zijn opgenomen. In de syllabus is nu per hoofdstuk een beperkte bloemlezing opgenomen van gedichten en korte prozafragmenten. Van ‘De Hollandse taal’ door Joseph Suasso de Lima tot ‘Elke gedig’ (H.J. Pieterse) en ‘Die onophoudelike weerligstraal’ (C.P. Naudé).

Perspectieven voor een geschiedverhaal

Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika presenteert een particulier verhaal. De keuze voor het onbepaalde lidwoord in de boektitel duidt daar op. Hoewel ik meer dan gewoon schatplichtig ben aan Skrywers in die strydperk, het boek waaraan in de inleiding expliciet wordt gerefereerd, tracht ik met behulp van mijn primaire tekstenkeuze een eigen verhaal te brengen. De klemtoon ligt op de dynamiek van het literaire landschap, met name het Afrikaanse culturele subsysteem als onderdeel van een meertalig literair polysysteem in Zuid-Afrika. Door de focus te richten op het heersende discours – met canonieke stemmen zoals N.P. van Wyk Louw, D.J. Opperman, Breyten Breytenbach en André Brink (de usual suspects) – en de interactie met of het tegengewicht van meer marginale discoursen tracht ik dat dynamische proces in kaart te brengen. Figuren als Jan Rabie, voorloper van de ‘Sestigers’, en ook Peter Blum, E.K.M. Dido, S.V. Petersen, P.J. Philander en Peter Snyders bijvoorbeeld verschijnen in beeld. Niet toevallig enkele bruin- en swartskrywers, maar ook andere figuren die in het vergeetboek van de Afrikaanse letteren worden bijgeschreven.

Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach

Aangezien overwegend Vlaamse studenten taal- en letterkunde en (Afrikaanse) talen en culturen het vak volgen, wordt geregeld verwezen naar contemporaine ontwikkelingen in het zustertaalgebied. De literaire context van de Lage Landen is noodgedwongen ook mijn referentiekader, het frame waarmee ik de Afrikaanse literatuur lees. Niet alleen de cultuurtransfers en intercontinentale contacten passeren de revue – de vriendschapsbanden tussen N.P. van Wyk Louw en Nederland/Vlaanderen (K. Jonckheere, J. Greshoff), de schrijverscontacten tussen Eybers en Van Nijlen, Lanoye en Krog –, ook de intertekstuele relaties tussen Afrikaans en Nederlands zijn van belang: een gedicht dat Breytenbach opdroeg aan Paul van Ostaijen en de opdrachtgedichten die onder anderen Campert, Kouwenaar, Lucebert en Ten Berge voor en over Breytenbach (in gevangenschap) publiceerden.

Complementariteit, de andere kijk

Keuzes bepalen een verhaal. Het beeld dat ik naar voren schuif van de Afrikaanse letteren moet noodgedwongen worden aangevuld. Studenten krijgen precies daarom een bibliografische lijst met historische overzichten waarin vooral andere klemtonen zijn gelegd. Op basis van die lectuur kunnen zij de verhalen in Een geschiedenis ter discussie stellen, nuanceren en aanvullen. Het is goed te reflecteren over uitgangspunten zodra een literatuurgeschiedenis wordt verteld. Dat gebeurt ook expliciet in de inleiding van het boek. Elk jaar breng ik idealiter een ander verhaal en belicht vanuit een bijgesteld perspectief een andere scherf van het fonkelende mozaïek. Ook al figureren dezelfde auteurs en teksten in het panorama, ze worden beschouwd vanuit een veranderlijk perspectief dat een nieuwe lichtstraal laat schijnen op een oeuvre, een literaire gebeurtenis of een markant verschijnsel.

Door een deel met beschouwende teksten op te nemen, voorgepubliceerd op weblogs en in tijdschriften, wordt dat perspectief verduidelijkt. Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays is dan ook een vermetele poging een literatuurgeschiedenis te construeren die naast de bekende namen en titels iets toevoegt aan wat al bekend is.

En toch blijft het project voor mij onbevredigend. Een multilinguaal land als Zuid-Afrika, met de vele talen en literaire tradities, verdient een polyperspectivistische literatuurgeschiedenis. Met aandacht voor de andere talen, naast het Afrikaans, en alle kruisbestuivingen die daartussen plaatsvinden. Een Zuid-Afrikaanse literatuurgeschiedenis kan alleen het resultaat zijn van teamwork. Mogelijk naar analogie met de door de Nederlandse Taalunie geïnitieerde en bijna voltooide Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur, en dan niet alleen een auteur per periode maar een amalgaam van historici die de literatuurgeschiedenissen vanuit de meertalige context beschrijven. Wat ik binnen mijn beperkingen maar kan vertellen, is vanuit een buitengaats perspectief een verhaal over de Afrikaanse letteren. Als een Vlaming over Afrikaanse letteren in Zuid-Afrika spreekt, is dat per definitie een ander verhaal dan wat Zuid-Afrikaanse en ook Nederlandse docenten vermogen. De canon van de Afrikaanse literatuur in de Lage Landen is hoe dan ook een andere dan de (Zuid-)Afrikaanse. Dat maakt het transnationale gesprek over elkaars literatuur net zo interessant. Welke schrijvers spreken aan in een ander taalgebied, wat is er populair, welke teksten worden vertaald, wie staat er in beeld enzovoort. Alle benaderingen samen maken deel uit van het complexe verhaal dat transnationale literatuurgeschiedenis heet. Vanuit welk perspectief we ook kijken, het blijft een verhaal.

(c) Yves T’Sjoen /Desember 2016

Bookmark and Share

Comments are closed.