Yves T’Sjoen. De ironische gestalte van Zbigniew Herbert in Breytenbachs poëzie

Zbigniew Herbert

De ironische gestalte van Zbigniew Herbert in Breytenbachs poëzie

Het is op 8 maart jongstleden gerapporteerd, onder andere op de weblog Versindaba: Breyten Breytenbach ontvangt voor zijn literaire oeuvre van de stichting die is genoemd naar de Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924-1998) een van de meest belangwekkende literaire onderscheidingen in Europa. De Zbigniew Herbert International Literary Award wordt sinds 2013 uitgereikt aan een internationaal gerenommeerde schrijver. De voorbije jaren viel de eer te beurt aan Lars Gustafsson, Ryszard Krynicki, William Merwin en Charles Simic. Net toen het nieuws bekend raakte – er bestaat  geen toeval – las ik een essay van Marc Reugebrink in de bundel Het geluk van de kunst (2012). De bijdrage handelt over de gedichten ‘Apollo en Marsyas’ en ‘Meneer Cogito’s opdracht’. De eerst vermelde tekst is door Czesław Miłosz en Peter Dale Scott naar het Engels vertaald. ‘Apollo en Marsyas’ is een meesterlijk gedicht gebaseerd op en een adaptatie van de klassieke mythe zoals verhaald in Ovidius’ Metamorfosen (Boek VI), een narratief over de wreedaardige god Apollo en de stoutmoedige sater Marsyas, die de godheid uitdaagt en uiteindelijk levend wordt gevild. In verschillende versies en bewerkingen van de mythe verschuift het vertelstandpunt. In de Nederlandstalige literatuur denk ik aan bewerkingen door Hugo Claus en Stefan Hertmans.

Reugebrink bespreekt de vertaalproblematiek en de wijze waarop de vertaler Gerard Rasch in vergelijking met Miłosz en Dale Scott bepaalde keuzes voor de vertaalslag naar het Nederlands heeft gemaakt. De essayist stelt dat Herbert vooral het “(gruwelijk) lijden in de kunst” in zijn bewerking heeft gethematiseerd. De parallel ligt dan voor de hand met met het lijden van de kunstenaar onder een communistisch regime, het verhaal van de zanger die te maken krijgt met censuur en staatsintimidatie. Al voegt Reugebrink meteen toe dat “niet ieder gedicht van [Herbert] om die reden een ‘geëngageerd gedicht’ moet worden genoemd”. Niet alle teksten van schrijvers in de diaspora moeten vanuit politiek-ideologisch perspectief betekenis worden gegeven. Dat geldt zowel voor Zbigniew Herbert als voor Breyten Breytenbach.

De receptie van beide gedichten wijst uit dat Herbert in “het voormalige ‘Vrije Westen’” vrijwel uitsluitend politiek is geïnterpreteerd. Reugebrink gewaagt in zijn essay ‘“Some untidy spot”’ van “een soort strijdlied […] voor hen die zich intellectueel onderdrukt achtten, maar dat het [gedicht] tegelijkertijd als strijdlied niet werkelijk iets te bieden heeft: geen vrijheid, geen verlossing, geen troost, geen aankomst in een aards of hoger gelegen doel”. In een dergelijke lezing worden teksten gereduceerd tot een protestlied tegen de verknechting van de vrije kunst door dictatoriale machthebbers.

“How to bring presence into a poem” (Jarosław Mikołajewski)

Marc Reugebrink weigert de tekst van Herbert uitsluitend te lezen vanuit dat politieke frame. Met name als een getuigenis van een dichter die achter het IJzeren Gordijn door het alomtegenwoordige en toeziend staatsapparaat wordt geringeloord en van zijn vrijheid ontvreemd. Ironie, de schrijver spreekt zelfs over “fijnzinnige ironie”, is een substantieel ingrediënt van Herberts stilistische palet. Door zijn gedichten in de hermeneutische mal van “het strijdlied” te plaatsen, wordt het semantische potentieel aanzienlijk ingeperkt. De teksten waarvan hier sprake kunnen ook als uitdrukking van verwondering worden gelezen, waarin een bepaalde afstandelijkheid aanwezig is, of als een uitdrukking van het besef van “een kloof tussen voorstelling en wereld, in feite de kloof tussen taal en wat zij benoemt, en dus ook een kloof tussen het ik en de wereld”, zo stelt de auteur van het essay.

Indien dit het uitgangspunt voor een lezing is, ontstijgt de poëzie van Zbigniew Herbert de tragische anekdotiek die er ten grondslag aan ligt en hoeft de lectuur van het gedicht zich daartoe geenszins te beperken.

Ik denk dat de bekroning van Breytenbachs oeuvre in dat licht kan worden beschouwd. Het lijkt me de meer eervolle lezing van de prestigieuze onderscheiding. Hier wordt niet zozeer de antiapartheidsactivist gelauwerd, de schrijver die over het tragische (persoonlijke) lot onder apartheid een esthetisch verantwoorde getuigenis brengt. De eendimensionale politieke lezing van Breytenbachs poëzie doet afbreuk aan de gelaagdheid, de ironische connotaties, de semantische rijkdom en vooral de weerbarstigheid van elke tekst. Voor de duidelijkheid betrek ik hier beider oeuvres en poëtica’s, van Herbert en Breytenbach, niet op elkaar. Herbert, zo stelt Reugebrink, nam “afstand van de avant-gardistische, modernistische poëzie die zich na de Tweede Wereldoorlog evenzeer als antwoord op de verschrikkingen van de Holocaust aandiende”. Breytenbach omarmt in de jaren zestig nu net het surrealisme, de modernistische poëzie van onder andere Vijftig in Nederland, van de Franse meesters Blaise Cendrars, Paul Eluard, Henri Michaux en anderen. Een vergelijkend onderzoek naar de Franse modernistische poëzie en het werk van Breytenbach moet nog worden ondernomen.

De bekroning met de Zbigniew Herbert-prijs is een statement dat Breyten Breytenbach op zijn manier heeft gelezen. Op Versindaba oppert hij: “[G]edigte. In sy geval suiwer, gekonsentreerde syns-essensie wat ook uiters effektief ‘gelees’ en ‘verstaan’ is as stellingname in die politieke en sosiale en selfs religieuse arena”. Breytenbach legt de nadruk niet uitsluitend op de politieke subtekst, die hoe dan ook telkens in een referentiële lectuur kan worden betrokken, maar hij haalt ook sociale en “selfs religieuse” dimensies aan. In zijn ironische en tegelijk erkentelijke reactie laat hij dit nog optekenen: “een van die jurielede, Joeri Androekhowietsj van Oekraïene, [het] met die bekendmaking van die toekenning daarop gewys […] dat Afrikaans tans met uitwissing bedreig word. Ek sou kon byvoeg dat hierdie totaal sinnelose taalmoord gerasionaliseer word deur die heldhaftige Afrikaansveragtende Stalinistiese pragmatiste aan bewind by die Joenewersitie van Kakiebosch”. Breytenbach ziet de bekroning als een hart onder de riem, of dus een riem onder het hart, van het Afrikaans en brengt de “taalmoord” onder de aandacht die aan Zuid-Afrikaanse academische instellingen wordt gepleegd.

Ook in Nederland en België is de poëzie van Breytenbach lange tijd als protestsong gezien. De beeldentaal is veelal ideologisch zin gegeven en in de beperkende mal van Adorno’s beroemde uitspraak over poëzie en Auschwitz geplaatst. Op die manier is het werk van Breytenbach jarenlang reductionistisch gelezen, als klacht of uitdrukking van een anti-apartheidsmilitant. Tijdens mijn lectuur van Reugebrinks essay en met kennis van de literaire berichtgeving over de toekenning van de Zbigniew Herbert Internationale Literaire Prijs ontwaar ik een parallel. Het is verleidelijk de teksten van een onderdrukte, verbannen of gevangengezette dichter vanuit de persoonlijke tragiek en de politieke overtuiging interpretatief gestalte te geven. Maar daarmee stapt de lezer voorbij aan de diepgang, de particuliere beeldentaal, de stijlmiddelen die van een tekst méér dan een politiek pamflet maken. Dat toont Reugebrink voor ‘Apollo en Marsyas’ en de Meneer Cogito-gedichten van Herbert, gebundeld in Een snaar van licht (1956), overtuigend aan. De bekroning van Breytenbachs oeuvre met de prijs is niet alleen een eerbetoon voor het politieke activisme van een kunstenaar in een onderdrukkend regime. Voor mij zijn het de eigenheid en ook de fijnzinnige ironie die deel uitmaakt van beider oeuvres die beide namen samenbrengt. De stichting heeft daarenboven geen kloon, een Zbigniew Herbert-achtige verschijning in de Afrikaanse poëzie, willen bekronen. Daarvan ben ik overtuigd. De persoonlijke zinnen van de drie hoog aangeschreven literaire juryleden sterken me in die niet eens gedurfde zienswijze.

Noten

De motivering van de jury (Yuri Andrukhovych, Michael Kruger en Jarosław Mikołajewski) kan hier worden gelezen: http://www.fundacjaherberta.com/en/laureates-of-the-international-zbigniew-herbert-literary-award.

Marc Reugebrink, ‘“Some untidy spot”’, in Het geluk van de kunst. De Bezige Bij, Antwerpen, 2012, p. 45-56.

Breyten Breytenbach ontvangt op 25 mei in Warschau de Zbigniew Herbert International Literary Award. Vorig jaar was hij in juni nog te gast op het internationale Czeslaw Milosz-festival in Krakau (http://miloszfestival.pl/en/archive/2016-2/guests/). Ook de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans, wiens Oorlog en terpentijn door Daniel Hugo naar het Afrikaans is vertaald, was er toen te gast.

 

Bookmark and Share

Los kommentaar