Yves T’Sjoen. ‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Peter Holvoet-Hanssen

‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Hoeveel reisigers of dolende ridders

kan vertel van ’n losie

van volstrekt net papier –

hoeveel digters?

Charl-Pierre Naudé, ‘Papierverblyf’, in Al die lieflike dade (2014).

Een speurtocht verloopt langs etappes. Na zijn “eerste, echte” dichtbundel  De reis naar Inframundo (Prometheus, Amsterdam, 2011) – een compilatie van vijf “ontdekkingsreizen naar mijn onderwereld”, dat wil zeggen vijf afzonderlijke publicaties (1998-2008) – onderneemt Peter Holvoet-Hanssen (HH) een nieuwe “exploratie”. De voorbereidingen van de queeste kunnen worden opgespoord in onder meer Miavoye. Op bedevaart naar Paul van Ostaijen, een collectief spoorzoek- en schrijfproject van Koen Broucke, HH, Koen Peeters en Pascal Verbeken (De Bezige Bij, Antwerpen, 2014). De bijdrage ‘Nagestuurde gedichten. In het land van Music-Hall’ presenteert tien “muziekdoosgedichten voor Paul Ampère”. Een van de gedichten is getiteld ‘De weg naar Music-Hall’ en bevat de regel “mijn land is Music-Hall uitklapbaar zonder inwoners”.

Het vers ligt ten grondslag aan een prachtig nieuw project dat de titel kreeg ‘Het Land van Music-Hall’. De tekst van HH is géén essay, zo wordt benadrukt, maar een “schatkaart”. De illustrator Brecht Evens, bekend van graphic novels en strips, heeft de “sporentocht” van HH in het land van de poëzie verbeeld in een “vouwbare” kaart die dezer dagen tentoongesteld wordt in het Letterenhuis (Antwerpen). Naast de kaart is er de hypertekst waarin de auteur als gefascineerd poëzielezer zijn zoektocht vormgeeft (zie http://wereld.paukeslag.be). Tekst wordt verbonden met geluids- en filmopnamen. Samen met de tekening van Evens is dit een multimediaal project dat een onversneden en laaiend pleidooi is voor – in kapitalen – “VERVOERING” en “BELEVENIS” in de poëzie.

Wereld van de Poëzie in kaart

Op Gedichtendag, donderdag 26 januari 2017, presenteerde het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) een nieuw format na het Gedichtendagessay van respectievelijk Paul Bogaert, Charles Ducal, Luuk Gruwez, Jan Lauwereyns en Erik Spinoy (2008-2012). De website van het VFL maakt melding van het “poëziepromotieproject” ‘Wereld van de Poëzie in kaart’ (uitgeverij Polis). Na de essays wordt nu ingezet op “spoortochten”. Telkens worden een “enthousiasmerend” poëzieschrijver, lezer en promotor van gedichten, én een illustrator (“verbeelder”) uitgenodigd hun speuren in de wereldpoëzie “letterlijk en figuurlijk in kaart te brengen”. Op Wereldpoëziedag, 21 maart jongstleden, is het digitale luik van ‘Het Land van Music-Hall’ door HH en Brecht Evens online gekomen op Paukeslag.org. De dag van de release is natuurlijk niet toevallig gekozen.  Sinds de conferentie van de UNESCO in Parijs (1999) geldt 21 maart als World Poetry Day. Doelstelling van Wereldgedichtendag is volgens de website van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur “supporting linguistic diversity through poetic expression and increasing the opportunity for endangered languages to be heard”. Het nieuwe initiatief van het VFL past in dat streefdoel. HH profileert zich als een bedreven poëzieambassadeur die met zijn programma scholen bezoekt, optreedt op vraag van culturele verenigingen en te lande een lans breekt voor de “belevenis” en niet louter de “verstaanbaarheid” van de poëzie.

Intratekstualiteit

Een ander gedicht in de compilatie Miavoye heet ‘Het slempen van de reus’ en wijst vooruit naar de jongste dichtbundel Gedichten voor de kleine reus (Polis, Antwerpen, 2016). Uit de gedichtenreeks blijkt dat HH na de reis naar de onderwereld een “tegenbeweging” inzet. Dat hij daarvoor de conventionele grenzen van de literaire genres met de voeten treedt, merken we al in de “tweeschelpenroman” Zoutkrabber expedities (2014). De tekst wordt volgens de schrijver best opgevat als “twee schelpenhelften: Hollandse én Vlaamse (taal)eigenheden, sober én barok, rauw én magisch”. Dat een reis in etappes verloopt en bijgevolg een continuïteit laat zien, toont alleen al de titel van het boek aan. De schrijver is niet alleen schatplichtig aan de literaire traditie waar hij inherent deel van uitmaakt, hij kan vandaag alleen schrijven na wat hij gisteren heeft geschreven. De bundel waarmee De reis naar Inframundo afsluit, Navagio. Wrakhoutgedichten (2008), bevat in de reeks ‘sneeuwdienst’ een gedicht getiteld ‘Zoutkrabber Expedities’. En de nar Fanastasio in het gelijknamige prozaboek figureert zowel in de dichtbundel Santander (2001) als in “de anti-roman” De vliegende monnik (2004). Deze greep uit het web van intratekstuele verwijzingen laat de verstrengeling van HH’s teksten zien.

Dat geldt ook voor Gedichten voor de kleine reus. De Van Ostaijen-gedichten in Miavoye zijn opgenomen in de derde afdeling ‘Het land van Music-Hall’, een titel die zoals gezegd refereert aan de “sporentocht” die recent voor het voetlicht is gebracht.

Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Zuid-Afrika, het Afrikaanse continent en met name Breyten Breytenbach, Charl-Pierre Naudé en Alfred Schaffer spelen een rol in de queeste van de immer zoekende poëzielezer HH. In de zoektocht zelf moet de finaliteit van de “sporentocht” worden gevonden. Enkele reminiscenties aan Afrika zijn de volgende. In Navagio, de bundel van het zinkende schip, verwijst het gedicht ‘Marinero (klaaglied)’ naar de “gruwel van Darfur”. Gedichten in deze bundel zijn in Zuid-Afrika ontkiemd en zelfs geschreven. Als deelnemer aan het project E-POS II van Veerle Rooms en Willem Persoon zijn de gedichten ‘Marinero (klaaglied)’, ‘El Capitán (schipperslied)’ en ‘Een aanval van liefde’ geschreven. ‘Marinero (klaaglied)’ is door Charl-Pierre Naudé en Gabeba Baderoon vertaald naar respectievelijk het Afrikaans en het Engels (gepubliceerd in Revolver [133], 33 (2007), 4 (maart), p. 41-42). Op het einde van deze tekst citeer ik het gedicht ‘Soweto’ dat in Gedichten voor de kleine reus (p. 24) is opgenomen.

In HH’s pleidooi voor “muziekdoosgedichten” – ‘zingzeggende’ poëzie die door melodie en ritme wordt gedreven en aan de historische (schrijf)context ontsnapt – spelen Zuid-Afrikaanse schrijvers een rol. In ‘De sporentocht’, het eerste “hersenspinsel” waarmee Het Land van Music-Hall opent, wijst de “ontdekkingsreiziger” op een uitspraak van Breytenbach waarin de ongebondenheid van het gedicht wordt onderstreept: “We worden gedwongen te leven als drones, op afstand bestuurde mensen. […] Poëzie is zo oud als de mensheid, en zowel haar kracht als machteloosheid zijn altijd tegelijk aanwezig geweest. Het belang van poëzie is dat ze praat over fundamentele menselijke uitdagingen en ervaringen, over de mogelijkheid om nieuwe beelden te zoeken en andere mensen te worden. Daardoor alleen al levert ze kritiek op de dominante consumptiecultuur”. Het interviewfragment dat HH aanhaalt, kan als een motto voor de “sporentocht” dienst doen. De schrijver roept op: “Verleg je grenzen. Zing je lied, ondanks alles”. Op Paukeslag.org, waar de “schatkaart” online te vinden is, zijn foto’s en filmopnames van Breytenbach beschikbaar. Zo ook de verwijzing naar het eredoctoraat dat Breytenbach in december 2014 van mijn Alma Mater in ontvangst mocht nemen.

In het dromenboek van HH, dat lezers wil winnen voor de wereldpoëzie en een beklijvende hoogstpersoonlijke zoektocht is naar “[d]e stem van de bezieling” in de middeleeuwse ballade, het rondeau, bij uitbreiding “muziekdoosgedichten” in de literatuur van de Middeleeuwen tot de eenentwintigste eeuw, figureren ook Afrikaanse liedjes, zoals: “Ek’s ’n dapper muis, / Kyk hoe stap ek deur die huis / En daar’s niks waarvoor ek skrik nie…”, en een dichtfragment van Charl-Pierre Naudé – de reisgenoot die bij E-POS II betrokken was. In de eenentwintigste-eeuwse wereldpoëzie rekent HH de bundel Al die lieflike dade (2014) tot het dichtwerk dat “de verkalkte ruggengraat van de samenleving bloot[legt]”, “de zintuigen op scherp [zet]” en “de tijd bij de kraag [pakt]”: “Je ontdekt de fonkelverzen van de Zuid-Afrikaanse Charl-Pierre Naudé: het alledaags zichtbare wordt bij hem terug mysterieus, het hermetische blijkt een hoelahoepend meisje, het verhevene klopt door vlees en bloed. Zijn jongste bundel Al die lieflike dade legt verbindingen vanuit het land van wijlen Ingrid Jonker, bekend om haar schrijnende muziekdoosgedicht ‘Korreltjie, korreltjie sand’, naar de vele pijnpunten van dit tijdsgewricht. Naudé kijkt van buiten naar binnen, de 21e eeuw in”. Vervolgens worden deze regels geciteerd: “Ek droom oor ’n wêreld / waar die konings nie meer konings is nie/maar muiltjes met koningsgezichten”. In het gedicht ‘Nawoord’ aan het eind van Al die lieflike dade lees ik:

Weldra word alles

(as die geluk sou tref)

ingetrek

in ’n wêreld waar die konings

nie meer konings is nie

maar pakdonkies met koningsgesigte,

[…]

CP Naudé heeft de gedichten ‘Stoptrein’, ‘Pasboekfoto onder kleefplastiek’ en ‘Lof aan die versakers’ bijgedragen aan het project E-POS II.

Tot de dichters die alles “op het spel” zetten, rekent HH ook Alfred Schaffer. In ‘Het Land van Music-Hall’ lees ik: “een eigenzinnig en verrijkend taaluniversum creëren is volgens mij niet langer voldoende, er dient nog meer op het spel te staan. De eigen pols moet worden overgesneden, dieper gravend, kervend, het bloed vermengd met onze voorouders, de hand reikend over de schuttingen binnen en rond de samenleving. Lees de verzen van de in Zuid-Afrika wonende Alfred Schaffer”. Vervolgens leest Alfred Schaffer het gedicht met de openingsregel ‘Er waren landschappen zonder plezier’ van Hans Andreus. Wie het HH’s ‘Land’ betreedt, moet beslist ook de geluidsopnames aanklikken, de tekeningen bekijken, zich kortom overleveren aan de zintuiglijke rijkdom van het multimediale poëzieproject.

“Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”

De poëzie van Zuid-Afrikaanse schrijvers maakt deel uit van de “poëtische ontketening” waartoe HH oproept. Hun gedichten behoren tot de wereldpoëzie, met de term van Goethe de “Weltliteratur”, die voor deze auteur alléén interessant is indien ze tot een “belevenis” leidt, “een onherhaalbare gebeurtenis” is, tot de woorden zich loszingen van hun betekenissen. We betreden met als gids HH ‘Het Land van Music-Hall’ waar de ketenen worden losgezongen. “Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”. Het is de mantra van deze “sporentocht” door de poëzie. Als de lezer de verzen heeft geïnterioriseerd, niet alleen maar geconsumeerd (de tekst is een antidotum voor “consumptiecultuur”), kan hij of zij “van de woorden [loskomen] en [verdwijnen] door de poort naar het Land van Music-Hall”. De zoektocht is een balsem voor de ziel en opent nieuwe perspectieven voor wie bereid is er zich aan over te leveren. Ik sluit af met een zoveelste oproep van HH: “Van Ostaijen lezen, het zou in om het even welke studierichting verplicht moeten worden”.

Tot slot. In de openingsafdeling ‘De Tuin der Poëten’ van Gedichten voor de kleine reus heeft HH ‘Soweto’ opgenomen, een tekst die is ontstaan tijdens de Zuid-Afrikareis in 2006. Vooralsnog is het gedicht niet vertaald in het Afrikaans. Zowel de dichter als de auteur van deze bijdrage kijken uit naar een vertaling. Neemt Daniel Hugo de handschoen op?

Soweto

Wij zijn gazellen in het roodoranje.
De rotsen van Cederberg beschermen ons.
Zwetend in een okergele zak.
‘Ik sprak met de slang der kennis. Ik ben een wilde kat.’
‘En ik een aardwolf.’
‘Ik ben er ook. Geelvis.’
‘Witvis!’
‘Wat een uitzicht, ik ben een zwarte adelaar –’
Na de bliksem in het hoofd kalm worden als een oude man.
‘De dood reist altijd mee. Staat aan onze kant?’
‘Reken maar, vuurstokje. Doet het leven fonkelen.’

Klipspringers, richting beschilderde koeltorens.
Doornkop, verhaal van de goudkoorts.
De onderdrukkers. De regengodin liet hen begaan.
Ze werden groter en groter, blank en gulzig.
‘Naar de cel, kaffer!’
Hun witte forten kenden de vreugde van het stroompje niet maar de angstige
hoogmoed van de muren.
Emakhulukhuthu – diepe kloof in het hart.
Buiten deze cel glanst en zoemt het leven, dacht Gandhi.
Mandela soesde: niet stuurloos zijn als een wit busje zonder chauffeur. Hij
droomde van elektriciteit en water.
O lange weg.

De boze heuvelgeest lacht de golfkartonnen huisjes uit.
‘Wie is niet besmet, beroofd, verkracht, vermoord?’
Oog van de reus! Wij steunen elkaar, staan telkens op.
Zingen in het bloed. Wij zijn deel van de wereld, wereld.
Kinderen dansen – vuur maakt vuur in Orlando West.
Gluur naar binnen, blauwgroen vogeltje.

De queeste van de poëzielezer Peter Holvoet-Hanssen kan worden gevolgd op Paukeslag. Digitaal platform voor levend poëzie-erfgoed van Poëziecentrum (Gent): www.Paukeslag.org.

Zie ook: http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/press/1081/nu-online-het-land-van-music-hall.html

http://www.letterenhuis.be/nl/activiteit/wereld-van-de-po%C3%ABzie-kaart

http://www.unesco.org/new/en/unesco/events/prizes-and-celebrations/celebrations/international-days/world-poetry-day-2016/

 

Bookmark and Share

Comments are closed.