Yves T’sjoen. Zingzeggende zangvogels aan de Keizersgracht

Remco Campert en Breyten Breytenbach

 Zingzeggende zangvogels aan de Keizersgracht

Ja, zo is het! “De zanger is zijn lied”. De formulering klinkt in haar eenvoud apodictisch, in poëticale zin programmatisch. Ze komt als dichtregel voor in ‘De zanger’, in Hugo Claus’ dichterlijke magnum opus De Oostakkerse gedichten (1955). Tijdens een nocturne aan de Keizersgracht spraken Remco Campert en Breyten Breytenbach, coryfeeën van de Nederlandse respectievelijk de Afrikaanse poëzie in de twintigste- en vroeg-eenentwintigste eeuw, af en toe over de Vlaamse meester Hugo Claus. Breyten opende de tweespraak met een anekdote over een Nederlandstalige dichterstournee aan het begin van de jaren negentig in Zuid-Afrika. Ik meen in samenwerking met Adriaan van Dis. Breytenbach nodigde onder anderen Remco Campert, Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog uit voor optredens op diverse locaties, in Kaapstad, in Oudtshoorn. Claus sloot pas in Durban aan bij het eminente gezelschap van ‘Vijftig’, een plek waar de toehoorders misschien geen Nederlands en zelfs geen Afrikaans kenden. Naar Breytenbachs inschatting is het publiek desondanks ingepakt door het jazzy ritme van Camperts verzen.

De boekvoorstelling van De zingende hand, een Nederlandse bloemlezing met gedichten van Breyten Breytenbach in een vertaling van Laurens van Krevelen, was de aanleiding voor deze unieke reünie. Het was jaren geleden dat de dichters elkaar in de ogen keken en hun vriendschap hebben bezegeld. Breytenbach rakelde met pretogen en een sardonische lach het verhaal op, al dan niet verzonnen, van een literair festival in China waar hij voor het eerst kennismaakte met Camperts poëzie. In de ban van ’s dichters sonore melodie holde hij naar eigen zeggen de bescheiden Remco achterna en voerden zij daar ver weg een eerste gesprek. “Over de eeuwen heen” hebben sindsdien hun kronkelige paden gekruist. Bijvoorbeeld begin jaren zeventig, toen beiden geregeld optraden tijdens Poetry International in Rotterdam, en ook later na de vrijlating van Breytenbach in 1982. Enkele weken na zijn verschrikkelijke gevangenschap kwam de Zuid-Afrikaanse/Franse schrijver en schilder in Nederland de onderscheiding en het bijbehorende geldbedrag van de Jan Campertstichting in ontvangst nemen. Breytenbach sprak over Jan Campert, dichter van ‘De achttien dooden’, over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, over de band tussen vader Jan en zoon Remco.

Het geanimeerde gesprek tussen beide heren van stand, op discrete toon aangezwengeld door Campert-biografe Mirjam van Hengel, laveerde tussen beate bewondering voor elkaars imposante oeuvre en persoonlijke anekdotiek. Campert zong de lof van “die knappe man” Breytenbach wiens gedichten vanaf de eerste openbaring diepe indruk nalieten. Breyten, zo opperde Campert, breekt de taal niet open zoals Lucebert dat op onnavolgbare wijze doet. Breytenbachs poëzie heeft een vertellend karakter en neemt de lezer op sleeptouw naar een ander universum. Tegelijk gaat Breytenbachs literatuur in kritische zin over de wereld van vandaag. Remco, zo stelde Breytenbach, weet te raken met zijn bedrieglijk eenvoudige teksten waarin niets is wat het op het eerste gezicht lijkt.

Bijzonder innemend was Camperts voordracht van ‘Aan Breyten’, het gedicht dat hij tijdens Breytenbachs gevangenschap op vraag van het Breyten Breytenbach Comité en Poetry International schreef en dat in het bundeltje aan breyten breytenbach (1975) is opgenomen. Pas na zijn vrijlating heeft de schrijver de uitgave onder ogen gekregen. Maar goed ook, zo getuigde hij, want anders was de vrijheidsberoving van “de afgestorvene” nog veel eenzamer geweest. Remco las met breekbare stem, door ontroering bevangen, voor uit de nieuwe uitgave De zingende hand. Hij sprak terloops over de tijd van Galerie Espace in Amsterdam, waar de schilder Breytenbach meermaals exposeerde, en verwees naar het schilderij van Breytenbach in zijn woonkamer, een portret in profiel met blauwe veren op het hoofd. Als vanzelf kreeg het gesprek een ornithologische wending. Campert debuteerde in de Nederlandse poëzie zoals bekend met Vogels vliegen toch (1951) – de biograaf liet weten dat velerlei vogelsoorten Camperts literaire wereld bevolken – en Breyten tekende (pseudo-)realistische verhalen op in de bundel met memoires en verhalen Woordvogel (2008). Zowel Breytenbachs gedichten als het schilder- en tekenwerk bevatten reminiscenties aan een (symbolische) vogelwereld. Campert houdt van “laagvliegers”, blijft liever dicht bij de aarde “waarin we uiteindelijk allemaal terechtkomen”, Breyten rekent de dichters tot de categorie van de zangvogels die van diverse pluimage alle zingen zoals ze zijn gebekt.

De ontmoeting in het Zuid-Afrikahuis was een initiatief van Laurens van Krevelen, oud-directeur van Meulenhoff en vertaler van Breytenbachs poëzie in het Nederlands. De inspiratie is klaarblijkelijk gehaald bij het optreden dat Van Krevelen en Breytenbach verzorgden in het Zuid-Afrikahuis voor de studenten van de Universiteit Gent (november 2016). De avond in het schitterend gerestaureerde pand aan de Keizersgracht 141 zette in met vier gedichten: Breytenbach las de Afrikaanse teksten afgewisseld met de vertaling door Van Krevelen. Alweer werd duidelijk dat Afrikaans en Nederlands in een verraderlijke relatie tot elkaar staan. Breytenbach roemde de empathie, de creativiteit en “de sensitiviteit” waarmee zijn modeste vriend De zingende hand heeft aangepakt. Revelerend was de toelichting bij de titel, die refereert aan een bekende uitspraak van Henri Matisse, schilder van La danse (1909). Op een website vond ik onderstaand citaat van Matisse.

Si j’ai confiance en ma main qui dessine, c’est que pendant que je l’habituais à me servir, je me suis efforcé à ne jamais lui laisser prendre le pas sur mon sentiment. Je sens très bien lorsqu’elle paraphrase, s’il y a désaccord entre nos deux: entre elle et le je ne sais quoi en moi qui paraît lui être soumis. (Henri Matisse, 1972, opgenomen in: Joëlle Bolloch, La main, La photographie au Musée d’Orsay, Musée d’Orsay, 5 Continents, 2007, p.15).

De vaardige schildershand begint geleidelijk vanzelf te zingen, zingt zich los. Zoals in ‘De zanger’ van Hugo Claus de zanger uiteindelijk zijn lied wordt.

Beide dichters spraken tot slot in dithyrambische bewoordingen over de eeuwigheid van de poëzie, “het oudste genre dat nooit echt veranderingen ondergaat” (Breytenbach). Poëzie is de bron waaruit alles ontkiemt, de krachtigste zegging. Campert en Breytenbach wisselden woorden over de overgave aan de poëzie, het geloof in de suggestieve verbeeldende kracht van het gedicht. Een krachtiger pleidooi voor de poëzie heb ik zelden beluisterd. Aandoenlijk was de omhelzing waarmee de schrijvers afsloten, de tranen van herkenning, de kwetsbare fluisterstemmen, de aanraking, een moment van intimiteit. Alsof die fysieke tekenen nog iets moesten toevoegen aan de voelbare zindering die beider poëzie karakteriseert. Af en toe raken de dichtersstemmen elkaar en daarvan brachten beide schrijvers een beklijvende getuigenis, ook al viel hier en daar een veelbetekenende stilte. Soms schieten de woorden tekort. De avond in Amsterdam heeft voor het selecte gezelschap van toehoorders de artistieke bewondering en de vriendschappelijke omgang “over de eeuwen heen” van twee meesters in de naoorlogse poëzie zichtbaar en invoelbaar gemaakt.

Amsterdam, 18 april 2017.

© Yves T’Sjoen

Bron

Claudia Patuzzi, À propos. Décalages et metamorphoseshttps://ladroitebiaise.com/tag/henri-matisse/ (juli 2014).

Zie ook: http://www.litnet.co.za/remco-campert-en-breyten-breytenbach/

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Yves T’sjoen. Zingzeggende zangvogels aan de Keizersgracht”

  1. Francis Galloway :

    Yves, baie dankie dat jy met hierdie skrywe en die een op LitNet ons laat deel in die besonderse geleentheid.

Los kommentaar