Yves T’Sjoen. Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

AD Keet

Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

In de Eerste Wereldoorlog is Albertus Daniël Keet (1888-1972) de meest productieve Zuid-Afrikaanse dichter in de Groot-Nederlandse oorlogsbladen Dietsche Stemmen (1915-1918) en De Toorts (1916-1921). J.C. Kannemeyer rekent Keet tot de “vroeë indiwidualiste” van de tweede Afrikaanse taalbeweging. Keet is met onder anderen Eitemal (W.J. du Plooy Erlank), H.A. Fagan, T.J. Haarhoff, Toon van den Heever en Theo Wassenaar een vertegenwoordiger van de “digters van die tweede geslag”. Hij debuteert in 1920 met de bundel thematisch geordende Gedigte (Swets en Zeilinger, Amsterdam), en wordt op basis van het publicatiejaar tot de generatie beschouwd die na Jan Celliers, C. Louis Leipoldt en Eugene Marais in de Afrikaanse letteren aan het woord komt.

Medewerker van De Toorts en Dietsche Stemmen

Gedichten van Keet die na de Grote Oorlog in boekvorm verschenen, zijn voorgepubliceerd in beide Utrechtse periodieken. In totaal zijn van de hand van de jonge dichter A.D. Keet zevenendertig gedichten opgenomen in De Toorts, waarvan drie teksten in de laatste jaargang 1921, en drie in een aflevering van Dietsche Stemmen (‘Suid-Afrika se helde!’, ‘Dingaan’s dag, 1914’ en ‘Voortrekkerslied’, juli-augustus 1916). Daarnaast is hij de auteur van enkele boekrecensies (zoals over E.C. Pienaars Bloemlezing voor Groot-Nederland, 1917) en in totaal drie stukken over zijn grote voorbeeld Jan F.E. Celliers (‘Jan Celliers als digter en denker’ in Dietsche Stemmen en twee artikels in De Toorts). Als chroniqueur heeft hij de rubriek ‘Uit Suid-Afrika’ verzorgd en voor Dietsche Stemmen schreef hij de ‘Suid-Afrikaanse Kroniek’. Vrijwel in elke aflevering van De Toorts vanaf september 1918, tot Adam Boshoff en Philips R. Botha de honneurs waarnemen, presenteert Keet op anderhalve pagina een reeks korte berichten over de politieke, sociale en culturele actualiteit in Zuid-Afrika.

Keet studeerde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam geneeskunde en beijverde zich in Nederland voor het Afrikaans. Zo is bekend dat hij de Vlaamse voordrachtkunstenaar Modest Lauwerijs, later meermaals en met succes te gast in Zuid-Afrika, vertrouwd maakte met het Afrikaans en introduceerde in de Afrikaanse dichtkunst. Hij onderhield ook goede contacten met de Vlaamse toondichter Emiel Hullebroeck die hij teksten aanleverde. Na de oorlog keert Keet terug naar zijn vaderland, weliswaar geregeerd door Albion, en hij vestigt zich als geneesheer in Senekal. Naar eigen zeggen hoopvol dat hij er ooit “die land van sonneskijn en vrijheidszin” mag zien herrijzen. Samen met H.D.J. Bodenstein, hoogleraar Recht in Amsterdam en later Stellenbosch, was hij de meest bedrijvige medewerker uit Zuid-Afrika aan de Groot-Nederlandse oorlogsjaargangen van De Toorts en Dietsche Stemmen.

Keet en Dietsland

Albertus Keet onderschreef de Groot-Nederlandse gedachte die ten grondslag ligt aan beide Nederlandse bladen. In de redactie zetelden Nederlandse, Vlaamse en Zuid-Afrikaanse actoren die streefden naar een groot volksverbonden Diets rijk, waar Holland, Vlaanderen en Zuid-Afrika deel van uitmaken. In beschouwende teksten en in politiek-propagandistische poëzie droomden betrokkenen van een intercontinentaal Dietsland op grond van ‘taal- en stamverwantschap’. De retorische strategieën die daarvoor worden aangewend, zijn elders beschreven.

In de poëzieproductie van A.D. Keet in De Toorts wordt een Afrikaner-nationalistisch discours gehanteerd waarin de broederband met Nederland en dus de oud-kolonie is gecultiveerd. Het Afrikaans maakt deel uit van de Germaanse taalfamilie. “Van stamme Germaansch” worden “Vlaamsch” en “Afrikaansch” broeders genoemd. De talen behoren tot het “Dietsch”. In het gelijknamige gedicht ‘Dietsch’ luidt de eigen-volk-eerst-retoriek als volgt:

            Ik ben geen Latijn

            En ik wil het niet zijn;

            Geen haat! Maar…. het eigen vooraan!

            Ik ben dus en blijf

            In mijn ziel, met mijn lijf

            Een echte, oprechte Germaan.

            Germaansch in zijn taal,

            Germaansch in zijn staal,

            Zóó voel en begrijp ik mijn land;

Van stamme Germaansch,

Reik ik broer Afrikaansch

Of wel Vlaamsch, op zijn Dietsch, trouw, de hand

(De Toorts, 26 januari 1918)

Keet, die zich in deze tekst “oprechte Germaan” noemt, stelde zich ten doel een “Groot-Suid Afrika” te verwezenlijken. Nostalgie naar de Hollandse koloniale tijd en anti-Britse sentimenten zijn aan die houding niet vreemd. Naast het nationalistische gedicht ‘Maar één Suid Afrika’ (september 1917) publiceert hij in augustus 1917 de volgende tekst.

            Van waar Sambesi dreun,

               Tot Tafelberg se top,

            Gróót rijs Suid-Afrika

               Voor mij verbeelding op:

            Ik sien hoe groot riviere

               Deur onse hand gelei,

            Verkwikking bring vir diere

               En mense moej gestrij.

            Ik sien hoe korenvelde

               Ons dor Ka[r]oo verrijk,

            En oorals vir ons helde,

               Gedagtnis-tekens prijk.

            Ik sien wel duisend stede,

               Verrijs van uit die grond,

            Ik sien ons volk tevrede,

               Herenigd en gesond.

            Ik sien die Afrikaander

               Regeerder van sij land.

            Ik sien die buitestaander

               Reik hom die broeder-hand.

            Ik sien ons arendsvlugte

               Ik sien ons blauwe lug.

            Ik hoor geen droewe sugte –

               Ik sien ons vrijheid terug….

            Suid Afrika is groot,

               Suid Afrika is rijk –

            Dit sal nog uit sij hart

               En uit sij hersens blijk!

De poëzie bevat politieke statements, zoals een huldebetoon aan oud-president van de Oranje-Vrijstaat M.T. Steyn en de toenmalige Nederlandse koningin Wilhelmina (die Paul Kruger in 1900 zo vorstelijk ontving), alsook imperialistische apologieën voor een “’Nasie in sijn lentetijd” (‘Kom, Afrikaners!’) én voor de eigen moedertaal (“Klink oor die vlakte helder en luide, / Galm jou klank van die Noord tot die Suide, / Dwars oor Rhodesia!”, in ‘Aan mijn Moedertaal’). Ook Rhodesië (Zimbabwe) was deel van het groots ingebeelde Zuid-Afrika. Daarnaast bestaat Keets tekstencorpus uit arcadische natuurtaferelen. De dichter celebreert in andere teksten Nederland (‘O Nederland’) en drukt zijn gevoelens van ‘Heimwee’ uit naar het oude Transvaal en dus de Zuid-Afrikaansche Republiek (‘Die vierkleur’, met de beginregel “Rooi, wit, blauw en groen” – de kleuren van de vlag van Transvaal – en met als bijpassende opdracht de “Nasionale Partij van Transvaal”).

Interessant is het onderzoek naar de beeldvorming van Nederland in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver, die zoals gezegd enkele jaren van studie in Amsterdam doorbracht en vele inspanningen leverde om de stam- en broederband in geschriften en redes onder de aandacht te brengen van een duidelijk als homogeen voorgestelde imagined community. Dat publiek van gelijkgezinden zal zijn toespraak hebben bijgewoond op de jaarvergadering van de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging in 1916. De tekst is later gepubliceerd in Dietsche Stemmen. In een mengvorm van Afrikaans en Nederlands (spelling, woordgebruik) wordt door de weemoedige dichter in romantische ik-poëzie het politieke ideaal van Dietsland vertolkt.

Verzenbakker

John Kannemeyer merkt in zijn Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur (deel 1, 1978) op dat Keet Gedigte “grotendeels” voorpubliceerde in Die Brandwag, Ons Moedertaal en Die Huisgenoot. Daaraan moet dus worden toegevoegd dat de schrijver in zijn Hollandse jaren ook bijzonder actief was in Dietse instituties, zoals vermelde tijdschriften. De dichter van het gecanoniseerde ‘Muskiete-jag’, volgens Kannemeyer “’n geestiger gedig”, was bijzonder bedrijvig en selecteerde uit Zuid-Afrikaanse tijdschriften voor een Nederlands en Vlaams lezerspubliek gedichten van Celliers, Leipoldt, Totius en anderen. De literatuurhistoricus heeft overigens geen hoge dunk van Keets poëzie, noch de vaderlandse gedichten (“die tradisie van Celliers”) noch de natuurgedichten (“[mis] konkrete beelding”). Keet wordt schatplichtig genoemd aan Celliers en ook Leipoldt. Kannemeyer spreekt over “retoriese beeldspraak en swak woordkeuse, en op die lange duur word die triviale boustof en die beperktheid van die wêreld en emosies ’n belangrike literêre beswaar teen die bundel [Gedigte]”.

Een activistische stem uit Vlaanderen

Ideologische stambroeders, leden van de veronderstelde homogene community, zoals bijvoorbeeld de Vlaamse activist Rafaël Verhulst zich die voorstelde, oordeelden in de eigen tijd niet zo kritisch over Keets verzamelbundel. In De Toorts publiceerde Verhulst de jubelende recensie ‘Gedichten van A.D. Keet’ (29 mei 1920). Hij roemt het Afrikaans als “groene, levende, buigzame twijg der Dietsche taal” en rekent de Afrikaanstalige dichter tot “de zonen van den Groot-Nederlandschen stam”, méér nog: “een stoer broedervolk, het volk van Krst. de Wet en Jopie Fourie”. In een politiek betoog heeft de radicale flamingant het over de strijd van de Afrikaner “voor zijn taal en zelfstandigheid”. Die strijd wordt gelijkgesteld met de activistische ondernemingen tijdens de oorlog, “gelijk vlak aan Hollands grens […], het volk van Borms en de Clercq”.

Keet heeft zijn Gedigte samengesteld op de terugreis per schip van Nederland naar Kaapstad. Dat staat gepreciseerd in het woord vooraf dat is gedateerd november 1919. De tekst is door Verhulst integraal geciteerd (“afgeschreven”) in zijn recensie. In die voorrede wordt Celliers door Keet trouwens “de baanbreker der Afrikaansche letterkunde” genoemd.

De Toorts publiceerde in het nummer met René de Clercqs later sterk gecontesteerde ‘Het lied der Activisten’ een saluut van A.D. Keet aan het lezerspubliek, met als titel ‘Ten Afskeid’ (1 november 1919). In ronkende volzinnen en bezaaid met uitroeptekens wordt voor de zoveelste maal het Dietse geloof beleden. Volgens Keet is De Toorts, gericht tegen onder meer het Belgische (francofone) annexionisme, na de Grote Oorlog niet alleen “eindelik segevierend uit die strijd gekom”. De auteur legt ook lauwerkransen voor zijn landgenoot professor Bodenstein en roemt diens vele realisaties “op Diets-Afrikaans gebied”.

In een van die donkerste tijdperke van die geskiedenis van die Afrikaanse volk, het [Bodenstein] nooit die moed opgegee nie, en sij woorde het nie alleen hier nie, maar ook in S.-Afrika, die aandag getrek en die invloed u[it]geoefen, wat hulle ten volle verdien. Vandaag egter, pluk ook hij die vrugte van die harde strijd van toen. Diets-Suid-Afrika is ontwaak – ons weet wat ons wil!

In de lijn van de pamflettaire toon in alle andere geschriften rondt hij als volgt af:

            Maar één versoek het ik aan die lesers van De Toorts, en dit is, in die woorde van Jan Celliers:

                                “Wees sterk!

                        Daar’s ’n nasie te lei,

                        Daar’s ’n strijd te strij,

                                Daar’s werk!”

            Werk, en versprei julle orgaan, die vertolker van julle Dietse ideaal! Werk, en julle sal win!

Albertus Daniël Keet wordt in het fêterende discours van Verhulst in verband gebracht met de zogeheten volksdichter en Vlaamse activist René de Clercq (“zooals zoo menig liefdeliedje, die René de Clercq als zeer fijne juweeltjes in De Toorts te fonkelen legt”) en ook de voorloper van de Beweging van Tachtig Jacques Perk (‘Iris’). Raf Verhulst vindt alles “zoo mooi en zoo echt dichterlijk”. De slotalinea van zijn hommage is een viering van wat hij het dichterlijke talent noemt van de Zuid-Afrikaanse auteur: “A.D. Keet is niet iemand die maar vaardig is met maat en rijm, hij is een wezenlijke dichter met een rein en diep gemoed, naar wien we met volle overgave luisteren. […] wij zijn overtuigd dat zijn zangen niet alleen in Noord-Nederland, maar ook in Vlaanderen met mede-voelen zullen genoten worden”.

De poëzie van A.D. Keet kon in activistische kringen duidelijk op veel sympathie rekenen maar ze verdwijnt in het interbellum compleet uit het vizier. Zeker uit dat van dichters en critici in de Lage Landen. Ook in Kannemeyers panoramische overzicht krijgt Keet nauwelijks een halve pagina toegemeten. Nochtans was hij dus zeer productief. Hij heeft de leeskring van De Toorts en Dietsche Stemmen niet enkel vergast op vaderlandse, liefdes- en natuurgedichten, maar ook de meer gezaghebbende dichters van de tweede Afrikaanse taalbeweging – niet gespeend van een Afrikaner-nationalistische ingesteldheid – een Diets gemarkeerd, sterk ideologisch geladen platform bezorgd.

Deze bijdrage is een korte zijsprong binnen het onderzoek dat als lezing wordt gepresenteerd tijdens het congres van de Suider-Afrikaanse Vereniging vir Neerlandistiek (SAVN) in Parys (Vrijstaat) op 1 juli 2017.

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Yves T’Sjoen. Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’”

  1. ‘n Baie interessante en noodsaaklike aanvulling van die Afrikaanse literatuurgeskiedenis, Yves! Dit is verkwikkend dat Kannemeyer toe nie die laaste woord oor ons ouer digters gespreek het nie!