Yves T’sjoen. Wanneer muren verbrokkelen

 

Wanneer muren verbrokkelen en dansende ruimten worden. Een gelegenheidstoespraak

 

Maître Breyten, geachte toehoorders,

Laat ik vanuit het verre Gent, alwaar de centrale gast van vanmiddag sinds 2014 de academische titel van doctor honoris causa draagt, hier in cultuurcentrum De Nieuwe Liefde met de spreekwoordelijke deur in huis vallen. Zowel de schilderijen van Breyten Breytenbach met het prominente vogelmotief als het literaire werk met alle beeldassociaties thematiseren het zwerversbestaan, de outsider en de vagebond, beklemming, dood, verval. Maar evenzeer, in de bewoording die de kunstenaar hanteert, “het ochtendlicht, beweging, sociale kritiek, memorie, verbeelding, bewustzijn en geweten”. En natuurlijk de liefde, getuige de verzamelbundel Lady One met “99 liefdesgedigte” (2000). Boven alles construeert Breyten “de Middenwereld-identiteit”. De schrijver en schilder verzetten zich met pen en penseel tegen de conventies en de verstikkende burgerlijke middelmaat. Als reiziger in de imaginaire maar o zo levensnoodzakelijke Middenwereld leiden zijn personages een nomadisch bestaan en zij streven naar individuele ongebondenheid, een vrijheid van denken, spreken en handelen. Belangrijk in het omvangrijke oeuvre is de publicatie van The Middle World Quartet, vier hybride samengestelde bundels met sprankelende en prikkelende essays én poëzie, waarin de schrijver politiek en filosofisch, in teksten bezaaid met persoonlijke notities, gedichten en essayistische beschouwingen, zijn eigen Middenwereld creëert. In essays, zoals verzameld in Parool / Parole. Versamelde Toesprake / Collected Speeches (2015), heeft hij overigens meermaals uitgeweid over de Middenwereld.

Sta mij toe een gedicht te lezen, in een vertaling van Krijn Peter Hesselink, die als sleuteltekst kan worden beschouwd.

Dansen

Het wordt zwaar

deze aarde op te geven

(maar wie of wat gaat weg?)

de verschrikkelijke ruimten van onteigening

altijd voor jou alleen

die donkere heuvel daar

als een kom schemerlicht

met bomen die nog sporen van wind dragen

in knoop en wond en ademwonder

en hier een modderstroom

hellingen en vlakten

en zware begroeiing

elk lijden is afstand –

hoe kun je weten van mensen in de modder?

wat wordt doorleefd? wat wordt gezien, gehoord

of enkel gefantaseerd

en wat doet ertoe?

als muren verbrokkelen

en de ongebreidelde kreet

zich in je ontvouwt

een weergalmende, schemerige bezwering

van dansende ruimten –

een stilte van wind

Het gedicht is de openingstekst van de opstellenbundel Notes from the Middle-World, vertaald door Krijn Peter Hesselink als Berichten uit de Middenwereld, het derde deel van het tetralogie The Middle World Quartet. In de slotregels zit een artistiek-existentieel programma vervat: “muren verbrokkelen” en worden uiteindelijk “dansende ruimten”. Alleen met een eigenzinnige taal kunnen muren van onverschilligheid en starheid worden geslecht. Het woord dat niet zozeer beredeneerd maar vooral zintuiglijk doorleefd is – “de ongebreidelde kreet” in het gedicht – heeft de inspirerende kracht van “een weergalmende […] bezwering”. De dichter Breytenbach is niet alleen een reiziger in woord en gedachten. Hij is bovenal een danser en een “windvanger” – dat is ook de titel van een bloemlezing die hij puttend uit zijn imposante poëzieproductie samenstelde: Die windvanger / The Windcatcher (2007). Intussen is er dat andere boek De zingende hand (2017), met prachtige vertalingen door Laurens van Krevelen. Het zintuiglijke, zingende woord vermag veel op voorwaarde dat de spreker er geloof aan hecht, dat hij erin gelooft, indien de taal “doorleefd” is. Alleen dan kunnen muren verbrokkelen. “[A]ls muren verbrokkelen” gaan volgens het lyrisch subject de ruimten vanzelf aan het dansen. We hoeven dat streven niet uitsluitend esthetisch in te vullen. Het heeft in het geval van Breyten Breytenbach ook een politiek-ideologische, zelfs een ethische en morele implicatie.

De tragische biografisch-anekdotische achtergrond is bekend. Breytenbach is een van de meest notoire blanke antiapartheidsactivisten in de geschiedenis van Zuid-Afrika. De strijd van de politieke activist tegen het perverse Zuid-Afrikaanse apartheidsregime leidde onder meer tot de oprichting van de Franse verzetsgroep Okhela. Breytenbachs inzet voor “mensen in de modder” in zijn vaderland leidde begin jaren zestig tot een jarenlange vrijwillige ballingschap in Europa. Na een terugkeer in Zuid-Afrika zonder visum is hij gearresteerd en veroordeeld tot negen jaar gevangenschap. Van 1975 tot 1982, dus zeven jaar effectief, is Breytenbach door Pretoria opgesloten op beschuldiging van terroristische activiteiten en de schending van een van de vroegste apartheidsdecreten, met name de Wet op het Verbod van Gemengde Huwelike (1949). Hij is immers gehuwd met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst. In 1982 kwam hij onder internationale druk vrij. De autobiografische neerslag van de periode vóór, tijdens en na de gevangenisperiode kunnen we lezen in de naar het Nederlands vertaalde prozatrilogie Een seizoen in het paradijs, De ware bekentenissen van een witte terrorist en Terug naar het paradijs. Breytenbach is een opusschrijven: de titels haken in elkaar, ze versterken elkaar door de talrijke intratekstuele verwijzingen, de vele sleutelmotieven.

Breytenbach is niet alleen wereldvermaard als verzetsstrijder tegen de op racisme en segregatie gefundeerde apartheidsideologie. Daarenboven geniet hij internationale bekendheid als dichter, romancier, essayist, taalactivist en ook als beeldend kunstenaar. Zowel het literaire als het schilder- en tekenwerk krijgen in Zuid-Afrika en ver daarbuiten weerklank. De poëzie en het proza zijn inmiddels in vele talen vertaald.

Wat is zo bijzonder aan het literaire oeuvre dat veelomvattend is, een productie die de afgelopen jaren in omvang en kracht toeneemt. Het artistieke project van Breytenbach houdt geen rekening met voorgeschreven regels. Geïnspireerd door de surrealistische écriture automatique ontwerpt Breytenbach in tekst en beeld een eigenzinnig beeldend en een grotesk-symbolisch geladen universum. De symbolentaal verwijst trouwens niet uitsluitend naar de geschiedenis en de orale tradities van Afrika, rituelen en magie van het Afrikaanse continent, het Zen-Boeddhisme, maar ook naar het werk van vele geestverwanten (naast vele anderen Celan, Cioran, Goya, Lucebert, Tu Fu), in de woorden van Breytenbach “tijdgenoten” in kunst en filosofie.

Breytenbach heeft artistieke disciplines waarin hij bedreven is, poëzie, essayistisch en lyrisch proza, en schilderkunst, ooit omschreven als expressievormen die tot mislukken zijn gedoemd. Gedichten en schilderijen staan met een term ontleend aan Paul Rodenko voor de kunst van het echec. Precies in de mislukking schuilt het onvoorwaardelijk engagement, de krachtige esthetiek en het vastberaden geloof van de dichter en beeldend kunstenaar. In een brief aan de schrijver André Brink, opgenomen in de bundel Met ander woorde / Vrugte van die droom van stilte, en door mij al eerder geciteerd vat Breytenbach dat streven als volgt samen: “[D]ink aan ’n wind; dit wat ons wil vaslê, die essensiële, is die wind, maar al wat ons kan sien en beskryf is die boom – hóé die boom lyk as gevolg van die wind. En so gryp ons die wind. En so probeer ek die stilte te sê”. Zowel het brieffragment als ‘Dansen’ kunnen mijns inziens als programmatisch-metaforische uitdrukkingen van Breytenbachs artistieke streven worden beschouwd. De kunstenaar probeert de afgelopen jaren in almaar méér woorden en gedichten de stilte te zeggen en dus de wind te vangen. De wind is zoals de stilte wendbaar en ongrijpbaar, onzegbaar. Maar dat hij er is, spreekt uit alles wat ons omgeeft, waar wij om geven, waarvan wij leven. De stilte wordt zichtbaar dankzij de taal, de wind is er omdat we de bomen zien.

Een slotbeschouwing. U begrijpt dat ik hier maar vluchtig enkele facetten van de publieke figuur, denker en dichter, aanraak. Als inspirator van het Gorée-instituut in Dakar en in zijn functie van oprichter van het pan-Afrikaanse magazine Imagine Africa brengt Breytenbach vandaag kunstenaars van het Afrikaanse continent en elders in de wereld samen. Hij is vanuit die optiek een bruggenbouwer die culturen met elkaar in contact brengt en kunstenaars en intellectuelen uitnodigt tot aanhoudende reflectie, discussie en uitwisseling van ideeën. Voor mij is Breyten in alle betekenissen van het woord de naam van een dichter, het heteroniem voor hybriditeit, metamorfose, voor wat hijzelf “betekening” noemt. Onlangs nog schreef ik in Ons Erfdeel naar aanleiding van de uitgave van De zingende hand dat Breytenbach al jaren kandidaat is voor de Nobelprijs Literatuur.

Deze tekst is de voordracht die ik op uitnodiging van Mirjam van Hengel uitsprak in De Nieuwe Liefde (Amsterdam) op zondag 21 januari 2018 (16u-17.30u.). Breytenbach las alle gedichten in het Afrikaans, de Nederlandse vertalingen van Krijn Peter Hesselink en Laurens van Krevelen zijn simultaan geprojecteerd op scherm.

© Yves T’sjoen. 2018

Bookmark and Share

6 Kommentare op “Yves T’sjoen. Wanneer muren verbrokkelen”

  1. Waldemar Gouws :

    Die gedig “Dancing” uit “Notes from the Middle World” (2009) is aldaar in vier strofes verdeel. Hierdie verdeling het egter weggeval, of is gerojeer, in die Nederlandse vertaling hierbo. Die eerste strofe behels reëls 1-5, strofe 2 het reëls 6-12, dan reëls 13-17, en strofe 4 voltooi die vers vanaf reël 18-23. Reël 12 van die oorspronklike Engels lees: “and black vegetation” terwyl KP Hesselink se Nederlands “en zware begroeiing” gee. Miskien het die “t” van “zwarte” per abuis weggeraak.

    Mure wat verkrummel tot murasies is nie ‘n onderwerp van die laaste strofe van Breytenbach se vers nie, so ook nie die tipe “Vier mure teen die Suidewind” van Watermeyer se gedig “Reën in die Voorwinter” nie. (Tog, die Boesmans van die Sneeuberg se grondgebied is met geweld oorgeneem, sodat die Watermeyers hul plaashuis in die 19de eeu daar naby Nieu-Bethesda kon bou. Miskien is alle mure daartoe geneig om ‘n polemiek te kan veroorsaak).

    Breyten Breytenbach skryf oor mure wat die binariteit veronregte protagoniste vs. vergrypende antagoniste impliseer – mure van magsmisbruik, dus. In Breytenbach se Engels, reëls 18-22: “when walls crumble/ and the unimpeded cry/ opens in you/ a pealing, shimmering incantation/ of dancing spaces – /” Die ou-Testamentiese verhaal van die mure van Jérigo wat inmekaargeval het net na die groot geskreeu van die mense (in die boek Josua, hoofstuk 6:20: toe het “die volk ‘n groot krygsgeskreeu aangehef; en die muur het op sy plek ingeval ) was my eie eerste bewuswording as kind van die moontlikheid dat ‘n muur eensklaps kan intuimel. Die aggressie van daardie besetting van Jérigo was vir my irrelevant weens die sterk mate van identifikasie van die Afrikaners van my kleintyd met die Ou Testament se Israeliete. (Die rol van die goeie sekswerker, in hoofstuk 2 van Josua, een van die protagoniste volgens oorlewering, en die rooi tou waarmee sy mans teen die stadsmuur af laat abseil het, het lank na die val van die muur my aandag getrek).

    Oor die een aspek van die uiteindelike verbrokkeling van die apartheidsmuur het Breytenbach in sy voorwoord tot “Return to Paradise” (1993) geskryf: “… I was lucky enough to be of some assistance in breaking down the walls of taboo between ‘inside’ and ‘outside’…” verwysende na sy bemiddelende rol i.v.m. die Dakar ontmoeting in 1987.

    En twee jaar ná Dakar nóg ’n stimulus wat die ou regime hier se einde help bewerkstellig het: die val van die Berlynse Muur in 1989. In ‘n Withuisverklaring, op 10 Nov. 1989 oor die gebeure in Berlyn, is sen. Bob Dole se gevolgtrekking aangehaal: “The Berlin Wall and all that it represents are crumbling…” En teen elf-uur daardie aand laat weet ‘n korrespondent: “All along the Berlin Wall, the world’s biggest party has begun…West Berlin is dancing on the Wall.”

    Dit is na ‘n hoogtepunt soos hierdie waarna Breyten Breytenbach se “dansruimtes” verwys.

  2. Breyten Breytenbach :

    Waldemar: Hannah Arendt het ‘n insiggewende opstel geskryf, gepubliseer 1975, oor haar kennismaking met W.H. Auden en sy werk. Sy haal o.a. ‘n gedig van hom aan, sover ek weet volledig. Die vers se titel is “Death’s Echo” en is opgeneem in Auden se Collected Shorter Poems. Sy maak in daardie opstel ook die stelling dat Auden vir seker méér beïnvloed is deur Brecht as wat ons sou dink.

    The desires of the heart are crooked as corkscrews,
    Not to be born is best for man;
    The second-best is a formal order,
    The dance’s pattern; dance while you can.

    Met waarderende groete,
    Breyten Hoesê

  3. Waldemar Gouws :

    Dankie, Breyten. Ek het die punt oor die dans (in “Dancing”) so heel skeel misgekyk. Die laaste drie reëls van die Auden-gedig bevestig dit:

    The tune is catching and will not stop;
    Dance till the stars come down from the rafters;
    Dance, dance, dance till you drop.

    Die synsdans, bestaansdans. Wat ek kan vermoed uitgedans word in Wilma Stockenström se gedagte: “… hoe hewig die huwelik tussen die lewe en die dood is en hoe ‘n bespotlike namaaksel die hartstog tussen man en vrou is” (“Abjater wat so lag” p.65).

    Groete

  4. Breyten Breytenbach :

    Beste Waldemar,
    Dankie vir die voltooide lesing. Mens het so half en half vermoed dat Hannah Arendt toe nié die volledige Austen gedig aangehaal het nie; dit was (luiweg) my enigste gegewe.
    En dankie vir die verskuiwing van fokus op die werklik wonderebaarlike nuutskepping (die openbaring van die wonde): “bestaansdans”. Dis soos die vanselfsprekendheid van “lokbokkom”. Mens het gewéét hulle is daar, maar hoe het mens so lank gelewe asof hulle nie daar is nie?

    Groete

    Hoesê

  5. Waldemar Gouws :

    Breyten, Auden se gedig strek oor 64 reëls, en getuig van ‘n baie besondere “formal order” (om aan te haal uit jou aanhaling van Hannah Arendt s’n). Daar is vier strofes met drie perspektiewe elk, en die dood se spreekbeurt verdubbel van vier tot agt reëls in die laaste strofe.(Die eerste vier van daardie agt reëls word deur Arendt aangehaal).

    Baie dankie vir die kompliment betreffende daardie woord. Dis so verteenwoordigend van iets oers dat ek nou die WAT-redaksies, vanaf 1926 tot op hede, half wil verkwalik vir hul kort neuse.

    (As “bestaansdans” nie bestaan het nie, sou ek iets oor die bolero wou sê).

    Groete
    Waldemar

  6. Waldemar Gouws :

    Beste Breyten
    Ek het nagelaat om hierbo te sê dat Auden se “formele orde” sekerlik die ruimte beskryf waarbinne digters dáns.

    Baudelaire het die situasie bedink, weliswaar in ‘n ander verband, van die moontlikheid om te wees “rooted in your own analogy… see yourself , to use the language of mystics, in your own correspondence” (Paris Spleen, “Invitation to a Voyage”).

    Groete
    Waldemar

Los kommentaar