Hans C. ten Berge. Drie gedichten

PUTSONDERWATER

 

De trein hield stil,

ik stapte uit.

 

Een schim gleed langs een muur,

een wiel wees op een ossewa.

 

Putsonderwater

 

Vlek van dode huizen, leven

dat vervloog, de stationstuin zonder rozen.

 

Hitte drukte mij tegen de grond,

droogte vrat aan gapende kozijnen.

 

Geen tijd geklokt,

geen mens gezien.

 

Een schroeiwind zong

door nutteloze draden.

 

Oude kranten op een kale vloer,

de foto van een trekboer zo gelaten aan de wand.

 

Steil en trots staat hij

in de vreze gods op uitgemergeld

 

land, waar zelfs ratten kwijnden

en geen buizerd iets te muizen had.

 

Ik stapte in,

de trein vertrok

 

naar waar niets was –

Koegrabie, Kleinbegin.

 

De leegte was hier god

tot Upington, waar een rivier

 

zich eindeloos in bochten wrong

om ver, ver naar het westen                                                   .

 

voorbij Jakhalsbergen

op te gaan in oceanisch blauw.

 

*

 

HALFMENS BOOM

 

Op de rand van al wat

bijna niet meer leeft,

door vier wielen aangedreven, stapvoets

door het puin, over godverlaten

en vergruisde wegen – woestenij

waarvoor geen taal bestaat –

stuit je op een slungel van vier meter,

tors vol wratten en een vreemde pruik

als schedeldak: de halfmens boom

geworteld in gesmoorde aarde,

zonder armtak, beenprothese, bladertooi,

drinkend van gedroomde wateren

of ochtendlijke dauw door nevels

in de nacht hier neergeslagen.

 

Dit is het leven rauw:

land en lijf verzengd, de geest

vernauwd en prijsgegeven aan de leegte.

Glijdt een slang over de keien,

klemt een haviksklauw zich om een prooi,

spurt een klipspringer staccato door het veld.

Hier en daar een halfmens op een helling,

kaarsrecht of gekromd, een gestalte

zonder handen die verdorst, op halve kracht,

de loden zonnegloed weerstaat.

Net voor de avondval en het sublieme van een sterrennacht

doemt daar de grensrivier: een veerman,

blind en stug, wacht op de late reiziger

die hij voor ‘n sopie of ‘n dollar overzet.

 

*

 

DE TOCHT NAAR MONTAGU                                  

voor Francis Galloway

 

Iemand zei: Drijf de beulen

terug in het duister

Denk niet dat de tijd ons iets leert.

 

Je schrok op uit een moment van onoplettendheid

De Klein Karoo trok aan het oog voorbij,

de wagen klom en daalde

over uitgehakte wegen

Hitte, stof en uitgestrektheid

Soms een pick-up die passeerde zonder groet

 

Gesprekken die in de verlatenheid

geen einde mochten nemen –

Over krachtige vrouwen en hoofdige boeren,

over stugge maar onweerstaanbare taal

Een Kimberley voor kaartlezers

die zich verlustigen in namen: zie

Verneukpan, Modderspruit, Verraaiersnek

 

Terwijl je zelf niet stilstond

liep de tijd nog sneller

dan je hartslag deed vermoeden.

Wat voorheen de pas naar hier

had afgesneden, wortelde

in een nabij en alweer ver verleden

 

Zag je die apenrots niet eerder of elders –

Lag daar de boerenplaats waar Breytens oupa in een peperboom verkwijnde?

Wilde je in Swellendam of liever bij de warme bronnen wonen?

Dacht je aan de oceaan, het schitterlicht in kreken, baaien –

hoe de wind vanaf Antarctica

de schuimkraag van de branding streek,

hoe het zou zijn een laatste toevlucht

op een rots te bouwen?

 

Na Kogmanskloof de wijn, het avondmaal, de rode

zon die laag over de tafel scheerde

 

Al wat mogelijk leek

en toch niet kon

 

Al wat eeuwig was

en toch een einde nam

 

Het woord, de mond, de bron

die de bezwaarde geest een uur of wat verlichtte

 

Er schemerde iets voor je ogen

dat zich niet zomaar gewonnen gaf

Iets buigzaams dat onbreekbaar scheen.

 

Vermoeid zwikte een wijnglas door zijn voet

Een waas versluimerde je blik

Het was die dag gedaan

 

Iemand zei: Wat voorbij is

breekt ons morgen op.

En jij in de al bijna lege zaal:

Een maïsgele maan bestrijkt bergen en dromen.

Drijf de beulen terug in het duister.

De dageraad komt als een duif in bruidswit aangevlogen.

 

© Hans C. ten Berge/2018

Hans C. ten Berge

HCtB / beknopte bio-biblio

Hans C. ten Berge is dichter, prozaschrijver, essayist en poëzievertaler. Richtte in 1967 het tijdschrift Raster op, waarvan hij tot 1973 de enige redacteur was. In 2003 ontving hij de A. Roland Holstpenning voor zijn poëzie. Zijn gehele oeuvre werd bekroond met de Constantijn Huygens- en de P.C. Hooftprijs (resp. in 1996 en 2006). De poëzie tot 1993 werd verzameld in Materia Prima. In 2014 verscheen Cantus Firmus, gedichten 1993-2013, gevolgd door Splendor in 2016.

Recente prozatitels: Blauwbaards ontwaken (roman, 2003), Ontluisd verleden (vijf novellen, 2006), Voorbeeldige vertellingen en hun versluierde betekenis (45 mythen en hun achtergronden, 2009), De stok van Schopenhauer (documentaire roman, 2012) en Een spreeuw voor Harriët (essays, dagboekbladen, veldnotities, 2018).

 

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Hans C. ten Berge. Drie gedichten”

  1. Lieflike verse!