Recensie: Het leven deugt. Althans op onderdelen (Anton Korteweg)

 

Interview met de dood

Recensie: Luuk Gruwez

In Ouderen zijn het gelukkigst, zijn verzamelbundel uit 2015, probeerde Anton Korteweg zich nog vast te klampen aan de conclusie van een studie die pretendeert dat menselijk geluk het sterkst bij zeventigers aanwezig is. In zijn nieuwe bundel, Het leven deugt. Althans op onderdelen, lijkt hij afstand te nemen van dat dubieuze optimisme. Deugt het wel echt, het leven? Hier en daar misschien, maar − eerlijk − hoofdzakelijk niet: vanaf de aanvang wordt het een toenemende cluster van mankementen. Korteweg maakt, zoals zoveel oudere dichters, de balans op. ‘Ich lebe nicht mehr gerne,’ zegt hij op zijn oude dag Hölderlin na en hij blikt ook vooruit op wat hem mogelijk nog te wachten staat. Zijn bundel biedt, drie cycli lang, inzicht in de achtereenvolgende levensfases. In de eerste cyclus liegt hij zichzelf voor dat het ergste aan het begin komt: ‘Je moeder heeft zich achter je gesloten./ Het huis is dicht. Je komt er nooit meer in.’ Korteweg, nog meer dan vroeger de domeinbeheerder van de kortstondigheid, corrigeert vervolgens een bundel lang de consequenties van deze verstoting en komt daarbij tot de conclusie dat het, beetje bij beetje, alleen maar erger wordt. Het leven is een aaneenschakelijking van onfortuinlijkheden en je komt pas tot bedaren door je eigen lot te vergelijken met dat van wie het nog minder getroffen heeft. Want de dichter is een vergelijker, is het eens met Blaise Pascal dat te kunnen vergelijken aan de basis van alle geluk of ongeluk ligt.

Wat is nu eigenlijk de conclusie van deze verzen? Zij klinken heel licht, lijken soms op light verse, kunnen op hun best ergens tussen Heinrich Heine en Piet Paaltjens worden gesitueerd. Maar het is niet te ontkennen: de ellende begint al vanaf de geboorte. En toch: allemaal kommer en kwel is het niet geweest. Alleen is het helaas zo dat wat daaraan is kunnen ontsnappen, zich hoe langer hoe meer in het verleden bevindt. Korteweg raakt zijn moederschoot niet meer in, niet eens de alternatieve schoot van een geliefde. Eigenlijk beweert hij tongue in cheek  zoals hij dit al een dichtersbestaan lang doet, dat hij, verstoppertje spelend, streeft naar een soort onbestaan. De kunst van het missen zo koninklijk mogelijk beheersen, dat vindt hij interessant: ‘Ik heb er nooit veel moeite mee gehad/ de schaduwzij te zien van wie ik hield,/ en nu er rijkelijk bezweken wordt,/ komt me die vaardigheid prima van pas.’ De dichter probeert te minimaliseren wat hij hoe langer hoe meer mist, om aan dat gemis zoveel mogelijk te ontkomen, vanuit het idee dat het in het leven toch allemaal niet zoveel voorstelt. Bij Emily Dickinson heet het ‘the art of losing is not hard to master’.

Er is in deze bundel met de ons zo vertrouwde ironie van Korteweg iets aan de hand. Zij wordt harder, gaat vaker aan de geestige waarneming voorbij, kan niet optornen tegen de wrangheid die soms van de waarheid uitgaat. Al in de eerste cyclus heet het dat het demasqué van twee notoire leugeniconen, Sinterklaas en God, de dichter niet bepaald gelukkiger stemt. Nee, het leven is al bij al nog het prettigst, wanneer je onderdak in de leugen wordt vergund. Beter is het dus daar halsstarrig in te geloven, overtuiging die ook in ‘Over de waarheid’, het slotgedicht van de bundel wordt beaamd: wat je onthoudt van het leven is helaas niet wat je hebt kunnen realiseren, maar datgene waarin je niet geslaagd bent. In de optiek van de dichter blijft men zich beter zijn nederlagen dan zijn overwinningen herinneren, een ontmoedigende vaststelling die vooral in een mens met het einde in zicht hoe langer hoe meer infiltreert: ‘Toch blijven van je als man/ slechts dwanggedachten over:/ aan wie je nooit hebt gehad,/ aan wat je nooit hebt bereikt.’

Hoe dat zo komt? Doordat de dood vanaf de geboorte een ‘meegroeier’ is, doordat er geen beter verweer tegen hem is dan het besef daarmee te moeten leren omgaan. Deze vaststelling is zwartgalliger dan het luchthartige parlando van deze poëzie laat vermoeden: zelfs met de billen bloot probeert de dichter nog een glimlach uit. Niettemin lijkt hij hier meer dan ooit doordrongen te zijn van het besef van zijn eindigheid. Intussen blijft hij als vanouds meer waarnemer dan deelnemer. Door zo vaak zowel zijn medemens als zichzelf te portretteren, schetst hij, misschien met minder mededogen dan in zijn vroegere werk, een beeld van de hele kwakkelende mensheid die het, bijvoorbeeld middels oorlogen of voortplanting, nog erger maakt dan het initieel al was.

Eigenlijk heeft Korteweg, in deze gedichten vaak op het verhoog van een fietszadel gezeten, geen al te hoge verwachtingen met betrekking tot de efficiëntie van iets als de dichtkunst. Geen woord kan uiteindelijk een vuist tegen de dood maken. En wanneer deze laatste toestemt in een interview, geeft hij toe dat ook hij vaak in gebreke moet blijven. Hij verontschuldigt zich voor de stunteligheid en de onrechtvaardigheid wanneer hij wel eens iemand uit het leven weggraait die eigenlijk nog niet aan de beurt was. Te veel werk: jammer! In Het leven deugt. Althans op onderdelen voel je voortdurend dat daar een dichter aan het woord is die niet kan verhullen dat zijn sterfelijkheid hem kwelt.

*

Het ergst

Het ergst komt aan ‘t begin. Gelukkig maar.

Dan heb je dat tenminste gauw gehad.

Je moeder heeft zich achter je gesloten.

Het huis is dicht. Je komt er nooit meer in.

 

Het een na ergst komt met het eind in zicht:

niets moois van vroeger raakt nog in je hoofd.

Geen aai over je bol, geen fluweelzacht konijn,

geen knuist in vaderhand, geen lange afscheidszwaai.

 

Als je daarmee je laatste adem vergelijkt,

is dat een overkoombare kleinigheid.

 

Anton Korteweg

 

_________________________

ANTON KORTEWEG

Het leven deugt. Althans op onderdelen

Meulenhoff, 76 blz., 18,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

Luuk Gruwez

 

 

 

Bookmark and Share

3 Kommentare op “Recensie: Het leven deugt. Althans op onderdelen (Anton Korteweg)”

  1. Seder dien.
    Sterk hout
    kom uit sagte kambium.
    Ring om ring
    om die kern.
    Hoog bo die ander
    knik die toppunt-sedertakkie
    soontoe en daarnatoe in die wind.
    Val sal hy uiteindelik wel
    en die romp word
    van ’n skip
    wat skatte bring.

  2. Liesbeth van die Kaap :

    Treffend. Ook vertroostend…en gepas gestroop tot op die been.

  3. Annora Eksteen :

    Wat ergst.