Delphine Lecompte. Grote moeders en bomen, vernederde vaders en goden

Grote moeders en bomen, vernederde vaders en goden

 

De nerveuze onterfde dirigent streelt zijn vleesetende plant

Ik zeg om hem te troosten: ‘Alles is voorbij.’

Maar we weten dat het een leugen is

In de keuken zingt de achterlijke broer van de dirigent een liedje uit Porgy and Bess

Over niets hebben behalve God en de sterren.

 

In de kelder breekt de vroegrijpe zus van de dirigent haar sleutelbeen met een spinnewiel

In de tuin liggen twee tantes op te scheppen over de stola’s in hun kasten

Ze weten niet dat de stola’s allang zijn verkocht door de lommerdhouder

In de badkamer zit een touwslager die op een vogelverschrikker lijkt

Dood op de rand van de toiletbril, zijn laatste woord was ‘gekapseisd’.

 

Maar niemand heeft het gehoord

De nerveuze onterfde dirigent zegt: ‘Was ik maar een moerascipres.’

‘Standvastig en bloedeloos?’

‘Wankel en toornig.’

We verlaten het giftige verstikkende huis vol valse zeemzoeterige familieleden.

 

Het zalige zinderende strand is vlakbij, maar eerst moeten we de gemene gortige kerk passeren

Onze passen worden zwaar en loom zoals in een droom

We moeten de muren van de kerk vastpakken om ons voort te bewegen

De ijscoman bekijkt ons stralend of meewarig, hij was ooit een god in Panama

Uiteindelijk belanden we op het strand, we vallen meteen in slaap.

 

De nerveuze onterfde dirigent droomt van een vader die hem niet te pakken kan krijgen

En van een moeder die een ritueel met gekko’s en olijfbladeren

Voor hem in het leven roept, wat is ze breed in zijn droom, breder dan een boorplatform

Ik droom ook, ik droom dat mijn vader een vernederde circusbeer is

En dat mijn moeder zijn hoedje van zijn hoofd slaat, ze is groot, groter dan een nertsenkwekerij.

 

© Delphine Lecompte  2018

 

Bookmark and Share

Los kommentaar