Delphine Lecompte. Ik ben geen kamerplant

Ik ben geen kamerplant

 

‘Ik ben een jungle,’ zegt de broze metselaar met de hazenlip

Het klinkt mooi, dus zal het wel een leugen zijn

Toen ik klein was zag ik de Mona Lisa met een pluchen aapje in mijn hand

En mijn andere hand in de hand van mijn moeder

Oh wat was ze mooi en mysterieus, mijn moeder met haar listige ogen.

 

Ik liet het aapje vallen in de Seine, een junkie lachte me uit

Hij probeerde me te intimideren, ik nam me voor

Om later nooit een kind te intimideren, en ik heb het nog niet gedaan

‘Ik ken een carwash die Tyfoon heet,’ zegt de broze metselaar met de hazenlip

Zonder goede reden kruipt het woord ‘schuitvormig’ in mijn hoofd.

 

We eten appels op een laag muurtje, de schapen denken dat we met scharen gewapend zijn

En stuiven weg, ik wist niet eens dat ze dat konden

De appels zijn knoestig en zoet, ik voel me een rekel in een pastorale roman

‘Weet jij waarom stieren stieren heten, en bloed bloed?’ Vraag ik aan de metselaar

Hij weet het niet, de zon gaat onder, een vrouw met een rode rok gooit water op ons.

 

Om de broze metselaar met de hazenlip te vermaken

Verander ik het bloed van alle uitdrukkingen in stieren

‘De stieren kruipen waar ze niet gaan kunnen.’

‘Iemand de stieren onder de nagels vandaan halen.’

‘In koele stieren iemand vermoorden.’

 

‘Mijn stieren kookten.’

‘Iemands stieren wel kunnen drinken.’

‘Blauwe stieren hebben.’

Ik amuseer me kostelijk, maar ik besef

Dat mijn moeder veel beter is in dit spel, en de broze metselaar is vertrokken met stille trom.

 

© Delphine Lecompte  2018

 

Bookmark and Share

Los kommentaar