Resencie: Huub Beurskens. Gedurig nader (Resensent: Luuk Gruwez)

Van schijn en wezen: Gedurig nader

Resensent: Luuk Gruwez

Van bij de aanvang van zijn nieuwe bundel is de toon gezet en heeft Huub Beurskens zijn keuze gemaakt. Hij bepaalt zijn positie in confrontatie met een stichtelijk embleem van Jan Luyken uit 1711 dat ‘Gedurig nader’ is getiteld. Gedurig nader: zo luidt ook de titel van zijn bundel. Maar Beurskens bedoelt daar iets heel anders mee dan Luyken. Voor de laatste impliceert het een voortdurend smachten naar een onvergankelijk hiernamaals, voor de eerste een omarming van een aards heden dat juist door eindigheid wordt gekenmerkt. Voor Beurskens is de wereld waar Luyken naar verlangt er alleen maar een van schijn en waan, wat niet noodzakelijk onheilzaam is. Het wezen van de echte wereld ligt evenwel in zijn tastbaarheid. Het is aan de dichter een modus vivendi te vinden in ons precaire bestaan. Zijn gedichten zijn daar een poging toe.

Beurskens zou niet ook een beeldend kunstenaar zijn wanneer hij in zijn fraai meanderende, van neologismen doorspekte verzen, die tegelijk op een klassieke leest zijn geschoeid, geen oog had voor het produceren van beelden. Ten tijde van Jan Luyken was dit voor strikte protestanten een heikele aangelegenheid. Ook Cornelia Bosman, de vrouw met wie hij getrouwd was, verbood hem vanuit haar geloof nog langer iets af te beelden. Luyken volgde haar in haar oekaze en werd diaken. Er zijn geen schilderijen meer van hem bekend van na zijn veertigste. Hoe anders gaat het er bij Beurskens aan toe. Hij zweert juist bij de exuberantie van de verbeelding, laat die ongelimiteerd tot zijn verzen toe. Dat een mateloos genietend figuurtje van Goya op het voorplat van de bundel afgebeeld staat, is geen toeval. Beurskens dolt met de taal. Een heidens schrijfplezier spat van zijn poëzie af. In een akte van ongeloof komt hij in opstand tegen een mogelijke God. Een zogezegd waardig afscheid met samenzang rond urne of kist is niet aan hem besteed. Zo ziet hij zijn einde:

‘(…) Mocht het mij treffen wil ik mijn strot

 (…) rauw schreeuwen, van God los en s.v.p. alleen,

 waarbij ik alle porselein dat ik in handen krijgen kan

 tegen de muren zal keilen in mijn nonsjoel,

 onkerk of nikspagode, stijf kutwijf, klotedood!’

Houdt zo’n vitalistische houding in dat de wereld die hier wordt geschetst er een van rozengeur en maneschijn is? Welnee. De dichter zit herhaaldelijk op de wip tussen de mogelijkheid om met al zijn zintuigen het bestaan te omhelzen en de angst die steeds weer de kop opsteekt. In het gedicht ‘Erfgoed’ luidt het zo: ‘Die angst/ om niet meer te bestaan, waar kwam die toch vandaan?’ Want misschien, denkt hij, is het feit dat je bij de dood helemaal verdwijnt een illusie. Niets vergaat, maar alles transformeert in iets anders: ‘Geen wezen kan tot/ niets vervallen (…)’. Het is waar dat geen enkel ik heel lang ik kan zeggen, maar onze cellen blijven wel ononderbroken muteren. Wij zijn met zijn allen erfgoed van erfgoed dat ons is voorgegaan. De dichterlijke aandacht gaat niet enkel uit naar het vergankelijke. Want dat is niet wat het lijkt: het is veeleer veranderlijk. Er vindt alleen een metamorfose plaats: iets als die tussen rups en vlinder. Daar hoeven wij niet bang voor te zijn, al is het waar dat wij geen herinnering bewaren aan wat wij ooit zijn geweest.

Toch is deze poëzie, evenmin als kunst, de ultieme truc om het tijdelijke te vereeuwigen. ‘Alle kunsten worden antiquiteiten voor hooguit eeuwen,’ staat er. En verder: ‘Fijn wel dat om dit ook/ echt te zien de maker geen tijd is gegeven.’ Met andere woorden: het is voor een kunstenaar soms goed dat de schijn niet wordt doorgeprikt zodat hij kan geloven dat zijn kunst blijft. En het is een zegen dat geen enkele maker zo oud wordt dat hij er getuige van kan zijn voor hoe lang zijn kunst maar mag overleven. Namelijk tot die uiteindelijk zelfs geen antiekwaarde meer heeft. Het maakt de dichter wel vaker ‘als een kind zo bang’ dat alles vergaat, zelfs de zon: ja, ook die. Het montert de dichter niet op dit allemaal te weten. Hij mag dan wel veel weten, maar hij is bij nader inzien geen  onvoorwaardelijk liefhebber van kennis. Laat de wereld zoals hij is maar betijen, lijkt hij te stellen, zonder dat wij er te veel angstaanjagend inzicht in krijgen.

In een van zijn opvallendste gedichten, het voorlaatste van de bundel, beschrijft Beurskens hoe hij tegen de avond ‘een knar van ver in de tachtig’ bij een oude eik ziet staan klungelen met een touw, waardoor hij ontsteld aanneemt dat hier een verhanging op til is. Maar in de laatste strofe blijkt het om iets heel anders te gaan: ‘…Verdomme, daar hoorde ik de hoogbejaarde kraaien/ en zag ik hem hoog schommelen onder de eik! Dat wou/ ik ook! Niks indommelen of broekkakken, geen gezeik (…)’. De dichter is afgunstig op het personage dat hij beschrijft en dat aan het schommelende figuurtje van Goya op de kaft refereert: net als hij wil hij kraaiend van plezier in een schommelstoel gaan hangen. Maar dan volgt nog een slotgedicht waaruit blijkt dat hij eigenlijk niet goed weet wat hij op het einde aan moet met ‘het inzicht dat alle zin waan is.’ Hij laat ook de lezer in het ongewisse achter.

_________________________

HUUB BEURSKENS

Gedurig nader

Koppernik, 55 blz., 16,50 euro.

AANTAL STERREN:

****

MIJN ONVERLAAT

Ik heb een engel geloof ik bij me binnen,

nu eens beloken stil, dan vergeet ik hem,

dan weer voel ik zijn gefladder beginnen

in mijn darmen, hem mijn hart met klem

omarmen, ruisen in mijn oren, in een kies

of knook pulseren. Werd hij door een God

gezonden? Uit zijn antwoorden valt niets

te leren: nu eens stijgt hij tot hoogst genot

op in mijn lid, waarna hij wreed weer zit

te wringen in mijn heupgewricht. Kadee,

linkmiegel die telkens weten laat dat dit

mijn ik zijn leven is. Het is geen duivel, nee,

die kan ik missen. Alleen weet ik niet of

ik hem wel zo mag: hang zo van hem af.

Huub Beurskens

Bookmark and Share

Los kommentaar