Recensie: Paul Demets. De klaverknoop (Resensent: Luuk Gruwez)

 

Met zichzelf in de knoop

Recensie door Luuk Gruwez

 

Een flauw dogma luidt dat het gezin de hoeksteen van de maatschappij is. Bij Paul Demets die voor het eerst sinds De bloedplek uit 2011, bundel waarmee hij de Herman de Coninckprijs binnenrijfde, imposant nieuw werk aflevert, heet dat gezin met een neologisme ‘de klaverknoop’. De klaverknoop staat voor verbondenheid en de broosheid daarvan. Het refereert op zijn best aan het klavertje-vier, symbool van amper te vinden geluk. Waarschijnlijk is deze bundel niet heel toevallig, zij het middels discrete initialen, opgedragen aan de drie leden van het gezin waarvan Demets, vierde blaadje van het klavertje-vier, de pater familias is.

De dichter vergelijkt twee gezinnen: dat van vroeger, waarin zijn ik-figuur is opgegroeid, en dat waarvan die thans deel uitmaakt. Het eerste staat hier in een kwalijk daglicht. Tot de moeder, van wie wij al meteen een weinig flatteus portret krijgen, voelt hij zich niet bepaald aangetrokken. Zij wordt als dreigend ervaren, omdat zij zich realiseert dat haar zoon, door geboren te worden, ophoudt van haar te zijn. Zij gijzelt hem:

 

‘Ik houd mij ver van haar, maar ze trekt mij dichterbij.

 Wat ze in zich droeg, rust rood als in watten  gedoopt

 op tafel. De slagader klopt in haar lies. De stift

 likt haar lippen. Deze kamer kent geen buiten.’

 

In de weinig zachtzinnige aanvangscyclus zit, onder de titel ‘Moedervlek’, meteen ook een veelzeggende assonantie met De bloedplek, Demets’ vorige bundel. Daar deed het woord ‘bloedplek’ mij  toen qua klankkleur aan ‘broedplek’ denken.

De vader dan! Een gezinshoofd kun je hem niet noemen. Hij is verworden tot een vage, naamloze schim die gedwee naar de pijpen van zijn vrouw danst binnen de omtraliede ruimte van een gezin, waaruit niet te ontsnappen valt en waarin de ik, bedolven onder het gewicht van zijn moeder, onfortuinlijk naar adem snakken moet: ‘Ik ben met pik en al / in haar patroon gestikt.

Hoe anders gaat het eraan toe in het tweede gezin dat Demets schetst, dat waarvan de zoon inmiddels zelf vader geworden is. Hij lijkt daarin een herhaling van vroegere ervaringen te willen voorkomen, bindt de strijd aan met zijn bezwarende herinneringen. De broze binding die hij nastreeft, is er een van vereniging en omarming, niet van gevangenschap of kneveltouw.

Alles rijmt op alles in deze hecht doortimmerde bundel met een doorgaans strakke strofevorming. De vele binnenrijmen en herhalingen zorgen voor een hechte samenhang. Demets steekt van wal met een cyclus van zeven gedichten onder de titel ‘Moedervlek’. Dat woord roept natuurlijk een associatie met het levensbegin op, de plaats waar zijn personage een identiteit moest zien te krijgen. Maar altijd, ook waar zijn wereld zich tot ver buiten het gezin verbreedt, is er die spanning tussen verbondenheid en ontbinding, tussen toenadering en afscheiding, tussen een ego dat in zijn confrontatie met dat van een ander naar zijn eigenheid op zoek is. Ook daar zit hem de knoop. Hak je die door of laat je jezelf erdoor binden? De continue interactie met medemensen, ook met migranten, maakt de ik tot wat hij is: iemand waarin veel vreemden huizen die  bewijzen dat een mens altijd ten onrechte vermoedt dat hij uitsluitend uit zichzelf bestaat. Demets bedient zich − hij is niet voor niets plattelandsdichter van Oost-Vlaanderen − van veel natuurbeelden. Zo grijpt er  in de laatste cycli, een ontwikkeling van larve tot vlinder plaats. De hele bundel kun je lezen als het wordingsproces van een dichter die zich het vliegen wil eigen maken, maar zich tegelijk realiseert dat hij aan de grond blijft gekleefd. Dat roept vragen op. Wat is van onszelf en wat van een ander? Hoeveel anderen kunnen wij toelaten in onszelf als wij onszelf willen blijven? Hoeveel van buiten ons is daarvoor nodig en hoeveel van wat zich bij de geboorte al binnen ons heeft gevestigd?

De dichter legt er, mede aan de hand van citaten van postmoderne filosofen als Deleuze en Kristeva, de nadruk op dat iets als een eigen identiteit misschien nooit zal bestaan, evenmin als geest vol cohesie en harmonie. Alleen door middel van vermomming kan men zich in zijn wereld enigszins overeind houden. De mens is en blijft een ‘nomade’ (titel in deel II), op zoek naar een ‘monade’ (anagram van ‘monade’ en titel van deel I). Een monade is in de filosofie een ondeelbare eenheid. Het is de mens eigen daarnaar te snakken. Dat doet ook de ik-figuur hier heel intensief, maar tegelijk vruchteloos. De conclusie is dat iedereen een nomade blijft die het huis niet vindt waarvan hij had gehoopt dat het hem als een huid zou passen. Hij slaagt er niet in zich te vestigen en een leefbare identiteit te verwerven. Hij is en blijft te midden van zijn medereizigers een ‘eigenheimer’ − zie de titel van de slotcyclus. Hij ligt met zichzelf in de knoop. Een citaat van Julia Kristeva resumeert het perfect: ‘L’ étranger nous habite.’ Dit klinkt als een variant op de bekende uitspraak van Rimbaud, overgenomen door Lacan: ‘Je est un autre.’ Nooit kom je daarmee thuis.

 

MOEDERVLEK

 

6

 

Haar armen in huid gehuld zijn doorzichtig.

Haar vingers verplichten mijn lippen tot een kus.

Op haar wenken. Haar tong drukt mij

uit. Speeksel heeft haar mond op mijn wang

 

nooit bezegeld. Handen tasten als een vreemde

af. Ze kleedt zich op om niets bloot

te geven. Schoorvoetend past ze haar schoenen.

Tegen het raam een klap. Stof en veertjes

 

blijven kleven. Het liefst, zegt ze, zou die

zijn beeld achterna zijn gevlogen.

In  het raam slaat ze mijn blik af. Het wit

van de kamer, het woedend wit van haar ogen.

 

Paul Demets

 

_________________

PAUL DEMETS

De klaverknoop

De Bezige Bij, 74 blz., 19,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

 

 

Bookmark and Share

Los kommentaar

 

*