Recensie: Ingmar Hetze. Ik wilde je iets moois vertellen. Resencent Luuk Gruwez

(G)EEN REMEDIE TEGEN DE DOOD

Resensent: Luuk Gruwez

In Elders in de wereld, een bundel van Ingmar Heytze uit 2008, staan de volgende regels: ‘Ik merk dat ik nog steeds op zoek ben / naar een remedie tegen de dood (…).’ Tien jaar later, in Ik wilde je iets moois vertellen, de recentste bundel, bevindt die verzuchting zich nog steeds op het voorplan. Maar misschien is er toch iets veranderd. Het lijkt er in het gedicht met de aanspreking ‘Dood,’ op dat de zeis van Magere Hein ‘botter en botter’ wordt. Het gedicht eindigt heel assertief: ‘Nu stellen we je nog remise voor. / Neem haar aan voordat we je voorgoed verslaan.’ Nog steeds is het Heytze erom te doen de dood klein te krijgen. Maar hoe zeker is de dichter van zijn bewering? Misschien is die enkel ironisch of een vorm van blufpoker. Want geen van de overige gedichten in de bundel getuigt van groot triomfalisme. Integendeel, wat overheerst is de gedachte aan het verlies, zelfs aan een onmogelijk nieuw verlies, vanwege het feit dat alles al verloren is. Zo ook in het gedicht De bal in de wolken, dat begint met deze regel: ‘Op een dag besefte ik opeens dat ik zou gaan verliezen.’ En dat eindigt met een weerlegging: ‘En ik kan niet meer verliezen, want dat heb ik al gedaan.’

Welke strategie wendt Heytze aan om de strijd met het einde aan te gaan? Uiteraard maakt hij daartoe gebruik van zijn taal, maar zeker ook van zijn vaderschap, een belangrijk thema in deze verzen en een getuigenis van procreatie. Ook in een vorige bundel heeft dit al een rol gespeeld. Maar vaderschap is niet enkel een middel om voor te bestaan, het bewerkstelligt tegelijk het tegenovergestelde. Kinderen doden in de vader alle andere personen die hij had kunnen worden of geweest is: ‘Kinderen zijn kannibalen.’ ‘The child is the father of the man,’ dichtte ooit Wordsworth, maar misschien is dit in de visie die de dichter er hier op nahoudt niet uitsluitend een aantrekkelijk perspectief. Een mens mag als volwassene dan wel iets behouden van het kind dat hij geweest is, hij moet ook leven met het vooruitzicht dat zijn nageslacht ooit de kannibaal van zijn voorgeslacht zal zijn. Hij loopt rondjes in de doolhof van zijn denken en vindt de uitweg niet. En bij deze dichter wordt dat denken, over de generaties heen, geïnfiltreerd door angst. ‘Angst,/ Ik lees je in de ogen van mijn kind,’ lezen wij.

Veel in deze bundel heeft met verschijnen en verdwijnen te maken. Naast ‘Vaderschemering’ bevat hij nog minstens twee andere gedichten die het verdienen klassiek te worden. Een ervan heet ‘Bijvangst’. Hierin bekent de dichter dat hij van weemoed geen verstand heeft, maar van verdriet des te meer. Verder heeft hij juist bijzonder veel aandacht voor die weemoed, die hij als een bijvangst beschouwt: ‘Weemoed is vermoeden dat je nu al terugverlangt/ naar alles wat pas later vroeger was.’ Weer zit de dichter gevangen in de cyclische structuur van zijn gedachten: voortdurend pendelt hij tussen prospectie en retrospectie. En hij voorziet dat wat nu nog een vooruitblik is, ooit een terugblik worden zal. Net zo goed speelt dit thema een rol in ‘Gemist worden’, ook al een potentiële klassieker. Er wordt volop gefantaseerd over hoe je uit het leven kunt verdwijnen en over de vorm die missen kan aannemen. Hij is daar best nieuwsgierig naar, zou best van achter een struik als een soort voyeur willen toekijken welke reacties zijn plotselinge afwezigheid opwekt. Hij lijkt te hopen op een snel en pijnloos sterven, want dit is in zijn voorstelling het prettigste of althans minst dramatische verdwijnen.

Toch blijft daar dat besef dat elk mens in één enkele huid gevangen blijft. Dat hij, bijvoorbeeld doordat hij al door iets als vaderschap is gedetermineerd, aan tal van andere levenslopen verzaken moet. Zoals blijkt uit zijn ‘tussentijdse rapportage’ (titel van een gedicht), mag hij op zolder dan wel tal van levens hebben staan ‘die (hij) ook had kunnen leiden voor (hij) ophield te bestaan’, zij lijken alleen maar te bevestigen wat hij al had gevreesd: dat zijn huidige leven een kerker is waaruit hij niet ontkomen kan en dat kinderen hoe dan ook de kannibalen zijn van wie hen heeft verwekt. Kannibalen? Ja, en het ergste is: hun vraatzucht begint bij het hart van hun prooi, waardoor zij meteen ook datgene wat voor hun vader essentieel is veroveren en verorberen. Maar uiteindelijk worden zij precies dezelfden als diegenen die zij nu verslinden: ‘Overal lopen ze rond / met holle ogen, klagend achter kinderwagens / vol gekrijs, nieuwe tandjes in de maak.’

Heytze beoefent in deze bundel ook het prozagedicht, maar toch lijkt hij zelfs daar op een zanger. Hij is, bijvoorbeeld net als Menno Wigman voor wie hij een in memoriam schrijft, zo’n typische ‘mensendichter’ die je niet inpalmt met wijsgerige oprispingen die voor slimmigheidjes moeten doorgaan of met het hermetische keukenlatijn van een of ander dogmatisch klinkend idioom, maar hij is wel iemand van wie je kunt verwachten dat hij zich een paar zuchten langer in de eeuwigheid zal handhaven dan de meeste van zijn collega’s. En dat is ook voor wie na hem komt iets moois.

 

VADERSCHEMERING

 

De meeste vaders leven uit het lood.

Als vrouw en kinderen slapen, schenken ze een borrel in.

Elk glas zet de wereld verder waterpas.

 

Onderhuids huist een andere man, wachtend

tot er iets gebeurt, het scheuren van het weke vel.

 

De vaders schenken weer eens in,

schrijven een dode vader een brief, zoeken foto’s

van een vroeger lief, proosten met de babyfoon.

 

De nieuwbouwwijk ligt leeg en stil, omhelsd door asfalt,

uitvalswegen. Hier en daar brandt laat nog licht.

Daat zet een vader zijn leven recht.

 

Ingmar Heytze

 

________________

INGMAR HEYTZE

Ik wilde je iets moois vertellen

Uitgeverij Podium, 47 blz., 19,99 euro.

 

Aantal sterren:

****

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Recensie: Ingmar Hetze. Ik wilde je iets moois vertellen. Resencent Luuk Gruwez”

  1. Waldemar Gouws :

    Baie dankie, Luuk Gruwez. “… omhelsd door asfalt” slaan ‘n stadspyker op die kop.

    Heytze bevestig net weer die besef van Sancho Panza, Cervantes se karakter van 1604, dat daar vir alles raad is, behalwe vir die dood. Die feit dat Panza ongeletterd was, tel nie teen hom nie.