Yves T’sjoen. op weg na gû (variant op kû)

op weg na gû (variant op kû)

(een gelegenheidsfragment memorabilia)

Yves T’Sjoen

Ik herinner mij het voorval alsof het de dag van gisteren was. Aan de Universiteit Gent doceer ik intussen enkele jaren een introductiecursus, een soort panorama, van de Afrikaanse letteren. Naast de studenten Talen en Culturen (Afrikanistiek) krijgen de neerlandici in de bacheloropleiding de kans zich te verdiepen in de Afrikaanse taal- en letterkunde en ze worden verondersteld aan Afrikaanse taalverwerving te doen. Ieder academiejaar wordt aandacht besteed aan de politieke en maatschappelijke geschiedenis van Zuid-Afrika, historische ontwikkelingen van het Afrikaans, cultuur en literatuur. Met behulp van de taalverwerving moeten studenten in staat zijn een Afrikaanstalig boek te lezen. Zij schrijven daarover een persoonlijk leesverslag.

In mijn cursus is uitgebreid aandacht voor de Sestigers. Naast een profielschets van de groep die begin jaren zestig een nieuwe impuls gaf aan de Afrikaanse literatuur, belicht ik enkele canonieke figuren, onder wie Breyten Breytenbach, André Brink, Etienne Leroux, Jan Rabie en Adam Small. Op 3 december 2014 was ik in de collegereeks toegekomen aan het hoofdstuk over Sestig. Het was een uitzonderlijke dag. Niet omdat ik buitenzinnig geïnspireerd was of de studenten liet delen in een zeldzame epifanie. Het was omdat die avond in de Aula de plechtigheid plaatsvond waarnaar de universitaire gemeenschap al zo lang uitkeek: de uitreiking van de eredoctorstitel aan Breyten Breytenbach. Ik weet nog precies welk boek in de besprekingsfase in aanwezigheid van mijn decaan aan de toenmalige rector is overhandigd: End Paper (in Nederlandse vertaling: De andere kant van de vrijheid) van Breytenbach. Het hybride boek, aangeduid als “Essays en werkboek”, neem ik sindsdien geregeld mee om verder te grasduinen, mij te laten inspireren, gedachten van Breytenbach met anderen te delen. De rector heeft het verzoek ruimhartig gehonoreerd zodat de lange voorbereiding van het feestelijke moment van start kon gaan. De ceremonie had plaats aan de vooravond van het colloquium “die taal se stiltes”, naar een gedicht van Breytenbach, de start van een reeks met symposia, schrijversoptredens en workshops. Sindsdien heeft in Gent elk jaar in oktober een conferentie plaats van het Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika.

Met Breyten was vooraf een afspraak gemaakt. In de vooravond zou ik hem ophalen in het hotel en met de taxi naar de Aula brengen. Ik veronderstel dat wij elkaar nog niet eerder hadden ontmoet. Toen ik in het auditorium voor de studenten sprak over Sestig, de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika en eindelijk enkele gedichten van Breytenbach voorlas, gebeurde iets bijzonders. Ik had er niet bij stilgestaan dat de schrijver al in de vroege namiddag in de stad was – we hadden immers onze afspraak. Het ging boven mijn veronderstelling dat de schrijver op de campus aanwezig zou zijn, in dat labyrint van leszalen en auditoria. Je moet immers al goed wegwijs zijn om de leslokalen te vinden. Net toen ik over Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf uitweidde, de bundel die bij Meulenhoff (Amsterdam) verscheen en het Nederlandse debuut van Breytenbach is, ging de deur van het statige auditorium in de Rozier open. Het was een openbaring, in de meest fysieke zin van wat een openbaring kan zijn. De schrijver Breyten Breytenbach trad binnen en ging discreet tussen de studenten plaatsnemen. De aanwezigen waren zich niet bewust van dat bijzondere moment. Ik onderbrak mijn verhaal, perplex en nog helemaal verrast door de blijde intrede. Ik heette Breyten Breytenbach van harte welkom, en liet de studenten verstaan dat zij getuige waren van een even bizar als spectaculair ogenblik, iets onvergetelijks. De schrijver, over wie ik met gloed college stond te geven, was in levenden lijve aanwezig in het leslokaal. Het was mij niet eerder gebeurd en het zal ook nooit meer gebeuren. Het voorwerp van de uiteenzetting, de auteur van die prachtige gedichten, de man met een levensverhaal als een spannende roman, was deelgenoot van een universitair college waarin de intussen bedeesde docent over diens werk sprak. Natuurlijk had ik Breyten moeten vragen enkele gedichten te lezen, en om evidente redenen had ik hem het woord moeten verlenen. Het zijn gedachten achteraf. Voor een optreden was de schrijver niet langsgekomen. Na een poosje stond hij in alle discretie weer op en verliet met de zachte tred waarmee hij het auditorium had betreden de intussen gewijde ruimte. Het was in dat auditorium, zoals Paul Snoek dichtte, “een beetje bijna heilig zijn”.

Deze anekdote draag ik sindsdien mee als een levende warme herinnering. Het blijft ongelooflijk dat de eminente schrijver, niet vertrouwd met het grondplan van de universitaire gebouwen, mijn collegezaal überhaupt heeft gevonden. Dat hij op het tijdstip van dat college, op het moment dat Sestig aan bod kwam, is komen opdagen. Dat hij op zoek is gegaan. Ik spreek met studenten wel eens over het oeuvre van levende schrijvers, maar ze komen niet onaangekondigd langs – laat staan uit Parijs – wanneer het hoorcollege plaatsheeft waarin hun werk ter sprake komt.

Die avond in de Aula, wanneer Adriaan van Dis zo schitterend sprak en Laurens van Krevelen gedichten las, heeft voor mij een bijzondere betekenis. Niet uitsluitend omdat Breyten Breytenbach aan mijn alma mater de titel van doctor honoris causa ontving, of omdat hij na een indrukwekkend dankwoord intussen gekoesterde beschilderde “klippe”, met een ongelooflijke symboolwaarde, aan de rector en mij overhandigde. Wat niemand in de Aula wist, behalve de bevoorrechte studenten Afrikaans, was die vreemde ontmoeting enkele uren eerder.

Nog steeds kan de audiovisuele opname worden geraadpleegd van de plechtige avond. De foto’s dateren van die avond in december. De informele en niet geplande ontmoeting van Breytenbach met de Gentse studenten is evenwel niet vastgelegd. Voor mij blijft dit een herinnering waaraan ik mij verwarm, zoals die handdruk van Mandela in Kaapstad in 1996. Ik weet zeker dat de studenten, intussen gediplomeerd en vijf jaar met andere besognes in de weer, zich dat heuglijke moment herinneren. Tegelijk is het tekenend voor Breytenbach dat hij de moeite deed mijn dag te verblijden, op zoek is gegaan en in mijn les verdwaalde. Een dag van schoonheid. Het tekent de mens achter de bevlogen en productieve kunstenaar, de warmte en de vriendschappelijkheid. Ik voelde toen, verscholen achter het katheder, menselijke warmte. Er is daar en toen een vriendschap ontkiemd waarvoor ik alle goden en engelen, niet alleen de decaan en de rector, nog elke dag prijs. Woordvogel was neergestreken in Gent en sindsdien is hij nooit meer weggevlogen.

De opname van de ceremoniële plechtigheid in de Aula van de Universiteit Gent kan hier worden bekeken: https://www.youtube.com/watch?v=x70_9_OAkII&feature=youtu.be&list=PLQ3LcTBBJ4VNgNzHQgxcVcsuL3o7Scjey

Bookmark and Share

Los kommentaar

 

*