Gedichtendag, die jaarlijkse half-artificiële hoogmis van de poëzie, ligt alweer een eindje achter ons. “‘t Ligt niet in mijn aard om zuur te doen over initiatieven van goedwillende instanties, maar er is geen dag waarop ik me meer van de poëzie vervreemd voel dan Gedichtendag. ” begon RCHdG een stukje op zijn blog. Het deed me meteen denken aan de kersverse stadsdichter van Antwerpen die het ook al niet zo begrepen heeft op poëzieconsumptie. Poëzie en cultuurmarketing: het blijft een hybride combinatie voor de geschoolde poëzieliefhebber en/of beoefenaar. Geen medium staat immers zo haaks op de gevestigde systemen, de wetten van de economie en de gezonde communis opinio. Geen medium voelt zich zo thuis in marge. Buelens, helder en scherp als altijd, vat het treffend samen: ‘Waar poëzie het in wezen moet hebben van stilte, traagheid en volgehouden aandacht is Gedichtendag een veelal luidruchtige, snelle en vluchtige bedoening. Volgens menige cultuurcriticus ademt het hele gebeuren de vervaarlijke lucht van de Cultuurindustrie. Iedereen die wel eens aan Adorno heeft geroken, weet wat dit betekent: te mijden, op risico er volledig door opgeslorpt en vermalen te worden.’ Geert Buelens
Maar laten we het kind niet met het badwater weggooien merkt één van onze beste poëzierecensenten op : “Serieus, het heeft iedereen meer betaalde voordrachten gebracht, die Gedichtendag. Er is een poëzieclub gekomen die een blad uitgeeft, Awater, en dat de leden drie keer per jaar een bundel toestuurt. En dat betekent voor die bundel een afname van negenhonderd exemplaren en meestal meteen een tweede druk. Heel wat effectiever dan een prijs of een nominatie of vermelding op een jaarlijstje, zou je kunnen bedenken.” Lindner
Jan Fabre
‘Het levert iets op’, ‘het helpt de dichter overleven’ is een andere, misschien modernere visie op het poëziebedrijf. Anders dan in de beeldende kunst is in de poëzie het ideaalbeeld van de dichter-bohémien levend gebleven. ‘Poëzie is een roeping, geen beroep’ luidt een Pessoaanse spreuk, een dichter die we toch niet van een gebrek aan modernisme kunnen verdenken. Het idee van de ‘zakenman-kunstenaar‘ dat in de beeldende kunst snel ingeburgerd geraakte, is in de poëzie nooit echt doorgebroken. De dichter en de zolderkamer is een ingebakken combinatie die nog steeds gebeiteld zit in het collectief onderbewuste.
Wim Delvoye
De huidige generatie is dit romantisch aureool aan het afschudden. Ze zien brood in optreden en maken dankbaar gebruik van het internet voor zelfpromotie. Het denkbeeld dat een dichter een zaakvoerder wordt à la Jan Fabre, Wim Delvoye, met een team van assistenten durf ik in een onbewaakt moment wel eens tot de mogelijkheden van een niet zo verre toekomst rekenen.
Kleine symptomen van een veranderende poëziementaliteit meende ik onlangs te ontwaren in het laatste gerestylde nummer van Poëziekrant dat intussen al 35 jaar bestaat. Hoofdredacteur Willy Tibergien: Wij willen af van het etiket ‘literair tijdschrift’ dat bij te veel potentiële lezers en vooral bij jongeren te veel weerstand oproept. Wij willen van Poëziekrant een boeiend ‘maandblad voor poëzie’ maken. De stap is klein. De nuance groot. (…) Een nieuw lettertype en de frisse rustige full quadri lay-out moeten de leesbaarheid vergroten. Ook aan de inhoud is en zal nog gesleuteld worden.”
Poëziekrant
Ook dit instituut van de poëzie voelt blijkbaar de behoefte om een oude huid van zich af te schudden en een nieuwe weg op te gaan. Al is me nog niet helemaal duidelijk welke richting ze precies willen uitgaan.
In het kielzog van Gedichtendag schreef Charles Ducal het Gedichtendagessay dat deze trend van poëziemarketing helemaal in vraag stelt. Als we Ducal zelf mogen geloven dan is de dichter-manager nog niet voor morgen:
„Poëzie is ongelofelijk belangrijk, maar ik heb ook voortdurend de twijfel dat het in wezen hopeloos romantisch is.”
Die jonge generatie is intussen al gecanoniseerd in de nieuwe Jonge Komrij, De 21ste eeuw in 185 gedichten. De Standaard recensent Reynebeau merkt terloops op: Hij (Komrij) beperkte zich tot werk dat in klassieke bundels is gepubliceerd bij min of meer reguliere uitgeverijen (en zo zijn er in Vlaanderen echt niet veel). Tijdschriften keek hij niet na en hij zocht al evenmin een weg in de nochtans weelderige digitale poëziejungle op het internet. Maar die keuze is verdedigbaar; al valt het niet meteen te bewijzen, de beste poëzie zoekt toch een eindbestemming in een gedrukte bundel.
Komrij
Business als usual zou je denken. Ach gedichten, het blijft een eenzaam gesleutel, en dat gesleutel blijft het opwindendste van het hele poëziebedrijf. Om nog maar eens de verse Antwerpse stadsdichter te citeren: “Een gedicht is als een muziekdoosje. Je moet er lang aan werken en er komt veel techniek bij kijken, maar uiteindelijk is het één harmonisch geheel. (Om deze metafoor nog beter te illustreren, tovert de dichter daadwerkelijk een muziekdoosje/sneeuwbol uit één van zijn vele zakken tevoorschijn) De tientallen vlokjes die je hier ziet, zijn allemaal gedichten. Ze zijn beweeglijk en worden voortdurend door elkaar geschud, maar toch vormen ze één geheel.” >> lees het interview op Dwars.
Geuze
Tot slot Hubert van Herreweghen onze oudste Vlaamse dichter die deze maand negentig werd. “Hij vijlt en beitelt zijn strofen tot beheerste, vormvaste gedichten. ‘Poëzie is altijd een dans. Pas op voor stilstaande gedichten! Het zijn poelen waarin de rotting begint,’ verklaarde hij ooit. Van Herreweghen is een dichter die nog durft te rijmen, wat het ritme, de klankrijkdom en de dansbaarheid van zijn verzen alleen maar ten goede komt. Net zo goed durft hij te jongleren met bladschikking en typografie. De trefzekere vorm verschaft deze dichter een greep op de werkelijkheid die hem omvat,(…)” (Philip Hoorne)
Beluister ook dit mooie interview met de nestor van de Vlaamse poëzie, die een ode schreef aan het zure, maar zeer lekkere Brusselse streekbier: de Geuze.
De digitale revolutie: van verdienmodel tot leescultuur?
Apple verkoopt ons tabletten, waar we zelf iets op mogen zetten. Dat betekent, na Mozes met zijn tien geboden, toch een zekere vooruitgang. De mens is meester geworden over zijn eigen content. Halleluja. Hoewel niet iedereen juichend is over deze situatie. Uitgevers die zich van oudsher richten op papieren publicaties weten zich geen raad met deze nieuwe ontwikkelingen.
Apple iPad
Toch is De lancering van de iPad voor uitgevers van boeken, kranten en bladen een zegen en een Paard van Troje in één. Omdat het “verdienmodel” waarmee de “oude” uitgevers worstelen niet zijn afgestemd op digitale verkopen, wordt de noodklok geluid. Niet alleen over het boek, maar ook - in een moeite door - over de cultuur. Elke tijd is overgangstijd, zei H.W. von der Dunk, maar als je de zwartkijkers van nu moet geloven, is het ineenstorten van de toren nabij.
“De papieren leescultuur gaat boeiende tijden tegemoet. Op korte tijd is het roer omgegaan. Digitalisering bleef jarenlang zowel een taboe als een belediging. Maar het scherm wenkt. Meer nog, het scherm heeft de toekomst. Op voorwaarde dat we blijven lezen.” Schrijft Harold Polis in het tijdschrift Leesgoed (2009 / 6), een tekst die hij later overigens op zijn weblog plaatste. Dé manier om er een uitgebreid publiek voor te vinden.
Polis, uitgever van Meulenhoff | Manteau, en in die hoedanigheid gepokt en gemazeld in de papieren cultuur/economie schetst het grote dilemma van de digitale revolutie aldus: “Iedereen zal straks blij zijn als er nog mensen boeken kopen. Het instandhouden van het auteursrecht is de enige manier om ervoor te zorgen dat er een bloeiende literaire cultuur blijft bestaan, zowel voor volwassenen als voor jongeren.”
Misschien is het een beetje kinderachtig van mij, maar ik zie die luide roep om een auteursrecht dat in stand moet worden gehouden, toch een beetje als een oratio pro domo, en dan met name het eigen uitgevers-domo. Zijn uitgevershuis maakt omzet (en winst) met de uitgegeven titels; een auteur moet echt al in de klasse bestseller-auteurs vallen wil hij een gewoon, modaal inkomen aan zijn werk overhouden.
Maar meestal moet die auteur het doen met een heleboel symbolisch kapitaal, dat hij, als hij geluk heeft, kan omwisselen in ánder werk, dat wel geld oplevert. Of hij krijgt een werkbeurs, maar dat gebeurt alleen als de commissieleden van het Fonds voor de Letteren je werk waarderen. Een hachelijke zaak dus; meestal moet een auteur twee keer werken om één salaris te kunnen verdienen.
Maar Polis signaleert toch ook iets anders: “De democratisering van de kennis en de toegenomen sociale mobiliteit tijdens twintigste eeuw hebben het boek groot gemaakt. De leescultuur vertegenwoordigde een zeer groot symbolisch kapitaal én stond garant voor economisch succes. Beide grootheden worden vandaag echter fundamenteel gewijzigd.”
Leon de Winter
Dat is waar. Leon de Winter kondigde bijvoorbeeld al aan dat hij via een website e-books van zichzelf gaat verkopen: “De Winter vermijdt daarmee de tussenstap via Amazon of Bol.com en neemt het heft inzake zijn digitale inkomsten en distributie volkomen in eigen handen. Voor de zomer biedt hij zijn lezers exclusief een e-book van hem aan. De Winter is de kwestie nog aan het doorpraten met zijn vaste uitgever De Bezige Bij.”
Als motivatie gaf hij: “‘Als ik bij Amazon een boek download, kost me dat 10 dollar. Ik weet niet precies hoeveel de schrijver daaraan over houdt, maar dat kan niet veel zijn.’ Daarom, zegt De Winter, ‘wil (ik) niet afhankelijk zijn van de websites en bedrijfsoverwegingen van Amazon en Bol.com. (…) Van wat er van een download van 10 euro uiteindelijk bij mij terechtkomt, kan ik de huur niet betalen. Dus heb ik besloten mijn eigen e-boekendistributeur te worden.’”
De Winter geeft economische motieven voor zijn actie; precies dezelfde motieven die Polis ziet wankelen.
Nu maak ik een wat brede bocht. Niet om u te pesten, maar omdat ik denk dat Polis de toekomst te zwart ziet, of beter, omdat Polis de toekomst alleen vanuit zijn (economische) perspectief als uitgever ziet, en omdat ik denk dat De Winter’s actie een voorbode is van wat ons nog te wachten staat.
Polis noemde het woord “leescultuur” en ik zie de introductie van de e-readers en de iPad en alle andere tabletachtigen (die deels al in de markt zijn) juist als een terugkeer naar de leescultuur. Met als intens voordeel dat die gelezen cultuur voortaan niet hinderlijk alle wanden van je huis bekleed.
E-books, en e-publicaties bieden de mogelijkheid om - vergelijkbaar met de manier waarop iTunes een succes is geworden - oude titels opnieuw, of nogmaals te exploiteren; om losse teksten (lezingen, artikelen, columns, hoofdstukken van een nieuw boek) voor weinig geld (maar hier geldt: vele kleine bedragen maken één groot bedrag); om teasers te publiceren; en ga zo maar door.
De Contrabas publiceerde tijdens de verkiezing van de Dichter des Vaderlands vorig jaar een digitale download van een dichtbundel van één van de kandidaten, Tsead Bruinja. In een week tijd werd die bundel zo’n 5000 keer gedownload. Van de papieren versie vonden later nog honderden exemplaren hun weg. Het lezerspubliek van Bruinja werd hierdoor behoorlijk uitgebreid.
De enige slachtoffers van deze revolutie zijn de uitgevers en de redacteuren. Die zullen weinig of minder emplooi vinden in de bedrijven die met dalende omzetcijfers worden geconfronteerd. Maar daar zullen andere bedrijven, die anders op de markt opereren, voor in de plaats komen. En misschien is een redacteur in de toekomst niet zozeer aan één bedrijf verbonden, maar verleent hij zijn diensten aan meerdere auteurs, die allemaal ergens anders publiceren. Een voorbeeld: Adriaan Krabbendam.
Gelezen zal er toch wel worden, en als je de ontwikkelingen op internet een beetje volgt: zeker niet minder. Talloze websites, van de DBNL tot Gutenberg en Meander en van e-books.nl tot BOL en Amazon bieden zoveel e-books en e-publicaties, in prijs variërend van 0 tot heel veel euro, dat je moeilijk kunt spreken van een crisis in de leescultuur.
Een crisis die, áls hij er al is, eerder is veroorzaakt door uitgevers en boeken-exploitanten, dan door de “digitale revolutie”. Zaak is dat de auteurs nu het heft in handen nemen, iets wat grotere gevolgen zal hebben dan de schrijversprotesten in de jaren zestig en zeventig. Websites die opereren in het literaire veld kunnen daar mede een rol in spelen. Het is nu. Of later. Maar het gaat zeker allemaal een keer, en niet eens over zo lange tijd, verschuiven.
Louis Maria Nanet 1949-2009, zijn laatste woorden waren ‘godverdomme’.
Jan Pollet
Pieter Breugel, jagers in de sneeuw
Wit. Wit. Wit. Zo lagen de Lage Landen er meestal bij in de maand december. Het was alweer een tijd geleden dat stad en land onder een dikke wintervacht het jaar mocht uitzingen. Alsof de weergoden de oude postkaarten van weleer nog eens wilden naschilderen in afwachting van de nakende opwarming van de aarde. Binnenblijven bij het vuur, uitgebreid tafelen, lui een boek lezen of op het internet rondhangen, meer stond ons niet te doen: een groot verschil met de zonnige vakantiekiekjes die ons in de laatste Versindaba-nieuwsbrief aan het dromen zetten.
Gedichtendag
Ook de poëzie heeft een soort winterslaapje gehouden met weinig opzienbarend nieuws. Alle ogen zijn reeds gericht op Gedichtendag 2010 die dit jaar op 28 januari valt. Tal van poëzie-evenementen vinden dan plaats in Nederland en Vlaanderen. Een volledig overzicht is hier te lezen. Ik licht er enkele hoogtepunten voor u uit:
De schrijver van de Gedichtendagbundel is dit jaar de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga.
Voor de derde keer zal ook een gedichtendagessessay verschijnen. Na Paul Bogaert (2008) en Luuk Gruwez (2009) is dit jaar Charles Ducal (1952) aan de beurt.
Traditioneel wordt in Antwerpen op Gedichtendag tevens de Herman De?Coninckprijs uitgereikt. Vijf dichters zijn intussen genomineerd: het gaat om Paul?Bogaert (de Slalom soft), Eva Cox (Een twee drie ten dans,), Charles?Ducal (Toegedekt met een liedje), Leonard Nolens (Woestijnkunde) en Roel Richelieu van Londersele met Tot zij de wijn is.
Eén van de genomineerden, Paul Bogaert, wordt hier geïnterviewd.
Daarnaast is er ook een publieksprijs voor het beste gedicht. Iedereen kan vanaf 15 januari online stemmen op een van de 5 geselecteerde gedichten.
Op 28 januari wordt ook de winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd bekendgemaakt. Het enthousiasme voor de wedstrijd waarvoor iedere Nederlander zijn poëzie kan insturen, is overweldigend. 15.688 gedichten zijn ingezonden door meer dan 6.300 mensen.
Vanaf 2011 wordt de VSB Poëzieprijs gekoppeld aan Gedichtendag. Daartoe gaan de stichting VSB Poëzieprijs en Poetry International samenwerken. Volgens Thomas Vaessens van de Stichting VSB Poëzieprijs komt de samenwerking met Poetry International het bereik van de VSB Poëzieprijs ten goede. “De verhuizing van de VSB prijsuitreiking naar Gedichtendag zal leiden tot meer aandacht voor de poëzie van de genomineerde dichters, terwijl het bijzondere karakter van de prijs behouden blijft.”
Prijzen
In de categorie Prijzen melden we dat schilder-schrijver Charlotte Mutsaers de P.C. Hooftprijs 2010 kreeg voor haar verhalend proza. Over Mutsaers verschenen recent een aantal berichten op de Contrabas. Oa. een nieuwe dichtbundel die verschenen is bij de kleine uitgeverij Druksel waarover ik in mijn vorige brief al berichtte.
Op het NK Poetry Slam 2009 won Ellen Deckwitz, een van de leden van het Utrechts Dichtersgilde, de Gouden Vink. De nieuwe prijs is vernoemd naar de dit jaar overleden Simon Vinkenoog.
Afscheid
Hugo Brems
In Vlaanderen nam Hugo Brems afscheid als hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Katholieke Universiteit Leuven. In zijn afscheidsrede herinnert de bekende poëziecriticus zich “(…) hoe hij tijdens zijn eerste college de Verzen van Herman Gorter wilde behandelen met de studenten, waarop die protesteerden en, druk Marx en Lenin citerend, de docent er fijntjes op wezen dat poëzie hun inziens een luxe-artikel was, een product van de dominantie van de bourgeois, en dat de bestudering daarvan dus een reactionair iets was.” Lees meer op De Amsterdamse Lezing.
Ton van
Afscheid namen we helaas ook van mede Contrabas oprichter en vader van de Nederlandse flarf Ton van ‘t Hof die nieuwe professionele uitdagingen zal aangaan in 2010. Ton was altijd de standvastige, stille, drijvende kracht met de kritische blik en het oog op de wereld. We zullen deze immer enthousiaste hoofdredacteur meer dan missen in ons “spraakmakend baken, wat niet meer weg te denken valt uit de Nederlandstalige poëziewereld.” zoals hij de Contrabas zelf omschrijft. Hier leest u zijn afscheidswoord. Neem ook een kijkje op zijn persoonlijke blog 1hundred1 die hij zal blijven aanvullen met persoonlijk werk en interessante bedenkingen.
Definitief afscheid
Tedere anarchist, dichter, schrijver en sixtiesfiguur Herman J. Claeys overleed op 74-jarige leeftijd. Een overzicht van artikels naar aanleiding van zijn overlijden vindt u hier samengevat.
Louis Nanet
Wie nog van ons heenging was Louis Nanet: een fictief facebookfiguur die zijn maandenlange doodsstrijd op facebook beleefde. Zijn lievelingswoord was ‘Godverdomme’. Dagelijks publiceerde hij de meest hilarische statusberichten over zijn hopeloze toestand. Hij maakte ook dankbaar van de aandacht gebruik om zijn fictieve poëziebundel te promoten motorkamers en verschuttingen. Een grappig interessant experiment waarbij hij dagboekfragmenten maakte op youtube en dichters als Menno Wigman, Gerrit Komrij en Joost Zwagerman aansprak. Bij zijn overlijden schreef Mondria De Groot, zijn fictieve dochter: “Louis Maria Nanet 1949-2009, zijn laatste woorden waren ‘godverdomme’”.
En verder in het nieuws:
Herman van Rompuy, de ex-premier van België en president van de Europese Unie, krijgt zowel in binnen - als in buitenland voorstellen om zijn haiku’s uit te geven.
De Bezige Bij is 65. “Ammerlaans bedrijf handelt in een symbolisch product: prestige. Een boek dat bij de Bij verschijnt heeft per definitie meer prestige dan één van een andere uitgeverij.”
Connie Palmen doet een rechtstreekse aanval op Thomas Vaessens.
Samuel Vriezen raakt een zeldzaam fenomeen aan in de Nederlandse poëzie, het gebruik van grote vormen als middel om te mediteren over hoe je alles zou kunnen zeggen. Naar aanleiding van de hele dikke dichtbundel Buurtkinderen van Arjen Duinker.
En om af te ronden: Arno, Pol Hoste, Guy Verhofstadt, Tom Lanoye, Astrid Lampe en Alain Van Crugten lazen, al dan niet in het Oostends dialect, teksten van Claus op de Hugo Claus Marathon in Passa Porta. (youtube)
Tom Lanoye leest in onderstaand fragment ‘nu nog‘ van “de dichter van de heterosexuele ellende”
In deze aflevering: Nieuwe poëzieprojecten - Deelder met pensioen - Een nieuwe podcast over poëzie - Nieuwe uitgaven van enkele kleine poëzie-uitgeverijen in Vlaanderen.
Hebben poëzienachten en dito massabijeenkomsten hun beste tijd gehad? Je zou het haast geloven als je dit onheilsbericht van Guido Lauwaert leest. De opkomst voor een jaarlijks evenement als De Nachten in Antwerpen is mager, het vuur is er uit. Dichter na dichter gedichtjes laten voorlezen is een uitgebloede formule en niet meer van deze tijd. Dat zegt uitgerekend de man die in de jaren zeventig en tachtig met zijn legendarische Nachten van de Poëzie dichter na dichter (onbetaald) liet opdraven op de Vlaamse podia voor een massapubliek. Gelukkig ziet Lauwaert de eerste tekenen van vernieuwing.
Boest bijvoorbeeld is een geslaagd alternatief voor de traditionele poëzie-avond. De Antwerpse boekhandel en uitgever Demian heeft het (relatief) jonge dichtersgrut om zich heen verzameld en er een dynamisch poëzieproject mee op het getouw gezet, dat naast een bloemlezing, ook een vinylplaat, een serie optredens en een up to dateblog omvat. Zie hier de trailer van de show:
Iemand die zeker een woordje kan meespreken over poëziehappenings is de nachtburgemeester van Rotterdam, Jules Deelder. Hij is 65 geworden en mag, zoals elke Nederlander op die leeftijd, met pensioen (’trekt van Drees’ in de volksmond). In dit grappige interview onderaan vertelt de jazz-poëet hoe hij als 11-jarige een gedicht schreef zonder te beseffen dat hij een gedicht geschreven had. ‘Hoort, men werpt de atoombom‘, zo begon zijn eerste (verdwenen) vers. Poëzie is sindsdien samen met jazz-muziek zijn leven geweest en al heeft de man er een levensstijl op na gehouden die hem weinig kansen gaf om de 65 te halen, toch is de dichter verrassend fit en fris van lijf en leden gebleven. Voor deze gelegenheid werd een vinylplaat uitgegeven met muziek en werk van Deelder. Een collector’s item.
VersSpreken is een nieuwe podcast over poëzie. In VersSpreken schuiven vier mensen uit de wereld van de poëzie aan om te praten over één enkel gedicht. Dit Nederlandse initiatief doet meteen denken aan PoemTalk, de Amerikaanse poëzie-podcast van ondermeer Pennsound, VersSpreken wordt geproduceerd, en afwisselend gepresenteerd door Joost Baars en Matthijs Ponte. In de eerste aflevering buigen Erik Lindner, Samuel Vriezen, Mathijs Ponte en Joost Baars zich over Kranen open van Thomas Möhlmann.
Kleine uitgeverijen Uitgeverij P
Leo Peeraer Uitgeverij P
Begin dit jaar signaleerde Benno Barnard het volgende “De enigszins geschifte uitgever Leo Peeraer te Leuven heeft zijn zoveelste schitterende bloemlezing uitgebracht die door geen krant in Vlaanderen besproken is. De tweetalige editie - ondertitel: Kopstukken van de naoorlogse Poolse poëzie - is samengesteld en vertaald door René Smeets, Maarten Tengbergen en Kris Van Heuckelom.” Op dit niveau brengt Uitgeverij P nu al 10 jaar tweetalige edities van grote hedendaagse poëzie uit de hele wereld. De verjaardag ging gepaard met een feestje in Passaporta.
Uitgeverij P heeft ook een fonds van Nederlandstalige dichters. Meander interviewde enkele jaren geleden oprichter en uitgever Leo Peeraer over zijn uit de hand gelopen passie.
Druksel
Tonnus Oosterhoff, Handschreeuwkoor
Een andere actieve uitgever in de marge is Druksel. DRUKsel, was eerst een jaarlijkse beurs voor aparte boekenmakers, bibliofiel drukwerk en kleine uitgevers te Gent. Na negen edities hield de beurs op te bestaan en bleef alleen de bibliofiele uitgeverij over. De verantwoordelijke uitgever Johan Velter bracht intussen een mooie reeks uitgaven met grote namen als Vroman, Lauwereyns, van Adrichem, Oosterhoff, etc. Drie nieuwe uitgaven zagen deze maand het licht Elisabeth Tonnard, de wereld zou meeuw, Charlotte Mutsaers, Slagboom in bloei en Paul Claes, Honderd fragmenten van Herakleitos.
Voor alle uitgaven van Druksel luidt het motto: “inhoudelijk goed werk verdient een degelijke vormgeving. Een verrassende vormgeving voor een onbelangrijke tekst is verloren moeite.”
Zegwerk
Zegwerk. 'Gedichtenverminker' van Jacques Izoard
Ook gefocust op vormgeving en ook gevestigd in Gent is Zegwerk boekenmakerij, de eenmansuitgeverij van Daniël Dobbelaere die ik ooit interviewde voor De Contrabas. Hij is dichter en docent grafische vormgeving aan de Gentse Academie. Zegwerk mikt op ‘aparte boekwerken. Stijlvol & schoon. Kleine schaal.‘ zoals het subtiel omschreven wordt op de nieuwe blog. Korte teksten van grote namen zoals filosoof Alain, de Franse dichters Yves Bonnefoy en Jean Tortel en Arno Schmidt vind je in dit fonds terug In kleine oplages. Toch ontbreken ook de minder bekende namen niet: Robert Schaus bijvoorbeeld is een Duitstalige dichter uit België (ja, in België wordt ook Duits gesproken en geschreven), of de Chinese dichteres Yin Lichuan die onverwacht rauw en cynisch uit de hoek komt in haar recente bundel Rozen en Jeuk.
Dirk Leyman (De Papieren Man), zelf een notoir bibliofiel, schetst in dit artikel de portretten van de kleine uitgevers in de marge. Interessant voor de boekenfanaat die met lede ogen de opmars van de Kindle gade slaat.
En tot slot vermeld ik nog dat:
- Simon Vinkenoog een prijs naar zich vernoemd kreeg. De Gouden Vink,
- Tonnus Oosterhoff een nieuw animatiegedicht heeft toegevoegd, vlug klaar.
- de Belgische premier haiku Herman dan toch de eerste president van de Europese unie geworden is
- Paus Benedictus XVI het bezoek kreeg van Cees Nooteboom en Kader Abdolah. Komrij haalt prompt een stuk van 2005 boven.
De Belgische premier Herman Van Rompuy wist de internationale pers te halen met … een haiku. Al sinds jaar en dag is de leider van dit land een verwoed beoefenaar van deze Japanse miniatuurversvorm. Op zijn persoonlijke door poëzie geïnspireerde blog, die trouwens luistert naar de naam Haiku, publiceert hij met de regelmaat van de klok een versje. Dat zijn geliefkoosde hobby hem ooit zou katapulteren tot topfavoriet als eerste president van de Europese Unie had de Belgische premier wellicht nooit gedacht. Tijdens een persconferentie wist hij de internationale pers voor zich te winnen toen hij volkomen onverwacht een zelfgeschreven haiku voordroeg. Sindsdien wordt Herman Van Rompuy met grote zekerheid getipt als de eerste topman van de Europese Unie. Zowel Nederlandse als Engelse journalisten schrijven zijn succes toe aan deze haiku:
Drie golven rollen Samen de haven binnen Het trio is thuis
Van Rompuy is niet de enige staatsman die zich met de dichtkunst inliet. Een kort overzicht vind je hier.
Damiaan
België haalde trouwens nog eens het wereldnieuws met de heligverklaring van pater Damiaan. Deze missionaris uit het Vlaamse dorpje Tremelo wijdde zijn leven aan het verzorgen van de verbannen lepralijders op het eiland Molokai. Damiaans lot was tragisch: lepra zou ook zijn deel worden. Op 49-jarige leeftijd overleed hij. Damiaan inspireerde Contrabascollega Chrétien Breukers tot een oproep aan de Nederlandse en Vlaamse dichters om een gedicht te schrijven over Damiaan “die het heus niet gemakkelijk heeft gehad, en daarin dus toch wel een beetje op de gemiddelde dichter leek…” Er kwamen vele en mooie inzendingen binnen.
Veel, heel veel inzendingen ook voor de Nationale Gedichtenwedstrijd 2009 een iniatief van de Poëzieclub en de Turing Foundation. De organisatoren hadden gerekend op een 25OO inzendingen. Het zijn er meer dan 15000 geworden! De wedstrijd is intussen afgesloten. Zowel amateurs als professionele dichters konden meedingen naar de hoofdprijs van €10.000,-. Eind januari word bekend wie het beste Nederlandstalige gedicht geschreven heeft. Ondertussen weet de jury onder leiding van Poëzieclub-stichter Gerrit Komrij wat gedaan in de komende winteravonden.
Bosch
Actiever dan ooit die Komrij. Al zou je het hem niet aangeven als je hem zo rustig ziet keuvelen tijdens zijn talrijke televisie-optredens. Tussen het wikken en wegen van 15000 gedichten door, liet hij zijn ‘rare stem waar niet onderuit te komen valt’ weerklinken bij de viering van 50 jaar boekhandel De Slegte, declameerde hij zijn gedichten in de muziektheaterproductie De Zeven Zonden van Jeroen Bosch., nam hij een cd-dvd op samen met componist Gauthier, Dansen op spijkers, en dook hij af en toe op in een tv-show.
Eind oktober trok een delegatie Vlaamse en Nederlandse dichters naar Berlijn naar aanleiding van het tienjarig bestaan van Lyrikline, een van de beste en meest bezochte internationale poëziewebsites ter wereld. 12 Nederlandstalige dichters werden naar aanleiding van de festiviteiten toegevoegd aan de website en meer dan 150 nieuwe vertalingen van hun gedichten staan nu in een tiental verschillende talen op de website. De namen van de dichters vind je hier.
In Vlaanderen namen we afscheid van dichter Bert Decorte, hij werd 94. We namen ook afscheid van Revolver, een gereputeerd literair tijdschrijft dat de administratieve rompslomp niet langer de baas kan. CeLT, de vereniging van de culturele en literaire tijdschriften uit Vlaanderen maakt zich zorgen omdat deze totaal inefficiënte rompslomp het voortbestaan van de tijdschriften onder druk zet. Zij vraagt dan ook met aandrang om ook hier werk te maken van administratieve vereenvoudiging.” Erik Lindner verwijst er ook naar in zijn column over het tijdschrift Armada.
Verkommeren de klassieke papieren literaire tijdschriften, dan valt er toch nieuw leven te bespeuren bij hun digitale broertjes. De geboorte heeft lang op zich laten wachten maar nu is hij er: De Reactor. Deze nieuwe recensiesite onder redactie van Arnoud van Adrichem, Matthijs de Ridder, Patrik Bassant, Piet Joostens en Anneke Jansen wil een tegengewicht bieden voor de impressionistische sterretjeskritiek in kranten en weekbladen. Diepgravende literaire recensies over proza en poëzie zullen wekelijks gratis te lezen zijn op dereactor.org. Hier kan u een tv-interview beluisteren met redactielid Patrick Bassant en poëzierecensent Johan Sonnenschein. De beginselverklaring van Bert Bultinck staat hier.
De vorig jaar overleden Hugo Claus werd nu al herdacht met een Clausmarathon. Stefan Hertmans las aan het slot van de voorleesmarathon op 6 oktober 2009 in Passa Porta, een hommage voor bij de uitreiking van de Nobele Prijs van Passa Porta 2009 aan Veerle Claus-De Wit. Hertmans citeerde deze Clausregel die destijds een gat in zijn verbeelding boorde:
‘Vader at patrijzen en Moeder was er niet‘.
Over Claus gesproken, die is levendiger dan ooit. Luister maar naar deze zeer geslaagde song, die de Vlaamse popgroep Absynthe Minded maakte van het beroemde Claus-gedicht envoi intussen een ware radiohit.
I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?
II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.
III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ‘Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.’
IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.
VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij ’s ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan ‘t water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.
VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.
VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.
IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.
XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.
XII
Nu nog is haar hele lijf karmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.
XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.
XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.
XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
‘Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.’
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.
XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.
XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.
XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: ‘Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.’
XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.
XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.
XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.
XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.
XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
‘Ik heb koorts,’ zei zij, ‘ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.’
XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.
XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.
XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik - hoor me kwaken! - en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.
XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.
XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.
XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!’
Stadsdichters van de 21e eeuw: exit Assurancetourix
Jan Pollet
Assurancetourix
In de digitale kolommen van Knacks nieuwe boekensite is een oude bekende opgedoken die, sinds zijn scherpe polemische stukken in het literaire tijdschrift de Brakke Hond al een tijdje uit de running was. Zijn naam is Bart de Man, hij staat voor ‘een collectief van specialisten modernisme en deconstructie in beeldende kunst en literatuur‘, maar wie hij precies is blijft een mysterie. Terloops wil ik u ook attent maken op een andere blogger van wie de Vlaamse literaire incrowd zich afvraagt: wie is hij toch? De geheimzinnige vrijetijdsblogger luistert naar de naam Achille van den Branden (geïnspireerd op het verhaal ‘Het boek’ uit Een slagerszoon met brilletje van Tom Lanoye) en brengt dagelijks goed geschreven en gedocumenteerde recensies die een constant kwalitatief niveau halen.
Maar laten we terug keren naar onze Bart de Man die muis en klavier met zwavelzuur heeft opgepoetst om tussen het boekennieuws op Knack/deBuren af en toe zijn dodelijke scuds af te vuren.
Doelwit van zijn vlijmscherp ongenoegen was deze keer het fenomeen ’stadsdichter’. Zijn vlammende tirade bevat een stroom aan toespelingen op lokale politieke en literaire toestanden die in het kort hierop neerkomt: dichters moesten zich schamen om mee te spelen in het pr-circus van een stad. Een dichter die zich laat strikken voor een aanstelling als stadsdichter, verkoopt niet alleen zijn ziel, maar gooit daar bovenop nog eens de goede naam van de poëzie te grabbel.
Om zijn stelling visueel kracht bij te zetten vergelijkt hij een stadsdichter met een personage uit de strip Asterix en Obelix: Assurancetourix namelijk, de bard die, gewapend met een harp, bij elke officiële gelegenheid zijn verplicht nummertje wil opvoeren tot unaniem afgrijzen van de voltallige dorpsgemeenschap. Steevast eindigt hij geboeid en gekneveld aan een boom.
Stadsdichter: het is een fenomeen dat in Nederland de laatste tien jaar een hoge vlucht kent en stilaan ingeburgerd is in het beleid van een stad. In België hebben alleen de Vlaamse steden het Nederlandse voorbeeld gevolgd. In Wallonië is het fenomeen totaal onbekend. Brussel opteerde voor een collectieve variante, waarover straks meer.
Hoewel ik Bart de Man best kan volgen in zijn aversie voor de gelegenheidspoëzie die weinig tot geen uitstaans heeft met de echte poëzie, vind ik dat het stadsdichterschap in de drie grote steden (Antwerpen, Gent, Brussel) toch ook een paar interessante evoluties heeft doorgemaakt.
Tom Lanoye. Stadsgedicht
Antwerpen.
Monumentaal en aangrijpend was het Boerentoren-gedicht (geen verband met de Zuid-Afrikaanse Boeren… ) van Tom Lanoye. Een metershoge banner die de hoogste toren van Antwerpen sierde. Een pleidooi voor tolerantie in de door rechts extremisme geplaagde stad Antwerpen: “Aanvaardt mij. Neemt mij. Ziet mij staan” zo luiden de oud-Vlaamse beginregels van het gedicht, dat subliem grafisch werd vorm gegeven door Gert Dooreman.
Met de aanstelling van de Nederlandse dichter van Palestijnse afkomst Ramsey Nasr, belandde het Antwerpse stadsbestuur in een xenofobe crisis nav een stuk dat Nasr schreef ter verdediging van de Palestijnen in de Palestijnse gebieden. Niet de poëzie maar de uitgesproken mening van de stadsdichter zorgde hier voor ophef.
Antwerpen koos trouwens een tweede keer voor een Nederlandse dichter met de aanstelling van Joke van Leeuwen, die ondermeer een schitterend video-gedicht afleverde waarin ze duidelijk refereerde naar de typografische experimenten van wijlen stadsgenoot Paul van Ostaijen. Een visueel hoogstandje over de multilinguale context van een grootstad.
Video: Joke van Leeuwen
Gent
De kleinere Oost-Vlaamse havenstad wisselt het stadsdichterschap af met een stadstoondichterschap. Roel Richelieu en Erwin Mortier hielden het bij het klassieke stadsgedicht. De recente aanstelling van de derde stadsdichter verliep ronduit klunzig. Met name Yves T’Sjoen, mede-blogger op deze site, haalde op De Contrabas scherp uit naar het gebrek aan professionalisme in Gent Letterenstad. Tenslotte viel na een advies van het Gentse Poëziecentrum en een verhoging van het honorarium, de naam van Peter Verhelst die iedereen verraste met zijn visie op zijn nieuwe functie:
“Ik wil geen gedichten schrijven voor Gent, maar ik wil wel literatuur maken van Gent. Kortom: vervang stadsdichter door dromenvanger’
“Exact twaalf jaar geleden vatte ik het plan op de dromen van een stad te verzamelen. Het is er nooit van gekomen. Toen ik de vraag kreeg stadsdichter van Gent te worden, was dit het eerste wat ik wist: ik wil een dromenboek maken.”
Verhelst heeft hiermee misschien een oplossing gevonden om de inwoners van een stad echt bij de poëzie te betrekken en zo het artificiële karakter dat aan veel gelegenheidspoëzie kleeft te omzeilen. De stadsdichter laat de vele stemmen van een stad klinken en zet zijn eigen ego en poëticaal talent opzij. Terloops wil ik toch graag wijzen op de gemiddelde afmetingen des dichters ego die veel, veel liever aan zijn eigen persoontje en kwellinkjes zijn pen slijpt dan aan de - laat ons wel wezen - droge, versteende symboliek van een stad. Bovendien zijn steden zijn geen afgelijnde biotopen meer. Vroeger werd je in een stad geboren, je stierf er en je nageslacht deed hetzelfde, honderden jaren lang. Daar is sinds de auto en het vliegtuig toch wat verandering in gekomen. Er zijn zoveel steden als er inwoners zijn van die stad.
Brussel
Als hoofdstad van Europa koos Brussel resoluut voor een multicultureel en meertalig stadsdichterscollectief. De stadsdichter van Brussel is namelijk veelkoppig: de Brusselse Galiciër Xavier Queipo, de Marokkaanse Belg Manza die in het Frans rapt, de Franstalige Laurence Vielle en de Nederlandstalige Geert van Istendael. Dit Brusselse Dichterscollectief, bezield door David Van Reybrouck en Peter Vermeersch en gepatroneerd door Passa Porta, realiseerde dit jaar een Europese Grondwet in Verzen: 52 dichters hebben er aan meegewerkt. Ook niet-Europese dichters die in Europa onderdak hebben gevonden, brachten opmerkelijke lyrische artikels aan. Ze schreven in meer dan 20 verschillende talen. Bijna 70 vertalers zorgden voor een versie in het Nederlands , Frans en Engels.
Actie en interactie, dat lijken meer en meer de ordewoorden te zijn om de poëzie een functie te geven in de samenleving. Bij zijn officiële aanstelling tot president van de Verenigde Staten stond Obama er op dat een dichter de plechtigheid zou opluisteren. Slechts 4 van zijn voorgangers waren eerder op het idee gekomen om een dichter aan het woord te laten tijdens hun inauguratie. Het wijst erop hoe ongewoon het is geworden om poëzie met officiële gebeurtenissen in verband te brengen. Het wijst er ook op dat poëzie misschien niet (meer) het voor de hand liggende medium is waarmee machtshebbers historische momenten kunnen verankeren in het collectieve geheugen. Maar Obama waagde het erop. Misschien hoopte hij hiermee definitief de spons te halen over het oorlogszuchtige beleid van zijn voorganger. Misschien rekende hij op de helende kracht van een paar verzen om het 9/11-trauma te doen vergeten. Een buitenkans voor de poëzie die dichteres van dienst, Elisabeth Alexander, echter niet waarmaakte toen ze kwam aandraven met het brave, klassieke en slaapverwekkende Praise the day waarmee ze nog maar eens het vooroordeel van de grote massa bevestigde: poëzie is saai en lastig.
Nee, dan liever de Nederlandse Dichter des Vaderlands, ex stadsdichter van Antwerpen, Ramsey Nasr en zijn swingende, actuele, grappige en pijnlijke toekomstige taalvisioenen van een Rotterdammer anno 2059: Nasr: Mi have een droom
de eerste strofe gaat als volgt:
“wullah, poetry poet, let mi takki you 1 ding: di trobbi hier is dit
ben van me eigen now zo 66 jari & skerieus ben geen racist, aber
alle josti op een stokki, uptodate, wats deze shit? ik zeg maar zo
mi was nog maar een breezer als mi moeder zij zo zei: “azizi
doe gewoon jij, doe je gekke shit genoeg, wees beleefd, maak geen tsjoeri
toon props voor je brada, zeg ‘wazzup meneer’, ‘fawaka’ -en duh
beetje kijken op di smatjes met ze toetoes is no trobbi
beetje masten, beetje klaren & kabonkadonk is toppi
aber geef di goeie voorbeeld, prik di chickies met 2 woorden”
zo deed mi moeder takki toen & boem tranga! kijk, hier staat ik
hand in hand, harde kaas, api trots op di belanda, niet dan?
now dan, want mi lobi roffadam & deze stitti is mi spanga ”
Hier ziet en hoort u de Dichter des Vaderlands Mi have een droom performen (bekijk ook het interview met Nasr op de video rechts.)”
Literaire tijdschriften: Temme schudt de Dino’s wakker
Chrétien Breukers
Chrétien Breukers
Het grote nieuws de afgelopen 10 dagen, in de Nederlandse literaire wereldje, of beter: in het wereldje, was een masterscriptie van de Gronings student en boekhandelaar Bart Temme. Die masterscriptie werd op 15 september gepubliceerd op De Contrabas. Het bericht staat hier en de hele scriptie kunt u hier downloaden. Zijn onderzoeksresultaten zijn tamelijk vervelend voor de redacties van papieren bladen:
het literaire tijdschrift heeft zijn functie als kweekvijver verloren.
het literaire tijdschrift is geen barometer meer van het literaire debat.
De jonge onderzoeker roept niet alleen boe, maar doet ook aanbevelingen:
De vier tijdschriften die in dit onderzoek centraal staan, moeten hun krachten bundelen. Zij kunnen de eerste stap zetten richting een elektronisch tijdschrift waar volop plaats zal zijn voor het debat.
Om een elektronisch tijdschrift te kunnen financieren is hulp én subsidie van het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds (NLPVF) nodig. Het fonds moet net als de Nederlandse literaire tijdschriften haar houding ten opzichte van het internet veranderen.
De komende jaren moeten de tijdschriften dus overgeheveld worden naar het internet, maar eerst moeten de vier grootste Nederlandse literaire tijdschriften en de NLPVF de handen ineen slaan en werken aan een sterk interactief elektronisch tijdschrift, waar het literaire debat kan zegevieren.
De redacties van de onderzochte tijdschriften waren dolgelukkig met deze resultaten. Ze hebben onmiddellijk een nieuwe website geopend en hebben Temme als adviseur in de hand genomen. Maar niet heus. Er stak een kleine storm op, met name in de pen van Bastiaan Bommeljé, redacteur van Hollands Maandblad. “Dit onderzoek lijkt heel erg op het tellen van de lidwoorden in Ulysses, om tot de conclusie te komen dat James Joyce een analfabeet is omdat hij de regels van de grammatica niet kent.” - dat was zo ongeveer zijn meest vriendelijke opmerking. Waarna hij jan en alleman beledigt, om zich er daarna over te beklagen dat internetdiscussies zo onbeschaafd zijn.
Op de weblog Woest en Ledig van de journalist Joep van Ruiten deed Henk Pröpper, directeur van het NLPVF en in die hoedanigheid medefinancier van de literaire bladen, opmerkelijke uitspraken. Kern van het probleem lijkt mij, heel Hollands, maar toch realistisch, het volgende: “Het fonds heeft daartoe 1,2 miljoen euro uitgetrokken, waarmee onder meer de website www.literairetijdschriften.org in het leven is geroepen. Temme vindt dat niet van daadkracht getuigen. In zijn ogen moet er meer gebeuren om de literaire tijdschriften weer een rol van betekenis te laten spelen.”
En Temme heeft daar gelijk in. De genoemde website is een verzameling banners, meer niet. Dat is geen digitaal initiatief, dat is de terugkeer naar de tijd van de boekrollen.
Contrabas-redacteur Ton van ‘t Hof gooide een steen in de vijver onder de titel ‘Weg met die redacteuren’. Zijn betoog eindigt met een gemeende uithaal:
“Het beeld dat Bommeljé en Lievers van zichzelf oproepen door de uitkomsten van Temmes onderzoek bot te bagatelliseren, is dat van vastgeroeste conservatievelingen in paniek. En dat is killing voor elke directeur in zwaar weer. Nuance, zelfreflectie en een wil tot verandering zouden beter zijn geweest. (…) Temme geeft een richting aan waarin literaire tijdschriften zich zouden kunnen ontwikkelen: de handen ineenslaan en online gaan. Dat is een waardevolle suggestie, die aansluit bij de hedendaagse vraag naar toegankelijkheid en directe participatie. Op internet zijn ruim voldoende voorbeelden voorhanden van kwalitatief hoogstaande literaire informatievoorziening, maar in Nederland en Vlaanderen kan men maar niet of nauwelijks iets moois van de grond tillen à la Jacket Magazine. En dat is toch te gek voor woorden! Wat een zootje. Weg met die redacteuren.”
Het zoeken is naar een manier om de papieren literaire tijdschriften duidelijk te maken dat hun rol deels, maar wel grotendeels, is uitgespeeld. Ze zijn niet langer de ‘kweekvijvers’ waar nieuw talent wordt ontdekt, ze zijn eerder de uitgroeibassins, waarin elders ontdekt talent voorzichtig richting uitgeverij wordt geduwd.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze geen mooi werk bevatten, of dat de redacteuren van de tijdschriften niet goed wijs zouden zijn, maar dat wil wel zeggen dat het medium waarop literatuur zich zeer senang voelt - het web - nu meer interessante initiatieven worden ontplooid dan door alle papieren bladen bij elkaar.
Websites als die van Deus ex Machina, De Brakke Hond en Tirade bevatten voorzichtige aanzetten in wat de goede richting zou kunnen zijn, en een initiatief als Krakatau verdient lof omdat daar werkelijk jong of nog niet helemaal volwassen talent wordt gepresenteerd.
Als de bladen en de subsidiërende instellingen volharden in de wereldvreemde houding, dan is er maar een weg, en dat is geen fijne - die van de Dinosauriërs, lang, lang geleden. Dat was onvermijdelijk, en het uitsterven van het papieren literaire blad in de vorm zoals wij het hebben gekend lijkt dat - door de houding van de respectieve redacties - ook te zijn.
NRC Handelsblad besteedde meerdere keren aandacht aan Temme’s onderzoek: hier, hier, hier en hier.
Illustratie: “Fémur d’homme belge” and “Fémur de la femme francaise” van de Belgische dichter en beeldend kunstenaar Marcel Broodthaers.
Net als Contrabas-collega Chrétien Breukers ken ik Zuid-Afrika door de literatuur. Zelf ben ik er nooit geweest. Vlamingen van mijn generatie associëren jullie tot de verbeelding sprekend land spontaan met Tom Lanoye die parttime in Kaapstad verblijft en wiens werk in het Zuid-Afrikaans vertaald is. Samen met zijn buurvrouw Antjie Krog trok hij in 2008 op tournee door Vlaanderen. (youtube)
Onlangs was ‘de grootste kenner van Potchefstroom op het noordelijk halfrond’ , zoals de Vlaamse dichter Luuk Gruwez zichzelf noemt, in Zuid-Afrika te gast. In zijn reisverslag merkt hij het volgende op “Frederik Willem de Klerk, Zuid-Afrika’s laatste apartheidspresident, houdt er een sereen pleidooi voor de Afrikaanse taal. Ik heb mijn stekels opgezet, maar luister naar een zinnige toespraak die er vooral op gericht is de taal van haar politieke bezoedeling te ontdoen. ‘Het Russisch’, zo oreert De Klerk, ‘moet toch ook niet onder smetvrees blijven lijden omdat het de taal van Stalin is geweest?’
Het mag geen wonder heten dat uitgerekend een Vlaming extra gevoelig is voor de taalproblematiek in een multilinguaal land. In geen enkel ander land is de taal zo’n beladen onderwerp als in België. Het Nederlands is nu een officiële taal in België maar dat was wel even anders bij de (artificiële) stichting van dit koninkrijk in 1830. Toen was het Frans de officiële taal. Vlaanderen was op dat ogenblik een amalgaam van ontelbare dialecten die zo sterk van elkaar verschilden dat een Antwerpenaar een inwoner van de kust 5O km verderop onmogelijk kon verstaan. Door die vergaande verbrokkeling van de taal was het Vlaams in de ogen van de Franssprekende hogere klasse een ‘patois’ een ‘bastaardtaal’ een ‘boerentaal’ (niet te verwarren met de Zuid-Afrikaanse Boeren).
Hadden, in de loop van de 19e eeuw, schrijvers als Rodenbach en Gezelle en intellectuelen als Vermeylen en Jan Frans Willems niet gepleit voor de erkenning van het Vlaams als volwaardige taal, dan sprak men nu misschien wel Frans in Vlaanderen. Maar zo ver is het dus niet gekomen. Het Nederlands is nu de officiële taal in België naast het Frans en het Duits.
Intussen is de splitsing van België weer een hot item. Deze week zorgde een Vlaams popgroepje voor een kleine rel: hun ode aan België viel niet in goede aarde bij de Vlaamsnationalistische partij N-VA, die voor een scheiding van België ijvert. Dichter en professor literatuur Geert Buelens plaatste het voorval in het ruimere kader van de propagandaliteratuur. “Want sinds wanneer heeft de Vlaamse Beweging een probleem met negentiende-eeuwse propagandaliedjes? Het volkseigen prototype ervan ligt op de lippen van de beleidsman bestorven: ‘Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, / Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft’.” waarmee Buelens refereert naar de Vlaamse Leeuw, het heraldisch symbool van de Vlaamse strijdlust. Toch moet ik hier opmerken dat deze bij wijlen heftige taalstrijd nooit tot enig bloedvergieten heeft geleid. Op een uitgestoken klauw na, is de tegenstelling tussen Vlamingen en Walen bij verbaal gebrul gebleven.
Hotel New Flandres
Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken staat ook het Nederlands in Vlaanderen op gespannen voet met het Nederlands dat in Nederland gesproken wordt. Nederlanders en Vlamingen kunnen elkaar taalkundig perfect verstaan, ook al verstaan ze elkaar vaak niet… Deze (separatistische) poëziebloemlezing die dit jaar voor flink wat controverse zorgde tussen Nederland en Vlaanderen illustreert nog maar eens hoe ver de Groot-Nederlandse gedachte van wijlen Jan Frans Willems van ons af ligt. Maar dat is een ingewikkeld verhaal waaraan ik meer dan één speciale bijdrage zal wijden.
Ook over de poëzie van onze Franstalige landgenoten heb ik het nog niet gehad. En ook daar kom ik zeker op terug.
Christine D”haen
Deze maand was het belangrijkste poëzienieuws uit Vlaanderen het overlijden van dichteres Christine D’haen. Ze stierf op 85-jarige leeftijd na een slepende ziekte. In 1958 verscheen haar eerste bundel Gedichten 1946-1958 die opviel door een grote, klassieke vormbeheersing. Op dat moment bepaalden de uitbundige vormvrije Vijftigers echter het klimaat. Toch zou Christine D’haen nooit toegeven aan de grillen van de tijd. Haar leven lang bleef ze trouw aan haar classisistische opvattingen. Dat maakte haar tot een monumentale dichteres in het Nederlandse taalgebied. Ze werd bekend bij het grote publiek door haar biografie van priester-dichter Guido Gezelle, ‘De wonde in ‘t hert’, (‘hert’ een West-Vlaams dialectwoord voor ‘hart‘). In 1992 kreeg ze dePrijs der Nederlandse Letteren. Marc Reynebeau schreef in De Standaard het volgende over haar: “Naarmate ze steeds scherper het gevoel kreeg dat ze met die ideeën dwars op haar eigen tijd stond, werd ze steeds meer een angry old woman. Symbolisch daarvoor is haar strijd tegen de geluidshinder van de toeristenkoetsen die onafgebroken voorbij haar huis in het volgens haar versuikerde Brugge klepperden.”
Alle I.M.’s naar aanleiding van haar overlijden heb ik verzameld in dit bericht.
Hier
Hier was ik nu, ongaarne, maar hoe graag
zag ik het duisterend licht, binnen, van glans
tot grijzen, zwart met wit; landschap dat langs
het glas voorbijgleed, groen en laag en traag;
een zucht aan huid en bloem, adem, orkaan
in bomen. Schotse lucht; wat daar rondom
de aardbol draait, wolk, sterrentrans, de maan,
een moniale door de nacht gaand, stom;
vreugden te veel (gamba, papier, pastel;
dat vrienden ver zijn; glimlach, stilte, taal;
stemmen, buigzaam; schrift, dans, toneelspel, lied).
Braakland, auto’s in regen; en totaal
vreemd zijn: dromen, gedachte, ik wil het wel,
wat weerkeert, nog, nog - en ik wilde niet!
Zuid-Afrika ken ik vooral uit de biografie die Jan van der Vegt schreef over A. Roland Holst. Roland Hols reisde in 1946, per schip, naar jullie land, waar hij lezingen gaf, allerlei ontvangsten onderging, een depressie kreeg en een aantal galante avonturen beleefde.
Daarnaast ken ik Zuid-Afrika natuurlijk uit de krant en van de televisie, al uit mijn jeugd, - toen eerst witte onbuigzame types de hoofdrol speelden, daarna afgelost door Mandela, die inmiddels plaats heeft gemaakt voor weer andere onbuigzame types. De politiek en onbuigzaamheid, een explosieve cocktail.
Maar de actualiteit wint het toch niet van de letterkunde, en daarom is Zuid-Afrika voor mij - iemand die het land nooit bezocht en die zich er daarom alleen een beeld van kan vormen - vooral het land van dichters en schrijvers; zij zijn, meer dan politici, in staat om het land voor de buitenstaander tot leven te brengen.
Breyten Breytenbach en André Brink, J.M. Coetzee en Antjie Krog, Ingrid Jonker en Koos Prinsloo, Riana Scheepers en Wilma Stockenström - ze hebben me allemaal een stuk aangereikt van een puzzel, die ik vervolgens zelf heb samengelegd tot “mijn” Zuid-Afrika. Maar ook dichters als D.J. Opperman, Totius en N.P. van Wijk Louw, van eerdere generaties en nu grotendeels vergeten, leverden een bijdrage.
Zij waren daarin belangrijker dan de Times, de Süddeutsche Allgemeine of het NRC Handelsblad. Die brachten de feiten, de opinies en de doemscenario’s. De schrijvers voorzagen die van verbeelding. Dit is een wel heel erg literair standpunt. Ik besef het. Maar het is het enige dat ik nu kan innemen.
De komende tijd brengt de redactie van De Contrabas u tweewekelijks op de hoogte van poëzienieuws uit Nederland en Vlaandere. De reis die Roland Holst maakte, komt later nog wel een keer. In het echt.
Drs. P - 90 jaar oud!
Ondertussen vierde men in Nederland de negentigste verjaardag van het fenomeen Drs. P, die op 24 augustus 1919 werd geboren in Zwitserland, nog zonder titel en onder de naam Heinz Polzer. Deze dichter, zanger (in ruste) en tekstschrijver geniet bij ons bekendheid om zijn technisch vaardige teksten van humoristische aard. Hij werd een bekende Nederlander dankzij de eigen vertolkingen van teksten als Dodenrit (”Trojka hier, trojka daar”) en De veerpont (’Heen en weer…’). De website voor light verse, toepasselijk Het Vrije Vers geheten, besteedde ruim aandacht aan het jubileum.
Collega-dichter Jaap van den Born schreef als verjaardagsgeschenk Drs. P daté, waarin hij in 90 elftallen chronologisch 90 historische gebeurtenissen beschrijft die op de verjaardagen van Drs. P plaatsvonden. Het boek verscheen bij Liverse te Dordrecht maar is hier gratis als e-book te downloaden.
Onder redaksie van Marlise Joubert [Webmeester] & Louis Esterhuizen [Inhoudsbestuurder]. Toepaslike kommentare word verwelkom. Enige onwelvoeglike of beledigende kommentare & bydraes sal verwyder word.