Wisselkaarten

Willem M. Roggeman. Twee gedichten

Monday, November 20th, 2017

Willem M. Roggeman

AFVAL VAN TAAL

Het oude huis kent zijn adres niet meer.
Met onsterfelijke ogen ziet het huisdier
hoe de dagen hier ruisend voorbijglijden.
Het najaar ligt al opgeslagen in de tijd.

Een namaakwerkelijkheid ontspint zich.
Een schim vervoegt zich bij de bewoners
en veegt het cement van hun voegwoorden.
Het leven wordt voortaan anders genoemd.

En de dichter, hij ontdooit een versregel
en verraadt hem dan, nog ongeschreven.
Maar zijn beeldspraak werkt bevruchtend,
zijn metaforen smelten in de volksmond

en de rijmwoorden worden heimelijk bewaard
in de stille verlichte kelders van de dichtkunst
waar zij na vele jaren uit elkaar zullen vallen,
niet meer te spellen, niets dan afval van taal.

***

 

Willem M. Roggeman

VARIATIES OP EEN VERS VAN M. VASALIS

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
zo zag ik allen om mij heen verouderen.
De tijd raakte hierbij telkens de tel kwijt
en bespaarde mij aldus iedere aftakeling.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Zoals Villon schreef ik aan een gedicht
over sneeuw van vroeger die verdween
en hoe elk landschap steeds veranderde.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
langzamer dan mijn rusteloze schaduw
die onophoudend rondom mij draaide
terwijl de zon heel snel op en neer ging.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Seizoenen duurden langer dan een jaar,
je zoenen smaakten naar de maneschijn
die de kinderen pijnloos liet opschieten.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Een langgerekt bestaan wou ik verzinnen.
Maar ook al schrijf ik voor de eeuwigheid,
tijd verteert het weefsel van mijn woorden.

Luuk Gruwez. Recensie: als werden wij ergens ontboden (Miriam Van hee)

Sunday, November 12th, 2017

als werden wij eregns ontbodem

STILLEVENS DOEN BEWEGEN

 

Miriam Van hee heeft veel talent voor eenzaamheid. Die inspireert haar en doet haar scherper kijken, niet afgeleid door een medemens. Niet dat zij niet begaafd in samen zou zijn. Samen wandelen, bijvoorbeeld, wijn drinken, deelnemen aan een vertaalworkshop, reizen en nog zoveel meer: daar wordt net zo goed groot enthousiasme voor opgebracht. In alsof wij ergens ontboden werden, haar nieuwste, staan dan ook zowel gedichten die vanuit isolement zijn geschreven, als andere die de weerslag van een grote verbondenheid zijn. Samenkomst en afscheid zijn in gelijke mate aanwezig. Wat die eerste categorie betreft, is de slotcyclus, ‘Lente in Käsmu’, een van de hoogtepunten. Käsmu in Estland: zij verbleef er in een schrijversresidentie. Alleen. Meer van haar gedichten zijn in zo’n residentie ontstaan. Ook op de eilanden Comacina of Texel. Altijd tovert Van hee daarin erg filmische beelden op het netvlies van de lezer. Zij ontpopt zich als een bijzonder sensitief en geraffineerd waarnemer. Zo ook in het gedicht ‘de weekendtrein naar Volchovstroj’: ‘in strepen licht trekt het groen voorbij met vlekken/ van seringen, een gordijn van berkenstammen/ als in droomlandschappen, mensen stappen op met appelbomen en tomatenplanten en / (…)/ op zondagavond keren zij bezweet terug met/ rugzakken en thermosflessen (…)’ .

Kijken is al van bij het motto van Robert Walser het bindmiddel van deze poëzie: ‘Je hoeft niet veel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Het zal inderdaad gaan over de blik en over hoe die tot poëzie kan leiden. Van hee wil alles wat zij ziet, ook al dringt het zich niet erg op, redden uit de klauwen van de vergetelheid door het te beschrijven. Zij legt de dingen die haar omringen een soort verplichte democratie op, weigert ze onder te brengen in een hiërarchie waarin het ene op meer voorrechten aanspraak zou mogen maken dan het andere. Het is de kracht van haar woorden dat zij alledaagsheid minutieus weten te registreren, waardoor die alsnog heel bijzonder wordt, precies omdat de dichter die zij is die misschien vaker dan een doorsneemens als dusdanig ervaart. Het landschap bevat van zichzelf al voldoende dramatiek om zoiets te wettigen. Soms sluipt er ook tragiek in. In het gedicht ‘Koekoek’ doen de dennen haar aan de hoop en de wanhoop in concentratiekampen denken.

Wat opvalt is dat Miriam Van hee vaak indrukken collectioneert door zich te verplaatsen. Het kijken, haar leidmotief, is gelieerd aan haar immense, aan Wanderlust grenzende mobiliteit. Als vanzelf valt daardoor de nadruk op plekken van vertrek en aankomst, afscheid en bestemming, plekken in binnen- en buitenland. In ook daar valt het licht, haar vorige bundel, ging al veel aandacht naar precies dat licht dat de dingen op een speciale manier onthult. Het lijkt wel of zij zich met het zonlicht wil meten. Net als dat laatste zorgt zij ervoor dat dingen zichtbaar worden, maar dan in woorden. Poëzie is een vorm van belichting. Al dan niet bewust wordt gepleit voor een voortbestaan dat door de subtiliteit van het kijken mogelijk moet worden gemaakt. Het verleent dit werk een grotere affiniteit met de schilderkunst dan met de muziek. Maar stillevens zijn haar gedichten niet. Of misschien toch? Stillevens, die, als je maar secuur genoeg kijkt, door de dichter in beweging worden gezet.

Het gaat evenwel om meer dan enkel registratie. In een gedicht als ‘Reis en bestemming’ voegt zij interpretatie toe aan wat zij zo intensief waarneemt. Overal zoekt zij ‘aanknopingspunten’. Bijvoorbeeld als zij het over vogels heeft die op draden met elkaar aan het overleggen zijn en op een teken zitten te wachten om gezamenlijk op te vliegen. Mens en dier krijgen gelijkwaardige aandacht. Misschien benijdt zij hun bestaan omdat dit zoveel vanzelfsprekender dan dat van mensen lijkt: ‘(…) we gissen naar betekenis,/ zij niet en wij vergissen ons (…)’. Er zit in dieren een rustige vastheid die mensen doorgaans vreemd is en die hen immuun maakt voor de wind die de menselijke soort zo vaak ‘huilend doet verlangen’. Interpreteren wat zij ziet: Van hee kijkt daartoe meermalen door een raam. Zij wil de werkelijkheid namelijk omkaderen om haar beheersbaar te maken. Daardoor lijkt het wel alsof zij wil voorkomen dat alles wat zich buiten die raamlijst bevindt, haar gemoedsrust in de weg staat. Ramen zijn er om zich met uitzicht te vullen. Daarbuiten heerst de verlatenheid. Tijdens een wandeling met de geliefde, gaat er op een bepaald ogenblik dreiging uit van de natuur. In de wolken is een donkere grot te zien, mogelijk een metafoor voor de wenkende dood. ‘als werden/ wij ergens ontboden’ schrijft Van hee. Maar voorlopig slagen de ik en haar geliefde erin, solidair met elkaar, weerstand te bieden: ‘het was nog te vroeg’.

De dichter weegt het verre en het dichtbije nauwkeurig tegen elkaar af. Zij doet voortdurend aan positiebepaling, definieert als het ware haar identiteit binnen de grenzen van haar entourage. Dit staat er: ‘gebogen/ over de kaart om te zien waar we waren’. Voortdurend is zij onderweg. Wanneer zij in het gezelschap van een ander is, schept dit een band die erop gericht is de afstand te verkleinen: ‘we voelden ons verbonden/ alsof we wijn gedronken hadden (…)’. Die verbondenheid wil zij ook delen met haar lezer. In wat misschien haar beste bundel tot dusver is.

 _______________________

MIRIAM VAN HEE

als werden wij ergens ontboden

De Bezige Bij, 72 blz., 18,99 euro.

AANTAL STERREN:

****

 

Yves T’Sjoen. Hugo Claus in Stellenbosch. Korte notitie

Tuesday, September 12th, 2017

Hugo Claus

 

Over het publieke optreden van Hugo Claus (1929-2008) in Zuid-Afrika is in vergelijking met passages van andere Vlaamse schrijvers niet zo veel bekend. De meest informatieve tekst is door Daniel Hugo gepubliceerd in South African Theatre Journal (mei-september 1997). Recent stelde Hugo enkele persoonlijke herinneringen op schrift.

Claus nam in 1997 deel aan een schrijverstournee. Naast Hugo Claus en echtgenote Veerle de Wit maakten Remco Campert, Herman de Coninck, enkele maanden voor zijn overlijden in Lissabon, H.C. ten Berge, Eddy van Vliet en Simon Vinkenoog deel uit van het hoog aangeschreven Nederlandse en Vlaamse gezelschap. Breyten Breytenbach herinnert aan die heuglijke gebeurtenis ter gelegenheid van mijn bijdrage over de hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach (http://versindaba.co.za/2017/07/15/yves-tsjoen-literair-tijdsdocument-hommage-van-eddy-van-vliet-aan-breytenbach/).

Claus verbleef toen onder meer in Stellenbosch, ter gelegenheid van de Vlaamse Week die door de universiteit is georganiseerd. Het Departement Drama onder de leiding van professor Temple Hauptfleisch zorgde voor de gelegenheid voor een reprise van een theatertekst van Claus. Wat de schrijversperformance in Zuid-Afrika precies behelsde, moet ongetwijfeld te achterhalen zijn. Ook de plekken waar de schrijverskaravaan heen trok, valt te reconstrueren. Feit is, zoals door Hugo in retrospectie genoteerd, dat de Zuid-Afrikaanse dichter-journalist in 1997 tijdens het schrijversverblijf in Stellenbosch een radio-interview had met de meester. De tekst in het theaterjournaal is er de neerslag van. Het gesprek is twee decennia geleden gevoerd maar verliest niets van zijn informatieve waarde.

In de meest recente beschouwing van Hugo over Claus (pun intended!), in april 2017 gepubliceerd, wordt het briefje geciteerd dat door de ijverige beursstudent aan de Katholieke Universiteit Leuven en verwoede lezer van Het verdriet van België in 1983 naar de Vlaamse schrijver is gestuurd (http://www.netwerk24.com/Vermaak/Boeke/rubriek-hugo-claus-die-briefie-en-die-boere-van-sa-20170430). Daarin haalt hij een frase aan ontleend aan het magnum opus Het verdriet van België (eerste druk: 1983) waarin een verwijzing staat naar de Afrikaner Boer. Het is allemaal in de tekst van Hugo na te lezen.

De aandacht van Daniel Hugo voor het oeuvre van Claus, zo getuigt hij, is wellicht aangewakkerd door de collegereeks die J.C. Kannemeyer in Stellenbosch wijdde aan het toneeloeuvre. Die referentie roept een ander literatuurhistorisch feit op. In de uitgavenreeks van Human & Rousseau, Literatuur van die lae lande, is naast werk van Willem Elsschot, Marnix Gijsen, Hella Haasse, W.F. Hermans en bijvoorbeeld Harry Mulisch ook ’n Bruid in die môre van Claus opgenomen (http://www.dbnl.org/tekst/_han001198501_01/_han001198501_01_0024.php). De uitgaven waren bestemd voor schoolgebruik en academisch onderwijs. Jan Rabie verzorgde de vertaling van de toneeltekst die door Claus in 1953 is gepubliceerd en waarvoor hij de Belgische staatsprijs voor toneel ontving. Uit de overlevering, zoals de Wikipediapagina over Een bruid in de morgen, weet ik dat Wilma Stockenström in de opvoering een rol vertolkte. De Afrikaanse versie is opgevoerd in Kaapstad door The National Theatre Organisation en NTO Kamertoneel (directeur: Tone Brulin) in een regie van Athol Fugard. Claus en Fugard hebben elkaar wel vaker ontmoet en waardeerden elkaars (toneel)werk. In oktober 1959 stond de productie in Bellville geprogrammeerd. Ook later is de tekst gespeeld in Zuid-Afrikaanse schouwburgen. Toen Claus in 1997 een bezoek bracht aan Zuid-Afrika, hebben studenten van het departement Drama het stuk weer op de planken gebracht.

Wat de band tussen Claus en Zuid-Afrika verder documenteert, zijn naast de frase in Het verdriet van België passages in de kunstenaarsroman Een zachte vernieling (1988). Ook die reminiscenties verdienen zonder meer een nadere beschouwing.

Precies zoals vorig academiejaar kan ik deze week tijdens een gastlezing aan de Universiteit Stellenbosch de tweedejaarsstudenten Afrikaans en Nederlands onderhouden over de poëzie van Hugo Claus. Uit ervaring weet ik dat het jonge publiek met meer dan gewone belangstelling een uiteenzetting volgt over de hobbelige weg waarlangs Claus de modernistische literatuur is binnengetreden en zijn eigen signaturen heeft ontwikkeld. Op een manier sluit de lezing weer aan bij de colleges van Kannemeyer. Ik ben alvast nieuwsgierig naar het hoofdstuk in Mark Schaevers’ biografie over Claus, en mogelijk in de aflevering die het tijdschrift Zacht Lawijd volgend jaar besteedt aan Claus. Intussen is het uitkijken naar de Afrikaanse vertaling die Hugo thans voorbereidt van Het verdriet van België. In het Maandblad Zuid-Afrika liet hij in september 2014 door zijn ega Marlene Malan optekenen: “My groot ideaal was nog altyd om Hugo Claus se grootse Het verdriet van Belgiё te vertaal”. Een kwarteeuw na de eerste lectuur van de roman en het inmiddels gepubliceerde briefje waarin de sikkeneurige recensent van De Standaard Freddy de Schutter door Hugo is gesommeerd, wordt dat ambitieuze voornemen effectief gerealiseerd. Claus heeft, zo liet Schaevers onlangs aan Hugo weten, het velletje papier niet weggegooid. Daniel Hugo bewaarde geen kopie. Het zit opgeborgen in het imposante archief dat door het Letterenhuis in Antwerpen zorgvuldig wordt geconserveerd. Schaevers, auteur van het prachtige boek Orgelman (2014), stuurde Hugo een scan zodat de formulering van de begeesterde student in Leuven nu in de krant staat.

Vraag is hoe het Afrikaans lezende publiek zal reageren op een roman over collaboratie en de repressie na de Tweede Wereldoorlog, over fascistoïde en gewelddadige uitwassen van een fractie van de Vlaamse Beweging. Misschien moet Daniel Hugo of een van de academici voor een belangstellend publiek toelichting geven over politiek-historische achtergronden waartegen de handelingen van de protagonist Louis Seynaeve worden gesitueerd.

(c) Yves T’Sjoen / September 2017

Luuk Gruwez. Recensie: Leger (Mieke van Zonneveld)

Tuesday, August 8th, 2017

WAAROM WIJ ONZE VACHT VERLOREN ZIJN

 

In Leger, haar poëziedebuut, neemt Mieke van Zonneveld (°1989) al meteen de taak op zich de wortels en de bestemming van haar hele bestaan af te tasten. Zijzelf of wie voor haar dichterlijke ik moet doorgaan (het is verleidelijk om dit onderscheid niet te maken) doet dat met het mes op de keel, of beter met het infuus in haar lijf. Hoe jong die ik namelijk ook is, hij/zij bevindt zich in de wurggreep van de dood. Het lijf is in een duel gewikkeld met wat heel expliciet ‘acute promyelocytenleukemie’ wordt genoemd. Het gaat om een ziekte als een gevangenschap en het is zaak daar, bewaakt door een ‘leger’ vijandige cellen, alsnog uit te ontsnappen. Het laatste gedicht heet dan ook ‘Desertie’. De vraag is of er erg veel verschil is tussen een lichaam dat nog niet door ziekte is belaagd of inmiddels genezen is en een lichaam dat zich ondanks de genezing net zo goed gekluisterd voelt. En of het na die genezing − tweede betekenis van de titel − daardoor niet ‘leger’ wordt. Blijft men niet ongeneeslijk? Een vanwege de herhaling nogal criant, maar tegelijk enigszins gelaten citaat van Ramses Shaffy leidt de bundel in: ‘Maar we leven nog, maar we leven nog./ (…) / We leven nog, en niet zeuren.’ Zeuren doet Van Zonneveld allerminst. Ze laat alleen zien dat de mens, gezond of niet, door zijn lichaam gegijzeld wordt. Ze vraagt zich af waarom wij het zo weinig voor het zeggen hebben, waarom mensen in tegenstelling tot sommige collega-zoogdieren niet kunnen profiteren van de geborgenheid van een vacht, hoe het komt dat haast niemand in zijn lichaam past. Er waakt over elk van ons, zo schijnt ze te denken, en over alles wat wij zijn een cipier die wij de ene keer omhelzen en de andere keer verfoeien.

Ik kan mij niet ontdoen van de indruk dat het instrument daartoe in de wereld van Van Zonneveld onder meer de religie van de kinderjaren is. Haar God raakt zijn hoofdletter maar niet kwijt, laat zich de deur niet wijzen, is zelfs present in zijn afwezigheid, dicteert wat mag en wat niet, bepaalt de grenzen van goed en kwaad, markeert de voorwaarden van elk lichamelijk genot en staat te dreigen met zijn toorn. Er treedt, als diens mogelijke vertegenwoordiger op aarde, een vaderfiguur op die heel sterk zijn overtuiging wil doordrukken dat alle kwaad van begeerte afkomstig is.  Van Zonneveld is het daar aanvankelijk niet oneens mee: ‘Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het / kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het / te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me uitgebraakt.’ Hoewel er een zeker schuldbesef aan haar ziekte kleeft, toch komt zij op een bepaald moment in de bundel gedecideerd in opstand tegen dit vaderlijke dictaat en laat zij geliefden ruim tot haar leefwereld toe, zich ervan bewust dat ziekte lang genoeg een concentratie van gemiste min heeft opgeleverd. Dit vereist een breuk met het verleden die zich in deze bundel overigens in hoge mate laat voeden met het idioom van de christelijke en de antieke cultuur. Het aanvangsgedicht van de bundel zet al de toon. Het gedicht gaat over Babel, de stad die in het Oude Testament staat voor het centrum van de spraakverwarring, geen ontoepasselijke metafoor in een dichtbundel waarin de dichter zich middels de taal een identiteit probeert aan te meten. Omringd door ziekte. ‘Tussen levenslust en doodsdrift / hurkt een uitgemergeld meisje. / Voed haar of dood haar.’, staat er verderop te lezen. Maar zij weigert nog langer te gehoorzamen aan een ziekte die haar onbeholpen en afhankelijk maakt en haar reduceert tot een aangelijnd hondje. De vraag is of dit refuus haar zoveel gelukkiger maakt. Zij heeft dan wel het geloof in een God ingeruild voor de ‘plakkerige afgod’ die vrijheid heet, maar die is ‘een deken die haar niet werkelijk bedekt’. ‘Ik mis U’, zo spreekt zij haar oude God aan, ‘en dat is het. Te worden aangeraakt. Te worden opgewekt.’ En weer is er dat besef: hoe komt het toch dat wij, mensen, het zonder vacht moeten stellen?

Niet alle gedichten die naar de hellenistische en christelijke wereld verwijzen, zijn even helder. Het mysteriegehalte van Van Zonnevelds poëzie is soms groot, maar net zo goed lezen wij keelsnoerend heldere gedichten over de ziekte waarmee zij heeft gekampt. Een ervan heet ‘Nee’. Het behoort tot de mooiste poëzie die ik het afgelopen decennium gelezen heb. De titel alleen al verwijst naar de weigering nog langer voetstoots het dagelijkse te accepteren dat haar aangeboden wordt. Misschien omdat de ik die zij ten tonele voert niet zomaar beaat is van haar herwonnen gezondheid. De vraag is namelijk wat verkieslijker is, het gezonde lijf of dit dat tot een ongewilde veldslag wordt gedwongen? Typerend hiervoor zijn deze verzen: ‘Want toen ik dagelijks achtentwintig / pillen slikte, sliep aan een infuus / en douchte onder toezicht / (…) / was ik niet zo ziek als nu.’ Niet altijd laat men zich zijn ziekte afnemen. Want zij betekent ook identiteit. Dit is hoe dan ook poëzie die op zoek naar een aankleding gaat. Het is moedig van Van Zonneveld dat zij dat in dit tijdsgewricht klaarspeelt door eigenzinnig en overvloedig gebruik te maken van culturele referenties waarop weinigen nog een beroep doen zonder dat zij aan eigentijdsheid inboet. In een bundel die misschien wel het beste debuut sinds jaren is.

.

Nee

 

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand

die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben

niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je

vies geworden, overal ligt zand. Ik werd lamlendig

wakker. Op  al mijn wegen nooit één teken maar

in dromen worden ze bij menigtes gegeven.

Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en

zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel

de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug

verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te

temmen, het joeg me op, beloofde me een weelderig

bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het

kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het

te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me

uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede,

geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld

nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar

tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij

nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

.

© Mieke van Zonneveld / 2017

 

_______________________________________

MIEKE VAN ZONNEVELD

Leger

De Bezige Bij, 61 blz., 16,99 euro.

AANTAL STERREN:

****

 

Yves T’Sjoen. Reflecties op Gerrit Komrij en Zuid-Afrika

Tuesday, July 25th, 2017

 

De aandacht van Gerrit Komrij (1944-2012) voor het Afrikaans en de Afrikaanstalige poëzie is bekend. De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999), Ik herhaal je (2000), bloemlezing uit en Nederlandse vertaling van gedichten van Ingrid Jonker, en De schitterende wond (2006) in de befaamde Sandwich-reeks met gedichten van Sheila Cussons zijn getuigenissen van meer dan gewone belangstelling. Komrij heeft als meester-bloemlezer jarenlang eigen voorkeuren in de Afrikaanse dichtkunst een publiek forum gegeven in het Nederlandse taalgebied. Dat is hem vooral in Zuid-Afrika, door oppermaans ingestelde conservatieve witte kongsies, niet evenzeer in dank afgenomen.

Het literair-historische periodiek De Parelduiker, een fraai verzorgde uitgave van de Stichting Het Oog in ’t Zeil en Bas Lubberhuizen, wijdt een dubbelnummer (aflevering 2-3, 2017) aan aspecten van Komrij’s openbare optreden. Samensteller en Komrij-biograaf Arie Pos benadrukt in het woord vooraf dat de redactie maar “wat piketpalen” heeft geslagen, “wat paden worden verkend en wat vergezichten worden geboden”. De “vergezichten” leiden de lezer naar Zuid-Afrika. Drie artikelen richten de focus op Komrij’s fascinatie voor en laten relaties zien met actoren in de Afrikaanse letteren.

De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten

Voor het themanummer heeft Ingrid Glorie een uitvoeriger tekst op LitNet aanzienlijk ingekort. Daarin beschouwt zij vanuit een vergelijkend perspectief de receptie van De Afrikaanse poëzie in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek. Niet alleen worden markante uitspraken van gezaghebbende schrijvers, critici en academici aangehaald, daarenboven citeert zij metateksten  van de bloemlezer waarin selectiecriteria en uitgangspunten worden geëxpliciteerd. Haar bevinding is dat de zogenaamde “Oppermannianen”, volgelingen van D.J. Opperman en diens volgens Komrij al te dominante “Afrikaner-nationalistische” poëtica, Komrij’s anthologie toch vooral “verkeerd” hebben gelezen. Dat wil zeggen vanuit bepaalde vooronderstellingen die aan de oppervlakte komen in het canoniserende Groot Verseboek van de Afrikaanse literatuur en spreken uit tal van andere culturele en literaire ondernemingen van Opperman. Komrij heeft met de ogen van de Nederlandse buitenstaander een selectie tot stand gebracht die haast per definitie niet overeenstemt met de kijk van ‘cultuurpaus’ Opperman. Wie het uitvoeriger vertoog van Glorie wil nalezen, kan naar de intussen vijftien jaar geleden gepubliceerde tekst op LitNet (2002) worden verwezen.

Die elektries gelaaide hand

Nieuwe observaties bieden de andere bijdragen, respectievelijk van Petrovna Metelerkamp (“Gerrit Komrij en de nalatenschap van Ingrid Jonker”) en van Daniel Hugo (“‘Die elektries gelaaide hand’. Gerrit Komrij in het Afrikaans”). Metelerkamp, samensteller van Ingrid Jonker. Beeld van ’n digterslewe (2003) en momenteel schrijfster van een “diepgravende biografie” over Jonker, doet het relaas over het gecompliceerde en tegelijk treurige parcours dat Jonkers nagelaten documenten sinds 1994 hebben afgelegd. Nadat Gerrit Komrij en Charles Hofman de door Daniel Hugo gerangschikte koffers met archiefmateriaal hebben aangekocht, duidelijk onwetend over dat parcours, is de Nederlandse schrijver jarenlang en ten onrechte in Zuid-Afrika en Nederland beschuldigd van heling. Revelerend zijn Metelerkamps bespiegelingen over gesprekken met Komrij en de brieven waaruit wordt geciteerd. De oproep waarmee de bijdrage afsluit, met name Ingrid Jonkers literaire erfenis gewoon in Portugal te laten, in het huis dat Charles nog steeds na de dood van Komrij bewoont, is een opvallende uitspraak van de Zuid-Afrikaanse biograaf. Haar pleidooi om de archivalia, niet eens zo spectaculair als lange tijd is aangenomen, niét terug te zenden naar Zuid-Afrika heeft te maken met haar lage dunk van het literaire conserveringsbeleid (“de conservering van de Afrikaanse letteren en hetgeen daarmee verband houdt [wordt] steeds onzekerder”).

Gerrit Komrij (30.03.1944 – 05.07.2012)

Daniel Hugo spreekt in De Parelduiker als zelfverklaarde adept van cerebrale en ambachtelijke poëzie, als vormbewuste vertaler van Komrij’s vormvaste poëzie. De titel Die elektries gelaaide hand, ontleend aan de slotregel van het gedicht ‘Voltage’, refereert aan de bloemlezing die Protea Boekhuis in 2005 op de Zuid-Afrikaanse markt bracht. Hugo koos 36 gedichten, niet conform de esthetische smaak maar veeleer in functie van wat hijzelf omschrijft als vertaalbaarheid. Nederlandstalige poëzie die het moet hebben van regelmatige metrische patronen, rijm- en klankstructuren, zoals het werk van Gerrit Komrij, laat zich lastig vertalen naar het Afrikaans. Tekstvoorbeelden maken dat afdoende duidelijk. Daarenboven benadrukt Hugo dat niet alleen taal-, klank- en vormkwesties een rol spelen in het vertaalproces. Ook de “culturele en historische achtergrond van de vertalen” leidt soms tot bijzonder idiosyncratische vertalingen, ook wel Hineininterpretierung genoemd (zoals het geval is met de Afrikaanse versie van Komrij’s gedicht ‘Zwart-wit’). Vooral het sluitstuk van Daniel Hugo’s persoonlijke getuigenis laat zien hoe bepalend een vertalerspoëtica is voor de beeldvorming van teksten in een ander taalgebied. Hij vergelijkt zijn Afrikaanse vertaling van het gedicht ‘Hieronymus’ met die van de Brit John Irons in Forgotten city & other poems (2001). Hier en daar laat de vertaalarbeid opmerkelijke parallellen zien. In sommige gevallen hebben beiden aantoonbaar geworsteld met het meticuleus door Komrij ontworpen metrum (meestal jambische versvoeten) en de geserreerde compositie (een vooraf bepaald aantal syllaben, vaste regellengtes, regelmatige strofebouw). Daniel Hugo rondt de vergelijkende lectuur van Komrij’s “zelfportret” in Afrikaans en Engels af met een poëticale en tegelijkertijd amicale slotzin: “Dit is mijn vertaling van het gedicht, dat tegelijkertijd een huldeblijk is aan Gerrit Komrij – een mentor en vriend die ik dagelijks meer mis”.

De Parelduiker heeft met deze beschouwelijke teksten enkele korte aanzetten geformuleerd voor een studie naar literaire, institutionele en vriendschappelijke betrekkingen tussen Gerrit Komrij en Zuid-Afrika. Jente Rhebergen vertaalde de artikelen van Metelerkamp en Hugo. Alleen jammer dat de redactie er nog steeds vanuit gaat dat in Zuid-Afrika “Zuid-Afrikaans” wordt gesproken (p. 133 en 143).

De Parelduiker 22 (2017) 2-3, 2017, resp. p. 112-123, 124-133 en 134-143.

Amsterdam, 21 juli 2017.

 

Yves T’sjoen. Literair tijdsdocument. Hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach

Saturday, July 15th, 2017

Breyten Breytenbach

 

Literair tijdsdocument. ‘Als was alles vanzelfsprekend in die witte huizen’

Hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach

Yves T’sjoen.

Na de arrestatie van Breyten Breytenbach in augustus 1975 en drie maanden later de veroordeling tot een celstraf van negen jaar zijn in Nederland en elders in de wereld (Frankrijk, Verenigde Staten) activiteiten ondernomen om de vrijheidsberoving door het apartheidsregime in Pretoria aan te klagen en publieke aandacht te vragen voor de zaak. Onder anderen de uitgevers Rob van Gennep en Laurens van Krevelen, zonder meer de drijvende kracht, initieerden het Breyten Breytenbach-comité. Eva Bendien en Rutger Noordhoek Hegt, kunsthandelaren van het roemruchte Galerie Espace waar Breytenbach al sinds begin jaren zestig schilderijen exposeerde, waren nauw betrokken. Verder maakten Adriaan van der Staay (directeur) en Martin Mooij van de Rotterdamse Kunststichting, Aad Nuis en Adriaan van Dis deel uit van het comité. Het is elders beschreven, zoals in de doctoraalscriptie van Annemiek Recourt (2008), hoe het comité tot stand kwam en in hoeverre de Kunststichting Rotterdam, PEN Nederland met directeur Wim Hazeu en Poetry International betrokken waren bij de organisatie. Later zal PEN Vlaanderen zich inlaten met de zaak. Notulen, brieven en krantenberichten over beide hofzaken (1975 en 1977), keurig bijgehouden door Adriaan van Dis en te raadplegen in het Literatuurmuseum (Den Haag), documenteren standpunten en ondernemingen van het B.-comité.

aan breyten breytenbach

Naast verwoede pogingen druk uit te oefenen op en de bemoeienis te vragen van de diplomatieke, culturele en journalistieke wereld, teneinde Breytenbachs lot blijvend aandacht te schenken, zijn er de schilderkunstige en literaire gelegenheidspublicaties. Schrijvers in de Lage Landen en elders in de wereld spraken een maatschappelijk engagement uit en verleenden medewerking aan projecten die de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika een hart onder de riem moesten steken. Het jaarlijkse dichtersfestival Poetry International Rotterdam, opgericht in 1970, was een druk bijgewoond evenement waaraan Breytenbach van in den beginne zijn medewerking verleende en waarvoor hij zich inzette. In het jaar dat hij vanwege de gevangenisstraf niet kon deelnemen, in 1976, is zijn naam naar verluidt elke avond genoemd. In datzelfde jaar is aan breyten breytenbach (z.j. [1976]) uitgegeven door de Kunststichting Rotterdam, Bureau Poetry International en het Comité Breyten Breytenbach. Aan de bijdragen van Nederlandse schrijvers (J. Bernlef, C. Buddingh’, Remco Campert, Gerrit Komrij, Sjoerd Kuyper en Wim de Vries) is aandacht besteed. Ook anderstalige dichters, allen deelnemers van Poetry International, participeerden op instigatie van Martin Mooij en droegen een gedicht bij aan de bundel (Michael Krüger, Jean-Clarence Lambert, Philip Levine, Adrian Mitchell, Vasko Popa, W. Rendra, Waldo Rojas en Jerome Rothenberg).

Vlaamse inbreng

De Vlaamse dichters Eddy van Vliet en Marcel Wauters kregen in deze politieke en institutionele context tot nog toe minder aandacht. Méér nog, de Aalstenaar Marcel Wauters (1921-2005) wordt in tegenstelling tot de in Antwerpen woonachtige Eddy van Vliet verkeerdelijk bij de buitenlandse schrijvers gerekend (Jonckheere 1999:172). De foutieve inschatting heeft wellicht te maken met de taal. Wauters, eveneens gast op Poetry International, schreef een Franstalige tekst die later is gebundeld in Vergeeld dossier (1980). Bij wijze van correctie citeer ik hier het merkwaardige gedicht in aan breyten breytenbach, gepubliceerd op bladzij 21 van de gelegenheidsuitgave.

.

DECRET D’AUTORITE

épris de mépris

dans les plis noircis de la hiérarchie

il se sent chez lui

l’inapprochable l’intouchable seigneur

nommé ickx non par ses candides et autres serviteurs

qui sont tous mes amis

mais gratuitement par toi et moi

qui subissent à peine les contraintes de ses phobies déguisées

ils en ont peur mais s’ils le haïssent

du fin fond en papier maché de leurs entrailles de victimes

ils ne le condamnent pas au soleil fraternel de plein air

je me vois obligé de me charger d’office de la procédure

tout en restant perplexe devant l’énigme minable

de l’honnête homme qui ne rit jamais

et ne salue pas ses subordonnés:

il ne faut pas gaspiller l’autorité décrétée

qui fait d’un chef

le bras dur de la postérité

.

sa gueulle de crapaud est aussi raide que sa carcasse

mais il n’y peut rien le malheureux

c’est sûr et certain et abominable

sacré et damné par le vertige erascible du hasard

(la volonté massouvie des espaces sidéraux)

il a de longues pattes

fines

froides

moites comme des harengs saurs

Eddy van Vliet (1942-2002) was zelfs meermaals te gast op uitnodiging van Poetry International. In de jaren van de contestatie, met in Amsterdam de oprichting van Provo (1967) en ook in Vlaanderen acties en publicaties die tegen een burgerlijk establishment waren gericht, heeft de jonge Antwerpse advocaat na zijn debuut het lied van ik (1964) twee bundels uitgegeven: duel (1967), en drie jaar later de maatschappijkritische dichtbundel columbus tevergeefs (1970). Hij schreef nog vóór de totstandkoming van de Rotterdamse poëziemanifestatie en de gelijknamige organisatie (die is gegroeid uit de Rotterdamse Kunststichting), meer bepaald op 23 november 1968 in Amsterdam, de tekst die zeven jaar later in het gestencilde bundeltje is opgenomen. Over de opdracht kon geen misverstand bestaan. De titel is kortweg ‘BREYTEN BREYTENBACH’. Het is niet duidelijk welke de concrete aanleiding was voor het huldegedicht, wellicht een adhesiebetuiging voor de hardleers dissidente stem van de in Parijs gedomicilieerde Zuid-Afrikaanse schrijver en diens betrokkenheid bij de strijd tegen apartheid. De ik-figuur geeft uitdrukking aan woede en weerzin voor een politiek regime dat berustte op rassendiscriminatie, en hij hekelt de uitwassen van een perfide koloniaal systeem dat “drie eeuwen lang / aan de kaap der goede hoop” is in stand gehouden.

Plaats in het oeuvre

De tekstgenese is te situeren in een periode dat Van Vliet de gruwel van oorlog aanklaagt, meer bepaald de Vietnamoorlog. Daarover liet hij optekenen: ‘Na ’64 werd ik geraakt door het drama Vietnam. En door het misdadige imperialisme van de Verenigde Staten. Nu [1997] is mijn kijk op die oorlog wat genuanceerder, maar dat overweldigende gevoel van revolte heeft toen voor jaren mijn werk bepaald (geciteerd in Paul Demets 2007:827). In Verzamelde gedichten, destijds door Bezige Bij-redacteur Alfred Schaffer professioneel begeleid, is de tekst opgenomen in de rubriek ‘Verspreid gepubliceerde gedichten’. De bibliografische aantekening maakt gewag van publicaties van het Breytenbachgedicht in de tijdschriften Artisjok (2 (1969) 1, p. 14) respectievelijk Kentering (10 (1969) 5, p. 33). Wat evenwel onvermeld blijft, is de opname van Van Vliets tekst in aan breyten breytenbach. Een ongewijzigde versie, met uitzondering van de weglating van plaats en datum, is in de bundel van het Breytenbach-comité opgenomen.

.

BREYTEN BREYTENBACH

.

bij wijze van spreken

wordt de mahoniehouten tafel een kleurling

wanneer hij vingerwijs geraakt in de zach-

te poriën van het blad

ook zij

een bijna vergeten bloedvlek in

een oorlog die sinds lang

geen naam meer heeft

ook zij

laaft zich reeds drie eeuwen lang

aan de kaap der goede hoop

alleen maar omdat hij dit herhaalt

als was alles vanzelfsprekend

in die witte huizen

zelfs dat op een donkerder huidskleur

de doodstraf staat.

                                       amsterdam 23 november 1968

Precies vijftien jaar na het overlijden van de schrijver is het tijd de bibliografische lacune in Eddy van Vliets VG weg te werken. Het Breytenbachgedicht is niet gebundeld door de schrijver maar dus wel drie keer ongewijzigd gepubliceerd. Tegelijk vestigt deze korte bespiegeling de aandacht op de actieve en betrokken deelname van Vlaamse schrijvers aan het protest tegen het onrecht dat Breyten Breytenbach en met hem zoveel anonieme personen in Zuid-Afrika te beurt viel.

Overigens hebben vóór de gevangenisperiode ook Fernand Auwera, met de bundel Geen daden maar woorden (1970), én Willem M. Roggeman veel betekend voor Breytenbach in het Vlaamse culturele en literaire landschap. Zij droegen met interviews bij aan de naamsbekendheid. In juni 1974 publiceerde Roggeman een uitvoerig interview in De Vlaamse Gids. Later zal hij geregeld nieuwe publicaties van Breytenbach recenseren in Vlaamse kranten. In het themanummer staan ook bijdragen van Breytenbach (poëzie en proza), Van Dis en Mooij. Dat is een ander verhaal dat belangstelling verdient.

Bronnen

Paul Demets, ‘Geheugen, zwijg. Over het verlangen en over de onafwendbare herinnering in de poëzie van Eddy van Vliet’. In Eddy van Vliet, Verzamelde gedichten. C. van der Vorst en Y. T’Sjoen (ed.). Amsterdam: De Bezige Bij 2007, p. 821-850.

Wilfred Jonckheere, Van Mafeking tot Robbeneiland. Zuid-Afrika in de Nederlandse literatuur 1896-1996. Nijmegen: Vantilt 1999.

Annemiek Recourt, ‘Niet te véél aksent op het ‘Zud-Afrikaanse’ als-je-blieft’. De materiële en symbolische productie van het oeuvre van Breyten Breytenbach in Nederland. Ongepubliceerde doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam 2008.

Met dank aan Laurens van Krevelen voor de kritische lectuur.

Yves T’Sjoen. Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

Monday, June 26th, 2017

AD Keet

Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

In de Eerste Wereldoorlog is Albertus Daniël Keet (1888-1972) de meest productieve Zuid-Afrikaanse dichter in de Groot-Nederlandse oorlogsbladen Dietsche Stemmen (1915-1918) en De Toorts (1916-1921). J.C. Kannemeyer rekent Keet tot de “vroeë indiwidualiste” van de tweede Afrikaanse taalbeweging. Keet is met onder anderen Eitemal (W.J. du Plooy Erlank), H.A. Fagan, T.J. Haarhoff, Toon van den Heever en Theo Wassenaar een vertegenwoordiger van de “digters van die tweede geslag”. Hij debuteert in 1920 met de bundel thematisch geordende Gedigte (Swets en Zeilinger, Amsterdam), en wordt op basis van het publicatiejaar tot de generatie beschouwd die na Jan Celliers, C. Louis Leipoldt en Eugene Marais in de Afrikaanse letteren aan het woord komt.

Medewerker van De Toorts en Dietsche Stemmen

Gedichten van Keet die na de Grote Oorlog in boekvorm verschenen, zijn voorgepubliceerd in beide Utrechtse periodieken. In totaal zijn van de hand van de jonge dichter A.D. Keet zevenendertig gedichten opgenomen in De Toorts, waarvan drie teksten in de laatste jaargang 1921, en drie in een aflevering van Dietsche Stemmen (‘Suid-Afrika se helde!’, ‘Dingaan’s dag, 1914’ en ‘Voortrekkerslied’, juli-augustus 1916). Daarnaast is hij de auteur van enkele boekrecensies (zoals over E.C. Pienaars Bloemlezing voor Groot-Nederland, 1917) en in totaal drie stukken over zijn grote voorbeeld Jan F.E. Celliers (‘Jan Celliers als digter en denker’ in Dietsche Stemmen en twee artikels in De Toorts). Als chroniqueur heeft hij de rubriek ‘Uit Suid-Afrika’ verzorgd en voor Dietsche Stemmen schreef hij de ‘Suid-Afrikaanse Kroniek’. Vrijwel in elke aflevering van De Toorts vanaf september 1918, tot Adam Boshoff en Philips R. Botha de honneurs waarnemen, presenteert Keet op anderhalve pagina een reeks korte berichten over de politieke, sociale en culturele actualiteit in Zuid-Afrika.

Keet studeerde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam geneeskunde en beijverde zich in Nederland voor het Afrikaans. Zo is bekend dat hij de Vlaamse voordrachtkunstenaar Modest Lauwerijs, later meermaals en met succes te gast in Zuid-Afrika, vertrouwd maakte met het Afrikaans en introduceerde in de Afrikaanse dichtkunst. Hij onderhield ook goede contacten met de Vlaamse toondichter Emiel Hullebroeck die hij teksten aanleverde. Na de oorlog keert Keet terug naar zijn vaderland, weliswaar geregeerd door Albion, en hij vestigt zich als geneesheer in Senekal. Naar eigen zeggen hoopvol dat hij er ooit “die land van sonneskijn en vrijheidszin” mag zien herrijzen. Samen met H.D.J. Bodenstein, hoogleraar Recht in Amsterdam en later Stellenbosch, was hij de meest bedrijvige medewerker uit Zuid-Afrika aan de Groot-Nederlandse oorlogsjaargangen van De Toorts en Dietsche Stemmen.

Keet en Dietsland

Albertus Keet onderschreef de Groot-Nederlandse gedachte die ten grondslag ligt aan beide Nederlandse bladen. In de redactie zetelden Nederlandse, Vlaamse en Zuid-Afrikaanse actoren die streefden naar een groot volksverbonden Diets rijk, waar Holland, Vlaanderen en Zuid-Afrika deel van uitmaken. In beschouwende teksten en in politiek-propagandistische poëzie droomden betrokkenen van een intercontinentaal Dietsland op grond van ‘taal- en stamverwantschap’. De retorische strategieën die daarvoor worden aangewend, zijn elders beschreven.

In de poëzieproductie van A.D. Keet in De Toorts wordt een Afrikaner-nationalistisch discours gehanteerd waarin de broederband met Nederland en dus de oud-kolonie is gecultiveerd. Het Afrikaans maakt deel uit van de Germaanse taalfamilie. “Van stamme Germaansch” worden “Vlaamsch” en “Afrikaansch” broeders genoemd. De talen behoren tot het “Dietsch”. In het gelijknamige gedicht ‘Dietsch’ luidt de eigen-volk-eerst-retoriek als volgt:

            Ik ben geen Latijn

            En ik wil het niet zijn;

            Geen haat! Maar…. het eigen vooraan!

            Ik ben dus en blijf

            In mijn ziel, met mijn lijf

            Een echte, oprechte Germaan.

            Germaansch in zijn taal,

            Germaansch in zijn staal,

            Zóó voel en begrijp ik mijn land;

Van stamme Germaansch,

Reik ik broer Afrikaansch

Of wel Vlaamsch, op zijn Dietsch, trouw, de hand

(De Toorts, 26 januari 1918)

Keet, die zich in deze tekst “oprechte Germaan” noemt, stelde zich ten doel een “Groot-Suid Afrika” te verwezenlijken. Nostalgie naar de Hollandse koloniale tijd en anti-Britse sentimenten zijn aan die houding niet vreemd. Naast het nationalistische gedicht ‘Maar één Suid Afrika’ (september 1917) publiceert hij in augustus 1917 de volgende tekst.

            Van waar Sambesi dreun,

               Tot Tafelberg se top,

            Gróót rijs Suid-Afrika

               Voor mij verbeelding op:

            Ik sien hoe groot riviere

               Deur onse hand gelei,

            Verkwikking bring vir diere

               En mense moej gestrij.

            Ik sien hoe korenvelde

               Ons dor Ka[r]oo verrijk,

            En oorals vir ons helde,

               Gedagtnis-tekens prijk.

            Ik sien wel duisend stede,

               Verrijs van uit die grond,

            Ik sien ons volk tevrede,

               Herenigd en gesond.

            Ik sien die Afrikaander

               Regeerder van sij land.

            Ik sien die buitestaander

               Reik hom die broeder-hand.

            Ik sien ons arendsvlugte

               Ik sien ons blauwe lug.

            Ik hoor geen droewe sugte –

               Ik sien ons vrijheid terug….

            Suid Afrika is groot,

               Suid Afrika is rijk –

            Dit sal nog uit sij hart

               En uit sij hersens blijk!

De poëzie bevat politieke statements, zoals een huldebetoon aan oud-president van de Oranje-Vrijstaat M.T. Steyn en de toenmalige Nederlandse koningin Wilhelmina (die Paul Kruger in 1900 zo vorstelijk ontving), alsook imperialistische apologieën voor een “’Nasie in sijn lentetijd” (‘Kom, Afrikaners!’) én voor de eigen moedertaal (“Klink oor die vlakte helder en luide, / Galm jou klank van die Noord tot die Suide, / Dwars oor Rhodesia!”, in ‘Aan mijn Moedertaal’). Ook Rhodesië (Zimbabwe) was deel van het groots ingebeelde Zuid-Afrika. Daarnaast bestaat Keets tekstencorpus uit arcadische natuurtaferelen. De dichter celebreert in andere teksten Nederland (‘O Nederland’) en drukt zijn gevoelens van ‘Heimwee’ uit naar het oude Transvaal en dus de Zuid-Afrikaansche Republiek (‘Die vierkleur’, met de beginregel “Rooi, wit, blauw en groen” – de kleuren van de vlag van Transvaal – en met als bijpassende opdracht de “Nasionale Partij van Transvaal”).

Interessant is het onderzoek naar de beeldvorming van Nederland in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver, die zoals gezegd enkele jaren van studie in Amsterdam doorbracht en vele inspanningen leverde om de stam- en broederband in geschriften en redes onder de aandacht te brengen van een duidelijk als homogeen voorgestelde imagined community. Dat publiek van gelijkgezinden zal zijn toespraak hebben bijgewoond op de jaarvergadering van de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging in 1916. De tekst is later gepubliceerd in Dietsche Stemmen. In een mengvorm van Afrikaans en Nederlands (spelling, woordgebruik) wordt door de weemoedige dichter in romantische ik-poëzie het politieke ideaal van Dietsland vertolkt.

Verzenbakker

John Kannemeyer merkt in zijn Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur (deel 1, 1978) op dat Keet Gedigte “grotendeels” voorpubliceerde in Die Brandwag, Ons Moedertaal en Die Huisgenoot. Daaraan moet dus worden toegevoegd dat de schrijver in zijn Hollandse jaren ook bijzonder actief was in Dietse instituties, zoals vermelde tijdschriften. De dichter van het gecanoniseerde ‘Muskiete-jag’, volgens Kannemeyer “’n geestiger gedig”, was bijzonder bedrijvig en selecteerde uit Zuid-Afrikaanse tijdschriften voor een Nederlands en Vlaams lezerspubliek gedichten van Celliers, Leipoldt, Totius en anderen. De literatuurhistoricus heeft overigens geen hoge dunk van Keets poëzie, noch de vaderlandse gedichten (“die tradisie van Celliers”) noch de natuurgedichten (“[mis] konkrete beelding”). Keet wordt schatplichtig genoemd aan Celliers en ook Leipoldt. Kannemeyer spreekt over “retoriese beeldspraak en swak woordkeuse, en op die lange duur word die triviale boustof en die beperktheid van die wêreld en emosies ’n belangrike literêre beswaar teen die bundel [Gedigte]”.

Een activistische stem uit Vlaanderen

Ideologische stambroeders, leden van de veronderstelde homogene community, zoals bijvoorbeeld de Vlaamse activist Rafaël Verhulst zich die voorstelde, oordeelden in de eigen tijd niet zo kritisch over Keets verzamelbundel. In De Toorts publiceerde Verhulst de jubelende recensie ‘Gedichten van A.D. Keet’ (29 mei 1920). Hij roemt het Afrikaans als “groene, levende, buigzame twijg der Dietsche taal” en rekent de Afrikaanstalige dichter tot “de zonen van den Groot-Nederlandschen stam”, méér nog: “een stoer broedervolk, het volk van Krst. de Wet en Jopie Fourie”. In een politiek betoog heeft de radicale flamingant het over de strijd van de Afrikaner “voor zijn taal en zelfstandigheid”. Die strijd wordt gelijkgesteld met de activistische ondernemingen tijdens de oorlog, “gelijk vlak aan Hollands grens […], het volk van Borms en de Clercq”.

Keet heeft zijn Gedigte samengesteld op de terugreis per schip van Nederland naar Kaapstad. Dat staat gepreciseerd in het woord vooraf dat is gedateerd november 1919. De tekst is door Verhulst integraal geciteerd (“afgeschreven”) in zijn recensie. In die voorrede wordt Celliers door Keet trouwens “de baanbreker der Afrikaansche letterkunde” genoemd.

De Toorts publiceerde in het nummer met René de Clercqs later sterk gecontesteerde ‘Het lied der Activisten’ een saluut van A.D. Keet aan het lezerspubliek, met als titel ‘Ten Afskeid’ (1 november 1919). In ronkende volzinnen en bezaaid met uitroeptekens wordt voor de zoveelste maal het Dietse geloof beleden. Volgens Keet is De Toorts, gericht tegen onder meer het Belgische (francofone) annexionisme, na de Grote Oorlog niet alleen “eindelik segevierend uit die strijd gekom”. De auteur legt ook lauwerkransen voor zijn landgenoot professor Bodenstein en roemt diens vele realisaties “op Diets-Afrikaans gebied”.

In een van die donkerste tijdperke van die geskiedenis van die Afrikaanse volk, het [Bodenstein] nooit die moed opgegee nie, en sij woorde het nie alleen hier nie, maar ook in S.-Afrika, die aandag getrek en die invloed u[it]geoefen, wat hulle ten volle verdien. Vandaag egter, pluk ook hij die vrugte van die harde strijd van toen. Diets-Suid-Afrika is ontwaak – ons weet wat ons wil!

In de lijn van de pamflettaire toon in alle andere geschriften rondt hij als volgt af:

            Maar één versoek het ik aan die lesers van De Toorts, en dit is, in die woorde van Jan Celliers:

                                “Wees sterk!

                        Daar’s ’n nasie te lei,

                        Daar’s ’n strijd te strij,

                                Daar’s werk!”

            Werk, en versprei julle orgaan, die vertolker van julle Dietse ideaal! Werk, en julle sal win!

Albertus Daniël Keet wordt in het fêterende discours van Verhulst in verband gebracht met de zogeheten volksdichter en Vlaamse activist René de Clercq (“zooals zoo menig liefdeliedje, die René de Clercq als zeer fijne juweeltjes in De Toorts te fonkelen legt”) en ook de voorloper van de Beweging van Tachtig Jacques Perk (‘Iris’). Raf Verhulst vindt alles “zoo mooi en zoo echt dichterlijk”. De slotalinea van zijn hommage is een viering van wat hij het dichterlijke talent noemt van de Zuid-Afrikaanse auteur: “A.D. Keet is niet iemand die maar vaardig is met maat en rijm, hij is een wezenlijke dichter met een rein en diep gemoed, naar wien we met volle overgave luisteren. […] wij zijn overtuigd dat zijn zangen niet alleen in Noord-Nederland, maar ook in Vlaanderen met mede-voelen zullen genoten worden”.

De poëzie van A.D. Keet kon in activistische kringen duidelijk op veel sympathie rekenen maar ze verdwijnt in het interbellum compleet uit het vizier. Zeker uit dat van dichters en critici in de Lage Landen. Ook in Kannemeyers panoramische overzicht krijgt Keet nauwelijks een halve pagina toegemeten. Nochtans was hij dus zeer productief. Hij heeft de leeskring van De Toorts en Dietsche Stemmen niet enkel vergast op vaderlandse, liefdes- en natuurgedichten, maar ook de meer gezaghebbende dichters van de tweede Afrikaanse taalbeweging – niet gespeend van een Afrikaner-nationalistische ingesteldheid – een Diets gemarkeerd, sterk ideologisch geladen platform bezorgd.

Deze bijdrage is een korte zijsprong binnen het onderzoek dat als lezing wordt gepresenteerd tijdens het congres van de Suider-Afrikaanse Vereniging vir Neerlandistiek (SAVN) in Parys (Vrijstaat) op 1 juli 2017.

Luuk Gruwez. Recensie: een vrede met grote, warme borsten (Ester Naomi perquin)

Wednesday, June 14th, 2017

 

Een vrede met grote, warme borsten

Het is niet eens zeker dat wij echt bestaan. Dat is wat Ester Naomi Perquin, Nederlands huidige Dichter des Vaderlands, suggereert in Meervoudig afwezig, haar vierde bundel. Met Celinspecties rijfde zij in 2012 de prestigieuze VSB-poëzieprijs binnen. Zij is de dichter van wat nog overblijft, nadat verder alles afwezig is geworden. ‘Zelfs in de koppen van gevangen apen (…)’, schrijft zij, ‘treft men bij de sectie vaak nog hele stukken oerwoud aan.’ Het is dat oerwoud waarnaar zij in een queeste naar de oorsprong der dingen op zoek wil. De bundel die bijzonder minutieus geconstrueerd is, bestaat uit twee cycli: ‘De delen’ en ‘Het totale’. Maar daaraan voorafgaand staat een gedicht over de correlatie tussen het partiële en de totaliteit. Je hebt pas kijk op de ware omvang van die laatste, nadat je eerst een deel ervan hebt waargenomen: ‘”Een olifant,” zei hij nog zacht, “lijkt pas de olifant die hij / daadwerkelijk is wanneer u / wegens kijken door een sleutelgat / een groot deel van hem mist.”‘ Dit is een bundel over hoe wij de realiteit waarnemen, over hoe zij aanwezig lijkt te worden of juist ‘meervoudig afwezig’ is en over hoe betrouwbaar of onbetrouwbaar onze kijk erop is. De dichter stemt een hele bundel lang in met Fernando Pessoa: ‘Er schuilt ongeloof in ieder uur.’

Het lijkt erop alsof zij in ‘De delen’ dat thema van de onzekerheid mogelijk in haar eigen levensloop situeert. In één gedicht schetst zij het tafereel van een op de klippen gelopen relatie die bij de buren op niets dan ongeloof stuit: ‘dichters zijn toch vol van liefde, is het niet?’ Er gaat evenveel overtuiging uit van de waan en het vooroordeel als van wat wij onder realiteit verstaan. En Perquin brengt ook kunst en in het bijzonder poëzie ter sprake wanneer zij het over de relatie tussen waan en werkelijkheid heeft. ‘Misschien (…) moet je verlangen naar wat blijft. Maar niet / om aldoor naar te kijken. Daar zorgt de kunst wel voor (…).’ Maar ook een gedicht slaagt er amper in de losse ‘delen’ onder te brengen in iets als een totaliteit. ‘Wij bestaan niet, kunnen bewijzen niet te bestaan,’ houdt de dichter vol. Doordat het hele bestaan in hevige mate een waan is, inspireert het haar iets te verbeelden wat mensen doorgaans als een omgekeerde wereld bestempelen. Bijvoorbeeld in een gedicht waarin heel wijze kinderen hun bange, zwaar wanhopige vaders die ten oorlog moeten, aanvuren om nu eens eindelijk ‘echte mannen’ te zijn en hen troosten met een verlokkelijk vooruitzicht op wat na die oorlog zal komen: ‘Ze zeiden dat de vrede die zou komen / grote warme borsten had.

Perquin kan merkwaardig originele beelden op een geniale manier neerzetten. Langer dan die van de meeste andere dichters blijven zij bij de lezer hangen. Beelden tussen waan en werkelijkheid, bestaan en onbestaan, aanwezigheid en afwezigheid. Wat die laatste betreft is zij ervan overtuigd dat het een troost is te weten dat je ook níet kunt bestaan. Toch wil zij  schrijvenderwijs, vooral in haar zoektocht naar een coherente totaliteit, een soort presentie claimen. Zij roept God en de oerknal erbij en stelt vast dat wat geschapen of ontworpen is een neiging tot groei vertoont. Dat niets met andere woorden ooit voltooid is. Zij lijkt in haar gedichten op die voltooiing te azen. Want God? Ach kom, die is ook maar een mens en niet eens zo’n buitengewone. Hij ligt naast haar in bed, draagt een versleten hoed en speeksel druipt vanuit zijn mondhoek naar het kussen. Bovendien snurkt hij. Maar eigenlijk is Hij in de ogen van de dichter de grote afwezige, zelfs wanneer Hij pretendeert de enige en de beste te zijn. ‘U bent er niet,’ zegt zij. Misschien kan zij alles beter: dat denken dichters vaker. God reageert enigszins gepikeerd: ‘Gratis dicteer ik / dit gedicht,’ zegt hij, ‘Probeer het zelf / maar te verpesten.’ Wat drijft Perquin? Wellicht de vaststelling dat er met het universum iets is misgegaan: ‘de schepping brak al los  en  / plantte zich ontstuitbaar voort.’ Voor haar kan de hele schepping beter worden overgedaan en om dat te bewijzen heeft zij de taal van de poëzie nodig. Pas dan kan zij zich voldoende wapenen om de competitie met de schepper aan te gaan.

Het zal niet verbazen dat er in haar gedichten grote aandacht uitgaat naar die scharniermomenten in het leven die het best de relatie tussen aanwezig en afwezig illustreren. Uiteraard is de dood zo’n moment. De dichter schrijft magnifiek over die van haar vader in ‘Amsterdamned’. Daarin heeft zij het over de figurantenrol die hij ooit in een film heeft gespeeld, vlak voor hij stierf. Figuratie lijkt wel zijn hoogste vorm van aanwezigheid te zijn geweest. Maar één gedicht later laat zij hem bij de kistenmaker ongegeneerd weer uit de doden opstaan. Dat kan een dichter doen. Maar wat zij dichtenderwijs niet doorgronden kan, is de oorsprong van alles, het raadsel van dat hele ons omringende universum. Niet één gedicht is daartoe uiteindelijk in staat, zelfs niet dat van een absolute topdichter als Ester Naomi Perquin.

ONDERSTEUNENDE TROEPEN

 

De vaders waren bang toen de oorlog begon. Maar de kinderen

kwamen hen troosten. Ze zeiden dat er na de oorlog

feest zou zijn, met drank en gratis sigaretten.

 

Dat er medailles zouden komen, dikke gouden plakken,

dat men zou klappen, dat er standbeelden kwamen,

hele imposante. Een eindeloze bloemenzee.

 

De vaders huilden toen de oorlog begon, verstopten zich

onder hun bedden, klampten zich aan echtgenotes vast.

 

De kinderen kwamen met hen praten, legden uit hoe het zat

met de kwetsbare waarde van eigen gelijk. Ze schoven

hen wapens in handen, spraken over echte mannen,

hoe dringend deze oorlog nodig was.

 

Ze zeiden dat de vaders het op een dag zouden begrijpen,

als ze onschuldig waren en klein, als ze de wereld

zo goed zouden kennen als zij.

 

Sommige vaders probeerden te vluchten, verschansten zich

op hun kantoor, sneden hun polsen door in bad,

verloochenden hun vaderschap.

 

Maar ze kwamen hen halen, de zonen en dochters.

Ze zeiden dat de vrede die zou komen

grote, warme borsten had.

 

© Ester Naomi Perquin / 2017

 

_______________________

ESTER NAOMI PERQUIN

Meervoudig afwezig

Uitgeverij Van Oorschot, 40 blz., 16,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****