Wisselkaarten

Yves T’Sjoen. Montreal in Bloemfontein

Sunday, July 7th, 2019

Montreal in Bloemfontein

Charl-Pierre Naudé refereert in een reactie op Versindaba aan een heel bijzonder moment tijdens het Bloemfonteinse kunstenfeest van de afgelopen week. “What can Lit do? Canadian Writers talk”.

Gilbert Gibson

Op vrijdag 5 juli vond tijdens het Vrystaat Kunstefees een door de Canada Council for the Arts gefaciliteerd gesprek plaats met vier Canadese schrijfsters. De brochure kondigt aan dat “verskille in literatuur-strominge” aan bod komen. De Engelstalige jonge Canadezen reflecteerden in een orkestratie van moderator-dichter Gilbert Gibson over “hul uiteenlopende begrippe van ’n nasionale letterkundige tradisie, hoe hul eie skryfwerk en lewenservaringe oorvleuel of kapsies maak teen die dominante narratief van letterkundige verwagtinge”.

 De schrijversprotagonisten Paige Cooper, Kayla Czaga (dochter van een geëmigreerde Hongaarse vader), Klara du Plessis en Kim Fu wisselden van gedachten over tendensen in contemporaine Engelse literatuur van Canada en weidden uit over eigen werk (proza en poëzie). In het rustieke decor van de Kanselierskamer richtte het gesprek zich op het verdeelde taallandschap, de Franse en Engelse literaire scenes in het Noord-Amerikaanse land die nauwelijks of niet met elkaar interageren.

Klara du Plessis

De schrijvers erkenden volmondig dat tendensen in de francofone literatuur, in het anderstalige gebied, aan hun aandacht ontsnappen. Geen wisselwerking tussen de taalgebieden. Het is makkelijk pleiten voor meertaligheid, de praktijk in de realiteit duidt doorgaans op een ander fenomeen. De vaststelling tijdens het onderhoud strookt met de taal- en literatuurgebieden in België, wellicht het enige land ter wereld dat gescheiden is door een taalgrens en beschermd door taalwetten. Het culturele akkoord tussen Vlaanderen en Wallonië is van recente datum, lang nadat de Vlaamse gemeenschap soortgelijke samenwerkingsverbanden tot stand bracht met het dichter en verre buitenland. Talige diversiteit is in verschillende werelden een fata morgana en blijft dode letter. Dit is geen moraliserende veroordeling maar een observatie.

En toch. Ik ben gunstig gestemd. Het kunstenfestival is niet uitsluitend op Afrikaans gericht en moet veeleer als inclusief worden voorgesteld.  Het presenteert een internationaal gezelschap van dichters en prozaschrijvers. Het valt wellicht aan te bevelen in de toekomst ook de meertaligheid en de culturele diversiteit van Zuid-Afrika te laten zien: literaire auteurs die in andere inheemse talen hun pad banen in de literatuur. Met simultaanvertaling of in Engels als lingua franca moet een dergelijk gesprek mogelijk zijn. Deze optie zal een aanzienlijke dimensie toevoegen aan dit Zuid-Afrikaanse culturele en literaire feest.

Naast Nederlandstalige auteurs tekende zoals vorig jaar ook nu weer een delegatie uit Canada present in de Vrystaat. Deze organisatorische keuze getuigt van een open beleid met belangstelling voor dialogen tussen schrijvers en literaturen. Revelerend zijn Ekke van Klara du Plessis, een tweetalige bundel (Afrikaans en Engels), en Paige Coopers prozadebuut Zolitude, korte verhalen gedrenkt in sci-fi en fantasy. Ook de twee andere dichters Kim Fu en Kayla Czaga boeiden het publiek met hun soepele bespiegelingen over de stand van de Canadese (Engelse) literatuur. Er roert en broeit wat in de literaire scene.

Gescheiden door duizenden kilometers, op het verhoog van een Vrystaats kunstenfeest, kwam in verschillende gesprekken een dialoog tot stand tussen Canadese, Zuid-Afrikaanse en Nederlandstalige auteurs. Getalenteerde jonge schrijvers die het publiek inzicht verleenden in de wijze waarop zij met literatuur aan de slag gaan, de relevantie van literatuur in een maatschappelijke context, in het panorama van het literaire bedrijf op drie verschillende continenten. De transnationale en meertalige ontmoetingen geven blijk van een open vizier, van een doordacht programmatorisch beleid, van aandacht voor strekkingen die zich elders in de wereld manifesteren. Waar de schrijver zich ook bevindt, spelen vergelijkbare besognes, de worsteling met taal, de reflectie over mens en samenleving in literatuur.

Genreverschuiving, vooral de ontwikkeling van hybride genres, is een patroon dat in verschillende taal- en cultuurgebieden op de voorgrond treedt. Het internationale vertoog over jonge literaire producties, in Canada, Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika, kreeg een megafoon aangereikt op het Kunstefees. Het is dankzij de bemiddeling van de Zuid-Afrikaanse en Canadese debutant Klara du Plessis, auteur van de in Canada gepubliceerde dichtbundel Ekke, dat de Canadian Council betrokken is bij het culturele feest en schrijvers kon uitnodigen.

Dankzij de pertinente en bijwijlen ironische en speelse interventies van Gilbert Gibson loste het breed opgezette debat met de Canadese schrijfsters de verwachtingen in. Montreal kwam dichterbij in Bloemfontein. Corneli van den Berg, de ondernemende coördinator van het letterkundige programma, doet er goed aan de ingeslagen weg verder te bewandelen. Teksten en schrijvers zwemmen nu immers buiten het taalgebied waarin de literaire productie tot stand komt. Montreal, de titel van de Vlaamse schrijver Pol Hoste (een schitterend boek over diens residentieverblijf), is in Bloem nu ook een metafoor geworden voor de inspirerende productiviteit van transnationale schrijversontmoetingen. De volgende dagen lees ik in mijn schrijversresidentie in Pretoria de verzamelde boekuitgaven.

Yves T’Sjoen 2019

Willem M Roggeman. Milaan laat in de morgen

Friday, July 5th, 2019

 

Milaan laat in de morgen

voor de Milanese vrienden
Fabio en Dorothé

 

Want elke morgen tekent de stad een andere gedaante.
En telkens herschrijft zij ook sierlijk haar familienaam.
De Duomo jongleert dan met zijn duizenden beeldjes.

De wolken lijken af en toe op een schapenvel.
Een openstaand raam in de woning van Manzoni
biedt een vergezicht dat tot diep in de tijd dringt.

In de Santa Maria delle Grazie kerk
kleven vijf eeuwen aan een muur
als verblekende kleuren van een fresco.
Dertien personages zitten aan een tafel
en eten samen voor de laatste maal.
In een nis speelt Leonardo accordeon.

Buiten begint een voorbijganger te roesten.
Een werkwoord staat er lang werkloos bij.
Een ineengefrommelde bal krantenpapier
rolt over de straatstenen achter een auto aan.

Aan de rand van het grote ronde plein
dat Piazza Meda heet, maar eigenlijk
een uitstulping is van de Corso Matteotti
waar de auto’s razend voorbijsnellen
staat de sculptuur van Arnaldo Pomodoro,
een enorme bronzen schijf die recht staat
op haar anderhalve meter brede zijkant.
Gepolijst schittert deze blind in de zon.

Op het ronde vlak van deze sculptuur
vormen tientallen verticale inkervingen
als dubbele stralen in alle richtingen
een bevlogen onleesbare tekst in reliëf,
poëzie opgetekend in een onaardse taal.

Hier vlakbij zoekt de Scala de perfectie,
terwijl aria’s van Guiseppe Verdi zingen
tussen de verloren gebaren van een zwaan
looft iemand de iconen van de eenmaking.

Rustig wandelend op de sterk uitvergrote lanen
verschoof Umberto Eco al de betekenislagen
binnen in zijn roman “De naam van de roos”.
De obsederende cadans van de metrowielen
laat zijn naam nog ondergronds nazinderen.

Een wreed weerspiegelend winkelraam
slorpt te luidruchtige stadsbeelden op.
De affiches van een jazzfestival zingen
aan de gevels voor enkele schoolmeisjes.

Een hotelkamer als verjaardagscadeau.
Een stem die verdwaalt in de Povlakte.
De verbeelding zoekt een medeplichtige.
De stad haalt spelend een eeuw uit elkaar.

© Willem M. Roggeman  2019

Yves T’sjoen. Benno Barnard in Afrikaans

Sunday, June 30th, 2019

Benno Barnard in Afrikaans

Zondagochtend, bij het ochtendkrieken, reis ik van Pretoria naar Bloemfontein. De hele week heeft aldaar het Vrystaat Kunstefestival plaats. Het programma is bijzonder geschakeerd, zelfs overdadig. Naast film en theater zijn er boekpresentaties, muziekoptredens, literaire gesprekken. Te veel om op te sommen. Er staan ook Nederlandse en Vlaamse schrijvers geprogrammeerd. Saskia de Coster, Annelies Verbeke en Wytske Versteeg zijn te gast op uitnodiging van SASNEV en de Nederlandse en Belgische ambassade (Vertegenwoordiging van de Vlaamse regering). Uitgeverij Naledi, steeds meer gericht op Vlaamse en Nederlandse schrijvers, houdt de door Daniel Hugo vervaardigde Afrikaanse vertaling van Benno Barnards jongste bundel Het trouwservies (2017) boven de spreekwoordelijke doopvont. De Afrikaanse editie, Die trouservies, bevat naast de brontekst ook het lange gedicht waarmee Krijg nou de lyriek (2015) opent. Het was voor mij een privilege de totstandkoming van de vertaling van dichtbij te hebben bijgewoond. Daniel Hugo werkte aan de Universiteit Gent niet alleen aan de vertaling van Het verdriet van België (1983), voorwaar een huzarenstuk van literaire en culturele vertaalkunst. Van zijn aanstelling als vertaler in residentie (oktober-november 2018) maakte hij gebruik Benno Barnards poëzie te bestuderen – en vooral ook enkele prozatitels te lezen zoals Eeuwrest (2001), Een vage buitenlander (2009), Dagboek van een landjonker (2013), Mijn gedichtenschrift (2015). Ik kon een gesprek regelen tussen schrijver en vertaler – een eerste gesprek dat niet de indruk gaf een nieuwe ontmoeting te zijn. Aan het vertaalwerk ligt esthetische affiniteit met teksten en een poëtica ten grondslag, in dit geval ook tussen twee literaire figuren die in andere taalgebieden en literaire systemen naam en faam hebben verworven en elkaar vanaf het eerste moment begrepen.

Ter plaatse deed Hugo een ontdekking: de dichtkunst van Marc Tritsmans. Stapels met bundels uit mijn privébibliotheek gaf ik te leen zodat de eminente vertaler en dichter zich kon vergewissen van de klassieke en parlandogedichten van Tritsmans. Ik mag hier in alle stilte onthullen dat uitgeverij Naledi ook de vertaling van Tritsmans’ jongste uitgave Het zingen van de wereld (2017) binnenkort presenteert.

Aan de indrukwekkende bibliografie met boektitels uit de Nederlandstalige literatuur worden van de hand van Daniel Hugo binnen de paar maanden twee uitgaven toegevoegd. Niet dat het lang van tevoren was gepland. In dit geval koos de vertaler zelf de bronteksten en hij gaf zijn genereuze uitgever te kennen die gedichten beslist in het Afrikaans, voor een Zuid-Afrikaans lezerspubliek, te willen aanreiken. Aldus is geschied. Het is heel bijzonder dat de Barnard-vertaling in Bloem wordt gepresenteerd in aanwezigheid van schrijver en vertaler. Een literaire boekpresentatie in aanwezigheid van de betrokken actoren is behalve een feest voor de letteren en wederzijdse verstandhouding altijd een belangrijk moment in de promotie van het kleinood. Als auteur van het nawoord van het Zuid-Afrikaanse boek mag ik deelgenoot zijn van het evenement. Het siert de festivalorganisatie dat in het al drukke programma tijd is ingeruild voor Nederlandstalige literatuur, ook in vertaling dus. Ik kijk alvast uit naar de respons op het boek, boek-esthetisch met zorg en overgave op de markt gebracht door uitgever Johan Coetzee en redacteur Anita Froneman.

Recensie: Ingmar Hetze. Ik wilde je iets moois vertellen. Resencent Luuk Gruwez

Wednesday, June 26th, 2019

(G)EEN REMEDIE TEGEN DE DOOD

Resensent: Luuk Gruwez

In Elders in de wereld, een bundel van Ingmar Heytze uit 2008, staan de volgende regels: ‘Ik merk dat ik nog steeds op zoek ben / naar een remedie tegen de dood (…).’ Tien jaar later, in Ik wilde je iets moois vertellen, de recentste bundel, bevindt die verzuchting zich nog steeds op het voorplan. Maar misschien is er toch iets veranderd. Het lijkt er in het gedicht met de aanspreking ‘Dood,’ op dat de zeis van Magere Hein ‘botter en botter’ wordt. Het gedicht eindigt heel assertief: ‘Nu stellen we je nog remise voor. / Neem haar aan voordat we je voorgoed verslaan.’ Nog steeds is het Heytze erom te doen de dood klein te krijgen. Maar hoe zeker is de dichter van zijn bewering? Misschien is die enkel ironisch of een vorm van blufpoker. Want geen van de overige gedichten in de bundel getuigt van groot triomfalisme. Integendeel, wat overheerst is de gedachte aan het verlies, zelfs aan een onmogelijk nieuw verlies, vanwege het feit dat alles al verloren is. Zo ook in het gedicht De bal in de wolken, dat begint met deze regel: ‘Op een dag besefte ik opeens dat ik zou gaan verliezen.’ En dat eindigt met een weerlegging: ‘En ik kan niet meer verliezen, want dat heb ik al gedaan.’

Welke strategie wendt Heytze aan om de strijd met het einde aan te gaan? Uiteraard maakt hij daartoe gebruik van zijn taal, maar zeker ook van zijn vaderschap, een belangrijk thema in deze verzen en een getuigenis van procreatie. Ook in een vorige bundel heeft dit al een rol gespeeld. Maar vaderschap is niet enkel een middel om voor te bestaan, het bewerkstelligt tegelijk het tegenovergestelde. Kinderen doden in de vader alle andere personen die hij had kunnen worden of geweest is: ‘Kinderen zijn kannibalen.’ ‘The child is the father of the man,’ dichtte ooit Wordsworth, maar misschien is dit in de visie die de dichter er hier op nahoudt niet uitsluitend een aantrekkelijk perspectief. Een mens mag als volwassene dan wel iets behouden van het kind dat hij geweest is, hij moet ook leven met het vooruitzicht dat zijn nageslacht ooit de kannibaal van zijn voorgeslacht zal zijn. Hij loopt rondjes in de doolhof van zijn denken en vindt de uitweg niet. En bij deze dichter wordt dat denken, over de generaties heen, geïnfiltreerd door angst. ‘Angst,/ Ik lees je in de ogen van mijn kind,’ lezen wij.

Veel in deze bundel heeft met verschijnen en verdwijnen te maken. Naast ‘Vaderschemering’ bevat hij nog minstens twee andere gedichten die het verdienen klassiek te worden. Een ervan heet ‘Bijvangst’. Hierin bekent de dichter dat hij van weemoed geen verstand heeft, maar van verdriet des te meer. Verder heeft hij juist bijzonder veel aandacht voor die weemoed, die hij als een bijvangst beschouwt: ‘Weemoed is vermoeden dat je nu al terugverlangt/ naar alles wat pas later vroeger was.’ Weer zit de dichter gevangen in de cyclische structuur van zijn gedachten: voortdurend pendelt hij tussen prospectie en retrospectie. En hij voorziet dat wat nu nog een vooruitblik is, ooit een terugblik worden zal. Net zo goed speelt dit thema een rol in ‘Gemist worden’, ook al een potentiële klassieker. Er wordt volop gefantaseerd over hoe je uit het leven kunt verdwijnen en over de vorm die missen kan aannemen. Hij is daar best nieuwsgierig naar, zou best van achter een struik als een soort voyeur willen toekijken welke reacties zijn plotselinge afwezigheid opwekt. Hij lijkt te hopen op een snel en pijnloos sterven, want dit is in zijn voorstelling het prettigste of althans minst dramatische verdwijnen.

Toch blijft daar dat besef dat elk mens in één enkele huid gevangen blijft. Dat hij, bijvoorbeeld doordat hij al door iets als vaderschap is gedetermineerd, aan tal van andere levenslopen verzaken moet. Zoals blijkt uit zijn ‘tussentijdse rapportage’ (titel van een gedicht), mag hij op zolder dan wel tal van levens hebben staan ‘die (hij) ook had kunnen leiden voor (hij) ophield te bestaan’, zij lijken alleen maar te bevestigen wat hij al had gevreesd: dat zijn huidige leven een kerker is waaruit hij niet ontkomen kan en dat kinderen hoe dan ook de kannibalen zijn van wie hen heeft verwekt. Kannibalen? Ja, en het ergste is: hun vraatzucht begint bij het hart van hun prooi, waardoor zij meteen ook datgene wat voor hun vader essentieel is veroveren en verorberen. Maar uiteindelijk worden zij precies dezelfden als diegenen die zij nu verslinden: ‘Overal lopen ze rond / met holle ogen, klagend achter kinderwagens / vol gekrijs, nieuwe tandjes in de maak.’

Heytze beoefent in deze bundel ook het prozagedicht, maar toch lijkt hij zelfs daar op een zanger. Hij is, bijvoorbeeld net als Menno Wigman voor wie hij een in memoriam schrijft, zo’n typische ‘mensendichter’ die je niet inpalmt met wijsgerige oprispingen die voor slimmigheidjes moeten doorgaan of met het hermetische keukenlatijn van een of ander dogmatisch klinkend idioom, maar hij is wel iemand van wie je kunt verwachten dat hij zich een paar zuchten langer in de eeuwigheid zal handhaven dan de meeste van zijn collega’s. En dat is ook voor wie na hem komt iets moois.

 

VADERSCHEMERING

 

De meeste vaders leven uit het lood.

Als vrouw en kinderen slapen, schenken ze een borrel in.

Elk glas zet de wereld verder waterpas.

 

Onderhuids huist een andere man, wachtend

tot er iets gebeurt, het scheuren van het weke vel.

 

De vaders schenken weer eens in,

schrijven een dode vader een brief, zoeken foto’s

van een vroeger lief, proosten met de babyfoon.

 

De nieuwbouwwijk ligt leeg en stil, omhelsd door asfalt,

uitvalswegen. Hier en daar brandt laat nog licht.

Daat zet een vader zijn leven recht.

 

Ingmar Heytze

 

________________

INGMAR HEYTZE

Ik wilde je iets moois vertellen

Uitgeverij Podium, 47 blz., 19,99 euro.

 

Aantal sterren:

****

Bert Bevers. Terugwerkende kracht 

Tuesday, February 26th, 2019

Terugwerkende kracht

 

Bij Nostalghia van Andrej Tarkovski

 

Toen ik het hier voor het eerst zag

moest ik huilen, want dit licht doet

me denken aan herfst in Bologna.

 

Ik wil niets meer voor mezelf alleen.

 

Wat kan er gebeuren?

 

Alles wat je wenst als je knielt, want

zonder enig gebed gebeurt er niets.

 

Je wilt zeker gelukkig zijn, maar

in het leven zijn er belangrijker zaken.

 

Dus: een, twee, drie, geloof!

 

Wat moeten wij dan doen

om elkaar te leren kennen?

 

Grenzen slechten.

 

Welke?

 

Die tussen vroeger en later.

 

 

© Bert Bevers, Februari 2019

Bert Bevers. Doorlopende beweging

Friday, February 22nd, 2019

Doorlopende beweging

 

Bij Russian Ark van Alexander Sokurov

 

Er was een ramp gebeurd.

Iedereen rende voor zijn leven.

Wat er mij overkomen is

weet ik niet meer.

 

Ik zei toch dat ze zouden wachten.

 

Waar gaat iedereen heen?

Waar gaan jullie naartoe?

 

Het is koud. Doe alles dicht.

Vooruit: doorlopen jullie.

 

Waar moeten we nu heen?

Zelfs de heren officieren weten

de weg niet, kijk maar daar.

 

Ben ik onzichtbaar of merken

ze me gewoon niet op? Vreemd,

wordt dit allemaal voor mij opgevoerd?

Of moet ik een bepaalde rol spelen?

 

Wat is dit voor toneelstuk?

Waar moeten we naartoe?

 

Jij wist toch alles?

 

 

© Bert Bevers – 2019

 

Recensie: Paul Demets. De klaverknoop (Resensent: Luuk Gruwez)

Sunday, January 20th, 2019

 

Met zichzelf in de knoop

Recensie door Luuk Gruwez

 

Een flauw dogma luidt dat het gezin de hoeksteen van de maatschappij is. Bij Paul Demets die voor het eerst sinds De bloedplek uit 2011, bundel waarmee hij de Herman de Coninckprijs binnenrijfde, imposant nieuw werk aflevert, heet dat gezin met een neologisme ‘de klaverknoop’. De klaverknoop staat voor verbondenheid en de broosheid daarvan. Het refereert op zijn best aan het klavertje-vier, symbool van amper te vinden geluk. Waarschijnlijk is deze bundel niet heel toevallig, zij het middels discrete initialen, opgedragen aan de drie leden van het gezin waarvan Demets, vierde blaadje van het klavertje-vier, de pater familias is.

De dichter vergelijkt twee gezinnen: dat van vroeger, waarin zijn ik-figuur is opgegroeid, en dat waarvan die thans deel uitmaakt. Het eerste staat hier in een kwalijk daglicht. Tot de moeder, van wie wij al meteen een weinig flatteus portret krijgen, voelt hij zich niet bepaald aangetrokken. Zij wordt als dreigend ervaren, omdat zij zich realiseert dat haar zoon, door geboren te worden, ophoudt van haar te zijn. Zij gijzelt hem:

 

‘Ik houd mij ver van haar, maar ze trekt mij dichterbij.

 Wat ze in zich droeg, rust rood als in watten  gedoopt

 op tafel. De slagader klopt in haar lies. De stift

 likt haar lippen. Deze kamer kent geen buiten.’

 

In de weinig zachtzinnige aanvangscyclus zit, onder de titel ‘Moedervlek’, meteen ook een veelzeggende assonantie met De bloedplek, Demets’ vorige bundel. Daar deed het woord ‘bloedplek’ mij  toen qua klankkleur aan ‘broedplek’ denken.

De vader dan! Een gezinshoofd kun je hem niet noemen. Hij is verworden tot een vage, naamloze schim die gedwee naar de pijpen van zijn vrouw danst binnen de omtraliede ruimte van een gezin, waaruit niet te ontsnappen valt en waarin de ik, bedolven onder het gewicht van zijn moeder, onfortuinlijk naar adem snakken moet: ‘Ik ben met pik en al / in haar patroon gestikt.

Hoe anders gaat het eraan toe in het tweede gezin dat Demets schetst, dat waarvan de zoon inmiddels zelf vader geworden is. Hij lijkt daarin een herhaling van vroegere ervaringen te willen voorkomen, bindt de strijd aan met zijn bezwarende herinneringen. De broze binding die hij nastreeft, is er een van vereniging en omarming, niet van gevangenschap of kneveltouw.

Alles rijmt op alles in deze hecht doortimmerde bundel met een doorgaans strakke strofevorming. De vele binnenrijmen en herhalingen zorgen voor een hechte samenhang. Demets steekt van wal met een cyclus van zeven gedichten onder de titel ‘Moedervlek’. Dat woord roept natuurlijk een associatie met het levensbegin op, de plaats waar zijn personage een identiteit moest zien te krijgen. Maar altijd, ook waar zijn wereld zich tot ver buiten het gezin verbreedt, is er die spanning tussen verbondenheid en ontbinding, tussen toenadering en afscheiding, tussen een ego dat in zijn confrontatie met dat van een ander naar zijn eigenheid op zoek is. Ook daar zit hem de knoop. Hak je die door of laat je jezelf erdoor binden? De continue interactie met medemensen, ook met migranten, maakt de ik tot wat hij is: iemand waarin veel vreemden huizen die  bewijzen dat een mens altijd ten onrechte vermoedt dat hij uitsluitend uit zichzelf bestaat. Demets bedient zich − hij is niet voor niets plattelandsdichter van Oost-Vlaanderen − van veel natuurbeelden. Zo grijpt er  in de laatste cycli, een ontwikkeling van larve tot vlinder plaats. De hele bundel kun je lezen als het wordingsproces van een dichter die zich het vliegen wil eigen maken, maar zich tegelijk realiseert dat hij aan de grond blijft gekleefd. Dat roept vragen op. Wat is van onszelf en wat van een ander? Hoeveel anderen kunnen wij toelaten in onszelf als wij onszelf willen blijven? Hoeveel van buiten ons is daarvoor nodig en hoeveel van wat zich bij de geboorte al binnen ons heeft gevestigd?

De dichter legt er, mede aan de hand van citaten van postmoderne filosofen als Deleuze en Kristeva, de nadruk op dat iets als een eigen identiteit misschien nooit zal bestaan, evenmin als geest vol cohesie en harmonie. Alleen door middel van vermomming kan men zich in zijn wereld enigszins overeind houden. De mens is en blijft een ‘nomade’ (titel in deel II), op zoek naar een ‘monade’ (anagram van ‘monade’ en titel van deel I). Een monade is in de filosofie een ondeelbare eenheid. Het is de mens eigen daarnaar te snakken. Dat doet ook de ik-figuur hier heel intensief, maar tegelijk vruchteloos. De conclusie is dat iedereen een nomade blijft die het huis niet vindt waarvan hij had gehoopt dat het hem als een huid zou passen. Hij slaagt er niet in zich te vestigen en een leefbare identiteit te verwerven. Hij is en blijft te midden van zijn medereizigers een ‘eigenheimer’ − zie de titel van de slotcyclus. Hij ligt met zichzelf in de knoop. Een citaat van Julia Kristeva resumeert het perfect: ‘L’ étranger nous habite.’ Dit klinkt als een variant op de bekende uitspraak van Rimbaud, overgenomen door Lacan: ‘Je est un autre.’ Nooit kom je daarmee thuis.

 

MOEDERVLEK

 

6

 

Haar armen in huid gehuld zijn doorzichtig.

Haar vingers verplichten mijn lippen tot een kus.

Op haar wenken. Haar tong drukt mij

uit. Speeksel heeft haar mond op mijn wang

 

nooit bezegeld. Handen tasten als een vreemde

af. Ze kleedt zich op om niets bloot

te geven. Schoorvoetend past ze haar schoenen.

Tegen het raam een klap. Stof en veertjes

 

blijven kleven. Het liefst, zegt ze, zou die

zijn beeld achterna zijn gevlogen.

In  het raam slaat ze mijn blik af. Het wit

van de kamer, het woedend wit van haar ogen.

 

Paul Demets

 

_________________

PAUL DEMETS

De klaverknoop

De Bezige Bij, 74 blz., 19,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

 

 

Resencie: Huub Beurskens. Gedurig nader (Resensent: Luuk Gruwez)

Wednesday, December 26th, 2018

Van schijn en wezen: Gedurig nader

Resensent: Luuk Gruwez

Van bij de aanvang van zijn nieuwe bundel is de toon gezet en heeft Huub Beurskens zijn keuze gemaakt. Hij bepaalt zijn positie in confrontatie met een stichtelijk embleem van Jan Luyken uit 1711 dat ‘Gedurig nader’ is getiteld. Gedurig nader: zo luidt ook de titel van zijn bundel. Maar Beurskens bedoelt daar iets heel anders mee dan Luyken. Voor de laatste impliceert het een voortdurend smachten naar een onvergankelijk hiernamaals, voor de eerste een omarming van een aards heden dat juist door eindigheid wordt gekenmerkt. Voor Beurskens is de wereld waar Luyken naar verlangt er alleen maar een van schijn en waan, wat niet noodzakelijk onheilzaam is. Het wezen van de echte wereld ligt evenwel in zijn tastbaarheid. Het is aan de dichter een modus vivendi te vinden in ons precaire bestaan. Zijn gedichten zijn daar een poging toe.

Beurskens zou niet ook een beeldend kunstenaar zijn wanneer hij in zijn fraai meanderende, van neologismen doorspekte verzen, die tegelijk op een klassieke leest zijn geschoeid, geen oog had voor het produceren van beelden. Ten tijde van Jan Luyken was dit voor strikte protestanten een heikele aangelegenheid. Ook Cornelia Bosman, de vrouw met wie hij getrouwd was, verbood hem vanuit haar geloof nog langer iets af te beelden. Luyken volgde haar in haar oekaze en werd diaken. Er zijn geen schilderijen meer van hem bekend van na zijn veertigste. Hoe anders gaat het er bij Beurskens aan toe. Hij zweert juist bij de exuberantie van de verbeelding, laat die ongelimiteerd tot zijn verzen toe. Dat een mateloos genietend figuurtje van Goya op het voorplat van de bundel afgebeeld staat, is geen toeval. Beurskens dolt met de taal. Een heidens schrijfplezier spat van zijn poëzie af. In een akte van ongeloof komt hij in opstand tegen een mogelijke God. Een zogezegd waardig afscheid met samenzang rond urne of kist is niet aan hem besteed. Zo ziet hij zijn einde:

‘(…) Mocht het mij treffen wil ik mijn strot

 (…) rauw schreeuwen, van God los en s.v.p. alleen,

 waarbij ik alle porselein dat ik in handen krijgen kan

 tegen de muren zal keilen in mijn nonsjoel,

 onkerk of nikspagode, stijf kutwijf, klotedood!’

Houdt zo’n vitalistische houding in dat de wereld die hier wordt geschetst er een van rozengeur en maneschijn is? Welnee. De dichter zit herhaaldelijk op de wip tussen de mogelijkheid om met al zijn zintuigen het bestaan te omhelzen en de angst die steeds weer de kop opsteekt. In het gedicht ‘Erfgoed’ luidt het zo: ‘Die angst/ om niet meer te bestaan, waar kwam die toch vandaan?’ Want misschien, denkt hij, is het feit dat je bij de dood helemaal verdwijnt een illusie. Niets vergaat, maar alles transformeert in iets anders: ‘Geen wezen kan tot/ niets vervallen (…)’. Het is waar dat geen enkel ik heel lang ik kan zeggen, maar onze cellen blijven wel ononderbroken muteren. Wij zijn met zijn allen erfgoed van erfgoed dat ons is voorgegaan. De dichterlijke aandacht gaat niet enkel uit naar het vergankelijke. Want dat is niet wat het lijkt: het is veeleer veranderlijk. Er vindt alleen een metamorfose plaats: iets als die tussen rups en vlinder. Daar hoeven wij niet bang voor te zijn, al is het waar dat wij geen herinnering bewaren aan wat wij ooit zijn geweest.

Toch is deze poëzie, evenmin als kunst, de ultieme truc om het tijdelijke te vereeuwigen. ‘Alle kunsten worden antiquiteiten voor hooguit eeuwen,’ staat er. En verder: ‘Fijn wel dat om dit ook/ echt te zien de maker geen tijd is gegeven.’ Met andere woorden: het is voor een kunstenaar soms goed dat de schijn niet wordt doorgeprikt zodat hij kan geloven dat zijn kunst blijft. En het is een zegen dat geen enkele maker zo oud wordt dat hij er getuige van kan zijn voor hoe lang zijn kunst maar mag overleven. Namelijk tot die uiteindelijk zelfs geen antiekwaarde meer heeft. Het maakt de dichter wel vaker ‘als een kind zo bang’ dat alles vergaat, zelfs de zon: ja, ook die. Het montert de dichter niet op dit allemaal te weten. Hij mag dan wel veel weten, maar hij is bij nader inzien geen  onvoorwaardelijk liefhebber van kennis. Laat de wereld zoals hij is maar betijen, lijkt hij te stellen, zonder dat wij er te veel angstaanjagend inzicht in krijgen.

In een van zijn opvallendste gedichten, het voorlaatste van de bundel, beschrijft Beurskens hoe hij tegen de avond ‘een knar van ver in de tachtig’ bij een oude eik ziet staan klungelen met een touw, waardoor hij ontsteld aanneemt dat hier een verhanging op til is. Maar in de laatste strofe blijkt het om iets heel anders te gaan: ‘…Verdomme, daar hoorde ik de hoogbejaarde kraaien/ en zag ik hem hoog schommelen onder de eik! Dat wou/ ik ook! Niks indommelen of broekkakken, geen gezeik (…)’. De dichter is afgunstig op het personage dat hij beschrijft en dat aan het schommelende figuurtje van Goya op de kaft refereert: net als hij wil hij kraaiend van plezier in een schommelstoel gaan hangen. Maar dan volgt nog een slotgedicht waaruit blijkt dat hij eigenlijk niet goed weet wat hij op het einde aan moet met ‘het inzicht dat alle zin waan is.’ Hij laat ook de lezer in het ongewisse achter.

_________________________

HUUB BEURSKENS

Gedurig nader

Koppernik, 55 blz., 16,50 euro.

AANTAL STERREN:

****

MIJN ONVERLAAT

Ik heb een engel geloof ik bij me binnen,

nu eens beloken stil, dan vergeet ik hem,

dan weer voel ik zijn gefladder beginnen

in mijn darmen, hem mijn hart met klem

omarmen, ruisen in mijn oren, in een kies

of knook pulseren. Werd hij door een God

gezonden? Uit zijn antwoorden valt niets

te leren: nu eens stijgt hij tot hoogst genot

op in mijn lid, waarna hij wreed weer zit

te wringen in mijn heupgewricht. Kadee,

linkmiegel die telkens weten laat dat dit

mijn ik zijn leven is. Het is geen duivel, nee,

die kan ik missen. Alleen weet ik niet of

ik hem wel zo mag: hang zo van hem af.

Huub Beurskens