Wisselkaarten

Jaap Goedegebuure. Roland Holsts zwanenzang

Monday, May 6th, 2013

Op een goede dag, ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw, begaf de vermaarde uitgever Geert van Oorschot zich naar Bergen aan Zee, om een bezoek af te leggen aan de minstens zo vermaarde dichter Adriaan (voor vrienden ‘Jany’) Roland Holst (*1888). De oude bard, die een opdringerige bewonderaar kort tevoren nog had laten weten dat hij het zat was om al vele decennia voor Prins der Dichters te spelen, had de harp nog altijd niet aan de wilgen gehangen en zag zijn verzen met grote regelmaat in de literaire tijdschriften opgenomen. Van Oorschot vond dat het tijd werd de nieuwe productie te bundelen en had zelfs al een titel bedacht. ‘Jany’, zo sprak hij nadat het eerste kelkje jenever geledigd was en een verse sigaar opgestoken, ‘je zult nu wel gauw doodgaan, dus ik stel voor dat we je boek Laatste bundel noemen.’ Roland Holst zweeg enige tijd en zei toen bedachtzaam: ‘Nee, Geert. Voorlópig laatste bundel.’ Aldus geschiedde. Een paar weken nadat Voorlopig de boekhandels had bereikt, overleed de dichter. Kort tevoren was er nog een radiomedewerker langs geweest om hem een gedicht te laten voorlezen. Holsts keuze viel niet op iets van eigen makelij, maar op het klassieke vers ‘De tuinman en de dood’ van vriend en leeftijdgenoot P.N. van Eyck. Roland Holst droeg het voor met een snik in zijn stem en ledigde vervolgens met de geluidsman een fles wijn.

            Roland Holst was wat men noemt een ‘bevlogen’ dichter. Hoewel hij ook man van de wereld was en de reputatie van een geduchte rokkenjager genoot, zag hij zijn poëzie als een hoge opdracht, hem verstrekt door een onaardse boodschapper. Dat hij domicilie had gekozen aan de Noordzeekust paste in de door hem gecultiveerde mythe dat zich daar de grens bevond tussen de verdorven wereld van materie en klatergoud en de Elyseese Velden aan de overzijde van de grote plas. Zelf beschouwde hij zich als een verdwaalde godenzoon die met het ene been vast zat in het hier en nu en zich met het andere been daaruit probeerde los te wrikken. Die spagaat geeft zijn gedichten niet zelden iets krampachtigs, iets wat in weerwil van het door hem beleden heidendom sterk doet denken aan het christelijke beeld van de zondige aarde versus het hemelse heil.

            Behalve zanger van het Elysisch verlangen was Roland Holst ook de auteur van het gedragen gedicht ‘Zwerversliefde’, dat het ooit goed deed bij romantisch aangelegde pubers. Ik en diverse van mijn vrouwelijke klasgenoten hadden het overgeschreven op een los schriftblaadje en bewaarden het in onze agenda’s. Vooral de vergeefsheid van het menselijk samenzijn sprak ons, die zo graag comfortabel ongelukkig wilden zijn, sterk aan.

 

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -

 want, o de maatloze verlatenheden,

 die over onze moegezworven leden

 onder de sterren waaie’ in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

 het trotse hoge woord van liefde spreken,

 want hoeveel harten moesten daarom breken

 onder de wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in de wind

 ritselend langs de zoom van oude wouden,

 en alles is onzeker, en hoe zouden

 wij weten wat alleen de wind weet, kind -

 

En laten wij omdat wij eenzaam zijn

 nu onze hoofden bij elkander neigen,

 en wijl wij same’ in ‘t oude waaien zwijgen

 binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in de wind,

 en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

 en daarom – voor we elkander weer vergeten -

 laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

 

In Voorlopig is de poëzie van een totaal ander kaliber. Roland Holst had er alle romantiek en priesterlijke pose afgelegd, en verstond zich onverschrokken met de onvermijdelijke aftakeling en de al even onvermijdelijke dood. Hoewel deze ouderdomsgedichten in literair opzicht niet tot de absolute top behoren, zijn ze me om de combinatie van weerbarstigheid en kwetsbaarheid toch zeer sympathiek. Hier volgt tot slot een enkel voorbeeld.

 

WAT WAS

 

Toen er niets meer dan afbraak overbleef

deed hij de glazen deuren langzaam open

en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef

niet meer en zie van hopen en wanhopen

af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,

gedronken en gegeten wat ik wilde

en alles wat ik in de avond schreef

blijft naast mij.

Luuk Gruwez. Verbijsterend heelal

Thursday, May 2nd, 2013

 

Deze recensie verscheen eerder in ‘De Standaard der Letteren’.

Luuk Gruwez. VERBIJSTEREND HEELAL

De auteur: zo langzamerhand een van de prominentste Nederlandse dichteressen.

Het boek: dichtbundel van iemand die zich voortdurend beraadt op haar positie in het haar omringende heelal en daar soms bang van wordt.

ONS OORDEEL: prachtig gecomponeerde bundel.

De recentste bundel van Maria Barnas vertoont een cyclische structuur. Hij begint met een gedicht over de oerknal. ‘Het heelal slaat de vleugels uit,’ heet het daar. En het eindigt met het ultrakorte gedicht ‘Oeverloos’: ‘De o van dood.’ Het is alsof in de dood alles weer heel wordt, alsof daar de perfect ronde en eindeloze staat van oeverloosheid wordt bereikt. Het heelal dat sinds de oerknal aan het uitwaaieren was geslagen en in fragmenten uit elkaar was gevallen, krijgt er als het ware zijn heelheid en zijn eenheid terug. Helaas enkel voor de duur van deze bundel.  Op de kaft staat, zwart tegen een witte achtergrond, een zwerm vogels afgebeeld. Die doen mij vanwege de dreiging die van ze uitgaat heel erg aan de ‘The Birds’ van Alfred Hitchcock denken. En inderdaad, in het eerste gedicht kun je met wat goede wil een bevestiging hiervan lezen: ‘Angst is een zwerm die rust in een boom.’

Het lijkt alsof Maria Barnas moeizaam overweg kan met het almaar meer gefragmenteerde heelal dat ons omringt. Zij schetst een werkelijkheid die ter wille van haar versplintering angstaanjagend is en gaat op zoek naar een herstel van de eenheid. Het bladzijdelange tweede gedicht van de bundel draagt als titel ‘Waar men bang voor is’. En dan volgt een vrijwel eindeloze opsomming van datgene waarvoor men zoal bang kan zijn: zowel voor huidziekten als voor orkanen, voor seks als voor flauwvallen, voor de paus als voor Rusland, voor de eeuwigheid als – ja, het staat er – voor ‘alles’. Angst, soms ontaardend in paniek, is de dominante in deze bundel van Barnas. Zo groot is hij dat de dichter de suggestie wekt te willen verdwijnen. Daarvan getuigt ‘Gesloten hoofd’, een gedicht opgedragen aan de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker, die zich heeft gesuïcideerd en waarin twee andere door zelfmoord omgekomen dichters ten tonele worden gevoerd: Sylvia Plath en Anne Sexton. Een ander gedicht brengt het getuigenverslag van de verdrinking van een vrouw. Dat ontlokt Barnas deze bedenking: ‘Ik aarzel aan het water zoals wandelaars / die aan het water staan. We aarzelen niettemin.’ En in de beschrijving van haar ouderlijke huis in Schoorl, waar zij niet langer in kan omdat er inmiddels andere mensen wonen, heeft zij het over de wens ‘om elke dag iets trager / uit het zicht te verliezen en ronduit in te verdwijnen.’

Zoals zoveel dichters die hun identiteit zoeken in de diaspora van plaatsen waar zij korte of lange tijd hebben verbleven, vergeefs op zoek naar iets als een absoluut onderkomen, focust ook zij zich op de plekken van haar bestaan. En dat is niet enkel Schoorl. Maar net zo goed Parijs of Amsterdam of Istanbul of Rome. Of Berlijn, de stad waar zij thans woont. Zij is overal op zoek naar een plaats waarvan zij kan zeggen dat zij er thuis is. Of dat helemaal lukt, is de vraag. ‘Ik ben hier thuis op een manier,’ klinkt het ergens met enige reserve. Eén plek op IJsland, vlak bij de ondergesneeuwde top van de Vatnajökull, confronteert haar weer met de essentie, met die hele kosmos waar zij zich geen raad mee weet: ‘Het is wit in mijn hoofd. Kan iemand me details geven? / Ik sta in het midden van een verbijsterd heelal.’ Die tot ontreddering leidende spanning tussen een individu en de hem omringende oneindigheid doet even aan een regel van Lucebert denken: ‘dit was ik en dat was het heelal.’ ‘De oeverloze tijd en ik’: om deze relatie gaat het hier namelijk van het eerste tot het laatste woord. Het is het benoemen van de dingen dat de dichter enige grip op het bestaan moet geven. Daarzonder regeert chaos. Tegelijk is het twijfelachtig of woorden die kunnen bedwingen.

Chaos: dat is ook de haast ontembare dagelijksheid, de tijd met al zijn trivialiteiten die je ten goede of ten kwade afleidt van de plechtstatige onbereikbare eeuwigheid en het meesterwerk dat zelfs ambieert een anderssoortig leven te zijn. Heel pregnant en met onvermijdelijke ironie verwoordt Maria Barnas haar dagindeling in het gedicht ‘De kinderen’: ‘Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen / neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden / mogen slaan met pannen en dieren / schoppen en deuren en niet op het kleed poepen / en er met een trein doorheen rijden (…).’ En verder: ‘Nog acht minuten voor een meesterwerk (…).’ Fnuikender dan hier is de clash tussen de realiteit en de literatuur nergens. De strijd tegen de tijd moet het afleggen tegen een paar futiele  besognes. ‘Jaja de oerknal,’ klinkt het nog ergens in het heelal, maar het is precies alsof alleen heel ondermaans en heel banaal op een kleed wordt gepoept. Maria Barnas heeft moeite met al die dagelijksheid. De goodwill waarmee zij het enthousiasme van haar kinderen voor iets als voetbal op televisie registreert, is matig. Maar ach, dat voetbal? Het zorgt soms voor extra time, voor verlengingen als enige min of meer aanvaardbaar alternatief voor de eeuwigheid.  

____________________

MARIA BARNAS

Jaja de oerknal

uitgeverij De Arbeiderspers, 48 blz., 18,95 euro

 

AANTAL STERREN:

****

 

DE KINDEREN

 

Nog dertien minuten

nee twaalf.

 

Ik had de hele dag om te werken

maar ik ging lezen en sorteren en kijken

hoe ik de dag het best kon indelen en nu

heb ik er nog maar elf.

 

Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen

neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden

mogen slaan met pannen en dieren

schoppen en deuren en niet op het kleed poepen

en er met een trein doorheen rijden

en niet je neus aan je broer afvegen

en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch eens

in je eigen bed en niet schreeuwen niet schreeuwen schreeuw niet zo!

 

Het hikken in mij

als de ochtend die ik

in schok schokken voorbij zie gaan.

 

Nog acht minuten voor een meesterwerk

of laat het een begin zijn.

 

Iets wat zo kan klinken.

Maria Barnas

Jaap Goedegebuure. De macht van twintig koeien en meer

Tuesday, April 23rd, 2013

Een bekend gedicht van Lucebert begint zo: 

            er is alles in de wereld het is alles

            de dolle hondenglimlach van de honger

            de heksenangsten van de pijn en

            de grote gier en zucht de grote

            oude zwarte nachtegalen

            het is alles in de wereld er is alles 

Luceberts toon heeft iets bezwerends, alsof hij de door hem opgeroepen monsters liefst meteen weer hun hok wil insturen. Die toon is overigens niet iets waarop hij monopolie heeft. Je vindt hem bij diverse andere twintigste-eeuwse dichters, de Oostenrijker Georg Trakl bijvoorbeeld. Die schreef een ‘Psalm’ geheten gedicht dat, gedempt weliswaar, klaagt, jammert en bezweert. 

            Es ist ein Licht, das der Wind ausgelöscht hat.

            Es ist ein Heidekrug, den am Nachmittag ein Betrunkener verlässt.

            Es ist ein Weinberg, verbrannt und schwarz mit Löchern voll Spinnen. 

We kunnen nog verder terug in de tijd, tot aan Rimbaud, met wie de moderne lyriek begint. Vier regels uit zijn gedicht ‘Enfance’ luiden in de Nederlandse vertaling van Paul Claes aldus: 

            Er is een klok die niet slaat.

            Er is een kuil met een nest vol witte dieren.

            Er is een kathedraal die daalt en een meer dat stijgt.

            Er is een wagentje dat in het struikgewas is achtergelaten of met linten versierd de weg af snelt.

Karakteristiek voor de moderniteit is dat dichters, net als degenen onder ons die niet dichten maar wel klagen en jammeren, dolgraag het volledige leven tot uitdrukking willen brengen, maar er onvoldoende vat op kunnen krijgen. En dus doen ze maar een greep, tegen beter weten in hopend dat God die greep wil zegenen. ‘I can’t make it cohere’, verzuchtte Ezra Pound al. Het is precies hier dat de dichteres Tjitske Jansen zich voegt in de lijn Lucebert-Trakl-Rimbaud. Haar bundel Koerikoloem is een poging een curriculum vitae in kaart te brengen. Uiteindelijk komt de reconstructie niet veel verder dan fragmenten, scherven liever gezegd. Soms is er een zekere opbouw of samenhang in te ontwaren, maar even vaak ook niet. Het is juist op de momenten van kortsluiting dat deze poëzie – want poëzie is het vanwege de bezwerende toon wel degelijk, ondanks de prozaïsche vormgeving die het tegendeel suggereert – begint te knetteren en te vonken, bijvoorbeeld waar er op het verslag van een discussie over God deze twee zinnen volgen:

       Er was een helderziende vrouw die me aanraadde een anti-aanbakpan te kopen. Dat zou me veel tijd besparen.

 Of neem een sequentie als deze:

       Er was iemand die een spreekbeurt hield over het glazen oog van haar vader. Ze gaf zijn reserve glazen oog door in de  klas.  In een luciferferdoosje. 

        Er waren haar zusjes, vijf en zes jaar oud, die met zijn tweeën de koeien de wei uit kregen, de weg over, de stal in. Ze hadden    een macht zo groot als twintig koeien.  

 Eigen aan de moedwil waarmee Tjitske Jansen kortsluiting maakt en evenzeer eigen aan de misverstanden waarmee ze ons, tijdelijk of permanent, opzadelt, is de weerbarstige vitaliteit die daar uit spreekt. Het is een vitaliteit die de macht van twintig koeien verre te boven gaat.

Jaap Goedegebuure. Egidius

Monday, April 15th, 2013

Een van de mooiste gedichten uit de Nederlandstalige literatuur is de evergreen die begint met de frase ‘Egidius, waer bestu bleven’. Het ontstond in een kring van dichters, zangers en muzikanten die gevestigd was in de Vlaamse haven- en handelsstad Brugge, omstreeks 1400 een ongeëvenaarde brandhaard van economische en culturele activiteit. In deze kring moet Egidius een prominente plek hebben gehad, zo prominent dat hij na zijn dood geëerd werd met twee rouwverzen. Het bekende Egidiuslied is er een van. Met tientallen andere op muziek gezette gedichten is het overgeleverd in het zogenaamde Gruuthusehandschrift. Dat ging in 2007 voor grof geld van particulier Vlaams bezit over naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, tot verdriet van onze letterlievende zuiderburen. Om het een beetje goed te maken is het nu even in Brugge terug, tentoongesteld in het paleis van de adellijke familie Gruuthuse.

Ter gelegenheid van deze expositie verscheen onder de titel Liefde, leven en devotie een bloemlezing uit het Gruuthusehandschrift. Op de linkerpagina’s vindt men de originele tekst, op de rechter een vertaling in eigentijds Nederlands van de hand van dichteres Maria van Daalen. Als specialist op het gebied van de middelnederlandse poëzie en dichteres in her own right was zij geknipt voor deze opdracht. Om een indruk te geven van haar bewonderenswaardige prestatie volgt hier haar versie van het Egidiuslied, voorafgegaan door het origineel. 

 

         Egidius, waer bestu bleven?

          Mi lanct na di, gheselle mijn.

          Du coors die doot, du liets mi tleven.

          Dat was gheselscap goet ende fijn,

           het sceen teen moeste ghestorven sijn.

 

Nu bestu in den troon verheven,

claerre dan der zonnen scijn.

Alle vruecht es di ghegheven.

 

            Egidius, waer bestu bleven?

            Mi lanct na di, gheselle mijn.

            Du coors de doot, du liets mi tleven.

 

Nu bidt vor mi: ic moet noch sneven

ende in de weerelt liden pijn.

Verware mijn stede di beneven:

ic moet noch zinghen een liedekijn,

Nochtan moet emmer ghestorven sijn.

 

            Egidius, waer bestu bleven?

            Mi lanct na di, gheselle mijn.

            Du coors die doot, du liets mi tleven.

            Dat was gheselscap goet ende fijn,

             het sceen teen moeste ghestorven sijn.

 

           Egidius, waar mag je wezen?

            Ik wil je zo graag aan m’n zij.

            Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

            Zo goed toen, tussen jou en mij,

             als kwam de dood nooit meer voorbij.

 

Tot Gods troon ben je opgeheven,

straalt boven zon en sterrenrij.

Het puurst geluk is je gegeven.

 

            Egidius, waar mag je wezen?

            Ik wil je zo graag aan m’n zij.

            Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

 

Bid toch voor mij, ik word gedreven

door deze wereld, hard, onvrij.

Weer naast jou zitten, dat duurt even.

Ik zing eerst nog dit lied van mij,

het sterven komt vanzelf voorbij.

                        Egidius, waar mag je wezen?

                        Ik wil je zo graag aan m’n zij.

                        Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

                        Zo goed toen, tussen jou en mij,

                        als kwam de dood nooit meer voorbij.

 

 

 

 

 

Luuk Gruwez. Pleidooi voor het nu

Wednesday, April 3rd, 2013

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. PLEIDOOI VOOR HET NU

In het motto van ‘Uitzicht genoeg’, de jongste bundel van Marjoleine de Vos, zet Wieslaw Mysliwski al meteen de toon: ‘Nee, je keert nooit meer terug naar dezelfde plek. Eerlijk gezegd bestaat die plek niet meer en zelfs de mogelijkheid om ergens terug te keren bestaat niet.’ Vele van deze gedichten beschrijven niettemin zoektochten, vaak gestoffeerd met mythologische referenties aan fameuze reizigers: Aeneas, Odysseus of Gilgamesj, bijvoorbeeld. De dichter realiseert zich al heel snel dat eeuwigheid niet bestaat of dat zij onvatbaar en onbereikbaar is, maar zij lijkt zich ermee te verzoenen dat het uitzicht erop al voldoende is. Voor eeuwig mogen wij dan al niet bestemd zijn, maar het volstaat ernaar te kunnen kijken vanuit ons afgebakende hier en nu. Je moet in het leven overigens niet te ver kijken. ‘Dat wat je zoekt is hier,’ staat al in het eerste gedicht te lezen. En dat is meteen het hoofdthema.

Het gaat in deze poëzie voortdurend om de spanning tussen wat groter is dan wij en de beperktheid van onze vermogens. De dichter schaart zich nooit aan de kant van de goden, maar altijd aan die van de mens. En zij levert daarbij een stevig pleidooi voor het momentane. Mensen zijn veel te vaak geneigd zich te laten ringeloren door de gedachte aan het onmeetbare dat hen omringt: ‘Wij zingen heimelijk mee maar praten / over het Niets dat ons draagt en / dat we niet begrijpen.’ Dieren als hazen hebben niet zulke dwaze obsessies en pretenties: hun gaat het er juist om vrij te zijn, vrij van ‘mensenvragen’, vrij van een soort denken dat de beleving van het heden belemmert.

Marjoleine de Vos geniet in Nederland ook bekendheid als culinaire columniste. Iets van die directe zintuiglijke belangstelling straalt misschien wel af op haar gedichten. Het onmiddellijke genot is bij haar namelijk nooit verdacht, integendeel. Ze vindt het voor een appel bijvoorbeeld geen slecht vooruitzicht in een taart te eindigen. Wij gaan er trouwens veel te dikwijls van uit dat de tijd ons vijandig gezind is, vindt zij. Vandaar dat zij alle tijden van een mensenleven verzoent, alle metafysica in het bestaan incluis. Heden, verleden en toekomst vloeien onontwarbaar in elkaar over. ‘Geef heimwee naar de toekomst / dus geen kans, je bent er immers al,’ heet het. Dit maakt dat in alle tijd een zekere tijdloosheid verscholen zit. Er zit alleen geen plan in het bestaan en dat is goed: ‘Zoals een wandeling geen doel heeft / maar wel richting kiest.’ Het levert poëzie op met een hoog Carpe Diem- en Paradise Now-gehalte. Bestemming is iets waarvan wij ons moeten zien te ontdoen. Er mag dan al geen perfect geluk denkbaar zijn in het heden, wij hoeven ons daardoor niet van de wijs te laten brengen: ‘Elk paradijs is al voorbij, precies daarom / zijn wij er zo gelukkig geweest. Maar / ‘t echte feest is altijd nu (…).’ Nogmaals: ‘Uitzicht genoeg.’ Het is precies de vergankelijkheid van de tijd die er de kracht van uitmaakt en voor wie zich zijn sterfelijkheid niet realiseert is er aan het leven ook geen enkele lol te beleven. Bovendien ondermijnt Marjoleine de Vos de eindigheid van de tijd. Iets van ons blijft kennelijk altijd overeind of komt terug. Zij ziet ook het schrijven als een (mogelijk krakkemikkige) poging om het bestaan te recyclen: ‘Er huist geen groot schandaal in leven / dat verdwijnen moet om nog onwennig / op te staan in een herschreven vorm.’

Is er dan geen enkel moment waarop getwijfeld wordt aan de waarde van een leven dat gedoemd is te eindigen? Toch wel. Op zeker moment krijgt Nestor, een oude man, het woord. Hij evalueert het parcours dat hij heeft afgelegd niet als dat van een zinvolle reis, maar als een gependel tussen niets en niets. Zijn conclusie leidt niettemin tot een duidelijke directive aan wie jonger is: ‘Spaar niet. Leef hevig. Hoepel op. Jij met je levensvreugd.’ In een gedicht over een in heimwee verdrinkende Odysseus, weerklinkt dezelfde doelloosheid van elke reis en de onmogelijkheid van elke terugkeer: ‘Wie van huis gaat, komt niet weerom.’ Toch lijkt de dichter ons te willen voorspiegelen dat er iets is dat de eindigheid overtreft. In het allerlaatste vers van de bundel lezen wij namelijk dit: ‘De liefde van Indroe en Gilgamesj was groter dan de dood.’ Het is alsof hier wordt gesuggereerd dat het moment, als er maar voldoende intensiteit aan toegekend wordt, zich ontdoet van wat vergankelijk is. Daar is alleen maar liefde voor nodig.

_______________________

MARJOLEINE DE VOS

Uitzicht genoeg

uitgeverij Van Oorschot, 59 blz., 14,50 euro

 

STERREN:

****

 

KRINGLOOP

 

En steeds is alles op zijn mooist: van start

in volle bloei tot rood en krachtig kaal.

Er huist geen groot schandaal in leven

dat verdwijnen moet om nog onwennig

op te staan in een herschreven vorm.

We spreken over ons bestaan, we lachen

willen hier zijn, altijd hier. Zoals de vlier

heel oud al in zijn ziel, maar graag bereid

tot flierefluiten voor wie wil.

 

Marjoleine de Vos

Luuk Gruwez. Het gedicht

Monday, April 1st, 2013

Deze tekst verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 Luuk Gruwez. HET GEDICHT

  

DE DICHTERS

 

De dichters, ze zijn met velen.

Op laarzen, top tot teen in zwart,

marcheren ze door de straten.

 

Ze willen u de schoonheid laten zien,

de waarheid en het onontkoombare

verlies dat schittert in uw eigen ogen.

 

Ze dragen spiegels, onderdrukken

soms de neiging om erin te kijken.

 

‘In de aanslag!’ De spiegels hoog.

‘Mars!’ En ze marcheren, marcheren.

 

Mark Boog

(uit ‘Maar zingend’, Cossee, 2013, 87 blz.)

 

******************

 ‘Maar de schoonheid is een borstel / uit de harde haren van het bitse / beest dat “waarheid” blaat (…).’ Het zijn verzen uit de nieuwe bundel ‘Maar zingend’ van Mark Boog. Ze verklaren mogelijk ook een en ander uit bovenstaand gedicht. Daarin worden dichters geschetst als onverzettelijke propagandisten van waarheid en schoonheid. De vraag is wie daar zijn voordeel mee doet. In het tafereel dat hier geschetst wordt, blijken dichters zich namelijk voort te bewegen als een talrijk bataljon (fascistische?) soldaten dat ongenood komt binnenvallen. Zij leggen hun lezers schoonheid en waarheid op, hun geprefereerde attributen, waarvan het zeer de vraag is of zij iemand tot zegen zijn. Feit is dat zij ook meteen worden gelieerd aan vergankelijkheid: ‘het onontkoombare / verlies dat schittert in uw eigen ogen.’ Iets waarmee niet iedereen geconfronteerd wil worden.

Het belangrijkste wapen van de dichters is de spiegel. Het is een instrument dat zij de lezers / toeschouwers blijkbaar tot zelfkennis moeten voorhouden, maar dat hen ertoe dreigt te verleiden ook naar zichzelf te kijken. Er wordt gesuggereerd dat zij om de een of andere reden deze kans op inzicht onderdrukken. Boog afficheert zich als iemand die vraagtekens plaatst bij de heilzaamheid van waarheid en schoonheid, zeker als die worden uitgedragen door dichters die slaafs, maar ook met een zeker plezier (of is het leedvermaak?) gehoorzamen aan de marsorders van dubieuze superieuren: ‘En ze marcheren, marcheren.’ Je bent geneigd erbij te denken: ‘dat het een lieve lust is.’ Er zit veel mysterie in deze verzen, voornamelijk doordat in het ongewisse wordt gelaten welk tuig van de richel de dichters in zijn macht heeft.

Jaap Goedegebuure. God zij dank dat stenen slechts stenen zijn

Thursday, March 28th, 2013

In Karel Schoemans onvolprezen roman ’n Ander land is een belangrijke rol weggelegd voor de predikant Scheffler. In een opmerkelijke passage spreekt hij zich uit tegenover hoofdpersoon Versluis, een Nederlander die aan het einde van de negentiende eeuw in Bloemfontein genezing voor zijn tuberculose komt zoeken. Scheffler bekent dat hij zich na een langdurig studieverblijf in Duitsland, waar zijn familie oorspronkelijk vandaan komt, eigenlijk nergens meer thuis voelt. Het Afrika waar hij is geboren en groot geworden, wordt naar zijn gevoel met de komst van elke nieuwe blanke steeds minder zichzelf. Over de oorspronkelijke, authentieke werkelijkheid schuift een vreemde en vijandige realiteit, vol verval en vervreemding. Er is maar één manier om te ontkomen aan het psychisch ongemak dat met deze ervaring samen gaat: je moet jezelf onvoorwaardelijk overleveren aan het lege en weidse land dat zich schier eindeloos buiten de bebouwde kom van Bloemfontein uitstrekt. De meeste Europeanen zijn daartoe niet bij machte.

‘Hulle deins terug; hulle is bang: die land bedreig hulle met sy leegte en stilte, dit slaan geen ag op hulle nie, dit stel geen belang in wat hulle hier probeer uitrig nie. Ek kan dit verstaan, gedurende die eerste dae van hierdie reis het ek dieselfde angs gevoel wanneer ons in die verlatenheid kamp opslaan en die nag ons oorval. Maar jy moet volhard in jou gawe, dan gaan die angs geleidelik oor. Die land bly afsydig, dit het ons nie nodig nie en stel geen belang in ons nie; maar juist dáárom sal dit ons ook geen kwaad aandoen nie. Op dié manier kan ons hier verder leef, in hierdie stilte, soos die woestynplante wat in die skeure van die klippe groei en met hulle wortels daar indring om aan die lewe te bly, die blommetjies wat so klein is dat mens hulle skaars kan sien tussen die sand en die gruis waarin hulle groei. Daar is niks nie, heeltemal niks; maar mens kan so lewe.’

Schefflers kijk op ‘die wye en droewe land’ doet denken aan het lange gedicht ‘De hoeder van de kudden’ van Albert Caeiro, een van de alter ego’s van de Portugese auteur Fernando Pessoa. Ik citeer twee karakteristieke fragmenten in de vertaling van Teresa Sobral Cunha. 

Thank God stones are only stones,

And rivers are nothing but rivers,

And flowers are just flowers. 

Me, I write the prose of my poems

And I’m at peace,

Because I know I comprehend Nature on the outside;

And I don’t comprehend Nature on the inside

Because Nature doesn’t have an inside;

If she did she wouldn’t be Nature.

 

I saw that there is no Nature,

That Nature doesn’t exist,

That there are hills, valleys, plains,

That there are trees, flowers, weeds,

That there are rivers and stones,

But there is not a whole these belong to,

That a real and true wholeness

Is a sickness of our ideas. 

De visie van Scheffler en Caeiro is niet alleen gespeend van elke illusie, ze getuigt ook van het inzicht dat wij geneigd zijn iets of iemand, een geestelijke tegenwoordigheid, een of andere bezieling, wie weet wel een of meer goden of die ene God, in de natuur projecteren. Op zijn best dient de natuur ons tot een spiegel. En voor we het weten dichten we dat wat onbezield is spirituele of metafysische kwaliteiten toe. Dat Karel Schoeman juist een predikant dit mechanisme laat doorzien, is uiterst betekenisvol.

Bert Bevers. Niemand die het weet

Wednesday, March 20th, 2013

Niemand die het weet

GAAP

Wolter Seuntjens is chasmoloog. Mijn editie van de Dikke Van Dale kent het woord niet. Chasmoloog? Gaapdeskundige! Dat bestáát. Seuntjens promoveerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op het proefschrift On yawning. Daarna verscheen zijn boek Gaap! Geen literatuur, maar een heerlijk boek voor wie dol is op al dan niet relevante trivia. Het grappige is dat iedereen het verschijnsel gapen kent, maar dat er amper serieus onderzoek naar is verricht. Uit wetenschappelijke studies bleek dat het niets te maken heeft met zuurstoftekort, honger of vermoeidheid (want in bed wordt niet gegaapt). Maar waarmee dan wel? Niemand die het weet. Door de eeuwen heen is er wel regelmatig gesteld (onder meer in de Kamasutra, en in Lady Chatterley’s Lover) dat wanneer een vrouw gaapt, zij daarmee vleselijke willigheid vertoont. Maar hoe zit het dan met de mannen? Die gapen toch ook? Zijn zij nooit behept met vleselijke willigheid? In concreto: niemand die het weet. Wolter Seuntjens heeft wel andere dingen vastgesteld. Dat álle vissen gapen. Dat álle reptielen gapen. En dat álle zoogdieren gapen, op twee na: slechts bij de walvis en de giraffe is nooit gapen vastgesteld. Zoiets vind ik nou een aardig weetje. Met deze (in de ogen van vele mensen volslagen zinloze) informatie kan ik in de Zoo mensen die de giraffen staan te bewonderen wellicht eens van dienst zijn….

 

 

 

Jaap Goedegebuure. Waar is de wereld?

Monday, March 18th, 2013

Sinds 2004 zijn de wanden van een glazen verbindingsgang tussen twee gebouwen van de Tilburgse Universiteit beschreven met een gedicht van Rutger Kopland. Het luidt als volgt:

 

In deze glazen gang lopen

 

In je hoofd flarden van een dagdroom

wat je had moeten zeggen

 

Ja je had moeten zeggen

wat overblijft is de vraag

Waar is de wereld

Zo’n mooie diepzinnige uitspraak

 

En je spiegelbeeld loopt doorzichtig

met je mee dwars door het park

de bomen het gras de merels

 

Door wat daar is buiten je hoofd

 

Als ‘werk in opdracht’ verwijzen deze regels expliciet naar de plaats en de situatie waarvoor ze werden geschreven: een doorzichtige gang dwars door een grasveld met bomen.

De bijna afgestudeerde student of aanstaande doctor die nog een benauwd vragenuurtje moet doorstaan voordat het diploma kan worden uitgereikt, zal zich kunnen vereenzelvigen met de door Kopland aangesproken persoon. Ook die komt pas na afloop van het examen op het goede antwoord.

Maar het gedicht is er ook een uit het boekje, Koplands boekje wel te verstaan. De vraag die deze vorig jaar overleden dichter steeds sterker is gaan bezighouden, raakt de kern van een kwestie die op het eerste oog louter academisch lijkt, maar die bij nader overdenken gerust als existentieel probleem mag worden aangemerkt. ‘Waar is de wereld?’

Al meer en meer raakte Kopland ontvankelijk voor de leegte in de werkelijkheid, en daarmee ook voor het verlangen naar onthechting. Hij projecteerde dat verlangen in kale, ontheemde landschappen en verstilde rivieren. Daarnaast was leegte voor hem synoniem met het besef dat alles vluchtig en vliedend is, voorbestemd om meteen bij het verschijnen ook weer te verdwijnen. Tenslotte onderkende Kopland ook de leegte voorbij het menselijk bevattingsvermogen, de leegte van de onverschillige, letterlijk niets-zeggende en betekenisloze wereld die aan taal geen boodschap heeft en zich niets gelegen laat liggen aan de woorden waaronder we haar bedelven.

En toch zijn we van nature gedoemd met vragen te blijven zitten. Waar is de wereld? Hoe is de wereld? In het gedicht ‘Boomgaard’, te vinden in Een man in de tuin zegt Kopland er dit over:

 

            Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze

            gemaakt zijn – en zo is het met alles in de wereld

            niets weet waarvoor het er is

en ook wij weten het niet

 

            ik kijk door het raam de boomgaard in en ik zie hoe

            woorden voor vogels, bomen, gras, voor wat er is daar

            daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf

            heeft geen betekenis

 

            in mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor

            iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte

 

            en langzaam begin ik te voelen en te denken

            dat ook de boomgaard daar naar zoekt – dat wij

            hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik

 

Naarmate Koplands dichterschap rijpte en zijn oeuvre groeide, werd hij herkenbaarder, in de keuze van zijn onderwerpen en zijn idioom. Zijn repertoire versmalde zich, zijn trefwoorden kwamen steeds vaker terug. Van de weeromstuit begon hij al hoe meer te variëren op de motieven vergankelijkheid en dood. Zijn poëzie leek daarmee ook ijler geworden, net als het spiegelbeeld dat daar in de glazen gang naast je loopt, buiten je hoofd, je dubbelganger die zich van jou onthecht. 

 

Jaap Goedegebuure. Het onherstelbare

Saturday, March 2nd, 2013

Veel poëzie, en wat mij betreft is dat de beste, komt voort uit iets wat dwars zit: verlies, frustratie, onvervuld verlangen en vooral het onbestemde onbehagen dat zeurt als een zweer die maar niet wil doorbreken. Het wordt er alleen maar mooier op wanneer er uit die ongenoegens muziek klinkt, liefst getoonzet in C-mineur. Mijn favoriete gedichten laten zich karakteriseren als verstilde klaagzangen en ingetogen lamento’s, opstijgend uit een zich herhalend patroon van woorden die zachtjes ten hemel schreien. Daarbij reikt het repertoire, met de nodige oh’s en ah’s, van J.H. Leopold (‘O, als ik dood zal, dood zal zijn/ kom dan en fluister, fluister iets liefs’) tot Kees Ouwens (‘het is er niet je was het zelf twee/ schreeuwen twee een februariavond het is er niet je was het zelf// O nee het is er niet je was het zelf’).

            De ontdekking van zulke poëzie en mijn ontvankelijkheid ervoor dateren uit de periode waarin de biologische klok van het menselijk bestaan gemeenlijk het uur tussen hond en wolf aanwijst, the gloomy hour van de puberale weltschmerz en de innig gekoesterde melancholie, het uur dat voor sommigen, volgens dichter Anton Korteweg de comfortabel ongelukkigen, een leven lang duurt. Bij mij duurde het in elk geval lang genoeg om mijn ziel bereid te houden voor de ontmoeting met Baudelaire en zijn bloemen van het kwaad. Toen het zover was verkeerde ik halverwege de twintig. Een laatbloeier, zal men zeggen. Maar voor Baudelaire is het nooit te laat.

            Wat me in Les fleurs du mal trof, was de articulering van gevoelens die ik herkende van mijn calvinistische achtergrond: spijt, wroeging, zondebesef zelfs, en bovenal de wetenschap dat alles ijdel en tevergeefs is. Van de heiden die ik aanvankelijk in Baudelaire vermoedde, verbaasde me dat nogal; toen ik wat dieper tot hem doordrong begreep ik dat hij, hoe tegendraads ook, met al zijn vezels vastzat aan de christelijke schematiek betreffende goed en kwaad. Je zou beter kunnen vragen wie daar in het tijdperk van secularisering echt van losgekomen is.

            Het gedicht uit Les fleurs du mal waarvan ik onmiddellijk wist dat het over mij ging, heet ‘L’irréparable’. Dat wat niet meer goed te maken valt houdt je in een wurgende greep, allereerst omdat je vanwege je geworpenheid in het aardse tranendal deelt in een erfzonde waaraan je rationeel gesproken part noch deel hebt, maar ook omdat je dingen hebt laten liggen of verpest.

            Voor mij schuilt de magie van ‘L’irréparable’, net als in de hiervoor genoemde gedichten van Leopold en Ouwens, in de woordelijke herhalingen. Elke strofe wordt gemarkeerd door een begin dat echoot in de slotregel. In die echo klinkt vertwijfeling door, een sentiment dat wordt versterkt door de vraagtekens. Kunnen we de knagende wroeging een halt toeroepen? Nee, natuurlijk niet. Is er heul te verwachten van een tijdelijke verdoving? Ga je gang, maar weet dan wel dat je een verslaving aan drank en drugs op de koop toe neemt.

            Baudelaire is niet alleen de dichter met de knapste techniek ooit, hij is ook, in al zijn waarnemingen en overdenkingen, een diep borend psycholoog. Zijn analyse van de spijt is zo indringend omdat hij dat gevoel niet verbindt met aanwijsbare fouten of missers, maar oningevuld laat. Het is, net als het frequent door hem bezongen spleen, iets existentieels, of om het minder deftig te zeggen, een geboorteafwijking waarmee iedereen die een beetje bewust leeft behept is. In de twintigste eeuw begon men te spreken van ‘het menselijk tekort’, maar dat is maar een flauw aftreksel van het complexe onbehagen waaraan behalve Baudelaire ook Kierkegaard en Kafka leden. Zelfs wanneer je totaal geëmancipeerd geraakt bent van God en gebod, zul je bij veel van wat je doet of nalaat aanlopen tegen de gewaarwording dat het niet goed voelt of zelfs helemaal verkeerd. Altijd weet je je gadegeslagen door een afkeurende blik, ook als de hemelse vader een sprookjesfiguur voor je is geworden en je echte vader al lang dood en begraven.

            Naast ontoereikende antidota als wijn en hasjiesj, zoekt Baudelaire ook zijn heil bij de ‘belle sorcière’, de mooie tovenares van wie de specialisten weten dat zij waarlijk bestond in de persoon van actrice Marie Daubrun met wie de dichter een liaison had. Speciaal voor haar zouden de twee slotstrofen zijn bedoeld. Baudelaires spijt vloeit hier samen met afgunst op de toneelspelers; die zijn immers in staat tot het pretend you’re happy when you’re blue. Tegelijk ziet hij op hen neer, getuige zijn schildering van hun biotoop: het banale theater waar de fee vleugeltjes van gaas heeft. Voor de dichter, die gekortwiekte en bespotte albatros, zijn die gazen vleugels veel te broos om uit dit helse moeras op te stijgen.

            Nu ik dit alles zo neerpen en van tijd tot tijd een blik werp op Baudelaires gedicht, zie ik wel degelijk hoe retorisch, om niet te zeggen gezwollen het gevoel van het onherstelbare hier wordt verwoord. En de Nederlandse vertalingen van Peter Verstegen en Petrus Hoosemans, hoe vaardig ook, maken het er niet beter op, integendeel. Het Frans klinkt stukken beter, ook omdat het zo ver van mijn bed is, maar dat Baudelaire toch ook een echte patheticus is, lijkt me onmiskenbaar. Je ziet dat zijn Nederlandse navolgers Nijhoff en Bloem het besef van het onherstelbare veel gedempter, sotto voce, wisten te verwoorden. Om maar te zwijgen van grootmeesters als Leopold en Ouwens. Maar Baudelaire en zijn pathos zijn me toch altijd nog zeer dierbaar.

 

L’Irréparable

 

Pouvons-nous étouffer le vieux, le long Remords,
Qui vit, s’agite et se tortille
Et se nourrit de nous comme le ver des morts,
Comme du chêne la chenille?
Pouvons-nous étouffer l’implacable Remords?

 

Dans quel philtre, dans quel vin, dans quelle tisane,
Noierons-nous ce vieil ennemi,
Destructeur et gourmand comme la courtisane,
Patient comme la fourmi?
Dans quel philtre? — dans quel vin? — dans quelle tisane?

 

Dis-le, belle sorcière, oh! dis, si tu le sais,
À cet esprit comblé d’angoisse
Et pareil au mourant qu’écrasent les blessés,
Que le sabot du cheval froisse,
Dis-le, belle sorcière, oh! dis, si tu le sais,

 

À cet agonisant que le loup déjà flaire
Et que surveille le corbeau,
À ce soldat brisé! s’il faut qu’il désespère
D’avoir sa croix et son tombeau;
Ce pauvre agonisant que déjà le loup flaire!

 

Peut-on illuminer un ciel bourbeux et noir?
Peut-on déchirer des ténèbres
Plus denses que la poix, sans matin et sans soir,
Sans astres, sans éclairs funèbres?
Peut-on illuminer un ciel bourbeux et noir?

 

L’Espérance qui brille aux carreaux de l’Auberge
Est soufflée, est morte à jamais!
Sans lune et sans rayons, trouver où l’on héberge
Les martyrs d’un chemin mauvais!
Le Diable a tout éteint aux carreaux de l’Auberge!

 

Adorable sorcière, aimes-tu les damnés?
Dis, connais-tu l’irrémissible?
Connais-tu le Remords, aux traits empoisonnés,
À qui notre coeur sert de cible?
Adorable sorcière, aimes-tu les damnés?

 

L’Irréparable ronge avec sa dent maudite
Notre âme, piteux monument,
Et souvent il attaque ainsi que le termite,
Par la base le bâtiment.
L’Irréparable ronge avec sa dent maudite!

 

— J’ai vu parfois, au fond d’un théâtre banal
Qu’enflammait l’orchestre sonore,
Une fée allumer dans un ciel infernal
Une miraculeuse aurore;
J’ai vu parfois au fond d’un théâtre banal

 

Un être, qui n’était que lumière, or et gaze,
Terrasser l’énorme Satan;
Mais mon coeur, que jamais ne visite l’extase,
Est un théâtre où l’on attend
Toujours, toujours en vain, l’Etre aux ailes de gaze!

 

––––––––

Het onherstelbare

 

Wordt ooit door ons het oud, het lang Berouw verstikt,

dat leeft, zoals de worm in lijken,

dat wendt en keert en draait en zich in ons verdikt,

zoals de rupsen in de eiken?

Wordt ooit het onverbiddelijk Berouw verstikt?

 

In welke wijn, welk brouwsel, welke tovermede,

verdrinken wij die oude Schuld,

vernielend, gulzig als de vrouw van felle zeden,

en als de mieren vol geduld?

In welke wijn? – Welk brouwsel? – Welke tovermede?

 

Vertel het, schone heks, vertel, als jou dat lukt,

de geest die enkel angst kan proeven

en sterft, als onder het kanonsvoer doodgedrukt,

of als vertrapt door paardehoeven,

vertel het, schone heks, vertel, als jou dat lukt,

 

aan deze stervende, geroken door de wolven,

bij wie de raaf geduldig waakt,

aan die soldaat, die viel: wordt ooit zijn graf gedolven,

wordt hem een grafkruis ooit gemaakt?

Die arme stervende, geroken door de wolven!

 

Kan men een hemel klaren, even zwart als drek?

Kan men de donkerten doorbreken

die ochtend-, avondloos zijn, dichter zijn dan pek,

waar ster en stervens weerlicht weken?

Kan men een hemel klaren, even zwart als drek?

 

De Hoop die nimmer dovend blinkt in ’s Herbergs ruiten

is uitgewaaid, voor altijd dood!

Waar vindt men herberg, zonder maan of lichten buiten,

voor hen, wier weg slechts kwelling bood?

De Duivel doofde al wat blonk in ’s Herbergs ruiten!

 

Zijn, lieve toverkol, verdoemden jou tot vriend?

Zeg, kan iets elk pardon verliezen?

Ken jij Berouw, voor wie ons hart als doelwit dient

van zijn in gif gedrenkte spiezen?

Zijn, lieve toverkol, verdoemden jou tot vriend?

 

Het Onherstelbare knaagt met vervloekte tanden

aan onze ziel, triest monument,

en, als termieten, tracht hij vaak het aan te randen,

beginnend aan het fundament.

Het Onherstelbare knaagt met vervloekte tanden!

 

– Ik zag eens, in een doodgewone schouwburgzaal,

waar strijkersvuur was uitgebroken,

in helse hemelen als in één feeënhaal

de ochtend wonderlijk ontstoken;

ik zag eens in een doodgewone schouwburgzaal

 

dat, slechts bestaand uit licht, uit goud en gaas, een wezen

het won van Satans overmacht;

mijn hart, waarin verrukking nooit is opgerezen,

is een theater waar men wacht

vergeefs, altijd vergeefs, het wiekend gazen Wezen!

 

[Vertaling Petrus Hoosemans, in Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad. Historische Uitgeverij, Groningen 1995]

Jaap Goedegebuure. Lucebert aan de Wilde Kust

Tuesday, February 26th, 2013

           ik draai een kleine revolutie af

            ik draai een kleine mooie revolutie af

            ik ben niet langer van land

            ik ben weer water

            ik draag schuimende koppen op mijn hoofd

            ik draag schietende schimmen in mijn hoofd

            op mijn rug rust een zeermeermin

            op mijn rug rust de wind

            de wind en de zeemeermin zingen

            de schuimende koppen ruisen

            de schietende schimmen vallen

 

            ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af

            en ik ruis en ik zing

Ik kan niet zonder de zee. Hoewel ik in mijn vijfenzestigjarig bestaan talloze malen verhuisd ben, woonde ik nooit verder dan een half uur van de kust. Er moet dus wel een zoutwatergen in mijn systeem zitten.

              Toch is het in Nederland behelpen voor wie zoals ik behept is met een zucht naar de zee. De stranden zijn ook ’s winters nog te vol en te vuil, de kleur van het water wisselt tussen grijs en bruin, en het allerjammerlijkste:  er moet minstens windkracht acht staan om een schuimende en ruisende branding te genereren.

            Om aan mijn trekken te komen moet ik, zoals afgelopen zomer, een tijdje domicilie kiezen aan de oevers van de Indische Oceaan, tussen Durban en East London. Terecht heet het daar de Wilde Kust. Mensen zie je er niet of nauwelijks, badkleding is overbodig, je bent er vrijwel alleen met de dolfijnen en walvissen, en met de koeien die zo uit de bergen het strand op lopen. Meerdere malen daags kun je je onbekommerd in de branding storten.

Telkens wanneer ik daar de oude wereld van me af liet spoelen, kwam er een gedicht van Lucebert bij me op, een extatische uitbarsting van wat ik, hoewel het een groot woord is, best natuurmystiek durf te noemen. Geen groter geluk dan wat hier bezongen wordt: één te worden met water en wind en je stem op te laten gaan in het machtige ruisende koor van de zee.

Jaap Goedegebuure

Jaap Goedegebuure (*1947) was tot 2012 hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Daarvoor vervulde hij leeropdrachten aan de universiteiten van Berlijn, Tilburg, en Nijmegen. Hij promoveerde na zijn studies Nederlandse taal- en letterkunde (Leiden) en algemene literatuurwetenschap (Utrecht) in 1981 op een onderzoek naar de poëtica van de dichter H. Marsman, Op zoek naar een bezield verband. In 1999 publiceerde hij ter gelegenheid Marsmans honderdste geboortedag een uitgebreide biografie, getiteld Zee berg rivier.

Verder schreef hij monografieën over Jeroen Brouwers (Tegendraadse schoonheid) en Cees Nooteboom (Over Rituelen van Cees Nooteboom), over de literatuur van de negentiende en twintigste eeuw (Decadentie en literatuur,1987,  Nederlandse literatuur 1960-1988,1989,  Nieuwe zakelijkheid,1992) en over de relaties tussen Bijbel, religie en literatuur (De schrift herschreven,1993, De veelvervige rok,1997, Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010, 2010). Hij is literatuurcriticus voor Trouw en Het Financieele Dagblad

 

Luuk Gruwez. De talrijkheid van het ik

Monday, February 18th, 2013

  Onderstaande recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 Luuk Gruwez. DE TALRIJKHEID VAN HET IK

 Hoeveel ikken kunnen er in één enkel ik? Joris Iven vraagt het zich af. En tevens onderneemt hij een onderzoek naar de mate waarin hij zichzelf in al die ikken kan vinden. In hoeverre is ‘je’, naar het woord van Rimbaud ‘un autre’ en in hoeverre lijkt het ik dat van een ander is als twee druppels op dat van jezelf? De dichter gaat het na door zich te verplaatsen in een groot aantal figuren uit de wereld van de cultuur die hem telkens om de een of andere reden fascineren en die op hun beurt gefascineerd worden door weer andere figuren die een onontwijkbare invloed op ze uitoefenen. Telkens gaat het om duo’s die met elkaar een conversatie aangaan. En heel vaak betreft het gehavende wezens, personen die het op menselijk vlak niet voor de wind gaat, vaak doordat zij psychisch labiel zijn of autodestructieve neigingen hebben.

Iven heeft zijn bundel heel minutieus gecomponeerd. Hij laat bijvoorbeeld Ofélia Queiroz in conversatie gaan met Fernando Pessoa, Gustav Mahler met Alma Mahler, de suïcidaire dichteres Anne Sexton met haar psychiater Martin Orne, Robert Lowell met Elizabeth Bishop. En dit telkens in minicycli van vijf gedichten die op hun beurt met wiskundige precisie geconstrueerd zijn. Strofes van respectievelijk 2, 3, 4 en 5 versregels in één cyclus worden opgevolgd door strofes die daarvan het spiegelbeeld zijn: 5, 4, 3 en 2. De bundel bestaat uit twee delen: ‘Braziliaans blauw’ en ‘Bloedrood’. Begin en einde lopen vaak in elkaar over. T.S. Eliot en zijn ‘Four Quartets’ liggen op de loer door de wijze waarop begin en einde ook hier met elkaar versmelten.

Iven is een dichter die al vele jaren laboreert aan een oeuvre dat precies omwille van het feit dat het zo weinig aansluit bij trends in de Nederlandstalige poëzie vaak ten onrechte onopgemerkt is gebleven. Zijn poëtisch domein ligt buiten ons taalgebied. Zijn manier van schrijven net zo goed. (Het baart overigens geen verwondering dat hij ook flink wat heeft vertaald: zijn hele wereld lijkt wel een vertaalde wereld. Iven vertaalt de ikken van een ander, laat ze groter zijn dan hijzelf is, in een poging zichtbaarder te worden voor zichzelf.) En dat blijkt ook hier nog maar eens. De mensen die aan bod komen, hebben het moeilijk met hun eigen ik. Het is of het aan Iven is om hiervoor alsnog een oplossing te zoeken, ook al behoren zij soms niet meer tot de levenden. Waarom voelt hij daar de aanvechting toe? Allicht omdat het wezens zijn die hij bewondert. En misschien ook doordat hij in hen iets van zichzelf in herkent.

Tegelijk is het niet moeilijk vast te stellen dat de beschreven personages ook zelf soelaas zoeken bij mensen die zij maar wat graag als klankbord gebruiken: de dichteres Bessie Head stort haar hart uit bij Breyten Breytenbach, de componist Dmitri Sjostakovitsj lucht zijn hart bij Isaak Glikman, zijn secretaris, Joris Iven zelve gaat op zoek naar wie hij is bij zijn bijna-homoniem, de Nederlandse communistische cineast Joris Ivens. (Ook de hier ten tonele gevoerde Cesare Pavese is een communistisch auteur. Hij spreekt de actrice Constance Dowling aan voor wie hij een grote liefde heeft opgevat en die mogelijk de aanleiding tot zijn zelfmoord is geweest.) De identificatie van de dichter Iven met zijn personages lukt soms geheel, soms gedeeltelijk en soms blijft hij een ander. Het samenspel van afstandname en toenadering, in een delicate balans, vormt de drijvende kracht van zijn verzen. Er is sprake van een soort driehoeksverhouding tussen de dichter, het personage dat het woord krijgt en de aangesprokene. Het anekdotische gehalte is groot, maar in het beste geval wordt hier een wereld geschapen die het naakte feit overstijgt en waarin teloorgegane harmonie wordt hersteld.

En zo gaan de verhalen maar door. Je krijgt als lezer heel veel biografische realia op je bord en de aantekeningen aan het eind zetten je niet altijd een eind op weg, maar zijn niettemin richtinggevend. Met zoveel anekdotiek wil de dichter bewijzen dat wij in de eerste plaats uit verhalen zijn opgetrokken, dat het onze feitelijke historie is die onze persoonlijkheid modelleert. Dat is een wel erg deterministische kijk op het leven, die ervan uitgaat dat het in hoofdzaak de gebeurtenissen zijn die ons maken. Hoeveel ikken kunnen er in één enkel ik? Alle ikken allicht die ervoor zorgen dat wij dankzij onze verhalen bestaan. ‘We warmen ons aan elkaar om de tijd te doden,’ schrijft Robert Lowell aan Elizabeth Bishop. Zo is het maar net.

 

 

Aantekeningen van James Ensor

voor Emiel Verhaeren

 

4

 

Oesters en hufters vind je in elke havenstad. In Oostende

drommen de drassige boerinnen en de krijsende dikbillen.

 

Het blote vlees wordt op het slagersblok gelegd. Ik trek

me in mijn hok op zolder terug, op de schildersezel

de schedel en de berenmuts, aan mijn voeten de maskers.

 

Komt u binnen, zeg ik, gaat u zitten. Ik borstel je snor

breeduit, zet je aan tafel, achteraan, in de keuken

van de kunst. Je kotst de tafel onder: mijn hoofd wordt

opgediend als een haring met citroen en peterselie.

 

Iemand bakt een varkenskop in de pan, iemand ligt

met een vissenstaart op een plank en wacht, iemand

hangt als een geplukte kip aan een haak, iemand kruipt

over de vloer als een speenvarken met een monocle. Er

zit stront in de hersenpan. Skeletten zwaaien met de zeis.

 

Joris Iven

 

 

________________________________

JORIS IVEN

Braziliaans blauw

uitgeverij P, 80 blz., 16,00 euro

 

AANTAL STERREN:

****

Luuk Gruwez. Tussen dakloos en geborgen

Thursday, January 10th, 2013

 

Jan Eijkelboom. Verzamelde gedichten.

Recensie door Luuk Gruwez

 

Jan Eijkelboom.

Drieënvijftig was Jan Eijkelboom toen hij in 1979 debuteerde met de bundel ‘Wat blijft komt nooit terug’. Toen hij in 2008 stierf, liet hij een oeuvre na van tien dichtbundels en een fors aantal verspreide gedichten. Thans is er een prachtige uitgave met zijn ‘Verzamelde gedichten’, bezorgd en van een voortreffelijk nawoord voorzien door Kees van ‘t Hof, die vanuit de poëzie vertrekt om een kritisch en liefdevol portret van de dichter te schetsen. Dat is geen vanzelfsprekende werkwijze, maar zij werkt hier wel. Het autobiografisch gehalte van de gedichten is namelijk hoog en blijkt betrouwbaar. Bovendien is het decor waarin zij spelen soms erg traceerbaar. De dichter mag het bij de drie vrouwen met wie hij getrouwd is geweest, soms niet al te lang hebben uitgehouden, het landschap en het stadsbeeld van zijn geliefde stad Dordrecht bleef hij trouw: het leverde hem een ereburgerschap op. Het wemelt in deze poëzie van de beschrijving van herinnerde huizen. Eijkelboom kwam nergens blijvend thuis, maar hij kon de woningen waarmee hij iets had niet missen: ze moesten worden vereeuwigd. Bij weinig Nederlandstalige dichters is er ooit zoveel architecturale aandacht geweest. Geen baksteen of hij roept het spanningsveld tussen dakloosheid en geborgenheid op.

Het heet dat een ongelukkige jeugd voor schrijvers een goudmijn is. Zo niet hier. Er heerst grote nostalgie naar de vervlogen kinderjaren waaruit de dichter zich verbannen voelt. Hij is, aldus Kees van ‘t Hof, door zijn moeder verwend geweest. Klaarblijkelijk moet hij in zijn latere leven het gevoel hebben gehad dat hij die verwenning onherroepelijk is kwijtgespeeld. Misschien vloeide daar een bijzondere belangstelling voor kinderen uit voort. Nooit was hij intenser in ze geïnteresseerd dan wanneer zij nog baby’s waren. Na die vroegste fase bewoog het leven zich hoe dan ook verder in een neerwaartse spiraal. Een kind blijft maar echt een kind ‘tot het de dood ontdekt / en een der onzen wordt,’ dicht Jan Eijkelboom. Hij is dan ook het prototype van de mens die zich uit het paradijs verdreven voelt en amechtig, via het ommetje van het kunstmatige paradijs, een weg terug probeert te zoeken. Meermalen refereert hij aan het alcoholisme waarmee hij levenslang, met vallen en opstaan, kampt. De voortdurend aanwezige doodsgedachte is daar uiteraard mede bevorderlijk voor. Maar in alle omstandigheden blijft hij, hoe belabberd ook, gedreven door een fervente levenswil en een volkomen afwezigheid van verlangen naar het einde. Wat hem afschrikt is immers de horror vacui, de terrorizerende angst voor de leegte. Eijkelboom is minder beducht voor de pijn van het zijn dan voor de afwezigheid van het zijn.

Daarbij noteert hij secuur de voortgang der seizoenen, onder meer in ‘Tegen de tijd. Een calendarium’, cyclus uit de bundel ‘Hora incerta’. Ook hier weer wordt de moederfiguur als behoedster van het paradijs geïdealiseerd. De hele natuur krijgt overigens moederlijke trekken. Dat verklaart misschien waarom de dichter in toenemende mate landschappen registreert. In de natuur, plaats van eeuwige terugkeer, zoekt hij een mentaal onderkomen. Hij wil daarmee de melancholie bestrijden van een jeugd die nooit meer terugkomt. ‘Nimmermeer,’ luidt niet voor niets de titel van een gedicht. En in een vers van Philip Larkin, een van de vele hier door Eijkelboom vertaalde dichters, luidt het aldus: ‘de totale leegte voor altijd’. Dat besef weerklinkt in het hele oeuvre. Dit betekent niet dat iemand aan het woord is die zwelgt in pathos. Dat gevaar wordt namelijk vermeden doordat de dichter alert is op te  grote heftigheid. Eén bundel heet veelzeggend ‘Binnensmonds jubelend’. Daaruit spreekt een grote dosis tongue in cheek. In een van de laatste gedichten, waarin hij zichzelf in de derde persoon memoreert, heet het zo: ‘Hij had geen talent voor tragiek (…).’ De toon blijft dan ook overal bescheiden en er is voldoende luciditeit aanwezig om hoge verzuchtingen te temperen. Het is het vergankelijke dat de dichter wil bewaren, wat makkelijk voorbijgaat meer dan wat uit zichzelf al aanleg voor eeuwigheid heeft: ‘Want sneeuw is altijd weer van vroeger / en ligt er altijd voor het eerst. / Het blijft omdat het overgaat.’ Hooguit wil Jan Eijkelboom zichzelf het genoegen toestaan te fantaseren over een vrouw die lang na zijn dood zijn woord nog op haar tong kan nemen. ‘Het is,’ schrijft hij, ‘ook wel een weelderig genoegen, / niet geheel dood te hoeven.’    

________________________________

JAN EIJKELBOOM

Verzamelde gedichten

De Arbeiderspers, 560 blz., 45,00 euro

 

EGIDIUS

 

Ik zag je nooit, de laatste jaren.

Jij was in wetenschap verdiept,

het kunst- en vliegwerk dat je schiep,

en ik in kranten en in jonge klare.

Toch was je bij me als ik riep,

en soms vanzelf. Niet te bedaren

was ons plezier wanneer de zware

ernst van anderen werd uitgesliept.

 

Maar nu je dood bent mis ik je, altijd.

Misschien omdat de mooglijkheid

je ooit terug te zien ontbreekt.

Misschien omdat ik ‘s nachts soms weet

dat je jezelf niet had vermoord

als ik je angst had aangehoord.

 

Jan Eijkelboom

 

Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

Tuesday, December 11th, 2012

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

 Er verandert niet veel in de poëzie die Jean Pierre Rawie (°1951) de voorbije decennia geschreven heeft. Zijn thema is en blijft de strijd met de tijd. Een vroege bundel als ‘Het meisje en de dood’ (1979) had net zo goed door de inmiddels vijfenzestigjarige dichter geschreven kunnen zijn. Ook nu weer laat die zich voeden door domme illusies, maar hij weet dat hij niet eens mag hopen op een ex-aequo. Tot daar de niet erg verkwikkende gedachte die door dichters en door bomma’s en opa’s van alle tijden geregeld wordt geventileerd, zij het niet altijd op zo’n expliciete wijze als hier. Mogelijk daardoor en ook omdat er weinig variatie schuilt in de teneur van zijn poëzie, ondervind ik enige moeite om een kwaliteitsoordeel over Rawies jongste te vellen. Zijn gedichten zijn niet vies van romantische clichés en het is al vaker opgemerkt dat de maker ervan zich in zijn jargon van eeuw heeft vergist. Enkele schaarse nuances daargelaten, zou hij zijn poëzie in de negentiende eeuw hebben kunnen schrijven of zelfs in de renaissance: daarvan getuigen de vertalingen van voornamelijk Italiaanse renaissancedichters die als slotcyclus in ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’ zijn opgenomen. De wijze waarop het Tempus fugit-motief hier wordt behandeld is nergens bijster origineel. Wat meer is: Rawie schijnt niet in iets als vernieuwing te geloven. Wat baat het, lijkt hij te pretenderen, dat je je vernieuwt? In het licht van de voortvliedende tijd lijkt dat namelijk een ijdele – om niet te zeggen dwaze – onderneming.

Toch gaat er van deze poëzie steeds weer een herkenbare charme uit, met een aanzienlijke schaar van lezers tot gevolg. Misschien komt dit wel door het feit dat er maar weinig gerenommeerde dichters meer werkzaam zijn die niet terugdeinzen voor enig discutabel geflirt met het cliché of de kalenderwijsheid. Er gaat van iemand als Rawie na lectuur van een overvloed aan cerebrale poëzie in zekere zin iets verfrissends uit. De charme is, mij dunkt, vooral aan dit adagium toe te schrijven: je zult dan wel met zijn allen voor de verdommenis zijn bestemd, het is zaak enige grandeur te behouden, met chique wandelstok in de hand en binocle aan een kettinkje in de vestzak. Want weltschmerz is hier al vanouds een appellation controlée, het dichterlijke aroma dat van het antiquariaat. De ingrediënten van het romantische wereldbeeld zijn bekend. Er is de vergankelijkheidsgedachte die steevast culmineert in de dood. In ‘Necropolis’ dat over het Venetiaanse kerkhofeiland San Michele gaat, waar tal van beroemdheden hun laatste onderkomen hebben gevonden, staat dit te lezen: ‘De meeste doden liggen hier maar kort:/ de bodem biedt geen ruimte aan zovelen./ Hun resten worden zonder rituelen/ straks naamloos in een knekelput gestort.’ En het gedicht eindigt met deze regel: ‘waar zelfs de dood nog voor de dood moet wijken.’  Rawie heeft in zijn kleurenpalet altijd wel een zwart voorhanden dat nog zwarter is dan zwart. Niettemin zou hij geen Nederlander zijn wanneer hij zijn uitzichtloosheid niet kon opleuken met romantische ironie. Zo bijvoorbeeld in deze verzen: ‘Op straat kwam ik een middelbaar/ geworden dame tegen,/ en dacht met schrik dat ik met haar/ eens samen had gelegen./ (…) Ik wist haar naam niet meer, (…).’. 

Dat de dood komt, is een zekerheid, maar behalve middels ‘dichtkunst’ probeert de dichter hem te weren zonder zich te laten afhouden van zijn queeste naar de superieure geliefde, die helaas niet zelden een femme fatale is. De geliefde? Ofwel voert zij haar minnaar naar de afgrond, of zij is zelf al jaren dood, zonder dat het met de ik-figuur iets geworden is. Dit is met name het geval in ‘Eerste liefde’, een van de mooiste en tegelijk eenvoudigste gedichten in deze bundel. Hier is Rawie niet enkel charmant en dandyesk, maar ook aangrijpend. Iedereen weet van kindsbeen af dat alles voorbij moet gaan, maar toch houdt iedereen geen moment op te verlangen naar iets wat niet komt: ‘(…) wij hebben ons een leven lang verheugd/ op iets wat levenslang op zich liet wachten.Elders staat deze parafrase op Caesars ‘Veni, vidi, vici’: ‘(…) je kwam, je zag, en er was niets te winnen.’ En nog elders: ‘Je weet wel wat je wilt, maar niet of het bestaat.’ Een mens wordt gedreven door krachten die sterker zijn dan de ratio die hem dicteert dat alles op een nederlaag uitdraait.

De dichter is gefascineerd door het onherbergzame en het nagenoeg voorgoed verlatene. Dat uit hij in een aantal verzen met het Nederlandse landschap als onderwerp. Maar ook schetst hij een aantal Venetiaanse taferelen waarin hij zijn ik-figuur laat circuleren. Daarbij komt de tegenstelling aan bod tussen die ik voor wie het definitieve einde zo langzamerhand in zicht komt en de Dogenstad waarvan delen wel eens onder water komen te staan, maar die het toch steeds weer haalt van de zee. Dat definitieve einde openbaart zich op zijn scherpst in gedichten waarin Rawie het heeft over de beroerte die hem met verwaarloosbare handicaps heeft opgezadeld. Hier heerst een zekere gelatenheid, het gevoel dat het zoveel erger had kunnen zijn. Het is zelfs alsof die beroerte enige monterheid aan de tragiek toevoegt: ‘Hoe wankel ik ook sta. Ik handhaaf mij.’  En weer is die handhaving het meest mogelijk door de literatuur. Herstellend van zijn ziekte, vertaalt de dichter verzen ‘die ooit een Italiaan/ (…) voor iemand had geschreven.’ De fictie, die mogelijke vorm van onbestaan, blijkt dan toch troost te kunnen bieden. Anders gaat het er toe in verzen over zijn stervende moeder. In twee gedichten krijgen wij een inventaris van haar leven: ‘Een zevental dozen en zakken,/ een leven van negentig jaar/ liet zich in een paar uur verpakken,/ het was in een halve dag klaar.’ Dat is wat Jean Pierre Rawie in al zijn dichtbundels doet: een inventaris opmaken van een mensenleven en tot de vaststelling komen dat er aan het eind niet veel meer is dan bij het begin.

 

 

EERSTE LIEFDE

Mijn eerste liefde is al jaren dood.

De vijfde klas. Zij telde elf, ik tien.

Een voorjaarsdag. Haar voeten waren bloot

en in haar bloes kon ik haar schouders zien.

 

Ik was een knaap, zij werd al bijna vrouw,

en dit gevoel was nog te veel voor mij.

Ik wist geen woord voor wat ik zeggen wou,

mijn hart stond stil wanneer zij zelf iets zei.

 

Ze zat schuin vóor mij, en haar nek en rug

vormden het centrum van mijn klein heelal.

Dat zij bestond, maakte mij duizelig.

Zo was de wereld vóor de zondeval.

 

Er is nooit wat geworden tussen ons;

zij werd al vrouw, ik was nog maar een knaap.

De aarde dekt haar toe. Wat ondergronds

met haar gebeurd moet zijn, verstoort mijn slaap.

 

                      Jean Pierre Rawie

 

_______________________________

JEAN PIERRE RAWIE

De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag

Uitgeverij Bert Bakker, 65 blz., 15 euro

 

AANTAL STERREN:

 

***

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.