Wisselkaarten

Recensie: Ingmar Hetze. Ik wilde je iets moois vertellen. Resencent Luuk Gruwez

Wednesday, June 26th, 2019

(G)EEN REMEDIE TEGEN DE DOOD

Resensent: Luuk Gruwez

In Elders in de wereld, een bundel van Ingmar Heytze uit 2008, staan de volgende regels: ‘Ik merk dat ik nog steeds op zoek ben / naar een remedie tegen de dood (…).’ Tien jaar later, in Ik wilde je iets moois vertellen, de recentste bundel, bevindt die verzuchting zich nog steeds op het voorplan. Maar misschien is er toch iets veranderd. Het lijkt er in het gedicht met de aanspreking ‘Dood,’ op dat de zeis van Magere Hein ‘botter en botter’ wordt. Het gedicht eindigt heel assertief: ‘Nu stellen we je nog remise voor. / Neem haar aan voordat we je voorgoed verslaan.’ Nog steeds is het Heytze erom te doen de dood klein te krijgen. Maar hoe zeker is de dichter van zijn bewering? Misschien is die enkel ironisch of een vorm van blufpoker. Want geen van de overige gedichten in de bundel getuigt van groot triomfalisme. Integendeel, wat overheerst is de gedachte aan het verlies, zelfs aan een onmogelijk nieuw verlies, vanwege het feit dat alles al verloren is. Zo ook in het gedicht De bal in de wolken, dat begint met deze regel: ‘Op een dag besefte ik opeens dat ik zou gaan verliezen.’ En dat eindigt met een weerlegging: ‘En ik kan niet meer verliezen, want dat heb ik al gedaan.’

Welke strategie wendt Heytze aan om de strijd met het einde aan te gaan? Uiteraard maakt hij daartoe gebruik van zijn taal, maar zeker ook van zijn vaderschap, een belangrijk thema in deze verzen en een getuigenis van procreatie. Ook in een vorige bundel heeft dit al een rol gespeeld. Maar vaderschap is niet enkel een middel om voor te bestaan, het bewerkstelligt tegelijk het tegenovergestelde. Kinderen doden in de vader alle andere personen die hij had kunnen worden of geweest is: ‘Kinderen zijn kannibalen.’ ‘The child is the father of the man,’ dichtte ooit Wordsworth, maar misschien is dit in de visie die de dichter er hier op nahoudt niet uitsluitend een aantrekkelijk perspectief. Een mens mag als volwassene dan wel iets behouden van het kind dat hij geweest is, hij moet ook leven met het vooruitzicht dat zijn nageslacht ooit de kannibaal van zijn voorgeslacht zal zijn. Hij loopt rondjes in de doolhof van zijn denken en vindt de uitweg niet. En bij deze dichter wordt dat denken, over de generaties heen, geïnfiltreerd door angst. ‘Angst,/ Ik lees je in de ogen van mijn kind,’ lezen wij.

Veel in deze bundel heeft met verschijnen en verdwijnen te maken. Naast ‘Vaderschemering’ bevat hij nog minstens twee andere gedichten die het verdienen klassiek te worden. Een ervan heet ‘Bijvangst’. Hierin bekent de dichter dat hij van weemoed geen verstand heeft, maar van verdriet des te meer. Verder heeft hij juist bijzonder veel aandacht voor die weemoed, die hij als een bijvangst beschouwt: ‘Weemoed is vermoeden dat je nu al terugverlangt/ naar alles wat pas later vroeger was.’ Weer zit de dichter gevangen in de cyclische structuur van zijn gedachten: voortdurend pendelt hij tussen prospectie en retrospectie. En hij voorziet dat wat nu nog een vooruitblik is, ooit een terugblik worden zal. Net zo goed speelt dit thema een rol in ‘Gemist worden’, ook al een potentiële klassieker. Er wordt volop gefantaseerd over hoe je uit het leven kunt verdwijnen en over de vorm die missen kan aannemen. Hij is daar best nieuwsgierig naar, zou best van achter een struik als een soort voyeur willen toekijken welke reacties zijn plotselinge afwezigheid opwekt. Hij lijkt te hopen op een snel en pijnloos sterven, want dit is in zijn voorstelling het prettigste of althans minst dramatische verdwijnen.

Toch blijft daar dat besef dat elk mens in één enkele huid gevangen blijft. Dat hij, bijvoorbeeld doordat hij al door iets als vaderschap is gedetermineerd, aan tal van andere levenslopen verzaken moet. Zoals blijkt uit zijn ‘tussentijdse rapportage’ (titel van een gedicht), mag hij op zolder dan wel tal van levens hebben staan ‘die (hij) ook had kunnen leiden voor (hij) ophield te bestaan’, zij lijken alleen maar te bevestigen wat hij al had gevreesd: dat zijn huidige leven een kerker is waaruit hij niet ontkomen kan en dat kinderen hoe dan ook de kannibalen zijn van wie hen heeft verwekt. Kannibalen? Ja, en het ergste is: hun vraatzucht begint bij het hart van hun prooi, waardoor zij meteen ook datgene wat voor hun vader essentieel is veroveren en verorberen. Maar uiteindelijk worden zij precies dezelfden als diegenen die zij nu verslinden: ‘Overal lopen ze rond / met holle ogen, klagend achter kinderwagens / vol gekrijs, nieuwe tandjes in de maak.’

Heytze beoefent in deze bundel ook het prozagedicht, maar toch lijkt hij zelfs daar op een zanger. Hij is, bijvoorbeeld net als Menno Wigman voor wie hij een in memoriam schrijft, zo’n typische ‘mensendichter’ die je niet inpalmt met wijsgerige oprispingen die voor slimmigheidjes moeten doorgaan of met het hermetische keukenlatijn van een of ander dogmatisch klinkend idioom, maar hij is wel iemand van wie je kunt verwachten dat hij zich een paar zuchten langer in de eeuwigheid zal handhaven dan de meeste van zijn collega’s. En dat is ook voor wie na hem komt iets moois.

 

VADERSCHEMERING

 

De meeste vaders leven uit het lood.

Als vrouw en kinderen slapen, schenken ze een borrel in.

Elk glas zet de wereld verder waterpas.

 

Onderhuids huist een andere man, wachtend

tot er iets gebeurt, het scheuren van het weke vel.

 

De vaders schenken weer eens in,

schrijven een dode vader een brief, zoeken foto’s

van een vroeger lief, proosten met de babyfoon.

 

De nieuwbouwwijk ligt leeg en stil, omhelsd door asfalt,

uitvalswegen. Hier en daar brandt laat nog licht.

Daat zet een vader zijn leven recht.

 

Ingmar Heytze

 

________________

INGMAR HEYTZE

Ik wilde je iets moois vertellen

Uitgeverij Podium, 47 blz., 19,99 euro.

 

Aantal sterren:

****

Bert Bevers. Terugwerkende kracht 

Tuesday, February 26th, 2019

Terugwerkende kracht

 

Bij Nostalghia van Andrej Tarkovski

 

Toen ik het hier voor het eerst zag

moest ik huilen, want dit licht doet

me denken aan herfst in Bologna.

 

Ik wil niets meer voor mezelf alleen.

 

Wat kan er gebeuren?

 

Alles wat je wenst als je knielt, want

zonder enig gebed gebeurt er niets.

 

Je wilt zeker gelukkig zijn, maar

in het leven zijn er belangrijker zaken.

 

Dus: een, twee, drie, geloof!

 

Wat moeten wij dan doen

om elkaar te leren kennen?

 

Grenzen slechten.

 

Welke?

 

Die tussen vroeger en later.

 

 

© Bert Bevers, Februari 2019

Bert Bevers. Doorlopende beweging

Friday, February 22nd, 2019

Doorlopende beweging

 

Bij Russian Ark van Alexander Sokurov

 

Er was een ramp gebeurd.

Iedereen rende voor zijn leven.

Wat er mij overkomen is

weet ik niet meer.

 

Ik zei toch dat ze zouden wachten.

 

Waar gaat iedereen heen?

Waar gaan jullie naartoe?

 

Het is koud. Doe alles dicht.

Vooruit: doorlopen jullie.

 

Waar moeten we nu heen?

Zelfs de heren officieren weten

de weg niet, kijk maar daar.

 

Ben ik onzichtbaar of merken

ze me gewoon niet op? Vreemd,

wordt dit allemaal voor mij opgevoerd?

Of moet ik een bepaalde rol spelen?

 

Wat is dit voor toneelstuk?

Waar moeten we naartoe?

 

Jij wist toch alles?

 

 

© Bert Bevers – 2019

 

Recensie: Paul Demets. De klaverknoop (Resensent: Luuk Gruwez)

Sunday, January 20th, 2019

 

Met zichzelf in de knoop

Recensie door Luuk Gruwez

 

Een flauw dogma luidt dat het gezin de hoeksteen van de maatschappij is. Bij Paul Demets die voor het eerst sinds De bloedplek uit 2011, bundel waarmee hij de Herman de Coninckprijs binnenrijfde, imposant nieuw werk aflevert, heet dat gezin met een neologisme ‘de klaverknoop’. De klaverknoop staat voor verbondenheid en de broosheid daarvan. Het refereert op zijn best aan het klavertje-vier, symbool van amper te vinden geluk. Waarschijnlijk is deze bundel niet heel toevallig, zij het middels discrete initialen, opgedragen aan de drie leden van het gezin waarvan Demets, vierde blaadje van het klavertje-vier, de pater familias is.

De dichter vergelijkt twee gezinnen: dat van vroeger, waarin zijn ik-figuur is opgegroeid, en dat waarvan die thans deel uitmaakt. Het eerste staat hier in een kwalijk daglicht. Tot de moeder, van wie wij al meteen een weinig flatteus portret krijgen, voelt hij zich niet bepaald aangetrokken. Zij wordt als dreigend ervaren, omdat zij zich realiseert dat haar zoon, door geboren te worden, ophoudt van haar te zijn. Zij gijzelt hem:

 

‘Ik houd mij ver van haar, maar ze trekt mij dichterbij.

 Wat ze in zich droeg, rust rood als in watten  gedoopt

 op tafel. De slagader klopt in haar lies. De stift

 likt haar lippen. Deze kamer kent geen buiten.’

 

In de weinig zachtzinnige aanvangscyclus zit, onder de titel ‘Moedervlek’, meteen ook een veelzeggende assonantie met De bloedplek, Demets’ vorige bundel. Daar deed het woord ‘bloedplek’ mij  toen qua klankkleur aan ‘broedplek’ denken.

De vader dan! Een gezinshoofd kun je hem niet noemen. Hij is verworden tot een vage, naamloze schim die gedwee naar de pijpen van zijn vrouw danst binnen de omtraliede ruimte van een gezin, waaruit niet te ontsnappen valt en waarin de ik, bedolven onder het gewicht van zijn moeder, onfortuinlijk naar adem snakken moet: ‘Ik ben met pik en al / in haar patroon gestikt.

Hoe anders gaat het eraan toe in het tweede gezin dat Demets schetst, dat waarvan de zoon inmiddels zelf vader geworden is. Hij lijkt daarin een herhaling van vroegere ervaringen te willen voorkomen, bindt de strijd aan met zijn bezwarende herinneringen. De broze binding die hij nastreeft, is er een van vereniging en omarming, niet van gevangenschap of kneveltouw.

Alles rijmt op alles in deze hecht doortimmerde bundel met een doorgaans strakke strofevorming. De vele binnenrijmen en herhalingen zorgen voor een hechte samenhang. Demets steekt van wal met een cyclus van zeven gedichten onder de titel ‘Moedervlek’. Dat woord roept natuurlijk een associatie met het levensbegin op, de plaats waar zijn personage een identiteit moest zien te krijgen. Maar altijd, ook waar zijn wereld zich tot ver buiten het gezin verbreedt, is er die spanning tussen verbondenheid en ontbinding, tussen toenadering en afscheiding, tussen een ego dat in zijn confrontatie met dat van een ander naar zijn eigenheid op zoek is. Ook daar zit hem de knoop. Hak je die door of laat je jezelf erdoor binden? De continue interactie met medemensen, ook met migranten, maakt de ik tot wat hij is: iemand waarin veel vreemden huizen die  bewijzen dat een mens altijd ten onrechte vermoedt dat hij uitsluitend uit zichzelf bestaat. Demets bedient zich − hij is niet voor niets plattelandsdichter van Oost-Vlaanderen − van veel natuurbeelden. Zo grijpt er  in de laatste cycli, een ontwikkeling van larve tot vlinder plaats. De hele bundel kun je lezen als het wordingsproces van een dichter die zich het vliegen wil eigen maken, maar zich tegelijk realiseert dat hij aan de grond blijft gekleefd. Dat roept vragen op. Wat is van onszelf en wat van een ander? Hoeveel anderen kunnen wij toelaten in onszelf als wij onszelf willen blijven? Hoeveel van buiten ons is daarvoor nodig en hoeveel van wat zich bij de geboorte al binnen ons heeft gevestigd?

De dichter legt er, mede aan de hand van citaten van postmoderne filosofen als Deleuze en Kristeva, de nadruk op dat iets als een eigen identiteit misschien nooit zal bestaan, evenmin als geest vol cohesie en harmonie. Alleen door middel van vermomming kan men zich in zijn wereld enigszins overeind houden. De mens is en blijft een ‘nomade’ (titel in deel II), op zoek naar een ‘monade’ (anagram van ‘monade’ en titel van deel I). Een monade is in de filosofie een ondeelbare eenheid. Het is de mens eigen daarnaar te snakken. Dat doet ook de ik-figuur hier heel intensief, maar tegelijk vruchteloos. De conclusie is dat iedereen een nomade blijft die het huis niet vindt waarvan hij had gehoopt dat het hem als een huid zou passen. Hij slaagt er niet in zich te vestigen en een leefbare identiteit te verwerven. Hij is en blijft te midden van zijn medereizigers een ‘eigenheimer’ − zie de titel van de slotcyclus. Hij ligt met zichzelf in de knoop. Een citaat van Julia Kristeva resumeert het perfect: ‘L’ étranger nous habite.’ Dit klinkt als een variant op de bekende uitspraak van Rimbaud, overgenomen door Lacan: ‘Je est un autre.’ Nooit kom je daarmee thuis.

 

MOEDERVLEK

 

6

 

Haar armen in huid gehuld zijn doorzichtig.

Haar vingers verplichten mijn lippen tot een kus.

Op haar wenken. Haar tong drukt mij

uit. Speeksel heeft haar mond op mijn wang

 

nooit bezegeld. Handen tasten als een vreemde

af. Ze kleedt zich op om niets bloot

te geven. Schoorvoetend past ze haar schoenen.

Tegen het raam een klap. Stof en veertjes

 

blijven kleven. Het liefst, zegt ze, zou die

zijn beeld achterna zijn gevlogen.

In  het raam slaat ze mijn blik af. Het wit

van de kamer, het woedend wit van haar ogen.

 

Paul Demets

 

_________________

PAUL DEMETS

De klaverknoop

De Bezige Bij, 74 blz., 19,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

 

 

Resencie: Huub Beurskens. Gedurig nader (Resensent: Luuk Gruwez)

Wednesday, December 26th, 2018

Van schijn en wezen: Gedurig nader

Resensent: Luuk Gruwez

Van bij de aanvang van zijn nieuwe bundel is de toon gezet en heeft Huub Beurskens zijn keuze gemaakt. Hij bepaalt zijn positie in confrontatie met een stichtelijk embleem van Jan Luyken uit 1711 dat ‘Gedurig nader’ is getiteld. Gedurig nader: zo luidt ook de titel van zijn bundel. Maar Beurskens bedoelt daar iets heel anders mee dan Luyken. Voor de laatste impliceert het een voortdurend smachten naar een onvergankelijk hiernamaals, voor de eerste een omarming van een aards heden dat juist door eindigheid wordt gekenmerkt. Voor Beurskens is de wereld waar Luyken naar verlangt er alleen maar een van schijn en waan, wat niet noodzakelijk onheilzaam is. Het wezen van de echte wereld ligt evenwel in zijn tastbaarheid. Het is aan de dichter een modus vivendi te vinden in ons precaire bestaan. Zijn gedichten zijn daar een poging toe.

Beurskens zou niet ook een beeldend kunstenaar zijn wanneer hij in zijn fraai meanderende, van neologismen doorspekte verzen, die tegelijk op een klassieke leest zijn geschoeid, geen oog had voor het produceren van beelden. Ten tijde van Jan Luyken was dit voor strikte protestanten een heikele aangelegenheid. Ook Cornelia Bosman, de vrouw met wie hij getrouwd was, verbood hem vanuit haar geloof nog langer iets af te beelden. Luyken volgde haar in haar oekaze en werd diaken. Er zijn geen schilderijen meer van hem bekend van na zijn veertigste. Hoe anders gaat het er bij Beurskens aan toe. Hij zweert juist bij de exuberantie van de verbeelding, laat die ongelimiteerd tot zijn verzen toe. Dat een mateloos genietend figuurtje van Goya op het voorplat van de bundel afgebeeld staat, is geen toeval. Beurskens dolt met de taal. Een heidens schrijfplezier spat van zijn poëzie af. In een akte van ongeloof komt hij in opstand tegen een mogelijke God. Een zogezegd waardig afscheid met samenzang rond urne of kist is niet aan hem besteed. Zo ziet hij zijn einde:

‘(…) Mocht het mij treffen wil ik mijn strot

 (…) rauw schreeuwen, van God los en s.v.p. alleen,

 waarbij ik alle porselein dat ik in handen krijgen kan

 tegen de muren zal keilen in mijn nonsjoel,

 onkerk of nikspagode, stijf kutwijf, klotedood!’

Houdt zo’n vitalistische houding in dat de wereld die hier wordt geschetst er een van rozengeur en maneschijn is? Welnee. De dichter zit herhaaldelijk op de wip tussen de mogelijkheid om met al zijn zintuigen het bestaan te omhelzen en de angst die steeds weer de kop opsteekt. In het gedicht ‘Erfgoed’ luidt het zo: ‘Die angst/ om niet meer te bestaan, waar kwam die toch vandaan?’ Want misschien, denkt hij, is het feit dat je bij de dood helemaal verdwijnt een illusie. Niets vergaat, maar alles transformeert in iets anders: ‘Geen wezen kan tot/ niets vervallen (…)’. Het is waar dat geen enkel ik heel lang ik kan zeggen, maar onze cellen blijven wel ononderbroken muteren. Wij zijn met zijn allen erfgoed van erfgoed dat ons is voorgegaan. De dichterlijke aandacht gaat niet enkel uit naar het vergankelijke. Want dat is niet wat het lijkt: het is veeleer veranderlijk. Er vindt alleen een metamorfose plaats: iets als die tussen rups en vlinder. Daar hoeven wij niet bang voor te zijn, al is het waar dat wij geen herinnering bewaren aan wat wij ooit zijn geweest.

Toch is deze poëzie, evenmin als kunst, de ultieme truc om het tijdelijke te vereeuwigen. ‘Alle kunsten worden antiquiteiten voor hooguit eeuwen,’ staat er. En verder: ‘Fijn wel dat om dit ook/ echt te zien de maker geen tijd is gegeven.’ Met andere woorden: het is voor een kunstenaar soms goed dat de schijn niet wordt doorgeprikt zodat hij kan geloven dat zijn kunst blijft. En het is een zegen dat geen enkele maker zo oud wordt dat hij er getuige van kan zijn voor hoe lang zijn kunst maar mag overleven. Namelijk tot die uiteindelijk zelfs geen antiekwaarde meer heeft. Het maakt de dichter wel vaker ‘als een kind zo bang’ dat alles vergaat, zelfs de zon: ja, ook die. Het montert de dichter niet op dit allemaal te weten. Hij mag dan wel veel weten, maar hij is bij nader inzien geen  onvoorwaardelijk liefhebber van kennis. Laat de wereld zoals hij is maar betijen, lijkt hij te stellen, zonder dat wij er te veel angstaanjagend inzicht in krijgen.

In een van zijn opvallendste gedichten, het voorlaatste van de bundel, beschrijft Beurskens hoe hij tegen de avond ‘een knar van ver in de tachtig’ bij een oude eik ziet staan klungelen met een touw, waardoor hij ontsteld aanneemt dat hier een verhanging op til is. Maar in de laatste strofe blijkt het om iets heel anders te gaan: ‘…Verdomme, daar hoorde ik de hoogbejaarde kraaien/ en zag ik hem hoog schommelen onder de eik! Dat wou/ ik ook! Niks indommelen of broekkakken, geen gezeik (…)’. De dichter is afgunstig op het personage dat hij beschrijft en dat aan het schommelende figuurtje van Goya op de kaft refereert: net als hij wil hij kraaiend van plezier in een schommelstoel gaan hangen. Maar dan volgt nog een slotgedicht waaruit blijkt dat hij eigenlijk niet goed weet wat hij op het einde aan moet met ‘het inzicht dat alle zin waan is.’ Hij laat ook de lezer in het ongewisse achter.

_________________________

HUUB BEURSKENS

Gedurig nader

Koppernik, 55 blz., 16,50 euro.

AANTAL STERREN:

****

MIJN ONVERLAAT

Ik heb een engel geloof ik bij me binnen,

nu eens beloken stil, dan vergeet ik hem,

dan weer voel ik zijn gefladder beginnen

in mijn darmen, hem mijn hart met klem

omarmen, ruisen in mijn oren, in een kies

of knook pulseren. Werd hij door een God

gezonden? Uit zijn antwoorden valt niets

te leren: nu eens stijgt hij tot hoogst genot

op in mijn lid, waarna hij wreed weer zit

te wringen in mijn heupgewricht. Kadee,

linkmiegel die telkens weten laat dat dit

mijn ik zijn leven is. Het is geen duivel, nee,

die kan ik missen. Alleen weet ik niet of

ik hem wel zo mag: hang zo van hem af.

Huub Beurskens

Recensie: Het leven deugt. Althans op onderdelen (Anton Korteweg)

Wednesday, June 6th, 2018

 

Interview met de dood

Recensie: Luuk Gruwez

In Ouderen zijn het gelukkigst, zijn verzamelbundel uit 2015, probeerde Anton Korteweg zich nog vast te klampen aan de conclusie van een studie die pretendeert dat menselijk geluk het sterkst bij zeventigers aanwezig is. In zijn nieuwe bundel, Het leven deugt. Althans op onderdelen, lijkt hij afstand te nemen van dat dubieuze optimisme. Deugt het wel echt, het leven? Hier en daar misschien, maar − eerlijk − hoofdzakelijk niet: vanaf de aanvang wordt het een toenemende cluster van mankementen. Korteweg maakt, zoals zoveel oudere dichters, de balans op. ‘Ich lebe nicht mehr gerne,’ zegt hij op zijn oude dag Hölderlin na en hij blikt ook vooruit op wat hem mogelijk nog te wachten staat. Zijn bundel biedt, drie cycli lang, inzicht in de achtereenvolgende levensfases. In de eerste cyclus liegt hij zichzelf voor dat het ergste aan het begin komt: ‘Je moeder heeft zich achter je gesloten./ Het huis is dicht. Je komt er nooit meer in.’ Korteweg, nog meer dan vroeger de domeinbeheerder van de kortstondigheid, corrigeert vervolgens een bundel lang de consequenties van deze verstoting en komt daarbij tot de conclusie dat het, beetje bij beetje, alleen maar erger wordt. Het leven is een aaneenschakelijking van onfortuinlijkheden en je komt pas tot bedaren door je eigen lot te vergelijken met dat van wie het nog minder getroffen heeft. Want de dichter is een vergelijker, is het eens met Blaise Pascal dat te kunnen vergelijken aan de basis van alle geluk of ongeluk ligt.

Wat is nu eigenlijk de conclusie van deze verzen? Zij klinken heel licht, lijken soms op light verse, kunnen op hun best ergens tussen Heinrich Heine en Piet Paaltjens worden gesitueerd. Maar het is niet te ontkennen: de ellende begint al vanaf de geboorte. En toch: allemaal kommer en kwel is het niet geweest. Alleen is het helaas zo dat wat daaraan is kunnen ontsnappen, zich hoe langer hoe meer in het verleden bevindt. Korteweg raakt zijn moederschoot niet meer in, niet eens de alternatieve schoot van een geliefde. Eigenlijk beweert hij tongue in cheek  zoals hij dit al een dichtersbestaan lang doet, dat hij, verstoppertje spelend, streeft naar een soort onbestaan. De kunst van het missen zo koninklijk mogelijk beheersen, dat vindt hij interessant: ‘Ik heb er nooit veel moeite mee gehad/ de schaduwzij te zien van wie ik hield,/ en nu er rijkelijk bezweken wordt,/ komt me die vaardigheid prima van pas.’ De dichter probeert te minimaliseren wat hij hoe langer hoe meer mist, om aan dat gemis zoveel mogelijk te ontkomen, vanuit het idee dat het in het leven toch allemaal niet zoveel voorstelt. Bij Emily Dickinson heet het ‘the art of losing is not hard to master’.

Er is in deze bundel met de ons zo vertrouwde ironie van Korteweg iets aan de hand. Zij wordt harder, gaat vaker aan de geestige waarneming voorbij, kan niet optornen tegen de wrangheid die soms van de waarheid uitgaat. Al in de eerste cyclus heet het dat het demasqué van twee notoire leugeniconen, Sinterklaas en God, de dichter niet bepaald gelukkiger stemt. Nee, het leven is al bij al nog het prettigst, wanneer je onderdak in de leugen wordt vergund. Beter is het dus daar halsstarrig in te geloven, overtuiging die ook in ‘Over de waarheid’, het slotgedicht van de bundel wordt beaamd: wat je onthoudt van het leven is helaas niet wat je hebt kunnen realiseren, maar datgene waarin je niet geslaagd bent. In de optiek van de dichter blijft men zich beter zijn nederlagen dan zijn overwinningen herinneren, een ontmoedigende vaststelling die vooral in een mens met het einde in zicht hoe langer hoe meer infiltreert: ‘Toch blijven van je als man/ slechts dwanggedachten over:/ aan wie je nooit hebt gehad,/ aan wat je nooit hebt bereikt.’

Hoe dat zo komt? Doordat de dood vanaf de geboorte een ‘meegroeier’ is, doordat er geen beter verweer tegen hem is dan het besef daarmee te moeten leren omgaan. Deze vaststelling is zwartgalliger dan het luchthartige parlando van deze poëzie laat vermoeden: zelfs met de billen bloot probeert de dichter nog een glimlach uit. Niettemin lijkt hij hier meer dan ooit doordrongen te zijn van het besef van zijn eindigheid. Intussen blijft hij als vanouds meer waarnemer dan deelnemer. Door zo vaak zowel zijn medemens als zichzelf te portretteren, schetst hij, misschien met minder mededogen dan in zijn vroegere werk, een beeld van de hele kwakkelende mensheid die het, bijvoorbeeld middels oorlogen of voortplanting, nog erger maakt dan het initieel al was.

Eigenlijk heeft Korteweg, in deze gedichten vaak op het verhoog van een fietszadel gezeten, geen al te hoge verwachtingen met betrekking tot de efficiëntie van iets als de dichtkunst. Geen woord kan uiteindelijk een vuist tegen de dood maken. En wanneer deze laatste toestemt in een interview, geeft hij toe dat ook hij vaak in gebreke moet blijven. Hij verontschuldigt zich voor de stunteligheid en de onrechtvaardigheid wanneer hij wel eens iemand uit het leven weggraait die eigenlijk nog niet aan de beurt was. Te veel werk: jammer! In Het leven deugt. Althans op onderdelen voel je voortdurend dat daar een dichter aan het woord is die niet kan verhullen dat zijn sterfelijkheid hem kwelt.

*

Het ergst

Het ergst komt aan ‘t begin. Gelukkig maar.

Dan heb je dat tenminste gauw gehad.

Je moeder heeft zich achter je gesloten.

Het huis is dicht. Je komt er nooit meer in.

 

Het een na ergst komt met het eind in zicht:

niets moois van vroeger raakt nog in je hoofd.

Geen aai over je bol, geen fluweelzacht konijn,

geen knuist in vaderhand, geen lange afscheidszwaai.

 

Als je daarmee je laatste adem vergelijkt,

is dat een overkoombare kleinigheid.

 

Anton Korteweg

 

_________________________

ANTON KORTEWEG

Het leven deugt. Althans op onderdelen

Meulenhoff, 76 blz., 18,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

Luuk Gruwez

 

 

 

Job Degenaar. Twee gedichten

Saturday, March 17th, 2018

Twee gedichten

 

Hoog uitzicht op dit leven

 

Er lag gestapeld hout dat gloeide

de zon verwaasde achter de bergen

we dronken nostalgisch op het geluk

 

en bleven zitten, licht beroesd

de avond werd vanzelf nacht

Boven ons installeerde zich

 

een ontregelend decor van sterren

tokkelend op ons netvlies, soms

doorkruist door stille satellieten

 

de lichtpijlen van hemelsteen

en het nabij geknipper van

zacht snorrende vliegtuigen

 

Toen was ‘t voor ons, stervelingen

weer mooi genoeg geweest

en omsingelde grondmist ons

 

een ging op Facebook

een ander rolde een sigaret

en blies vraagtekens de ruimte in

 

In de verte, vanuit het duister

loeiden herten

hun oude blues

 

*

 

Vluchteling

 

Vrij de lucht waarin wie vliegt

een niet verscheurde wereld ziet

van wolken, wisselend van vorm

en kleur, en aanzuigend hemelblauw

 

en onder zich een landschap

dat gaandeweg verandert

en wat daarin beweegt

verandert van nature mee

 

Maar down to earth is vrijheid toeval

en wie op drift is voor een oorlog

is als een kever die een zandhoop

over wil, maar terug- en op z’n rug valt

 

En soms schuift een opperwezen

dat zijn gespartel gadeslaat

hem nog een zandstorm toe

wanneer hij bijna boven is

 

(uit: Hertenblues)

 

© Job Degenaar / 2018

Hans C. ten Berge. Drie gedichten

Tuesday, February 20th, 2018

PUTSONDERWATER

 

De trein hield stil,

ik stapte uit.

 

Een schim gleed langs een muur,

een wiel wees op een ossewa.

 

Putsonderwater

 

Vlek van dode huizen, leven

dat vervloog, de stationstuin zonder rozen.

 

Hitte drukte mij tegen de grond,

droogte vrat aan gapende kozijnen.

 

Geen tijd geklokt,

geen mens gezien.

 

Een schroeiwind zong

door nutteloze draden.

 

Oude kranten op een kale vloer,

de foto van een trekboer zo gelaten aan de wand.

 

Steil en trots staat hij

in de vreze gods op uitgemergeld

 

land, waar zelfs ratten kwijnden

en geen buizerd iets te muizen had.

 

Ik stapte in,

de trein vertrok

 

naar waar niets was –

Koegrabie, Kleinbegin.

 

De leegte was hier god

tot Upington, waar een rivier

 

zich eindeloos in bochten wrong

om ver, ver naar het westen                                                   .

 

voorbij Jakhalsbergen

op te gaan in oceanisch blauw.

 

*

 

HALFMENS BOOM

 

Op de rand van al wat

bijna niet meer leeft,

door vier wielen aangedreven, stapvoets

door het puin, over godverlaten

en vergruisde wegen – woestenij

waarvoor geen taal bestaat –

stuit je op een slungel van vier meter,

tors vol wratten en een vreemde pruik

als schedeldak: de halfmens boom

geworteld in gesmoorde aarde,

zonder armtak, beenprothese, bladertooi,

drinkend van gedroomde wateren

of ochtendlijke dauw door nevels

in de nacht hier neergeslagen.

 

Dit is het leven rauw:

land en lijf verzengd, de geest

vernauwd en prijsgegeven aan de leegte.

Glijdt een slang over de keien,

klemt een haviksklauw zich om een prooi,

spurt een klipspringer staccato door het veld.

Hier en daar een halfmens op een helling,

kaarsrecht of gekromd, een gestalte

zonder handen die verdorst, op halve kracht,

de loden zonnegloed weerstaat.

Net voor de avondval en het sublieme van een sterrennacht

doemt daar de grensrivier: een veerman,

blind en stug, wacht op de late reiziger

die hij voor ‘n sopie of ‘n dollar overzet.

 

*

 

DE TOCHT NAAR MONTAGU                                  

voor Francis Galloway

 

Iemand zei: Drijf de beulen

terug in het duister

Denk niet dat de tijd ons iets leert.

 

Je schrok op uit een moment van onoplettendheid

De Klein Karoo trok aan het oog voorbij,

de wagen klom en daalde

over uitgehakte wegen

Hitte, stof en uitgestrektheid

Soms een pick-up die passeerde zonder groet

 

Gesprekken die in de verlatenheid

geen einde mochten nemen –

Over krachtige vrouwen en hoofdige boeren,

over stugge maar onweerstaanbare taal

Een Kimberley voor kaartlezers

die zich verlustigen in namen: zie

Verneukpan, Modderspruit, Verraaiersnek

 

Terwijl je zelf niet stilstond

liep de tijd nog sneller

dan je hartslag deed vermoeden.

Wat voorheen de pas naar hier

had afgesneden, wortelde

in een nabij en alweer ver verleden

 

Zag je die apenrots niet eerder of elders –

Lag daar de boerenplaats waar Breytens oupa in een peperboom verkwijnde?

Wilde je in Swellendam of liever bij de warme bronnen wonen?

Dacht je aan de oceaan, het schitterlicht in kreken, baaien –

hoe de wind vanaf Antarctica

de schuimkraag van de branding streek,

hoe het zou zijn een laatste toevlucht

op een rots te bouwen?

 

Na Kogmanskloof de wijn, het avondmaal, de rode

zon die laag over de tafel scheerde

 

Al wat mogelijk leek

en toch niet kon

 

Al wat eeuwig was

en toch een einde nam

 

Het woord, de mond, de bron

die de bezwaarde geest een uur of wat verlichtte

 

Er schemerde iets voor je ogen

dat zich niet zomaar gewonnen gaf

Iets buigzaams dat onbreekbaar scheen.

 

Vermoeid zwikte een wijnglas door zijn voet

Een waas versluimerde je blik

Het was die dag gedaan

 

Iemand zei: Wat voorbij is

breekt ons morgen op.

En jij in de al bijna lege zaal:

Een maïsgele maan bestrijkt bergen en dromen.

Drijf de beulen terug in het duister.

De dageraad komt als een duif in bruidswit aangevlogen.

 

© Hans C. ten Berge/2018

Hans C. ten Berge

HCtB / beknopte bio-biblio

Hans C. ten Berge is dichter, prozaschrijver, essayist en poëzievertaler. Richtte in 1967 het tijdschrift Raster op, waarvan hij tot 1973 de enige redacteur was. In 2003 ontving hij de A. Roland Holstpenning voor zijn poëzie. Zijn gehele oeuvre werd bekroond met de Constantijn Huygens- en de P.C. Hooftprijs (resp. in 1996 en 2006). De poëzie tot 1993 werd verzameld in Materia Prima. In 2014 verscheen Cantus Firmus, gedichten 1993-2013, gevolgd door Splendor in 2016.

Recente prozatitels: Blauwbaards ontwaken (roman, 2003), Ontluisd verleden (vijf novellen, 2006), Voorbeeldige vertellingen en hun versluierde betekenis (45 mythen en hun achtergronden, 2009), De stok van Schopenhauer (documentaire roman, 2012) en Een spreeuw voor Harriët (essays, dagboekbladen, veldnotities, 2018).