Wisselkaarten

Yves T’Sjoen. Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Friday, December 30th, 2016

louis-2011a

Yves T’Sjoen, Athol Fugard & Louis Esterhuizen (sept. 2011)

.

Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Bij het afscheid van de boekwinkelbestuurder Louis Esterhuizen

.

Literair veldonderzoek

Schrijvers en uitgevers, critici en vertalers, fondsredacteurs en letterkundigen. Ze krijgen in het hedendaagse literatuurwetenschappelijke onderzoek aandacht voor hun institutionele rol in het vertoog over literatuur. Hun posities worden toegelicht zowel op het gebied van de materiële als de symbolische productie van literatuur. In het Nederlandse taalgebied bestaat toenemende aandacht voor de cultuursociologische context waarin het literaire bedrijf plaatsheeft. De fondsopbouw van literaire uitgeverijen, het discours van periodieken en de literatuurkritiek, de cultuurbemiddelende functie van de vertaler en de (canoniserende) beeldvorming van literatuurgeschiedenissen zijn maar enkele voorbeelden van contextuele benaderingen die vandaag in het vakgebied modieus zijn.

In het schema dat C.J. Van Rees en G.J. Dorleijn opnamen in hun veel geciteerde studie De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000 (2006) worden de onderlinge relaties tussen actoren, instituties en strategieën in het literaire veld aanschouwelijk voorgesteld. Daarin bekleden onder meer literatuuronderwijs, fondsen voor de letteren, bibliotheek en boekhandel een belangwekkende positie. Vooral wanneer het op de symbolische waardebepaling van literaire producten in de publieke ruimte aankomt. De boekhandel is een van de instanties die vooralsnog in het veldonderzoek geringe aandacht krijgt. In het Nederlandse taalgebied ken ik maar enkele voorbeelden. Daarnaast ben ik geïnteresseerd in boekhandelaars die ook schrijver zijn, of beter andersom, auteurs die een tijdlang de kost verdienen met het uitbaten van een boekwinkel. In Vlaanderen, toen en nu, denk ik bijvoorbeeld aan de Antwerpse boekhandel De Brug van Paul de Vree, de legendarische boekhandel van Adolf Herckenrath in de Gentse Veldstraat, het gerenommeerde De Zondvloed van Johan Vandenbroucke (Mechelen en Roeselare), het boekwinkeltje Librairie de la Bibliothèque in Oostende van de Franstalige Belgische dichter Henri Vandeputte en Joris Vriamont als verantwoordelijke van de muziekafdeling in La Lecture Universelle (Brussel). Paul van Ostaijen hield dan weer enkele jaren de Brusselse kunstgalerie A la Vierge Poupine open. Schrijvers moeten aan de kost komen.

Boekhandelaar en dichter

Weken geleden is melding gemaakt van het afscheid van Louis Esterhuizen als filiaalhouder en bestuurder van de voor mij al jarenlang als onweerstaanbaar ervaren Protea Boekwinkel in Stellenbosch. Sinds juli 2002 is Esterhuizen in dienst van Protea Boekhuis (Pretoria). De laatste werkdag van 30 desember 2016, vandaag dus, trekt hij de deur achter zich dicht. Op de Facebookpagina zijn de voorbije tijd foto’s gepost van een afscheidsbijeenkomst in het gezelschap van de medewerkers. Jaren terug, sinds mijn eerste kennismaking met de indrukwekkend volgestouwde boekwinkel in de Andringastraat, was Louis Esterhuizen voor mij een door literatuur begeesterde en bijzonder sympathieke handelaar. De robuuste en zachtzinnige verschijning die ik elk jaar in september de stevige hand mocht schudden.

louis-2011e

 Louis Esterhuizen

Later werd hij voor mij de dichter. In het najaar van 2010 stuurde hij naar mijn thuisadres wat die water onthou met op het boekomslag een aquarel van zijn geliefde muze Marlise Joubert. In de gebundelde gedichten is de relatie met en kennis van de Vlaamse poëzie expliciet gemaakt. Zo begint een van de watergedichten, ‘die heiligheid van water’, met een bijna letterlijke referentie aan de beginregel “Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water” van Paul Snoeks canonieke gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’. Drie jaar later, in september 2013, overhandigde Louis in Stellenbosch tijdens een diner in de Volkskombuis aan de oevers van Eerste Rivier het “reisjoernaal” Amper elders. Naast Cambridge, Amsterdam en Praag bepalen Brugge en Antwerpen (Berchem) de ruimtelijke setting van de poëzie. Voor wat die water onthou gebruikte Esterhuizen een motto dat is ontleend aan Paul van Ostaijens klassieker ‘Melopee’, ook de titel van het gedicht waarmee de bundel afsluit. In Amper elders wordt in de reeks die reminiscenties bevat aan de Lage Landen wel méér verwezen naar Nederlandstalige dichtkunst (Hugo Claus, Herman de Coninck, Peter Holvoet-Hanssen, M. Nijhoff en Eddy van Vliet). Ik herinner me zeer levendig het gesprek daar aan de oever van de kabbelende rivier – een locus amoenus voor de dichter – over de reis die Marlise en Louis in Europa hebben ondernomen, en de onuitwisbare indrukken van hun rite de passage. Amper elders is er het lyrische getuigenis van. Het bijwoord ‘amper’, zo lichtte hij toe, betekent in het Nederlands zowat het tegenovergestelde van wat in het Afrikaans wordt begrepen. Er zijn vele levendige herinneringen aan ontmoetingen. Zoals die keer dat we Breyten Breytenbachs verjaardag vierden ten huize Esterhuizen en verrassend de theaterlegende Athol Fugard te gast was. Het blijft ongelooflijk dat ik die zestiende september over Tone Brulin heb kunnen praten met een charmante oude man die het theaterexperiment in Vlaanderen vanaf de eerste rij heeft aanschouwd.

louis-2011f

 Verjaarsdagviering vir Breyten Breytenbach
16-09-2011
.

louis-2011d

Athol Fugard
.

Naar aanleiding van de generositeit die mij telkenmale te beurt viel, ben ik ook méér gedichten van Louis Esterhuizen gaan lezen. Uiteraard in de dikke Komrij, maar ook in periodieken en andere anthologieën. Esterhuizen is de schrijver van voorlopig tien dichtbundels, te beginnen met Stilstuipe (1986). In 2011 is hij voor de doorgecomponeerde bundel wat die water onthou bekroond met de Protea Poësieprys. Zijn debuut is genomineerd voor de Ingrid Jonkerprijs. De gedetailleerde bibliografie, die op de Wikipediapagina kan worden nagelezen, maakt verder melding van zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van en de praktische beoefening van “Bekgevegte”, intussen een begrip in de Afrikaanse literaire wereld, en in den beginne een lange loopbaan in het onderwijs.

Afscheid van een icoon

Het afscheid van Louis Esterhuizen als boekhandelaar valt me zwaar. Zelden ontmoette ik zo’n bekwame en innemende boekverkoper – verkoper klinkt in deze context veel te mercantiel. Hij is een bezetene van het boek, een wandelende encyclopedie van literaire anekdotes en bibliografische weetjes, en vooral – zo leer ik uit zijn Facebookposts – een aanstekelijk speurende melomaan. Het is in Louis’ boekhandel prettig kuieren tussen uitpuilende boekenrekken en doorhangende planken waar ik elk jaar bij mijn doortocht nieuwe producties mocht ontdekken. Daarin begeleid door de warme sonore stem en de nimmer opdringerige aanwezigheid van de bestuurder. Mijn privécollectie Afrikaanse letteren heb ik mede te danken aan Protea Boekwinkel en is ingefluisterd door de belezenheid van de plaatselijke boekenchef. Het is frappant hoeveel Louis heeft gelezen, niet zomaar even geproefd of van op afstand verkend. Legendarisch zijn de zaterdagmiddaggesprekken in de boekhandel waar literaire auteurs, historici en andere schrijvers de revue passeren. Recent, in november, was John Miles er nog te gast. Ik vergaap me bij elk bezoek aan de uitnodigende boekenkasten waar fotocollages aan de zijkanten evenzovele warme herinneringen zijn aan druk bijgewoonde boekpresentaties. Met een glaasje Zuid-Afrikaanse wijn. Louis hield het zelf bij, zo merkte hij onlangs op: hij leidde honderden sprekers in, faciliteerde dialogen en verzorgde de promotie. De foto’s etaleren het kruim van de Afrikaanse letteren. Allemaal passanten in de boekwinkel van Louis Esterhuizen, en voor haar pensionering natuurlijk ook Marlise Joubert.

louis-2011b

Athol Fugard en Marlise Joubert
.

De vriendschappelijkheid staat mij voor altijd bij en is onlosmakelijk verbonden met het pand op Bergzicht Plaza in de Andringastraat. De boekhandelaar, samen met zijn bijzonder sympathieke crew, was er het uithangbord. Het wordt nu anders. Maar ik weet zeker dat Protea Boekwinkel een baken is voor het letterkundige leven in de Kaap. Dat stempel valt nu eenmaal niet uit te wissen. Althans dat is mijn vurige verlangen.

“Huis toe gaan, ja, ek wil huis toe gaan” (‘Soldatelied’)

Intussen gaat Louis Esterhuizen verder met dichten en vertalen. Ik wens hem vanuit mijn positie van binnenwaartse buitenstaander alle wind in de zeilen.

Voortaan richt mijn aandacht zich op het dichtwerk. De muzikale compositie Die afwesigheid van berge (2014), de jongste bundel, is voor mij zonder meer een hoogtepunt in het dichterlijke oeuvre. Niet alleen compositorisch of stilistisch is Louis Esterhuizen de schrijver van bijzonder werk. Ook vanuit transnationaal perspectief valt er veel over te zeggen. De (expliciete) intertekstuele verwijzingen in Esterhuizens poëzie naar de Lage Landen verdienen uitdieping en in een breder (discursief) perspectief te worden bestudeerd. Als een literair-institutioneel onderzoek in Zuid-Afrika zich richt op de beeldsturende functie van de boekwinkel voor de Afrikaanse literatuur, dan zullen Protea Boekwinkel in Stellenbosch en de charismatische “boekwinkelbestuurder” daarin een prominente plaats toebedeeld krijgen.

Louis komt thuis in de poëzie.

Vale, waarde vriend Louis.

louis-2011c

.

Yves T’Sjoen. Peter Snyders in de Lage Landen

Tuesday, December 27th, 2016
Etienne van Heerden, Peter Snyders & Marlene van Niekerk

Etienne van Heerden, Peter Snyders & Marlene van Niekerk

‘Dié poem kan jou famous maak’ – Peter Snyders in de Lage Landen

Ter nagedachtenis aan Adam Small (1936-2016)

 

Herinnering aan een passage

Najaar 1997. Nagenoeg twintig jaar geleden. Op uitnodiging van de Nederlandse Taalunie in Den Haag en vermoedelijk na bemiddeling door mijn Amsterdamse collega Ena Jansen is een uitgelezen gezelschap van Zuid-Afrikaanse schrijvers te gast in Nederland en België. Behoud de Begeerte faciliteert  de schrijversoptredens. De keurig uitgestippelde reisroute brengt E.K.M. Dido, Peter Snyders, Wilma Stockenström, Marita van der Vyver, Etienne van Heerden en Marlene van Niekerk ook naar de universiteit in Gent. Ik herinner mij van de passage een uitstap op zondag naar Damme, in de buurt van Brugge, waar het standbeeld van Jacob van Maerlant bewonderende Afrikaanse blikken oogstte en alwaar de lunch is gebruikt samen met mijn oudere professorale collega’s in een plaatselijke brasserie.

Op 6 oktober 2015 postte Etienne van Heerden op zijn Facebookpagina een memorabele archieffoto. De opname is gezien het klinische decor – uitgestrekt grasgroen tafelkleed, onbeschreven groen-blauw krijtbord, eentonige waterflessen van het Belgische merk Spa – gemaakt in een auditorium van de universiteit. De toentertijd achtenvijftigjarige dichter en toneelschrijver Peter Snyders is aan het woord. Tot zichtbaar jolijt van hem flankerende schrijvers, de paranimfen van dienst: Etienne van Heerden en Marlene van Niekerk. Gezien de indrukwekkende stapel papier op tafel, zo stel ik mij dat voor, was Van Niekerk drukdoende met het manuscript van haar roman Agaat.

Nieuwe verzetspoëzie en het literaire establishment

Ik herinner mij het geslaagde optreden van Peter Snyders. In november 1997, kort na de boekenbeurs in Antwerpen. En dus niet in 1998 zoals de Wikipedia-pagina over Snyders memoreert. Snyders trad in die periode op tijdens het Winternachtenfestival in Den Haag en op Poetry International. In Nederland traden Willem van Toorn en Henk van Woerden op, in Vlaanderen zijn Kristien Hemmerechts, Geert van Istendael en de Franstalige Belgische auteur Jean-Luc Outers uitgenodigd samen met de Zuid-Afrikaanse schrijvers.

Er stond in die dagen dus ook een performance gepland in Gent. De dichter bracht Kaaps-Afrikaanse gedichten ten gehore en voorzag zijn spitse voordracht van geestige zelfrelativerende commentaren. Twee jaar later las ik in ‘Perspektief op die moderne Afrikaanse poësie (1960-1997)’, een bijzonder gedocumenteerd overzichtsartikel van Helize van Vuuren, dat Snyders een “Kaapse Vlakte”-vertolker is van “die kollektiewe stem van opstand” en de auteur van “politieke versetgedigte”. Zij voegt toe dat hij “nie skroom om van die humoristies-satiriese Kaapse sosiolek gebruik te maak nie, wat ook sy verse ’n groter populêre gerigtheid gee”. Verder belicht de auteur de schatplichtigheid van de Kaapse Vlaktedichters, medio jaren tachtig en dus nog in de apartheidsera, aan de “satiriese protestaal” van Adam Small in Kitaar my kruis (1961). Van Vuuren noemt Patrick Petersen en Peter Snyders “as van die belangrikste eksponente van ’n kollektiewe nuwe versetpoësie teen apartheid”. Tot slot noteert zij met onverholen verontwaardiging: “Hoewel Petersen, Philander en Small […] deur die literêre establishment gekanoniseer is as individuele bruin digters, is die kollektiewe groep Kaapse Vlaktedigters nie deur die kanon geakkommodeer nie, deels om die vooroordeel op estetiese gronde, deels om die politieke inhoud van die verse”. Het verwijt aan het literaire establishment klinkt in elke lettergreep van de slotzin.

Toen ik vorig jaar (2015) in Bellville bij UWK het Swart Skrywers-symposium mocht bijwonen, handelde een van de discussies over de vermelde ‘accommodatie’, met name het acute gebrek aan institutionele infrastructuur voor kwaliteitsvolle uitgaven van literair werk van bruine en zwarte schrijvers. In hoeverre de poëzie van Peter Snyders, zoals die van onder anderen S.V. Petersen, P.J. Philander en Adam Small, in Zuid-Afrika als canoniek wordt beschouwd weet ik niet. Elk jaar vermeld ik zijn naam voor de zekerheid met enige nadruk in mijn panoramisch overzicht van de Afrikaanse literatuur. De anekdote en de foto in het bezit van Van Heerden zijn verbonden met Snyders’ optreden in de Lage Landen. Ik hou nogal van Snyders’ poëzie. Ik beschik helaas niet over het merkwaardige poëziedebuut dat als een collectieve onderneming is gerealiseerd. Brekfis met vier (1981) is een coproductie van Etienne van Heerden, Daniel Hugo, André Leroux du Toit (Koos Kombuis) en Peter Snyders. Daniel Hugo liet mij ooit, ik meen bij Tuin van Digters in Wellington, een nog moeilijk te traceren exemplaar als resultaat van die bijzondere samenwerking zien. Ik kon evenmin bundels als ’n Ordinary mens (1982), Political joke (1983), ’n Waarskynlike mens (1993) of later dichtwerk inkijken. Helize van Vuuren somt de vermelde titels op en benadrukt “die gebruik van Kaaps” als “’n voortsetting en verdere ontwikkeling van Small se satiriese verse Kitaar my kruis en Sê sjibbolet”.

Snyders in De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten

Gerrit Komrij selecteerde voor zijn anthologiebundel De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999) in totaal zeven teksten van Peter Snyders: ‘Ek is oek important’ (zie de YouTube-opname ter gelegenheid van Snyders’ optreden bij een graadplechtigheid van UWK), ‘Dit’, ‘Tighten your belt’ en ‘Die gesteelde TV’ uit ’n Ordinary mens, ‘Moedertaal’, ‘Versagtende omstandighede’ en ‘Ek skryf ’n gedig’ uit ’n Waarskynlike mens (1992). Zeven gedichten. Dat is een aanzienlijk aantal, gelet op de wall of fame die de bloemlezer van de Afrikaanse dichtkunst voor zijn Nederlandse lezers oprichtte. Komrij koos van de door hem het best aangeschreven dichters een maximum van tien gedichten. Snyders prijkt dus hoog in de literaire pikorde.

Twee jaar na de passage van Peter Snyders in Vlaanderen, na mijn lectuur van Van Vuurens panorama van de Afrikaanse poëzie en van Komrij’s canonieke bloemlezing, was de herontdekking niet minder dan een eye-opener. In 1999 mag door een gezaghebbende kritische stem in Perspektief & Profiel. ’n Afrikaanse literatuurgeskiedenis, bestemd voor een Zuid-Afrikaans lezerspubliek, zijn geopperd dat “Kaapse Vlaktedigters nie deur die kanon geakkommodeer [is] nie”. En dat het gebrek aan respons misschien wel kan worden toegeschreven aan een bepaald begrip van esthetische kwaliteit en de politiek-ideologische inslag van de gedichten. De ruime selectie die Komrij maakte uit twee dichtbundels heeft Peter Snyders een aanzien gegeven in het Nederlandse taalgebied. De zogeheten verzetspoëzie, tegen apartheid en na 1990 als kritische stem in het nieuwe Zuid-Afrika, heeft zonder meer een bereik in Nederland en België. Tot de weerklank hebben naast performances tijdens het Winternachtenfestival (naar verluidt ook nog eens in 2008) publicaties in het Brugse periodiek Kruispunt en vooral Jan Deloofs kleine tweetalige editie Versagtende omstandighedeVerzachtende omstandigheden bij Point (Altea, Alicante 1995) bijgedragen. Deloof vertaalde de Kaapse gedichten overigens niet maar voorzag de teksten van “Nederlandse transcripties”. Daarover meldt hij in de inleiding: “Bij Peter Snyders is dit (namelijk zijn van de standaard afwijkende taal) zelfs een wezenlijk kenmerk van zijn poëzie, die inhoudelijk nauwelijks uitleg behoeft, maar door het gebruikte idioom voor een Nederlandstalige hier en daar moeilijkheden oplevert. Dat is de reden waarom de originele gedichten… vergezeld gaan van Nederlandse transcripties, die enkel en alleen de bedoeling hebben het origineel beter toegankelijk te maken. De lezer gelieve de transcripties niet als vertalingen te beschouwen, want voor mij is vertalen uit het Afrikaans zoiets als Gezelle omzetten in standaard Nederlands.” Later, zo meldt Deloof, heeft Snyders in Afrikaans vandag (maart 1998) een kritisch commentaar geleverd onder de titel ‘Nederlands wil Kaaps raakvat’. Hier en daar, ten slotte, staat nog een gedicht van Peter Snyders in een bloemlezing. Ik denk dan aan het gedicht ‘Vullisblikmentaliteit’ in de tweetalige uitgave Ons klein en silwerige planeet. Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse gedigte oor die omgewing (Johann Lodewyk Marais en Ad Zuiderent (samenstelling), J.L. van Schaik Akademies, Pretoria, 1997, p. 95).

Nog vóór Komrij op het belang van het dichterschap wees, was Snyders zacht gezegd al een opgemerkte naam in Nederland en België.

Ik kan me van die koude winterdag in 1997 niet meer herinneren of Snyders het ironisch-sarcastische ‘Ek skryf ’n gedig’ heeft voorgelezen. De bundel ’n Waarskynlike mens was een jaar tevoren verschenen. De aanstekelijke lach van de spreker staat me nog voor de geest, de humor waarmee Snyders zijn optreden doorspekte. En de scherpzinnige doortastendheid waarmee hij uit de hoek kwam, in de steriele omgeving van een universiteitsaula. Sindsdien heeft de stem een plek veroverd in mijn favoriete privébibliotheek van de Afrikaanse poëzie. Indien ik met studenten spreek over ‘Kaapfrikaans’ en de dwingende stem van de Kaaps-Afrikaanse “bruine” dichtkunst, dan komt niet alleen Adam Small ter sprake. Ook de weergaloze dichter Peter Snyders heeft een plaats in dat pantheon. Tijdens het geanimeerde Swart Skrywers-symposium bij UWK, in oktober 2015, naar aanleiding van de kritische opmerkingen over het uitgeverslandschap voor “bruin” en “swart skrywers”, moest ik terugdenken aan dit gedicht. In zoverre ik mij dat herinner, gaf Peter Snyders toen niet present. En Adam Small was verhinderd vanwege gezondheidsperikelen. De tekst die ik hier presenteer, echoot nog altijd door mijn hoofd.

 

Ek skryf ’n gedig

 

Ek skryf ’n gedig

’n gedig wat almal kop laat staan,

ek wys dit vir my vriende wat sê:

Dié poem kan jou famous maak.

 

Ek tik dit netjies,

onderteken my naam, en,

kopiereg-verskrik

stuur dit toe na elke redakteur

wat waag om goeie vers te druk;

 

drie jaar later hoor ek dié wysie:

Nog nie famous nie?

 

My verwysingsveld –

dít is wat daai sogenaamde redakteurs ontwrig;

ek sal hulle wys,

ek sal my eie uitgewery stig.

 

So, hier sit ek met gevoude arms,

’n baie belangrike mens, sê die bord,

my vriende wat verbygaan sê:

Nóú gaan hy famous word.

 

My naam verskyn in druk, o ja,

op rekenings vir dit of dat,

maar as ek bankrotstraat afstap

gaan my ondersteuners voort:

’n Mens raak famous ná jou dood.

 

(c) Yves T’Sjoen / Desember 2016

Voor een korte vermelding van ‘Skrywers en Schrijvers’ (november 1997), zie Matthijs de Ridder, Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis 1984-2014. De Bezige Bij, Antwerpen, 2014, p. 177.

Yves T’Sjoen. Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Sunday, December 18th, 2016

komrij

Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Ter gelegenheid van een verjaardag

Over de bloemlezing “in 1000 en enige gedichten” uit de Afrikaanse poëzie, die Gerrit Komrij aan het einde van het vorige millennium voor het fonds van Bert Bakker (Amsterdam) samenstelde, is destijds veel inkt gevloeid. Komrij’s eigengereide tekstkeuze is in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek toegejuicht maar ook verketterd. Het is een open deur te beweren dat de bloemlezer zijn particuliere beeld van een eeuw Afrikaanse dichtkunst presenteert. Het spreekt dus voor zich dat De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten geen panoramisch, laat staan een representatief, beeld construeert van krachtlijnen of tendensen in honderd jaar Afrikaanstalige poëzie. Komrij neemt allesbehalve een literatuur-historisch standpunt in. Bij uitstek is hij de selectieheer die zich beroepend op poëticale premissen en een eigen esthetica een keuze uit honderden dichtbundels maakt. In het ‘woord vooraf’ stelt hij: “Ik heb me zelf maar twee principes opgelegd. De eerste is dat er per dichter maximaal tien gedichten werden opgenomen. De tweede is dat ik, zonder één idee vooraf en ongehinderd door welke belangengroepen ook, alleen naar de poëzie wilde kijken. Naar de kwaliteit van de poëzie en naar wat poëzie met ons vermag”. Wat de samensteller met de wel heel subjectieve aanduiding “kwaliteit” op het oog heeft, wordt opgehelderd in de alinea die daarop volgt: “Poëzie is kunst en kunst is kunstigheid en kunstigheid is vakmanschap, dat voorop. Maar poëzie biedt ook schoonheid en – waarom niet? – troost”. Hij maakt tot slot een onderscheid tussen wat poëzie teweegbrengt voor de lezer toen en nu. “Voor het verleden is [poëzie] een onschatbare informatiedrager omdat ze momenten en attitudes, in schuld of onschuld, notuleert. Voor het heden is ze een bezweerder van angsten, een aanjager van dromen, een opwekker van doden, een magazijnbeheerder voor de mensen van morgen en overmorgen”. Ambacht (“vakmanschap”) en artisticiteit (“kunstigheid”, “schoonheid”) zijn principes die ten grondslag liggen aan de samenstelling van de poëzieanthologie. Ook in het eigen scheppende werk van Gerrit Komrij, zoals de poëzie, ligt de klemtoon op de ambachtelijke aard. Een veel geciteerd gedicht, vanwege de programmatische inslag, is ‘De zwijgzaamheid’ in de bundel Tutti frutti (1972). Daarin wordt door het lyrische ik zijn door contemporaine critici als zwart-romantisch en expressief voorgestelde poëtica ter discussie gesteld. De dichtende verteller legt niet zozeer zijn ziel bloot in taal maar maakt zijn gedicht. Het gedicht is een kunstmatige constructie, beklemtoond door de anafoor “eer” in twaalf van de veertien dichtregels, die alleen als taalwerkelijkheid bestaat en niet als uitdrukking van hyper-individualistische sentimenten.

Naar mijn oordeel liggen vergelijkbare ideeën aan de basis van Komrij’s keuze uit de Afrikaanse gedichten. Critici die er gemakshalve van uitgaan dat de schrijver voor een belangstellend Nederlandstalig publiek een staalkaart van de Zuid-Afrikaanse (Afrikaanse) poëzie heeft willen presenteren, gaan voorbij aan de morfologie van de selectiehand. De bloemlezer hanteert specifieke principes en gebruikt poëticaal onderbouwde criteria voor zijn lectuur. De bloemlezing is deel van een schrijversoeuvre, de tekstkeuze beantwoordt aan een particuliere idiomatische grammatica die het werk van Komrij een eigen gestalte geeft. De Afrikaanse poëzie wordt niet zozeer geëtaleerd, Komrij’s keuze staat voorop. Het is dan ook veelzeggend dat op het voorplat van het vuistdikke boek de naam van de samensteller aanzienlijk groter staat afgedrukt dan de titel zelf. De auteur staat letterlijk en figuurlijk voor het selectiewerk dat in 1999 is gepresenteerd. Zelfs de paratekstuele gegevens onderbouwen deze stelling.

‘Sodat jy van my weet’ van Marlise Joubert

Tegen die achtergrond belicht ik een enkel gedicht. Van Marlise Joubert nam Komrij één gedicht op, met name ‘Sodat jy van my weet’ in de bundel ’n Boot in die woestyn (Afrikaanse Pers-Boekhandel, Johannesburg, 1970). De auteur was vijfentwintig toen zij het dichtwerk op het publieke forum bracht. Intussen volgden vele dichtbundels, ook de bijzonder rijke bloemlezing In a Burning Sea. Contemporary Afrikaans Poetry in Translation (2015). Ter gelegenheid van Marlises verjaardag herlees ik het gedicht dat Komrij selecteerde voor de Nederlandssprekende lezer.

Sodat jy van my weet

Ek sal op die brug

van jou voet orent staan

miskien sal ek kniel

ek sal slawekore word

my liedere soos vure

in die gange van jou bors

laat smeul sodat jy

van my weet

Ek sal soos wolke stapel

watersuile deur laat breek

soos wilde perde sonder

teuels oor jou jaag

sodat jy

van my weet

Omslag

Omslag

In het hoofd van Gerrit Komrij kunnen we niet kijken en naar zijn overwegingen niet vragen. Ik kan alleen speculeren op grond van welke bedenkingen het gedicht van Marlise Joubert in De Afrikaanse poëzie is terechtgekomen. Het romantisch getoonzette gedicht – een staaltje belijdende ik-poëzie – is volgens een klassieke vormentaal geconstrueerd. Hoewel dat op het eerste gezicht niet blijkt, gezien de atypische strofenindeling, is de tekst een sonnet van veertien regels: een octaaf (zonder witruimte tussen de kwatrijnen), dan een witregel gevolgd door een kwatrijn en een distichon (samen zes versregels). De twee tekstentiteiten (octaaf en sextet) beginnen identiek: “Ek sal”. Gebruik makend van het enjambement, met regelafbreking die betekenis toevoegt aan versregels en strofen, worden twee korte directe redes vanuit een ik-perspectief gepresenteerd. De mijmeringen van de vastbesloten ik (drie keer “sal” in de eerste strofe) zijn tot een jij-figuur gericht. De persoonlijke pronomina onderstutten de tekst: in strofe 1 wordt vier keer verwezen naar ‘ik’ en drie maal naar “jou” of “jy”. Het ik neemt zich voor een onuitwisbare indruk te maken op die jij-figuur, “sodat jy van my weet” (ook de titel van het gedicht). Het ik wil overeind staan “op die brug/van jou voet” en tracht “my liedere soos vure/in die gange van jou bors/laat smeul”. Op die wijze wil de ik-figuur afhankelijk zijn van de aangesprokene, haar lot verbinden met die van de als apostrof opgevoerde jij. In de tweede strofe, na de volta, gebruikt de schrijfster voor de monoloog (monologue intérieur) natuurbeelden om aan te geven welke storm zij in de jij wil jagen: “soos wolke stapel/watersuile deur laat breek”, en in een tweede expliciete vergelijking: “soos wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Het subject heeft het plan een aardverschuiving te veroorzaken, “sodat jy/van my weet” (de slotstrofe). De titel echoot twee keer letterlijk in het gedicht: in de voorlaatste en laatste regels van zowel octaaf als sextet.

Komrij’s choice

Het gedicht van Marlise Joubert is een voorbeeld van ambachtelijke poëzie. In een klassieke vormentaal, of anders gezegd in wat we écriture artiste noemen, wordt een gevoel van overweldigend verlangen tot uitdrukking gebracht. De herhaling van “sodat jy/van my weet” wijst erop dat de ander hét (nog) niet weet. Hier wordt een resoluut voornemen uitgesproken. De beeldentaal laat een zekere hybris zien: het ik zal weliswaar “slawekore” worden met “liedere soos vure” maar evenzeer “watersuile deur laat breek” en zoals “wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Dit zijn krachtige beelden waarin respectievelijk de nederigheid (“sal ek kniel”, “slawekore”) én de goddelijke macht die waterzuilen laat breken – mogelijk een beeld voor ontroering – aanschouwelijk worden gemaakt. De tekst kan zonder meer worden gelezen als psalmodiërende lied van brandend verlangen. Een andere mogelijkheid is enige kwaadaardigheid te veronderstellen in de vastberadenheid van de ik-verteller. De directe rede wordt nergens onderbroken door een adempauze (geen interpunctie) en gaat wel heel expliciet uit van het ik-standpunt. Misschien is de liefdesverklaring wel onbeantwoord gebleven en neem het ik de toegesprokene dat wel heel kwalijk. In dat geval krijgen we een diabolisering van de monddode jij-persona, de figuur die niet reageert en bijgevolg ver weg blijft.

Hoe we het gedicht ook lezen, het past in een bloemlezing waarin overwegend traditioneel vormgegeven romantische gedichten in het Afrikaans een plaats krijgen. Of het de erotisch geladen mythische beelden zijn die Komrij overtuigden, weet ik niet en doet zelfs niet ter zake. De wijze waarop de tekst is gecomponeerd, met de sacrale plechtstatige toon en gestut door enkele expliciete vergelijkingen, laat mij toe over een klassieke compositie te spreken. In die mate klassiek dat een ironische lezing allesbehalve uit te sluiten valt. Zoals de poëzie van Komrij zelf zich daar altijd weer toe leent.

(c) Yves T’Sjoen / 17 Desember 2016

Luuk Gruwez. Resencie: New Romantics (Michaël Vandebril)

Tuesday, December 13th, 2016

tumblr_o6wl3wmrbk1tgywyso1_1280

Een Ik Bestaand Uit Vele Anderen

De auteur: Dichter die in 2013 de Herman De Coninck Debuutprijs in de wacht sleepte en een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs verwierf.

Het boek: ‘Poëzie zal romantisch zijn of zal niet zijn,’ lezen wij op de achterflap. En ja: Vandebril zet het begrip romantiek naar zijn hand in wat soms een persiflage van een persiflage lijkt.

ONS OORDEEL: Gedichten die deel uitmaken van een doordacht concept dat sommigen misschien te gekunsteld zullen vinden en anderen juist zullen weten te waarderen.

Er is een zin van de helaas bijna vergeten Nederlandse romancier J. Van Oudshoorn die ik vaker citeer omdat hij zo typisch is voor wie zichzelf schrijvenderwijs wil ontplooien: ‘Alle anderen had hij kunnen zijn, alleen zichzelve niet.’ Op Michaël Vandebril is die zin bij uitstek van toepassing: hij is de dubbelganger van een dubbelganger. Of misschien net niet. In een recent nummer van Staalkaart schrijft hij namelijk: ‘Wat is echt en wat is schijn, het is een wederkerend thema in de filosofie en de kunst, maar ook in de politiek of de economie. De mens heeft onweerlegbaar een drang naar authenticiteit, naar oprechtheid. (…) Echtheid was ook een van de streefdoelen van de historische romantiek.’ Het zou dus kunnen dat deze dichter zijn poses net zo echt vindt als wat anderen daar doorgaans onder verstaan: het tegenovergestelde. Misschien is die vermeende echtheid in zijn ogen evenzeer een constructie. Wel koketteert Vandebril naar hartenlust met zijn ‘romantische’ poses, al meteen in een eerste cyclus die ‘Vijf pozes’ heet. Of nog eerder: op het voorplat van zijn bundel waarin hij poseert als een dandy met een pruik vol pijpenkrullen en een hemd met een overdaad aan ruches. Hij schaamt zich er niet voor om wat zijn poëzie al in extreme mate ademt, nog eens te intensiveren in de grafische vormgeving.

Centraal staat bij hem dan ook de vraag wat kitsch en wat romantiek is, wat schijn en wat werkelijkheid. En ja dus: wat leugen en wat oprechtheid is, wat pose en wat echtheid. De dichter stapt niet op onder een vlag als ‘de nieuwe romantiek’, maar onder de Engelse term ‘New Romantics’. Dit insinueert dat hij niet kiest voor een poëzie die alleen maar een neoversie van een neoversie en nog eens een neoversie van de historische romantiek is, maar dat hij bijvoorbeeld de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft gekend en de Engelse generatie van de new romantics: lustig doet hij aan kruisbestuiving tussen uiteenlopende tijdperken en  diverse iconen uit  de wereld van de literatuur met onder meer de synthpop van de jaren tachtig. Maurice Gilliams en David Bowie, Duran Duran en Rainer Maria Rilke, Brian Eno en Jean Cocteau: allen zijn zij bien étonnés de se trouver ensemble. Vandebril heeft de enigszins antieke neiging zichzelf als een gepokt en gemazeld narcist te zoeken in een spiegel. ‘in de spiegel ben ik dichter/ dan in werkelijkheid,’ dicht hij. Daartegenover staat dat hij zich blijkbaar graag bedient van een citaat waarmee hij zijn potentiële critici voor wil zijn. Het is van Cocteau: ‘Ne faites jamais confiance aux miroirs,/ ils vous montrent toujours à l’envers.’ Citeren doet hij trouwens onophoudelijk: pose heeft haast per definitie citeerdwang nodig. Maar natuurlijk is het wel discutabel dat hij de lezer in zijn afsluitende notities instructies oplegt over de manier waarop hij de al dan niet imaginaire soundtrack bij deze gedichten moet lezen: ‘To Be Played At Maximum Volume (While Reading).’ Waarna, per gedicht, de namen volgen van Simple Minds, Kraftwerk, Ultravox, e.a. (Eén bedenking: zou hij ook voeling hebben met een zangeres als Taylor Swift en haar song die evenals zijn eigen bundel ‘New Romantics’ heet?)

Men kan bezwaar maken tegen al dit geposeer, dat na-apen van het na-apen. Niettemin gaat het ook om poëzie die wordt gevoed door een epoque in de jeugd van de dichter en om een poging uit alles wat zich ooit op literaire, muzikale of artistieke wijze aan hem heeft voorgedaan een soort synthese te destilleren waarin hij zich op eclectische wijze kan vinden. Eigenlijk wordt hier een ouderwetse queeste naar identiteit ondernomen. ‘mijn naam is michaël’ schrijft hij her en der in zijn bundel, alsof hij de lezer toch wil herinneren aan zijn burgerlijke status. Hij voert zichzelf op verschillende leeftijden verifieerbaar ten tonele. ‘ik werd vijf in 1977’, lezen wij.  Of nog: ‘ik werd negen in 1981’. Al omschrijft hij ook dit feit als zijn ‘mooiste schijnbeweging’. De dood dan maar als ultieme ernst? Welnee, ook die behoort maar tot een acteerprestatie: ‘(wij) zetten onze/ dood in scène’. Wat mag daar de oorzaak van zijn, vraag je je als lezer af en je hebt de neiging te denken dat de dichter een egelstelling inneemt omdat hij geen bijzondere fiducie in zijn medemens heeft: ‘ik heb genoeg/ aan een handdruk/ (…) om te weten/ (een mens liegt/ (…)/ zes keer per dag)/ hoe laat het is’. Nogmaals: de pose is de werkelijkheid, niet de biografie van een verjarend lijf. Vandebril wil zichzelf verwekken, blijkt uit één gedicht. Zo raakt hij zichzelf niet kwijt.

Er is in deze poëzie veel dat naar koude en naar ondoordringbaarheid verwijst: beelden van koudbloedigen als hagedissen, afgekoelde lippen. Beelden van  glas, steen, edelgesteente, ijzer. Maar in de laatste twee cycli lijkt het of er een doorbraak plaatsvindt: naar de anderen toe en weg van het verloren paradijs en de eigen plek. Vandebril onderneemt een reis langs diverse steden, van Belgrado tot Istanbul, in wat hij zijn ‘Grand Tour’ noemt. En weer legitimeert hij zijn onderneming met een citaat, dit keer van Rilke: ‘Um eines Verses willen muβ man viele Städte sehen’. Een dichter op zoek naar iets anders dan zijn identiteit, namelijk naar zijn gedicht? Of valt zijn gedicht juist samen met zijn identiteit?  En wordt niet alles ondergraven door dit ene besef: ‘overal waar ik kom is een dichter/ me voor geweest’?

 

VERLOREN PARADIJS

 

toen ik hier wegging had ik alles

maar nu kom ik met lege handen

.

naar deze aardkloot van afval en glas

geen vissen geen vogels enkel stilte

.

die elk oor verdooft onze verlaten

huizen staan te blinken in de helle zon

.

op deze plek spleten wij de vrucht

en aten ons vol weldadige warmte

.

toen hoorden wij een stem van bliksem

en verstopten ons waar bedelaars

.

en zwervers zich verschuilen vuil

en onbeschermd tegen het vlammend

.

geweld dat als een zondige wolk

in onze volnaakte lichamen sluipt

.

toen ik hier vertrok had ik alles

en aan u toon ik mijn lege handen

.

Michaël Vandebril

 

____________________

MICHAËL VANDEBRIL

New Romantics

Polis, 64 blz., 19,95 euro.

AANTAL STERREN:

***

 

Yves T’Sjoen. Proeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

Sunday, December 11th, 2016

imagesProeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

De beeldvorming van een literatuur in het buitenland verloopt langs verschillende sporen. Dat buitengaats geconcipieerde geschiedverhaal rijmt niet per se met de geschiedenis die in het taal- of cultuurgebied wordt gegenereerd. Tal van actoren zijn betrokken bij de cultuurtransmissie en construeren hun particuliere beelden van een literatuur. Tot de actoren behoren onder velen vertalers en uitgevers, critici en schrijvers, academici, culturele kranten- en tijdschriftredacteuren. Vanuit een particulier perspectief, geleid door bijvoorbeeld esthetische en didactische strategieën, worden in geschiedenisboeken beelden van literatuur geconcipieerd. Als het over buitenlandse literatuur gaat, dan spelen ook weer andere factoren een rol van betekenis, zoals de beschikbaarheid van de literatuur (in vertaling), uitgeversfondsen met vertaalde literatuur (zoals Podium voor de Afrikaanse poëzie), aandacht in lokale en nationale media et cetera.

Academisch literatuuronderwijs

In de kritische en creatieve receptie of dus de beeldvorming van anderstalige teksten in een taal- en cultuurgebied is ook het academisch onderwijs aan universiteiten van belang. In overzichtscursussen krijgen anderstalige studenten een verhaal gepresenteerd waarin panorama’s worden geschetst van literaire bedrijvigheid in het buitenland. Deze geschiedkundige overzichten zijn in tegenstelling tot wat ze voorwenden specifiek en worden in aanzienlijke mate bepaald door het perspectief van de docent en diens premissen. Elke literatuurgeschiedenis wordt in de verhalende vorm gebracht, met de focus op schrijvers en hun teksten, sinds enkele jaren ook nadrukkelijk gericht op de institutionele inbedding van literatuur (zoals de rol van uitgeverijen, tijdschriften, bibliotheken) én met aandacht voor het gesprek over literatuur in de afgezoomde periode. Alleen al dat selectieve lijstje wijst op ingrediënten voor een geschiedverhaal die ikzelf in ieder geval als belangwekkend beschouw.

Wie een verhaal brengt over Afrikaanse literatuur, bijvoorbeeld, presenteert een tekstselectie en hangt beelden op van literaire oeuvres en publieke schrijversoptredens. Er worden verbanden gesuggereerd, teksten worden op een welbepaalde manier besproken en desnoods als illustratiemateriaal gebruikt voor het literatuurhistorische discours. De encyclopedische en bio- en bibliografische referenties dienen hoogstens als pijlers voor een particulier betoog waarin zoals gezegd altijd weer eigen accenten worden gelegd. Een overzicht van dominante tendensen in een tijdvak kan idealiter worden gecomplementeerd met verhalen waarin esthetische paradigmaverschuivingen, literaire experimenten, avant-gardebewegingen en meer perifere literaire verschijnselen centraal staan. De bovenstroom, wat aan de oppervlakte van de letteren zichtbaar is, wordt in hoge mate mee bepaald door de onderstroom die aan het oog onttrokken is. En ik voeg er meteen aan toe: ook door alle tussenstromen. Wat vanuit hedendaags perspectief relevant lijkt, terugblikkend op een gebeurtenis of tendens, hoeft niet overeen te stemmen met hoe een en ander in die periode is gepercipieerd, welke schrijvers toen als belangwekkend zijn voorgesteld, welke teksten toentertijd een onderwerp van gesprek waren. Het literaire bedrijf is daarenboven een dynamisch proces van actie en reactie. Het is daarom relevant naar mijn oordeel de pendelbewegingen tussen literaire opvattingen te laten zien. Niet alleen vanuit een panoramisch perspectief maar soms ook in de ontwikkeling van een individuele schrijverspoëtica.

Afrikaanse literatuur in Gent

Universiteitsgebou

Universiteitsgebou

Aan de Universiteit Gent wordt al sinds een decennium het opleidingsonderdeel Afrikaans: taal- en letterkunde gedoceerd. Het vak heeft een hybride structuur: naast taalgeschiedenis en taalverwerving wordt aandacht geschonken aan de taalkunde van het Afrikaans, maatschappelijke en politieke geschiedenis en vanzelfsprekend ook de Afrikaanstalige literatuur. Elk jaar volgen tussen dertig en vijftig studenten Afrikaans. Deze derdejaarsstudenten nemen kennis van en worden enthousiast gemaakt voor taal en literatuur. Veel meer dan een introductie kan het vak niet bieden. Daarom verdient het aanbeveling in de masteropleiding te beginnen met een vak Afrikaanse literatuur nadat studenten in de bacheloropleiding Afrikaanse taalkunde en taalverwerving hebben gevolgd. Sommige studenten wijden vandaag in hun masteropleiding de scriptie aan een aspect van de Afrikaanse taal- of letterkunde. Voor de letterkunde wordt sinds dit academiejaar gewerkt met een syllabus: Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays (W∞lf, Gent 2016, 193 pagina’s). Naast een schetsmatig en overwegend bibliografisch overzicht van trends en ook trendbreuken in de Afrikaanse literatuur van de twintigste en vroeg-eenentwintigste eeuw zijn literatuurbeschouwingen en meer op de maatschappelijke en academische Zuid-Afrikaanse actualiteit gerichte teksten gebundeld die ik de afgelopen twee jaar schreef voor weblogs zoals LitNet NeerlandiNet en Versindaba en voor de website van Knack Magazine.

Voor het panoramische overzicht is om evidente redenen, en vooral dankbaar, gebruik gemaakt van het overzichtswerk Skrywers in die strydperk. Krachtlijnen in de Zuid-Afrikaanse letterkunde (Eep Francken en Luc Renders, Bert Bakker, Amsterdam 2005; sinds kort beschikbaar in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren). Naast feitelijke gegevens – schrijversnamen, jaartallen en titels van boeken en tijdschriften – bevat het overzicht enkele termen, zoals ‘(anti)normatiewe plaasroman’ en ‘grensliteratuur’, en politieke en maatschappelijke context. Wat in het boek van Francken en Renders ontbreekt naast de plejade van canonieke Afrikaans schrijvende auteurs zijn primaire teksten – afgezien van de fragmenten die in de monografieën zijn opgenomen. In de syllabus is nu per hoofdstuk een beperkte bloemlezing opgenomen van gedichten en korte prozafragmenten. Van ‘De Hollandse taal’ door Joseph Suasso de Lima tot ‘Elke gedig’ (H.J. Pieterse) en ‘Die onophoudelike weerligstraal’ (C.P. Naudé).

Perspectieven voor een geschiedverhaal

Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika presenteert een particulier verhaal. De keuze voor het onbepaalde lidwoord in de boektitel duidt daar op. Hoewel ik meer dan gewoon schatplichtig ben aan Skrywers in die strydperk, het boek waaraan in de inleiding expliciet wordt gerefereerd, tracht ik met behulp van mijn primaire tekstenkeuze een eigen verhaal te brengen. De klemtoon ligt op de dynamiek van het literaire landschap, met name het Afrikaanse culturele subsysteem als onderdeel van een meertalig literair polysysteem in Zuid-Afrika. Door de focus te richten op het heersende discours – met canonieke stemmen zoals N.P. van Wyk Louw, D.J. Opperman, Breyten Breytenbach en André Brink (de usual suspects) – en de interactie met of het tegengewicht van meer marginale discoursen tracht ik dat dynamische proces in kaart te brengen. Figuren als Jan Rabie, voorloper van de ‘Sestigers’, en ook Peter Blum, E.K.M. Dido, S.V. Petersen, P.J. Philander en Peter Snyders bijvoorbeeld verschijnen in beeld. Niet toevallig enkele bruin- en swartskrywers, maar ook andere figuren die in het vergeetboek van de Afrikaanse letteren worden bijgeschreven.

Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach

Aangezien overwegend Vlaamse studenten taal- en letterkunde en (Afrikaanse) talen en culturen het vak volgen, wordt geregeld verwezen naar contemporaine ontwikkelingen in het zustertaalgebied. De literaire context van de Lage Landen is noodgedwongen ook mijn referentiekader, het frame waarmee ik de Afrikaanse literatuur lees. Niet alleen de cultuurtransfers en intercontinentale contacten passeren de revue – de vriendschapsbanden tussen N.P. van Wyk Louw en Nederland/Vlaanderen (K. Jonckheere, J. Greshoff), de schrijverscontacten tussen Eybers en Van Nijlen, Lanoye en Krog –, ook de intertekstuele relaties tussen Afrikaans en Nederlands zijn van belang: een gedicht dat Breytenbach opdroeg aan Paul van Ostaijen en de opdrachtgedichten die onder anderen Campert, Kouwenaar, Lucebert en Ten Berge voor en over Breytenbach (in gevangenschap) publiceerden.

Complementariteit, de andere kijk

Keuzes bepalen een verhaal. Het beeld dat ik naar voren schuif van de Afrikaanse letteren moet noodgedwongen worden aangevuld. Studenten krijgen precies daarom een bibliografische lijst met historische overzichten waarin vooral andere klemtonen zijn gelegd. Op basis van die lectuur kunnen zij de verhalen in Een geschiedenis ter discussie stellen, nuanceren en aanvullen. Het is goed te reflecteren over uitgangspunten zodra een literatuurgeschiedenis wordt verteld. Dat gebeurt ook expliciet in de inleiding van het boek. Elk jaar breng ik idealiter een ander verhaal en belicht vanuit een bijgesteld perspectief een andere scherf van het fonkelende mozaïek. Ook al figureren dezelfde auteurs en teksten in het panorama, ze worden beschouwd vanuit een veranderlijk perspectief dat een nieuwe lichtstraal laat schijnen op een oeuvre, een literaire gebeurtenis of een markant verschijnsel.

Door een deel met beschouwende teksten op te nemen, voorgepubliceerd op weblogs en in tijdschriften, wordt dat perspectief verduidelijkt. Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays is dan ook een vermetele poging een literatuurgeschiedenis te construeren die naast de bekende namen en titels iets toevoegt aan wat al bekend is.

En toch blijft het project voor mij onbevredigend. Een multilinguaal land als Zuid-Afrika, met de vele talen en literaire tradities, verdient een polyperspectivistische literatuurgeschiedenis. Met aandacht voor de andere talen, naast het Afrikaans, en alle kruisbestuivingen die daartussen plaatsvinden. Een Zuid-Afrikaanse literatuurgeschiedenis kan alleen het resultaat zijn van teamwork. Mogelijk naar analogie met de door de Nederlandse Taalunie geïnitieerde en bijna voltooide Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur, en dan niet alleen een auteur per periode maar een amalgaam van historici die de literatuurgeschiedenissen vanuit de meertalige context beschrijven. Wat ik binnen mijn beperkingen maar kan vertellen, is vanuit een buitengaats perspectief een verhaal over de Afrikaanse letteren. Als een Vlaming over Afrikaanse letteren in Zuid-Afrika spreekt, is dat per definitie een ander verhaal dan wat Zuid-Afrikaanse en ook Nederlandse docenten vermogen. De canon van de Afrikaanse literatuur in de Lage Landen is hoe dan ook een andere dan de (Zuid-)Afrikaanse. Dat maakt het transnationale gesprek over elkaars literatuur net zo interessant. Welke schrijvers spreken aan in een ander taalgebied, wat is er populair, welke teksten worden vertaald, wie staat er in beeld enzovoort. Alle benaderingen samen maken deel uit van het complexe verhaal dat transnationale literatuurgeschiedenis heet. Vanuit welk perspectief we ook kijken, het blijft een verhaal.

(c) Yves T’Sjoen /Desember 2016

Gerry van der Linden. The Status of Poetry

Thursday, December 1st, 2016

poetry

THE STATUS OF POETRY

In the dictionary I found this definition of Decadence Times:  Falling from high to low standards in morals or the arts:

Did poetry fall from high to low standards nowadays? I do not know. Poetry is easy to be considered as being as well on low as high standards. One can look at poetry as a rather draughty window that shows us the mind and heart of the poet. In breeze or stormy weather, the window is open and to be seen through. The poetry, however, not necessarily opens the mind and heart of others. The other can be not receptive and will close the window, the poet can hide behind it as a place to live in, to be safe. The poem will not fly.

The Dutch poet Slauerhoff says: Only in my poems I can live. It is the first line of his poem called: Without a home. He was a passionate world traveler, his poems took him every where, though his most famous one is about his home country, which he left behind..

Is poetry the only home we have in decadence times? I think so. At all times. For the poet, the non-poet and everyone else. I consider poetry to be homeless no matter how comfortable its house is. When poetry seems to be accepted and cultivated by the ruling society, when that moment arrives, poetry is more homeless than ever. We need poems to make room for questions, to clear our view, to undone the mirror of its haze, to use words for other meaning than yes, please, no, never. The word ‘’perhaps’’ should belong to the poet’s most essential vocabulary.. and perhaps to all of us. It is a word that leaves the window open at all times.

How about the status of poetry at all times? Is there a constancy in poetry? Is poetry to be defined? Not really. I think, that poetry is the inaudible speaking of the invisible in image, sound, rhythm. So far for clearness! When a poem touches our existence, – as we are all leaves in the wind floating on a breeze and storm – , it creates space and flies away. It is up to the reader to join. A poem is like a bird with a diamond in its feathers. It shines on you, even when you are not aware of it.

Amazement can be a source of writing. To be amazed about daily life, people and their ways of doing, animals, objects, everyone and everything has a second nature not to be seen at first sight. There’s nothing in this world to be taken for granted, yet, nothing comes naturally. Only nature and that’s why it rules us and will always be superior to us. Writing poems could be seen or as idle work that is done at the outskirts of life or essential labour in the middle of the stream of life, being the main source, being alive in image and language with all its senses.

Perhaps you can compare poetry with true love? Just as love, poetry can go everywhere and all ways, it is neither rational nor logical, it has no limits or highest power. It is the diamond in the bird’s feathers and can shine upon all of us. A treasure that not will be defeated, it touches the untouchable, that we carry inside of us. If we are true to ourselves.

(c) Gerry van der Linden

Nota: Hierdie is die inset wat die Nederlandse digter, Gerry van der Linden, gelewer het tydens die Poetry Festival Istanbul in April vanjaar.  In Junie 2017 verskyn Van der Linden se digbundel Een boterham met Brodsky, ‘n bundel wat handel oor die swerftog wat  hy saam met die Russiese digter onderneem het in 1989.

Yves T’Sjoen. Breytenbach, Van Heerden en Universiteit Leiden.

Sunday, November 20th, 2016
220px-keizersgracht_141

Keizersgracht 141

 

Breytenbach, Van Heerden en Universiteit Leiden. Bijzondere activiteiten van Gents Centrum voor Afrikaans in Zuid-Afrikahuis

Yves T’Sjoen

Het is intussen genoegzaam bekend dat het Gentse Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika (Universiteit Gent) tal van activiteiten initieert waarbij culturele en academische instituties in binnen- en buitenland betrokken worden. Recent zijn banden gesmeed met de Stigting vir Bemagtiging deur Afrikaans (SBA) en het Suid-Afrikaanse Sentrum voor Nederland en Vlaandere (SASNEV) in Pinelands (http://www.litnet.co.za/sasnev-en-gents-centrum-voor-afrikaans/). Een constructief gesprek in Het Pand (Gent) met de heer Jan Mutton, oud-ambassadeur van België in Zuid-Afrika, heeft het pad geëffend voor gedegen samenwerking en overleg. Zo zal het Gentse onderzoekscentrum actief participeren in een internationaal symposium dat volgend jaar ter gelegenheid van Eugène Marais’ tachtigste overlijdensjaar bij SASNEV is gepland. Recent presenteerde mevrouw Marlène le Roux namens SBA de plenaire en zeer gesmaakte openingslezing tijdens het derde congres voor het Afrikaans aan de Universiteit Gent (http://www.litnet.co.za/derde-gentse-colloquium-het-afrikaans/).

Breyten Breytenbach aan de Keizersgracht 141

In de Lage Landen kan de coöperatie met de Vlaams-Zuid-Afrikaanse Cultuurstichting (Brussel) en het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam worden genoteerd. VZAC heeft onlangs voorgesteld de zomercursus voor Zuid-Afrikaanse studenten voortaan in Gent te organiseren en die ook te willen financieren. Naast de Zomercursus Nederlandse taal en cultuur, georganiseerd door het Universitair Centrum voor Talenonderwijs (Gent) en de Taalunie, komt nu ook de zomerschool voor Zuid-Afrikanen naar de Universiteit Gent. Ook de Week van de Afrikaanse roman, op instigatie van Ingrid Glorie en een werkgroep, krijgt in 2017 een volwaardig Gents luik naast de lezingen en de voorstellingen in Amsterdam.

Het Gentse universitaire centrum voor Afrikaans is volgende dinsdag 22 november met maar liefst vijftig Vlaamse studenten te gast in het pand aan de Keizersgracht 141C. Bij monde van de directeur Guido van den Berg en de medewerkers Isabelle Vermeij en Corine de Maijer is enthousiast gereageerd op het voorstel een werkbezoek te brengen aan het gerenoveerde huis. De onderzoeksgroep van de UGent contacteerde voor deze gelegenheid doctor honoris causa van mijn alma mater, de meester Breyten Breytenbach. Het is een bijzonder voorrecht en een hele eer Breyten Breytenbach volgende week in het Zuid-Afrikahuis te kunnen verwelkomen. Ten behoeve van studenten en docenten zal hij in gesprek gaan met de oud-directeur van uitgeverij Meulenhoff en vertaler Laurens van Krevelen. Uit Die singende hand stelt Van Krevelen een bloemlezing samen die voor een Nederlandstalige lezerspubliek is bestemd. Het is alvast uitkijken naar de vertaling in het fonds van Podium. Het belooft een bijzondere gebeurtenis te worden, zonder overdrijven een landmark in de publiekswerking van het Gentse Centrum en wellicht ook van het Zuid-Afrikahuis. Een volgende keer nodigen we Adriaan van Dis uit die nu verhinderd is. Er worden tijdens de visite topstukken uit de imposante boekencollectie geëxposeerd en Gentse studenten krijgen toelichting bij de historiek en de werking van het huis. Dat het evenement niet onopgemerkt voorbij gaat, mag blijken uit de genereuze steun die door de heer Axel Buyse, Vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in Nederland, is toegezegd. Onze studenten en collega’s worden met spijs en drank verwelkomd en zullen zich het bezoek en de gesprekken met Breyten Breytenbach en Laurens van Krevelen blijven heugen. Met vereende krachten worden jonge mensen die kiezen voor het opleidingsonderdeel Afrikaans: taal- en letterkunde in hun opleiding in Gent enthousiast gemaakt voor een taal en voor de rijke literaire productie die in het Afrikaans tot stand komt. Het recordaantal belangstellenden voor Afrikaans dit academiejaar is wellicht het gevolg van de inspanningen die het Gentse Centrum zich getroost.

Interuniversitaire samenwerking Leiden-Gent

Deze week bereikte mij het verblijdende nieuws dat de universiteiten Leiden en Gent op het gebied van de Afrikaanse taal- en letterkunde voortaan zullen samenwerken. De volgende dagen worden nog enkele meer detaillistische punten doorgepraat. Beide opleidingscommissies, van de Universiteit Leiden en de Universiteit Gent, spraken het voornemen uit aan studenten- en docentenuitwisseling te doen. Sinds het emeritaat van Zuid-Afrikakenner en mijn aimabele collega dr. Eep Francken worden in Leiden Zuid-Afrikaanse academici uitgenodigd om een blokcursus en gastlezingen aan te bieden. In het voorjaar van 2017 is Etienne van Heerden te gast, zo liet prof. Yra van Dijk weten, en later is het de beurt aan een belangrijk dichter writer in residence. Het is vanzelfsprekend aan de Leidse collega’s die naam te gelegener tijd publiek te maken. De samenwerking tussen Leiden en Gent bestaat erin de gastdocent ook voor een lezing uit te nodigen naar Gent. Bij speciale gelegenheden reizen de Leidse studenten naar de Universiteit Gent, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de vierde Mandela Lecture die in het najaar van 2017 door Tom Lanoye en Antjie Krog (onder voorbehoud) wordt verzorgd. En omgekeerd worden Gentse studenten in Leiden verwelkomd voor activiteiten die de collega’s daar op het getouw zetten. Over PhD-onderzoek en andere academische onderzoeksactiviteiten wordt eerstdaags gepraat. Hoe dan ook zal op die manier een cruciale as tot stand komen in de Lage Landen die gericht is op onderwijs over en onderzoek naar het Afrikaans en de Afrikaanstalige literatuur in Nederland en België.

Nu dat interuniversitaire overleg het beoogde resultaat oplevert, heeft de afdeling Internationalisering via de opleidingscommissie Taal- en letterkunde laten weten financiële middelen ter beschikking te stellen voor Zuid-Afrikaanse studenten en docenten die in Gent colleges willen bijwonen en/of onderzoek doen. Het Gentse Centrum zal dankbaar gebruikmaken van die opportuniteit door kandidaten aan te bevelen, bij de bevoegde facultaire/universitaire instanties te pleiten en zelf de nodige faciliteiten te voorzien.

Etienne van Heerden in Leiden en Gent

Etienne van Heerden

Etienne van Heerden

Op een moment dat Afrikaans op universitaire campussen in Zuid-Afrika in de verdrukking staat en zich almaar moet legitimeren, trachten wij in alle bescheidenheid en met de middelen die ons ter beschikking staan een hart onder de riem, of dus in het Afrikaans een riem onder het hart te steken. Alle engagementen kunnen bijdragen tot een vruchtbare transnationale en intercontinentale dialoog met Afrikaans als gedeelde passie. Binnenkort spreek ik tijdens het colloquium van het Gents Afrika Platform over het Gentse Centrum en in het bijzonder de samenwerking met de Universiteit Stellenbosch en andere partners in het Zuid-Afrikaanse academische landschap. Op die manier wordt ook de universitaire goegemeente hier te lande en elders in Afrika geïnformeerd. Het GAP is een ondernemende onderzoeksgroep met tal van partners op het Afrikaanse continent. Het Centrum voor het Afrikaans kan in het licht van méér productieve vormen van samenwerking als een voorbeeld van good academic practice worden beschouwd. De Engelstalige tekst plaats ik begin december online via LitNet Neerlandinet. Ik ben zeker dat Etienne van Heerden via dat elektronische platform onze activiteiten op de voet volgt. We zullen hem dan ook graag, na het genereuze aanbod van de collega’s in Leiden en na tussenkomst van collega en Sartonmedaillist 2016 Steward van Wyk, als eminente gast ontvangen in Gent in het voorjaar van 2017.

 

(c) Yves T’Sjoen / November 2016

Yves T’Sjoen. Kleinbosch als Afrikaanse locus amoenus

Monday, October 10th, 2016

Gedenkschool der Hugenoten

 

À la recherche du temps perdu. Kleinbosch als Afrikaanse locus amoenus

Tijdens Tuin van Digters, het jaarlijkse Afrikaanse poëziefestival in Wellington, kreeg ik samen met mijn zoon het genoegen in het belendende stadje Paarl te logeren in een afgelegen gastenhuis genaamd Augusta Kleinbosch Guest Farm Hotel. Omgeven door wijngaarden in een uitgestrekt glooiend landschap verbleven we in de Gedenkschool der Hugenoten, sinds het begin van dit millennium een nationaal monument. Op vijftien kilometer van het Afrikaanse Taalmonument, in 1975 gebouwd op een granieten rotsformatie die na een regenbui in de zon zou schitteren als een parel, ligt het beminnelijke landgoed Kleinbosch. De plaas is gevestigd in het vruchtbare Dal Josafat van de Drakensvallei.

In de inkomhal van de gerestaureerde Gedenkschool, na de gedenkwaardige jaren fungerend als opslagruimte en wijnkelder, hangen de portretten van de controversiële predikant Stephanus Jacobus du Toit en de canonieke dichter Jacob Daniël du Toit, die bekend is geworden als Totius. Boven de thans als logeerkamer ingerichte verdieping is sinds kort een permanente tentoonstelling ingericht waar de prille geschiedenis van het Afrikaans als schrijf- en onderwijstaal aanschouwelijk wordt gepresenteerd.

Totius

Totius

Documentair materiaal schetst de historiek van Kleinbosch. Naar verluidt bouwde Ernst du Toit, achterkleinzoon van Francois du Toit, in 1792 het hoofdgebouw op de plaas. De Fransen emigreerden naar zuidelijk Afrika nog voor een meerderheid van de hugenoten de oversteek maakte. Al vroeg, enkele decennia nadat de Verenigde Oost-Indische Compagnie een verversingspost vestigde in de Kaap, baatte de familie Du Toit een boerderij uit. Op dezelfde plek is tegen het einde van de achttiende eeuw de plaas Kleinbosch gesticht.

De geschiedenis van het Afrikaans is daar in Paarl onlosmakelijk verbonden met de hugenoten, met de Du Toits als pioniers. Bijna een eeuw nadat het gebouw is opgericht, mocht S.J. du Toit zich eigenaar noemen van Kleinbosch. Hij volgde Hollandse les in het Gymnasium van Paarl, waar de Nederlandse theoloog Arnoldus Pannevis titularis was. Volgens de geschiedschrijving is de taalkundige Pannevis de initiator van het Genootskap vir Regte Afrikaners dat op 14 augustus 1875 is opgericht. Om die reden wordt hij wel eens de “Vader van die Afrikaanse taal” genoemd. De taalvereniging is naar verluidt ontstaan nadat Pannevis’ voorstel aan het Britse en internationale Bijbelgenootschap om de Statenbijbel naar het Afrikaans te vertalen op niets was uitgedraaid. Het aanbod is geweigerd en het zou nog tot 1933 aanslepen voor de Afrikaanse versie van de bijbel beschikbaar was. Onder anderen de anti-Engels gestemde S.J. du Toit benadrukte dat het Afrikaans eerst een volwaardige cultuur- en schrijftaal diende te zijn vooraleer aan een Bijbelvertaling kon worden gedacht. De taalnationalistische opvattingen van Du Toit liggen ten grondslag aan de in die tijd nauwelijks opgemerkte publicaties onder het weinig verhullende pseudoniem Ware Afrikaner. De teksten verschenen in de Zuid-Afrikaanse Almanak van 1877. Zoals de Statenbijbel aanzienlijk heeft bijgedragen tot de standaardisering van het Nederlands in de zeventiende eeuw, zo speelt de bijbel een cruciale rol in de emancipering van het Afrikaans.

S.J. du Toit staat geboekstaafd als de ideoloog van het Genootskap vir Regte Afrikaners, met als eerste voorzitter de Nederlander C.P. Hoogenhout. Daarnaast was hij als oud-leerling van Pannevis de drijvende kracht achter de Gedenkschool. Begin 1876 nam hij met de vereniging het initiatief voor de uitgave van een eerste Afrikaanse krant, Die Patriot, die in Kaapstad is gedrukt. Voor het eerst fungeerde Afrikaans als geschreven (gedrukte) taal in het publieke domein. In Kleinbosch staat weliswaar niet de handdrukpers waarop Die Patriot is verschenen, maar wel een drukpers waar de eerste tientallen Afrikaanstalige boeken van het GRA zijn vervaardigd.

Over het Genootskap is al veel inkt gevloeid. Zo is het bekend dat het genootschap is opgericht in Paarl in het huis van Gideon Malherbe, zoon van de Malherbes van Kleinbosch, en thans het Afrikaanse Taalmuseum. Het GRA kwam op voor onderwijs in het Afrikaans toen eind negentiende eeuw de Britten in Zuid-Afrika de plak zwaaiden. Ook het onderwijs in het Nederlands is van de hand gewezen. In de luwte van Josafat is toen de Gedenkschool der Hugenoten verrezen. In 1883 zijn de eerste lessen in het Afrikaans gegeven, door Daniël Francois du Toit (mederedacteur van Die Patriot), en ging Afrikaans als ambtelijke taal functioneren. Naast Afrikaans studeerden de leerlingen er Duits, Engels en Wetenschappen. Leerlingen waren onder anderen de zoon van predikant Du Toit, de latere schrijver Totius die kanselier werd van de Potchefstroomse Universiteit vir Christelike Hoër Onderwijs (later de Noordwes Universiteit Potchefstroomkampus), en ook D.F. Malherbe – een van de grondleggers van de typisch Afrikaanse plaasroman in de jaren 1930. Overigens had ook Totius veel te maken met die Bijbelvertaling. Hij verzorgde de psalmberijming in de eerste Afrikaanstalige bijbel.

Toen de Unie van Zuid-Afrika werd gesticht in 1910 moest de school bij gebrek aan fondsen de deuren sluiten. Vele jaren stond het gebouw te verkommeren. Tot een groep van mecenassen enkele decennia geleden aan de restauratie begon en de Gedenkschool uitgroeide tot nationaal monument van het Afrikaans. Onder het toeziend oog van S.J. du Toit, in de inkomhal geflankeerd door zijn pientere zoon Totius, bestaat Kleinbosch vandaag nog als riant guesthouse. Een verre nazaat van de hugenotenfamilie Du Toit is nog altijd de uitbater van deze locus amoenus voor het Afrikaans.

Wie méér wil vernemen over de eerste Afrikaanse taalbeweging, kan onder meer terecht in Jerzy Kochs literatuurgeschiedenis A History of South African Literature. Afrikaans Literature 17th-19th Centuries (Van Schaik Publishers, Pretoria 2015, p. 272-287).