Wisselkaarten

Yves T’Sjoen. Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Sunday, December 18th, 2016

komrij

Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Ter gelegenheid van een verjaardag

Over de bloemlezing “in 1000 en enige gedichten” uit de Afrikaanse poëzie, die Gerrit Komrij aan het einde van het vorige millennium voor het fonds van Bert Bakker (Amsterdam) samenstelde, is destijds veel inkt gevloeid. Komrij’s eigengereide tekstkeuze is in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek toegejuicht maar ook verketterd. Het is een open deur te beweren dat de bloemlezer zijn particuliere beeld van een eeuw Afrikaanse dichtkunst presenteert. Het spreekt dus voor zich dat De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten geen panoramisch, laat staan een representatief, beeld construeert van krachtlijnen of tendensen in honderd jaar Afrikaanstalige poëzie. Komrij neemt allesbehalve een literatuur-historisch standpunt in. Bij uitstek is hij de selectieheer die zich beroepend op poëticale premissen en een eigen esthetica een keuze uit honderden dichtbundels maakt. In het ‘woord vooraf’ stelt hij: “Ik heb me zelf maar twee principes opgelegd. De eerste is dat er per dichter maximaal tien gedichten werden opgenomen. De tweede is dat ik, zonder één idee vooraf en ongehinderd door welke belangengroepen ook, alleen naar de poëzie wilde kijken. Naar de kwaliteit van de poëzie en naar wat poëzie met ons vermag”. Wat de samensteller met de wel heel subjectieve aanduiding “kwaliteit” op het oog heeft, wordt opgehelderd in de alinea die daarop volgt: “Poëzie is kunst en kunst is kunstigheid en kunstigheid is vakmanschap, dat voorop. Maar poëzie biedt ook schoonheid en – waarom niet? – troost”. Hij maakt tot slot een onderscheid tussen wat poëzie teweegbrengt voor de lezer toen en nu. “Voor het verleden is [poëzie] een onschatbare informatiedrager omdat ze momenten en attitudes, in schuld of onschuld, notuleert. Voor het heden is ze een bezweerder van angsten, een aanjager van dromen, een opwekker van doden, een magazijnbeheerder voor de mensen van morgen en overmorgen”. Ambacht (“vakmanschap”) en artisticiteit (“kunstigheid”, “schoonheid”) zijn principes die ten grondslag liggen aan de samenstelling van de poëzieanthologie. Ook in het eigen scheppende werk van Gerrit Komrij, zoals de poëzie, ligt de klemtoon op de ambachtelijke aard. Een veel geciteerd gedicht, vanwege de programmatische inslag, is ‘De zwijgzaamheid’ in de bundel Tutti frutti (1972). Daarin wordt door het lyrische ik zijn door contemporaine critici als zwart-romantisch en expressief voorgestelde poëtica ter discussie gesteld. De dichtende verteller legt niet zozeer zijn ziel bloot in taal maar maakt zijn gedicht. Het gedicht is een kunstmatige constructie, beklemtoond door de anafoor “eer” in twaalf van de veertien dichtregels, die alleen als taalwerkelijkheid bestaat en niet als uitdrukking van hyper-individualistische sentimenten.

Naar mijn oordeel liggen vergelijkbare ideeën aan de basis van Komrij’s keuze uit de Afrikaanse gedichten. Critici die er gemakshalve van uitgaan dat de schrijver voor een belangstellend Nederlandstalig publiek een staalkaart van de Zuid-Afrikaanse (Afrikaanse) poëzie heeft willen presenteren, gaan voorbij aan de morfologie van de selectiehand. De bloemlezer hanteert specifieke principes en gebruikt poëticaal onderbouwde criteria voor zijn lectuur. De bloemlezing is deel van een schrijversoeuvre, de tekstkeuze beantwoordt aan een particuliere idiomatische grammatica die het werk van Komrij een eigen gestalte geeft. De Afrikaanse poëzie wordt niet zozeer geëtaleerd, Komrij’s keuze staat voorop. Het is dan ook veelzeggend dat op het voorplat van het vuistdikke boek de naam van de samensteller aanzienlijk groter staat afgedrukt dan de titel zelf. De auteur staat letterlijk en figuurlijk voor het selectiewerk dat in 1999 is gepresenteerd. Zelfs de paratekstuele gegevens onderbouwen deze stelling.

‘Sodat jy van my weet’ van Marlise Joubert

Tegen die achtergrond belicht ik een enkel gedicht. Van Marlise Joubert nam Komrij één gedicht op, met name ‘Sodat jy van my weet’ in de bundel ’n Boot in die woestyn (Afrikaanse Pers-Boekhandel, Johannesburg, 1970). De auteur was vijfentwintig toen zij het dichtwerk op het publieke forum bracht. Intussen volgden vele dichtbundels, ook de bijzonder rijke bloemlezing In a Burning Sea. Contemporary Afrikaans Poetry in Translation (2015). Ter gelegenheid van Marlises verjaardag herlees ik het gedicht dat Komrij selecteerde voor de Nederlandssprekende lezer.

Sodat jy van my weet

Ek sal op die brug

van jou voet orent staan

miskien sal ek kniel

ek sal slawekore word

my liedere soos vure

in die gange van jou bors

laat smeul sodat jy

van my weet

Ek sal soos wolke stapel

watersuile deur laat breek

soos wilde perde sonder

teuels oor jou jaag

sodat jy

van my weet

Omslag

Omslag

In het hoofd van Gerrit Komrij kunnen we niet kijken en naar zijn overwegingen niet vragen. Ik kan alleen speculeren op grond van welke bedenkingen het gedicht van Marlise Joubert in De Afrikaanse poëzie is terechtgekomen. Het romantisch getoonzette gedicht – een staaltje belijdende ik-poëzie – is volgens een klassieke vormentaal geconstrueerd. Hoewel dat op het eerste gezicht niet blijkt, gezien de atypische strofenindeling, is de tekst een sonnet van veertien regels: een octaaf (zonder witruimte tussen de kwatrijnen), dan een witregel gevolgd door een kwatrijn en een distichon (samen zes versregels). De twee tekstentiteiten (octaaf en sextet) beginnen identiek: “Ek sal”. Gebruik makend van het enjambement, met regelafbreking die betekenis toevoegt aan versregels en strofen, worden twee korte directe redes vanuit een ik-perspectief gepresenteerd. De mijmeringen van de vastbesloten ik (drie keer “sal” in de eerste strofe) zijn tot een jij-figuur gericht. De persoonlijke pronomina onderstutten de tekst: in strofe 1 wordt vier keer verwezen naar ‘ik’ en drie maal naar “jou” of “jy”. Het ik neemt zich voor een onuitwisbare indruk te maken op die jij-figuur, “sodat jy van my weet” (ook de titel van het gedicht). Het ik wil overeind staan “op die brug/van jou voet” en tracht “my liedere soos vure/in die gange van jou bors/laat smeul”. Op die wijze wil de ik-figuur afhankelijk zijn van de aangesprokene, haar lot verbinden met die van de als apostrof opgevoerde jij. In de tweede strofe, na de volta, gebruikt de schrijfster voor de monoloog (monologue intérieur) natuurbeelden om aan te geven welke storm zij in de jij wil jagen: “soos wolke stapel/watersuile deur laat breek”, en in een tweede expliciete vergelijking: “soos wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Het subject heeft het plan een aardverschuiving te veroorzaken, “sodat jy/van my weet” (de slotstrofe). De titel echoot twee keer letterlijk in het gedicht: in de voorlaatste en laatste regels van zowel octaaf als sextet.

Komrij’s choice

Het gedicht van Marlise Joubert is een voorbeeld van ambachtelijke poëzie. In een klassieke vormentaal, of anders gezegd in wat we écriture artiste noemen, wordt een gevoel van overweldigend verlangen tot uitdrukking gebracht. De herhaling van “sodat jy/van my weet” wijst erop dat de ander hét (nog) niet weet. Hier wordt een resoluut voornemen uitgesproken. De beeldentaal laat een zekere hybris zien: het ik zal weliswaar “slawekore” worden met “liedere soos vure” maar evenzeer “watersuile deur laat breek” en zoals “wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Dit zijn krachtige beelden waarin respectievelijk de nederigheid (“sal ek kniel”, “slawekore”) én de goddelijke macht die waterzuilen laat breken – mogelijk een beeld voor ontroering – aanschouwelijk worden gemaakt. De tekst kan zonder meer worden gelezen als psalmodiërende lied van brandend verlangen. Een andere mogelijkheid is enige kwaadaardigheid te veronderstellen in de vastberadenheid van de ik-verteller. De directe rede wordt nergens onderbroken door een adempauze (geen interpunctie) en gaat wel heel expliciet uit van het ik-standpunt. Misschien is de liefdesverklaring wel onbeantwoord gebleven en neem het ik de toegesprokene dat wel heel kwalijk. In dat geval krijgen we een diabolisering van de monddode jij-persona, de figuur die niet reageert en bijgevolg ver weg blijft.

Hoe we het gedicht ook lezen, het past in een bloemlezing waarin overwegend traditioneel vormgegeven romantische gedichten in het Afrikaans een plaats krijgen. Of het de erotisch geladen mythische beelden zijn die Komrij overtuigden, weet ik niet en doet zelfs niet ter zake. De wijze waarop de tekst is gecomponeerd, met de sacrale plechtstatige toon en gestut door enkele expliciete vergelijkingen, laat mij toe over een klassieke compositie te spreken. In die mate klassiek dat een ironische lezing allesbehalve uit te sluiten valt. Zoals de poëzie van Komrij zelf zich daar altijd weer toe leent.

(c) Yves T’Sjoen / 17 Desember 2016

Luuk Gruwez. Resencie: New Romantics (Michaël Vandebril)

Tuesday, December 13th, 2016

tumblr_o6wl3wmrbk1tgywyso1_1280

Een Ik Bestaand Uit Vele Anderen

De auteur: Dichter die in 2013 de Herman De Coninck Debuutprijs in de wacht sleepte en een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs verwierf.

Het boek: ‘Poëzie zal romantisch zijn of zal niet zijn,’ lezen wij op de achterflap. En ja: Vandebril zet het begrip romantiek naar zijn hand in wat soms een persiflage van een persiflage lijkt.

ONS OORDEEL: Gedichten die deel uitmaken van een doordacht concept dat sommigen misschien te gekunsteld zullen vinden en anderen juist zullen weten te waarderen.

Er is een zin van de helaas bijna vergeten Nederlandse romancier J. Van Oudshoorn die ik vaker citeer omdat hij zo typisch is voor wie zichzelf schrijvenderwijs wil ontplooien: ‘Alle anderen had hij kunnen zijn, alleen zichzelve niet.’ Op Michaël Vandebril is die zin bij uitstek van toepassing: hij is de dubbelganger van een dubbelganger. Of misschien net niet. In een recent nummer van Staalkaart schrijft hij namelijk: ‘Wat is echt en wat is schijn, het is een wederkerend thema in de filosofie en de kunst, maar ook in de politiek of de economie. De mens heeft onweerlegbaar een drang naar authenticiteit, naar oprechtheid. (…) Echtheid was ook een van de streefdoelen van de historische romantiek.’ Het zou dus kunnen dat deze dichter zijn poses net zo echt vindt als wat anderen daar doorgaans onder verstaan: het tegenovergestelde. Misschien is die vermeende echtheid in zijn ogen evenzeer een constructie. Wel koketteert Vandebril naar hartenlust met zijn ‘romantische’ poses, al meteen in een eerste cyclus die ‘Vijf pozes’ heet. Of nog eerder: op het voorplat van zijn bundel waarin hij poseert als een dandy met een pruik vol pijpenkrullen en een hemd met een overdaad aan ruches. Hij schaamt zich er niet voor om wat zijn poëzie al in extreme mate ademt, nog eens te intensiveren in de grafische vormgeving.

Centraal staat bij hem dan ook de vraag wat kitsch en wat romantiek is, wat schijn en wat werkelijkheid. En ja dus: wat leugen en wat oprechtheid is, wat pose en wat echtheid. De dichter stapt niet op onder een vlag als ‘de nieuwe romantiek’, maar onder de Engelse term ‘New Romantics’. Dit insinueert dat hij niet kiest voor een poëzie die alleen maar een neoversie van een neoversie en nog eens een neoversie van de historische romantiek is, maar dat hij bijvoorbeeld de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft gekend en de Engelse generatie van de new romantics: lustig doet hij aan kruisbestuiving tussen uiteenlopende tijdperken en  diverse iconen uit  de wereld van de literatuur met onder meer de synthpop van de jaren tachtig. Maurice Gilliams en David Bowie, Duran Duran en Rainer Maria Rilke, Brian Eno en Jean Cocteau: allen zijn zij bien étonnés de se trouver ensemble. Vandebril heeft de enigszins antieke neiging zichzelf als een gepokt en gemazeld narcist te zoeken in een spiegel. ‘in de spiegel ben ik dichter/ dan in werkelijkheid,’ dicht hij. Daartegenover staat dat hij zich blijkbaar graag bedient van een citaat waarmee hij zijn potentiële critici voor wil zijn. Het is van Cocteau: ‘Ne faites jamais confiance aux miroirs,/ ils vous montrent toujours à l’envers.’ Citeren doet hij trouwens onophoudelijk: pose heeft haast per definitie citeerdwang nodig. Maar natuurlijk is het wel discutabel dat hij de lezer in zijn afsluitende notities instructies oplegt over de manier waarop hij de al dan niet imaginaire soundtrack bij deze gedichten moet lezen: ‘To Be Played At Maximum Volume (While Reading).’ Waarna, per gedicht, de namen volgen van Simple Minds, Kraftwerk, Ultravox, e.a. (Eén bedenking: zou hij ook voeling hebben met een zangeres als Taylor Swift en haar song die evenals zijn eigen bundel ‘New Romantics’ heet?)

Men kan bezwaar maken tegen al dit geposeer, dat na-apen van het na-apen. Niettemin gaat het ook om poëzie die wordt gevoed door een epoque in de jeugd van de dichter en om een poging uit alles wat zich ooit op literaire, muzikale of artistieke wijze aan hem heeft voorgedaan een soort synthese te destilleren waarin hij zich op eclectische wijze kan vinden. Eigenlijk wordt hier een ouderwetse queeste naar identiteit ondernomen. ‘mijn naam is michaël’ schrijft hij her en der in zijn bundel, alsof hij de lezer toch wil herinneren aan zijn burgerlijke status. Hij voert zichzelf op verschillende leeftijden verifieerbaar ten tonele. ‘ik werd vijf in 1977’, lezen wij.  Of nog: ‘ik werd negen in 1981’. Al omschrijft hij ook dit feit als zijn ‘mooiste schijnbeweging’. De dood dan maar als ultieme ernst? Welnee, ook die behoort maar tot een acteerprestatie: ‘(wij) zetten onze/ dood in scène’. Wat mag daar de oorzaak van zijn, vraag je je als lezer af en je hebt de neiging te denken dat de dichter een egelstelling inneemt omdat hij geen bijzondere fiducie in zijn medemens heeft: ‘ik heb genoeg/ aan een handdruk/ (…) om te weten/ (een mens liegt/ (…)/ zes keer per dag)/ hoe laat het is’. Nogmaals: de pose is de werkelijkheid, niet de biografie van een verjarend lijf. Vandebril wil zichzelf verwekken, blijkt uit één gedicht. Zo raakt hij zichzelf niet kwijt.

Er is in deze poëzie veel dat naar koude en naar ondoordringbaarheid verwijst: beelden van koudbloedigen als hagedissen, afgekoelde lippen. Beelden van  glas, steen, edelgesteente, ijzer. Maar in de laatste twee cycli lijkt het of er een doorbraak plaatsvindt: naar de anderen toe en weg van het verloren paradijs en de eigen plek. Vandebril onderneemt een reis langs diverse steden, van Belgrado tot Istanbul, in wat hij zijn ‘Grand Tour’ noemt. En weer legitimeert hij zijn onderneming met een citaat, dit keer van Rilke: ‘Um eines Verses willen muβ man viele Städte sehen’. Een dichter op zoek naar iets anders dan zijn identiteit, namelijk naar zijn gedicht? Of valt zijn gedicht juist samen met zijn identiteit?  En wordt niet alles ondergraven door dit ene besef: ‘overal waar ik kom is een dichter/ me voor geweest’?

 

VERLOREN PARADIJS

 

toen ik hier wegging had ik alles

maar nu kom ik met lege handen

.

naar deze aardkloot van afval en glas

geen vissen geen vogels enkel stilte

.

die elk oor verdooft onze verlaten

huizen staan te blinken in de helle zon

.

op deze plek spleten wij de vrucht

en aten ons vol weldadige warmte

.

toen hoorden wij een stem van bliksem

en verstopten ons waar bedelaars

.

en zwervers zich verschuilen vuil

en onbeschermd tegen het vlammend

.

geweld dat als een zondige wolk

in onze volnaakte lichamen sluipt

.

toen ik hier vertrok had ik alles

en aan u toon ik mijn lege handen

.

Michaël Vandebril

 

____________________

MICHAËL VANDEBRIL

New Romantics

Polis, 64 blz., 19,95 euro.

AANTAL STERREN:

***

 

Yves T’Sjoen. Proeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

Sunday, December 11th, 2016

imagesProeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

De beeldvorming van een literatuur in het buitenland verloopt langs verschillende sporen. Dat buitengaats geconcipieerde geschiedverhaal rijmt niet per se met de geschiedenis die in het taal- of cultuurgebied wordt gegenereerd. Tal van actoren zijn betrokken bij de cultuurtransmissie en construeren hun particuliere beelden van een literatuur. Tot de actoren behoren onder velen vertalers en uitgevers, critici en schrijvers, academici, culturele kranten- en tijdschriftredacteuren. Vanuit een particulier perspectief, geleid door bijvoorbeeld esthetische en didactische strategieën, worden in geschiedenisboeken beelden van literatuur geconcipieerd. Als het over buitenlandse literatuur gaat, dan spelen ook weer andere factoren een rol van betekenis, zoals de beschikbaarheid van de literatuur (in vertaling), uitgeversfondsen met vertaalde literatuur (zoals Podium voor de Afrikaanse poëzie), aandacht in lokale en nationale media et cetera.

Academisch literatuuronderwijs

In de kritische en creatieve receptie of dus de beeldvorming van anderstalige teksten in een taal- en cultuurgebied is ook het academisch onderwijs aan universiteiten van belang. In overzichtscursussen krijgen anderstalige studenten een verhaal gepresenteerd waarin panorama’s worden geschetst van literaire bedrijvigheid in het buitenland. Deze geschiedkundige overzichten zijn in tegenstelling tot wat ze voorwenden specifiek en worden in aanzienlijke mate bepaald door het perspectief van de docent en diens premissen. Elke literatuurgeschiedenis wordt in de verhalende vorm gebracht, met de focus op schrijvers en hun teksten, sinds enkele jaren ook nadrukkelijk gericht op de institutionele inbedding van literatuur (zoals de rol van uitgeverijen, tijdschriften, bibliotheken) én met aandacht voor het gesprek over literatuur in de afgezoomde periode. Alleen al dat selectieve lijstje wijst op ingrediënten voor een geschiedverhaal die ikzelf in ieder geval als belangwekkend beschouw.

Wie een verhaal brengt over Afrikaanse literatuur, bijvoorbeeld, presenteert een tekstselectie en hangt beelden op van literaire oeuvres en publieke schrijversoptredens. Er worden verbanden gesuggereerd, teksten worden op een welbepaalde manier besproken en desnoods als illustratiemateriaal gebruikt voor het literatuurhistorische discours. De encyclopedische en bio- en bibliografische referenties dienen hoogstens als pijlers voor een particulier betoog waarin zoals gezegd altijd weer eigen accenten worden gelegd. Een overzicht van dominante tendensen in een tijdvak kan idealiter worden gecomplementeerd met verhalen waarin esthetische paradigmaverschuivingen, literaire experimenten, avant-gardebewegingen en meer perifere literaire verschijnselen centraal staan. De bovenstroom, wat aan de oppervlakte van de letteren zichtbaar is, wordt in hoge mate mee bepaald door de onderstroom die aan het oog onttrokken is. En ik voeg er meteen aan toe: ook door alle tussenstromen. Wat vanuit hedendaags perspectief relevant lijkt, terugblikkend op een gebeurtenis of tendens, hoeft niet overeen te stemmen met hoe een en ander in die periode is gepercipieerd, welke schrijvers toen als belangwekkend zijn voorgesteld, welke teksten toentertijd een onderwerp van gesprek waren. Het literaire bedrijf is daarenboven een dynamisch proces van actie en reactie. Het is daarom relevant naar mijn oordeel de pendelbewegingen tussen literaire opvattingen te laten zien. Niet alleen vanuit een panoramisch perspectief maar soms ook in de ontwikkeling van een individuele schrijverspoëtica.

Afrikaanse literatuur in Gent

Universiteitsgebou

Universiteitsgebou

Aan de Universiteit Gent wordt al sinds een decennium het opleidingsonderdeel Afrikaans: taal- en letterkunde gedoceerd. Het vak heeft een hybride structuur: naast taalgeschiedenis en taalverwerving wordt aandacht geschonken aan de taalkunde van het Afrikaans, maatschappelijke en politieke geschiedenis en vanzelfsprekend ook de Afrikaanstalige literatuur. Elk jaar volgen tussen dertig en vijftig studenten Afrikaans. Deze derdejaarsstudenten nemen kennis van en worden enthousiast gemaakt voor taal en literatuur. Veel meer dan een introductie kan het vak niet bieden. Daarom verdient het aanbeveling in de masteropleiding te beginnen met een vak Afrikaanse literatuur nadat studenten in de bacheloropleiding Afrikaanse taalkunde en taalverwerving hebben gevolgd. Sommige studenten wijden vandaag in hun masteropleiding de scriptie aan een aspect van de Afrikaanse taal- of letterkunde. Voor de letterkunde wordt sinds dit academiejaar gewerkt met een syllabus: Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays (W∞lf, Gent 2016, 193 pagina’s). Naast een schetsmatig en overwegend bibliografisch overzicht van trends en ook trendbreuken in de Afrikaanse literatuur van de twintigste en vroeg-eenentwintigste eeuw zijn literatuurbeschouwingen en meer op de maatschappelijke en academische Zuid-Afrikaanse actualiteit gerichte teksten gebundeld die ik de afgelopen twee jaar schreef voor weblogs zoals LitNet NeerlandiNet en Versindaba en voor de website van Knack Magazine.

Voor het panoramische overzicht is om evidente redenen, en vooral dankbaar, gebruik gemaakt van het overzichtswerk Skrywers in die strydperk. Krachtlijnen in de Zuid-Afrikaanse letterkunde (Eep Francken en Luc Renders, Bert Bakker, Amsterdam 2005; sinds kort beschikbaar in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren). Naast feitelijke gegevens – schrijversnamen, jaartallen en titels van boeken en tijdschriften – bevat het overzicht enkele termen, zoals ‘(anti)normatiewe plaasroman’ en ‘grensliteratuur’, en politieke en maatschappelijke context. Wat in het boek van Francken en Renders ontbreekt naast de plejade van canonieke Afrikaans schrijvende auteurs zijn primaire teksten – afgezien van de fragmenten die in de monografieën zijn opgenomen. In de syllabus is nu per hoofdstuk een beperkte bloemlezing opgenomen van gedichten en korte prozafragmenten. Van ‘De Hollandse taal’ door Joseph Suasso de Lima tot ‘Elke gedig’ (H.J. Pieterse) en ‘Die onophoudelike weerligstraal’ (C.P. Naudé).

Perspectieven voor een geschiedverhaal

Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika presenteert een particulier verhaal. De keuze voor het onbepaalde lidwoord in de boektitel duidt daar op. Hoewel ik meer dan gewoon schatplichtig ben aan Skrywers in die strydperk, het boek waaraan in de inleiding expliciet wordt gerefereerd, tracht ik met behulp van mijn primaire tekstenkeuze een eigen verhaal te brengen. De klemtoon ligt op de dynamiek van het literaire landschap, met name het Afrikaanse culturele subsysteem als onderdeel van een meertalig literair polysysteem in Zuid-Afrika. Door de focus te richten op het heersende discours – met canonieke stemmen zoals N.P. van Wyk Louw, D.J. Opperman, Breyten Breytenbach en André Brink (de usual suspects) – en de interactie met of het tegengewicht van meer marginale discoursen tracht ik dat dynamische proces in kaart te brengen. Figuren als Jan Rabie, voorloper van de ‘Sestigers’, en ook Peter Blum, E.K.M. Dido, S.V. Petersen, P.J. Philander en Peter Snyders bijvoorbeeld verschijnen in beeld. Niet toevallig enkele bruin- en swartskrywers, maar ook andere figuren die in het vergeetboek van de Afrikaanse letteren worden bijgeschreven.

Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach

Aangezien overwegend Vlaamse studenten taal- en letterkunde en (Afrikaanse) talen en culturen het vak volgen, wordt geregeld verwezen naar contemporaine ontwikkelingen in het zustertaalgebied. De literaire context van de Lage Landen is noodgedwongen ook mijn referentiekader, het frame waarmee ik de Afrikaanse literatuur lees. Niet alleen de cultuurtransfers en intercontinentale contacten passeren de revue – de vriendschapsbanden tussen N.P. van Wyk Louw en Nederland/Vlaanderen (K. Jonckheere, J. Greshoff), de schrijverscontacten tussen Eybers en Van Nijlen, Lanoye en Krog –, ook de intertekstuele relaties tussen Afrikaans en Nederlands zijn van belang: een gedicht dat Breytenbach opdroeg aan Paul van Ostaijen en de opdrachtgedichten die onder anderen Campert, Kouwenaar, Lucebert en Ten Berge voor en over Breytenbach (in gevangenschap) publiceerden.

Complementariteit, de andere kijk

Keuzes bepalen een verhaal. Het beeld dat ik naar voren schuif van de Afrikaanse letteren moet noodgedwongen worden aangevuld. Studenten krijgen precies daarom een bibliografische lijst met historische overzichten waarin vooral andere klemtonen zijn gelegd. Op basis van die lectuur kunnen zij de verhalen in Een geschiedenis ter discussie stellen, nuanceren en aanvullen. Het is goed te reflecteren over uitgangspunten zodra een literatuurgeschiedenis wordt verteld. Dat gebeurt ook expliciet in de inleiding van het boek. Elk jaar breng ik idealiter een ander verhaal en belicht vanuit een bijgesteld perspectief een andere scherf van het fonkelende mozaïek. Ook al figureren dezelfde auteurs en teksten in het panorama, ze worden beschouwd vanuit een veranderlijk perspectief dat een nieuwe lichtstraal laat schijnen op een oeuvre, een literaire gebeurtenis of een markant verschijnsel.

Door een deel met beschouwende teksten op te nemen, voorgepubliceerd op weblogs en in tijdschriften, wordt dat perspectief verduidelijkt. Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays is dan ook een vermetele poging een literatuurgeschiedenis te construeren die naast de bekende namen en titels iets toevoegt aan wat al bekend is.

En toch blijft het project voor mij onbevredigend. Een multilinguaal land als Zuid-Afrika, met de vele talen en literaire tradities, verdient een polyperspectivistische literatuurgeschiedenis. Met aandacht voor de andere talen, naast het Afrikaans, en alle kruisbestuivingen die daartussen plaatsvinden. Een Zuid-Afrikaanse literatuurgeschiedenis kan alleen het resultaat zijn van teamwork. Mogelijk naar analogie met de door de Nederlandse Taalunie geïnitieerde en bijna voltooide Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur, en dan niet alleen een auteur per periode maar een amalgaam van historici die de literatuurgeschiedenissen vanuit de meertalige context beschrijven. Wat ik binnen mijn beperkingen maar kan vertellen, is vanuit een buitengaats perspectief een verhaal over de Afrikaanse letteren. Als een Vlaming over Afrikaanse letteren in Zuid-Afrika spreekt, is dat per definitie een ander verhaal dan wat Zuid-Afrikaanse en ook Nederlandse docenten vermogen. De canon van de Afrikaanse literatuur in de Lage Landen is hoe dan ook een andere dan de (Zuid-)Afrikaanse. Dat maakt het transnationale gesprek over elkaars literatuur net zo interessant. Welke schrijvers spreken aan in een ander taalgebied, wat is er populair, welke teksten worden vertaald, wie staat er in beeld enzovoort. Alle benaderingen samen maken deel uit van het complexe verhaal dat transnationale literatuurgeschiedenis heet. Vanuit welk perspectief we ook kijken, het blijft een verhaal.

(c) Yves T’Sjoen /Desember 2016

Gerry van der Linden. The Status of Poetry

Thursday, December 1st, 2016

poetry

THE STATUS OF POETRY

In the dictionary I found this definition of Decadence Times:  Falling from high to low standards in morals or the arts:

Did poetry fall from high to low standards nowadays? I do not know. Poetry is easy to be considered as being as well on low as high standards. One can look at poetry as a rather draughty window that shows us the mind and heart of the poet. In breeze or stormy weather, the window is open and to be seen through. The poetry, however, not necessarily opens the mind and heart of others. The other can be not receptive and will close the window, the poet can hide behind it as a place to live in, to be safe. The poem will not fly.

The Dutch poet Slauerhoff says: Only in my poems I can live. It is the first line of his poem called: Without a home. He was a passionate world traveler, his poems took him every where, though his most famous one is about his home country, which he left behind..

Is poetry the only home we have in decadence times? I think so. At all times. For the poet, the non-poet and everyone else. I consider poetry to be homeless no matter how comfortable its house is. When poetry seems to be accepted and cultivated by the ruling society, when that moment arrives, poetry is more homeless than ever. We need poems to make room for questions, to clear our view, to undone the mirror of its haze, to use words for other meaning than yes, please, no, never. The word ‘’perhaps’’ should belong to the poet’s most essential vocabulary.. and perhaps to all of us. It is a word that leaves the window open at all times.

How about the status of poetry at all times? Is there a constancy in poetry? Is poetry to be defined? Not really. I think, that poetry is the inaudible speaking of the invisible in image, sound, rhythm. So far for clearness! When a poem touches our existence, – as we are all leaves in the wind floating on a breeze and storm – , it creates space and flies away. It is up to the reader to join. A poem is like a bird with a diamond in its feathers. It shines on you, even when you are not aware of it.

Amazement can be a source of writing. To be amazed about daily life, people and their ways of doing, animals, objects, everyone and everything has a second nature not to be seen at first sight. There’s nothing in this world to be taken for granted, yet, nothing comes naturally. Only nature and that’s why it rules us and will always be superior to us. Writing poems could be seen or as idle work that is done at the outskirts of life or essential labour in the middle of the stream of life, being the main source, being alive in image and language with all its senses.

Perhaps you can compare poetry with true love? Just as love, poetry can go everywhere and all ways, it is neither rational nor logical, it has no limits or highest power. It is the diamond in the bird’s feathers and can shine upon all of us. A treasure that not will be defeated, it touches the untouchable, that we carry inside of us. If we are true to ourselves.

(c) Gerry van der Linden

Nota: Hierdie is die inset wat die Nederlandse digter, Gerry van der Linden, gelewer het tydens die Poetry Festival Istanbul in April vanjaar.  In Junie 2017 verskyn Van der Linden se digbundel Een boterham met Brodsky, ‘n bundel wat handel oor die swerftog wat  hy saam met die Russiese digter onderneem het in 1989.

Yves T’Sjoen. Breytenbach, Van Heerden en Universiteit Leiden.

Sunday, November 20th, 2016
220px-keizersgracht_141

Keizersgracht 141

 

Breytenbach, Van Heerden en Universiteit Leiden. Bijzondere activiteiten van Gents Centrum voor Afrikaans in Zuid-Afrikahuis

Yves T’Sjoen

Het is intussen genoegzaam bekend dat het Gentse Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika (Universiteit Gent) tal van activiteiten initieert waarbij culturele en academische instituties in binnen- en buitenland betrokken worden. Recent zijn banden gesmeed met de Stigting vir Bemagtiging deur Afrikaans (SBA) en het Suid-Afrikaanse Sentrum voor Nederland en Vlaandere (SASNEV) in Pinelands (http://www.litnet.co.za/sasnev-en-gents-centrum-voor-afrikaans/). Een constructief gesprek in Het Pand (Gent) met de heer Jan Mutton, oud-ambassadeur van België in Zuid-Afrika, heeft het pad geëffend voor gedegen samenwerking en overleg. Zo zal het Gentse onderzoekscentrum actief participeren in een internationaal symposium dat volgend jaar ter gelegenheid van Eugène Marais’ tachtigste overlijdensjaar bij SASNEV is gepland. Recent presenteerde mevrouw Marlène le Roux namens SBA de plenaire en zeer gesmaakte openingslezing tijdens het derde congres voor het Afrikaans aan de Universiteit Gent (http://www.litnet.co.za/derde-gentse-colloquium-het-afrikaans/).

Breyten Breytenbach aan de Keizersgracht 141

In de Lage Landen kan de coöperatie met de Vlaams-Zuid-Afrikaanse Cultuurstichting (Brussel) en het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam worden genoteerd. VZAC heeft onlangs voorgesteld de zomercursus voor Zuid-Afrikaanse studenten voortaan in Gent te organiseren en die ook te willen financieren. Naast de Zomercursus Nederlandse taal en cultuur, georganiseerd door het Universitair Centrum voor Talenonderwijs (Gent) en de Taalunie, komt nu ook de zomerschool voor Zuid-Afrikanen naar de Universiteit Gent. Ook de Week van de Afrikaanse roman, op instigatie van Ingrid Glorie en een werkgroep, krijgt in 2017 een volwaardig Gents luik naast de lezingen en de voorstellingen in Amsterdam.

Het Gentse universitaire centrum voor Afrikaans is volgende dinsdag 22 november met maar liefst vijftig Vlaamse studenten te gast in het pand aan de Keizersgracht 141C. Bij monde van de directeur Guido van den Berg en de medewerkers Isabelle Vermeij en Corine de Maijer is enthousiast gereageerd op het voorstel een werkbezoek te brengen aan het gerenoveerde huis. De onderzoeksgroep van de UGent contacteerde voor deze gelegenheid doctor honoris causa van mijn alma mater, de meester Breyten Breytenbach. Het is een bijzonder voorrecht en een hele eer Breyten Breytenbach volgende week in het Zuid-Afrikahuis te kunnen verwelkomen. Ten behoeve van studenten en docenten zal hij in gesprek gaan met de oud-directeur van uitgeverij Meulenhoff en vertaler Laurens van Krevelen. Uit Die singende hand stelt Van Krevelen een bloemlezing samen die voor een Nederlandstalige lezerspubliek is bestemd. Het is alvast uitkijken naar de vertaling in het fonds van Podium. Het belooft een bijzondere gebeurtenis te worden, zonder overdrijven een landmark in de publiekswerking van het Gentse Centrum en wellicht ook van het Zuid-Afrikahuis. Een volgende keer nodigen we Adriaan van Dis uit die nu verhinderd is. Er worden tijdens de visite topstukken uit de imposante boekencollectie geëxposeerd en Gentse studenten krijgen toelichting bij de historiek en de werking van het huis. Dat het evenement niet onopgemerkt voorbij gaat, mag blijken uit de genereuze steun die door de heer Axel Buyse, Vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in Nederland, is toegezegd. Onze studenten en collega’s worden met spijs en drank verwelkomd en zullen zich het bezoek en de gesprekken met Breyten Breytenbach en Laurens van Krevelen blijven heugen. Met vereende krachten worden jonge mensen die kiezen voor het opleidingsonderdeel Afrikaans: taal- en letterkunde in hun opleiding in Gent enthousiast gemaakt voor een taal en voor de rijke literaire productie die in het Afrikaans tot stand komt. Het recordaantal belangstellenden voor Afrikaans dit academiejaar is wellicht het gevolg van de inspanningen die het Gentse Centrum zich getroost.

Interuniversitaire samenwerking Leiden-Gent

Deze week bereikte mij het verblijdende nieuws dat de universiteiten Leiden en Gent op het gebied van de Afrikaanse taal- en letterkunde voortaan zullen samenwerken. De volgende dagen worden nog enkele meer detaillistische punten doorgepraat. Beide opleidingscommissies, van de Universiteit Leiden en de Universiteit Gent, spraken het voornemen uit aan studenten- en docentenuitwisseling te doen. Sinds het emeritaat van Zuid-Afrikakenner en mijn aimabele collega dr. Eep Francken worden in Leiden Zuid-Afrikaanse academici uitgenodigd om een blokcursus en gastlezingen aan te bieden. In het voorjaar van 2017 is Etienne van Heerden te gast, zo liet prof. Yra van Dijk weten, en later is het de beurt aan een belangrijk dichter writer in residence. Het is vanzelfsprekend aan de Leidse collega’s die naam te gelegener tijd publiek te maken. De samenwerking tussen Leiden en Gent bestaat erin de gastdocent ook voor een lezing uit te nodigen naar Gent. Bij speciale gelegenheden reizen de Leidse studenten naar de Universiteit Gent, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de vierde Mandela Lecture die in het najaar van 2017 door Tom Lanoye en Antjie Krog (onder voorbehoud) wordt verzorgd. En omgekeerd worden Gentse studenten in Leiden verwelkomd voor activiteiten die de collega’s daar op het getouw zetten. Over PhD-onderzoek en andere academische onderzoeksactiviteiten wordt eerstdaags gepraat. Hoe dan ook zal op die manier een cruciale as tot stand komen in de Lage Landen die gericht is op onderwijs over en onderzoek naar het Afrikaans en de Afrikaanstalige literatuur in Nederland en België.

Nu dat interuniversitaire overleg het beoogde resultaat oplevert, heeft de afdeling Internationalisering via de opleidingscommissie Taal- en letterkunde laten weten financiële middelen ter beschikking te stellen voor Zuid-Afrikaanse studenten en docenten die in Gent colleges willen bijwonen en/of onderzoek doen. Het Gentse Centrum zal dankbaar gebruikmaken van die opportuniteit door kandidaten aan te bevelen, bij de bevoegde facultaire/universitaire instanties te pleiten en zelf de nodige faciliteiten te voorzien.

Etienne van Heerden in Leiden en Gent

Etienne van Heerden

Etienne van Heerden

Op een moment dat Afrikaans op universitaire campussen in Zuid-Afrika in de verdrukking staat en zich almaar moet legitimeren, trachten wij in alle bescheidenheid en met de middelen die ons ter beschikking staan een hart onder de riem, of dus in het Afrikaans een riem onder het hart te steken. Alle engagementen kunnen bijdragen tot een vruchtbare transnationale en intercontinentale dialoog met Afrikaans als gedeelde passie. Binnenkort spreek ik tijdens het colloquium van het Gents Afrika Platform over het Gentse Centrum en in het bijzonder de samenwerking met de Universiteit Stellenbosch en andere partners in het Zuid-Afrikaanse academische landschap. Op die manier wordt ook de universitaire goegemeente hier te lande en elders in Afrika geïnformeerd. Het GAP is een ondernemende onderzoeksgroep met tal van partners op het Afrikaanse continent. Het Centrum voor het Afrikaans kan in het licht van méér productieve vormen van samenwerking als een voorbeeld van good academic practice worden beschouwd. De Engelstalige tekst plaats ik begin december online via LitNet Neerlandinet. Ik ben zeker dat Etienne van Heerden via dat elektronische platform onze activiteiten op de voet volgt. We zullen hem dan ook graag, na het genereuze aanbod van de collega’s in Leiden en na tussenkomst van collega en Sartonmedaillist 2016 Steward van Wyk, als eminente gast ontvangen in Gent in het voorjaar van 2017.

 

(c) Yves T’Sjoen / November 2016

Yves T’Sjoen. Kleinbosch als Afrikaanse locus amoenus

Monday, October 10th, 2016

Gedenkschool der Hugenoten

 

À la recherche du temps perdu. Kleinbosch als Afrikaanse locus amoenus

Tijdens Tuin van Digters, het jaarlijkse Afrikaanse poëziefestival in Wellington, kreeg ik samen met mijn zoon het genoegen in het belendende stadje Paarl te logeren in een afgelegen gastenhuis genaamd Augusta Kleinbosch Guest Farm Hotel. Omgeven door wijngaarden in een uitgestrekt glooiend landschap verbleven we in de Gedenkschool der Hugenoten, sinds het begin van dit millennium een nationaal monument. Op vijftien kilometer van het Afrikaanse Taalmonument, in 1975 gebouwd op een granieten rotsformatie die na een regenbui in de zon zou schitteren als een parel, ligt het beminnelijke landgoed Kleinbosch. De plaas is gevestigd in het vruchtbare Dal Josafat van de Drakensvallei.

In de inkomhal van de gerestaureerde Gedenkschool, na de gedenkwaardige jaren fungerend als opslagruimte en wijnkelder, hangen de portretten van de controversiële predikant Stephanus Jacobus du Toit en de canonieke dichter Jacob Daniël du Toit, die bekend is geworden als Totius. Boven de thans als logeerkamer ingerichte verdieping is sinds kort een permanente tentoonstelling ingericht waar de prille geschiedenis van het Afrikaans als schrijf- en onderwijstaal aanschouwelijk wordt gepresenteerd.

Totius

Totius

Documentair materiaal schetst de historiek van Kleinbosch. Naar verluidt bouwde Ernst du Toit, achterkleinzoon van Francois du Toit, in 1792 het hoofdgebouw op de plaas. De Fransen emigreerden naar zuidelijk Afrika nog voor een meerderheid van de hugenoten de oversteek maakte. Al vroeg, enkele decennia nadat de Verenigde Oost-Indische Compagnie een verversingspost vestigde in de Kaap, baatte de familie Du Toit een boerderij uit. Op dezelfde plek is tegen het einde van de achttiende eeuw de plaas Kleinbosch gesticht.

De geschiedenis van het Afrikaans is daar in Paarl onlosmakelijk verbonden met de hugenoten, met de Du Toits als pioniers. Bijna een eeuw nadat het gebouw is opgericht, mocht S.J. du Toit zich eigenaar noemen van Kleinbosch. Hij volgde Hollandse les in het Gymnasium van Paarl, waar de Nederlandse theoloog Arnoldus Pannevis titularis was. Volgens de geschiedschrijving is de taalkundige Pannevis de initiator van het Genootskap vir Regte Afrikaners dat op 14 augustus 1875 is opgericht. Om die reden wordt hij wel eens de “Vader van die Afrikaanse taal” genoemd. De taalvereniging is naar verluidt ontstaan nadat Pannevis’ voorstel aan het Britse en internationale Bijbelgenootschap om de Statenbijbel naar het Afrikaans te vertalen op niets was uitgedraaid. Het aanbod is geweigerd en het zou nog tot 1933 aanslepen voor de Afrikaanse versie van de bijbel beschikbaar was. Onder anderen de anti-Engels gestemde S.J. du Toit benadrukte dat het Afrikaans eerst een volwaardige cultuur- en schrijftaal diende te zijn vooraleer aan een Bijbelvertaling kon worden gedacht. De taalnationalistische opvattingen van Du Toit liggen ten grondslag aan de in die tijd nauwelijks opgemerkte publicaties onder het weinig verhullende pseudoniem Ware Afrikaner. De teksten verschenen in de Zuid-Afrikaanse Almanak van 1877. Zoals de Statenbijbel aanzienlijk heeft bijgedragen tot de standaardisering van het Nederlands in de zeventiende eeuw, zo speelt de bijbel een cruciale rol in de emancipering van het Afrikaans.

S.J. du Toit staat geboekstaafd als de ideoloog van het Genootskap vir Regte Afrikaners, met als eerste voorzitter de Nederlander C.P. Hoogenhout. Daarnaast was hij als oud-leerling van Pannevis de drijvende kracht achter de Gedenkschool. Begin 1876 nam hij met de vereniging het initiatief voor de uitgave van een eerste Afrikaanse krant, Die Patriot, die in Kaapstad is gedrukt. Voor het eerst fungeerde Afrikaans als geschreven (gedrukte) taal in het publieke domein. In Kleinbosch staat weliswaar niet de handdrukpers waarop Die Patriot is verschenen, maar wel een drukpers waar de eerste tientallen Afrikaanstalige boeken van het GRA zijn vervaardigd.

Over het Genootskap is al veel inkt gevloeid. Zo is het bekend dat het genootschap is opgericht in Paarl in het huis van Gideon Malherbe, zoon van de Malherbes van Kleinbosch, en thans het Afrikaanse Taalmuseum. Het GRA kwam op voor onderwijs in het Afrikaans toen eind negentiende eeuw de Britten in Zuid-Afrika de plak zwaaiden. Ook het onderwijs in het Nederlands is van de hand gewezen. In de luwte van Josafat is toen de Gedenkschool der Hugenoten verrezen. In 1883 zijn de eerste lessen in het Afrikaans gegeven, door Daniël Francois du Toit (mederedacteur van Die Patriot), en ging Afrikaans als ambtelijke taal functioneren. Naast Afrikaans studeerden de leerlingen er Duits, Engels en Wetenschappen. Leerlingen waren onder anderen de zoon van predikant Du Toit, de latere schrijver Totius die kanselier werd van de Potchefstroomse Universiteit vir Christelike Hoër Onderwijs (later de Noordwes Universiteit Potchefstroomkampus), en ook D.F. Malherbe – een van de grondleggers van de typisch Afrikaanse plaasroman in de jaren 1930. Overigens had ook Totius veel te maken met die Bijbelvertaling. Hij verzorgde de psalmberijming in de eerste Afrikaanstalige bijbel.

Toen de Unie van Zuid-Afrika werd gesticht in 1910 moest de school bij gebrek aan fondsen de deuren sluiten. Vele jaren stond het gebouw te verkommeren. Tot een groep van mecenassen enkele decennia geleden aan de restauratie begon en de Gedenkschool uitgroeide tot nationaal monument van het Afrikaans. Onder het toeziend oog van S.J. du Toit, in de inkomhal geflankeerd door zijn pientere zoon Totius, bestaat Kleinbosch vandaag nog als riant guesthouse. Een verre nazaat van de hugenotenfamilie Du Toit is nog altijd de uitbater van deze locus amoenus voor het Afrikaans.

Wie méér wil vernemen over de eerste Afrikaanse taalbeweging, kan onder meer terecht in Jerzy Kochs literatuurgeschiedenis A History of South African Literature. Afrikaans Literature 17th-19th Centuries (Van Schaik Publishers, Pretoria 2015, p. 272-287).

Yves T’Sjoen. Vrouwentongen. Nieuwe stemmen van het nieuwe millennium in Afrikaans en Nederlands

Sunday, October 2nd, 2016

cats

 

Vrouwentongen. Nieuwe stemmen van het nieuwe millennium in Afrikaans en Nederlands

Feminiseringsgolf in de Afrikaanse poëzie?

De stem van de vrouwelijke auteur in het Afrikaans heeft de afgelopen decennia zonder meer aan belang gewonnen. Ze biedt de afgelopen decennia een tegengewicht voor een overwegend door heren geproduceerde literatuur. In Afrikanerkringen is gedurende vele jaren, sinds de eerste generatie van Afrikaanstalige schrijvers, de mannenstem overheersend. Vanuit genderperspectief leverde dit een vrijwel eenzijdig masculien vertelperspectief op. De schrijfster is in de hedendaagse literatuur van het Afrikaans prominent aanwezig. Het hoeft hier geen betoog dat auteurs als Antjie Krog, Wilma Stockenström, Marlene van Niekerk en Ingrid Winterbach een centrale positie innemen in het Afrikaanse literaire landschap van Zuid-Afrika. Hun werk wordt gunstig besproken in de literatuurkritiek, romans en dichtbundels worden bekroond met prijzen en hun teksten worden in mindere of meerdere mate vertaald naar het Nederlands. Na het publieke optreden van Elisabeth Eybers, Jeanne Goosen, Ingrid Jonker, Elsa Joubert, Ina Rousseau en enkele anderen treedt de schrijfster vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw duidelijker op het voorplan. Belangrijke dichtersstemmen in het Afrikaans zijn naast de vermelde namen onder vele anderen Sheila Cussons, Joan Hambidge, Marlise Joubert, Petra Müller en Lina Spies. Dit zijn auteurs die inmiddels een oeuvre op hun naam hebben.

nog afr digters

Vandaag moeten vele namen van vrouwelijke dichters worden genoemd. Indien ik me beperk tot schrijfsters die hun debuut maakten in de eenentwintigste eeuw, ongeacht de leeftijd, kan ik naast Ronelda Kamfer, die dankzij vertalingen van Alfred Schaffer enige bekendheid geniet in het Nederlandse taalgebied, vermelden: Emma Bekker, Nini Bennett, René Bohnen, Martjie Bosman, Heilna du Plooy, Karen Kuhn, Juanita Louw, Susan Smith, Hilda Smits, Carina Stander, Ilse van Staden enzovoorts. Ik noteer in chronologische volgorde van bundelpublicaties onder meer Watervlerk (2003) van Ilse van Staden, die vloedbos sal weer vlieg (2006) van Carina Stander, Noudat slapende honde (2008) van Ronelda Kamfer, Kodeks (2011) van Nini Bennett, Ingeboek (2012) van Karen Kuhn, In die afwesigheid van sin (2012) van Susan Smith en Skryn (2015) van Emma Bekker. Voor volgende maand is het debuut van de averechtse Bibi Slippers aangekondigd. Samen met Charl-Pierre Naudé stelt zij trouwens de bloemlezing Nuwe stemme 6 samen. Sommige van de hier vermelde auteurs maakten recent hun debuut, anderen hebben twee of drie bundels op hun conto. Met nieuwe stemmen doel ik kortom op de literaire leeftijd van deze auteurs, die het jongste anderhalve decennium in het Afrikaans nieuwe geluiden produceren en hun stempel drukken op de hedendaagse poëzie. Indien ik ook schrijfsters meetel die al langer actief zijn en de afgelopen decennia debuteerden, met intussen een oeuvre van vijf tot tien dichtbundels op hun naam, dan kan ik stellen dat de stem van de vrouwelijke auteur in het Afrikaans vandaag prominentie heeft. Deze schrijfsters krijgen wellicht niet de kritische aandacht die gevestigde waarden en nieuwe stemmen (via performances, interviews, debuutprijzen) te beurt vallen.

De vraag of er zich in de Afrikaanse poëzie een feminiseringsgolf doorzet, is kortom een open deur. Of deze schrijvers een ander geluid laten horen en bijgevolg een gender-gerelateerde dimensie wordt toegevoegd aan een literatuur die lange tijd sterk door mannen is gedomineerd, moet nader worden bestudeerd. Is het een genderverschuiving die zich ook in andere taalgebieden voltrekt? Laat mij een korte vergelijking maken met het zustertaalgebied van het Afrikaans, de Nederlandstalige poëzie.

Feminiseringsgolf in de Nederlandstalige poëzie

Het afgelopen decennium, sinds pakweg 2004 en dus na het debuut van onder anderen Maria Barnas en Marije Langelaar, maakten opmerkelijk veel interessante vrouwelijke dichters hun opwachting in het Nederlands. Vele debuten zijn genomineerd voor belangwekkende en in de media meestal als gerenommeerd of toch belangwekkend voorgestelde onderscheidingen, zoals de C. Buddingh’-prijs, de Debuutprijs Het Liegend Konijn en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Het werk van andere schrijfsters, meestal met enkele bundels, is bekroond met een prestigieuze onderscheiding zoals bijvoorbeeld de Hugues C. Pernathprijs, de Turing Gedichtenwedstrijd en de Prijs van de provincies Oost- en West-Vlaanderen.

ndl

Indien ik mij beperk tot een twintigtal vrouwelijke debuten tussen 2004 en 2014 kan melding worden gemaakt van onder vele anderen Inge Braeckman (Beeltenissen, 2009), Floor Buschenhenke (Eiland op sterk water, 2009), Ellen Deckwitz (De steen vreest mij, 2011), Saskia de Jong (vaas, 2004), Annemarie Estor (De oksels van de bok, 2012), Kila&Babsie (Stereo, 2009), Bernke Klein Zandvoort (Uitzicht is een afstand die zich omkeert, 2013), Liesbeth Lagemaat (Een grimwoud in mijn keel, 2005), Ruth Lasters (Vouwplannen, 2007), Delphine Lecompte (De dieren in mij, 2009), Sylvie Marie (Zonder, 2009), Lieke Marsman (Wat ik mijzelf graag voorhoud, 2010), Els Moors (er hangt een hoge lucht boven ons, 2006), Ester Naomi Perquin (Servetten halfstok, 2007), Saskia Stehouwer (Wachtkamers, 2014), Runa Svetlikova (Deze zachte witte kamer, 2014), Elisabeth Tonnard (De wereld is er, 2007), Hanneke van Eijken (Papieren veulens, 2013), Lies van Gasse (Hetzelfde gedicht steeds weer, 2008), Maud Vanhauwaert (Ik ben mogelijk, 2011) en Sofie Verdoodt (Doodwater, 2014). En dan vergeet ik Laura van der Haar, Vrouwkje Tuinman, Herlinda Vekemans cum suis. EAan het begin van de door mij afgebakende periode (2000-2016) moet bijvoorbeeld ook het debuut van de Vlaamse auteur Eva Cox worden gesitueerd. In de recent verschenen opstellenbundel Dichters van het nieuwe millennium (J. Dera, S. Posman en K. van der Starre (red.), Vantilt, Nijmegen, 2016) heb ik een bijdrage gewijd aan intermedialiteit en de poëzie van deze auteur.

Relevanter dan het genderperspectief – “de feminiseringsgolf” in de poëzie van Nederland en Vlaanderen zet zich inderdaad verder door (Vandevoorde 2006) – is dat deze auteurs in de loop van het voorbije decennium een interessant parcours hebben afgelegd of een opgemerkte bundel afleverden. Niet alleen literaire prijzen wijzen overigens op het belang van deze vrouwelijke stemmen.

Relevantie van het genderperspectief

Gender hoeft in de literatuurbeschouwing vanzelfsprekend geen rol te spelen. Het is nog maar de vraag of een vrouwelijke dan wel een mannelijke auteur een literatuur voortbrengt die per definitie door gender is bepaald. Het is inderdaad interessanter literaire trajecten te volgen en niet te peilen naar seksuele voorkeuren, ideologische posities of een door gender gedetermineerde literaire identiteit. Uiteraard is het een vaststelling dat in de Nederlandse en Afrikaanse literatuur vrouwelijke auteurs meer aanwezig zijn, méér dan in de twintigste eeuw, en gunstiger worden gerecipieerd. Vanuit genderachtergrond bekeken zouden zij nieuwe perspectieven toevoegen. Zoals gezegd moet dit met behulp van tools die genderstudies aanreiken, vanuit comparatief oogpunt, nader worden onderzocht. Het lijkt me voer voor een interessant promotieonderzoek. Ik lever hier alleen summiere aanzetten voor dat onderzoek.

Vanuit dat vergelijkende perspectief kan het revelerend zijn de tendens die ik hier veronderstel in verschillende literaturen te onderzoeken. Naast de vaststelling kan vervolgens de relevantie van het genderperspectief verder worden bestudeerd. Relevante onderzoeksvragen zijn dan bijvoorbeeld: voegt het vrouwelijke standpunt zoals dat blijkt uit de literatuur van vandaag een perspectief toe aan het literaire tekstencorpus? Welk perspectief, ten opzichte van welk dominant discours in de actuele literatuur? En vooral: kan er überhaupt in dergelijke veralgemeningen worden geclassificeerd? Is het relevant een bijdrage te leveren over de mannen- en vrouwenstemmen in de hedendaagse poëzie van de Lage Landen en Zuid-Afrika? De presuppositie waarop deze verkennende beschouwing is gebaseerd, is vanuit de genderbepaalde invalshoek van ondergetekende aan de orde gesteld. Daarom lijkt het mij interessant enkele premissen en vragen die ik aankaart of als veronderstelling formuleer voor te leggen aan enkele vrouwelijkste stemmen in de hedendaagse Nederlandse en Afrikaanse poëzie. Aan schrijfsters die binnen mijn afgebakende periode passen en een nieuw geluid zouden voortbrengen. Misschien is wat ik hier te berde breng zelfs helemaal geen issue. Mannelijke auteurs wordt toch ook niet gevraagd naar hun masculiene perspectief bij het concipiëren van gedichten. Indien deze status quaestionis al iets oplevert, dan zijn het de statements en de bespiegelingen over dit thema die ik opvraag bij enkele schrijfsters in Zuid-Afrika, Nederland en Vlaanderen. Dit is een uitnodiging om over deze kwestie te reflecteren en enkele particuliere notities te verzamelen over de zogeheten “feminiseringsgolf” die zich verder doorzet en de implicaties daarvan voor de hedendaagse poëzieproductie in Afrikaans en Nederlands. De volgende weken hoop ik enkele van die dialogen te kunnen voeren.

(Yves T'Sjoen, Oktober, 2016)

Yves T’Sjoen berig oor Tuin van Digters

Saturday, September 17th, 2016

index

Hoe dichters spreken. Over taal en ideologie

Gisteren mocht ik in Wellington deelgenoot zijn van Tuin van Digters. Dit jaar heeft van 16 tot 18 september de vijfde editie plaats in het sfeervolle en met witte poëzieballonnen versierde Breytenbachsentrum. Het festival waar de Afrikaanse poëzie centraal staat, is voor deze lustrumviering uitgebreid tot een driedaagse bijeenkomst.

Theo Kemp, organisator van de Tuin en bestuurder van het centrum, is er ook nu weer in geslaagd een rijk gevarieerde setlist samen te stellen. Naast een symposium over poëzie, meer bepaald over “slow poetry”, “vinnige poësie” en “difficult poems”, zijn er tal van muzikale optredens, poëzievoordrachten en een toneelvoorstelling. Ik smaakte het optreden van Jitsvinger en de Nederlandse rapper Akwasi, de slam poetry van de Vlaming en “bekvegter” Martijn Nelen, het optreden van toneelgezelschap Kaleidoskoop van het Breytenbachsentrum met dichtregels en flarden van “bruin skrywers”, van PJ Philander en Adam Small tot Ronelda Kamfer. De tuin, die bij mij herinneringen oproept aan de poëziezomer van Watou, is een ontmoetingsplek voor schrijvers, academici en lezers. Vooral de ongedwongen atmosfeer en het aanstekelijke enthousiasme voor de Afrikaanse dichtkunst zijn me van vorig jaar bijgebleven en vind ik nu terug in de Akkoord- en Woordtent.

Wat me vooral bijblijft van de eerste festivaldag, is het gesprek dat ’s avonds plaats had. Zonder een agenda introduceerde Desmond Painter een gezelschap van ongeveer dertig dichters, een mix van uiteenlopende stemmen, van jong en wat ouder, van zwart, bruin en wit, van schrijvers met uiteenlopende poëtica’s en esthetische opvattingen. Enkele schrijvers presenteerden hun debuutbundel die net uit is, andere meer gevestigde namen gingen samen met hen in gesprek. Zonder onderwerp, zonder vooropgesteld doel. De open discussie, die aanving met de cruciale vraag waar de wijn bleef, ging al snel over de positie van het Afrikaans – en bij uitbreiding van de Afrikaanse literatuur – in het hedendaagse politiek ontwrichte en economische lijdende Zuid-Afrika. Het is intussen bekend dat elk vertoog over literaire aangelegenheden in het Afrikaans bij maatschappij en politiek uitkomt. Het met animo geleverde debat, gelet op het staccato en de decibels duidelijk met engagement gevoerd, ging onder meer over de afbrokkelende infrastructuur van het Afrikaans, de tanende rol van universiteiten voor het behoud en de promotie van een taal, de rijkdom van een taal met alle variëteiten, tonen en kleuren. Anderhalf uur nam het soms heftige maar ook met humor en plaagstoten gevoerde gesprek in beslag. Alfred Schaffer merkte aan het eind vanuit zijn meer afstandelijke positie op dat er door sprekers toch vooral over verschillen is geredetwist en dat raakvlakken, wat betrokkenen met elkaar verbindt, nauwelijks aan bod was gekomen. En dat de mensen in dit land wel andere katten te geselen hebben. Het land verglijdt in de chaos, gaat gebukt onder corruptieschandalen en vele mistoestanden, een meerderheid van zijn bevolking lijdt gore armoede. Huizen moeten worden gebouwd, er moet in sociale voorzieningen worden geïnvesteerd. En dan is er, op een ander en minder prioritair plan, de prangende taalkwestie. Afrikaans ligt onder vuur en wordt dezer dagen als wetenschapstaal gecontesteerd. Nochtans zijn er volgens “de sensus” of dus de telling van 2011 meer dan zeven miljoen moedertaalsprekers en nog eens zo’n vier miljoen Zuid-Afrikanen die Afrikaans als tweede of derde taal gebruiken. De literaire productie van het Afrikaans scheert hoge toppen en er zijn tal van kunstenfestivals waar de cultuurtaal wordt gecelebreerd en een publiek forum wordt geboden. Het gesprek onder dichters handelde dus niet over de stand van de Afrikaanse poëzie, nieuwe literaire ontwikkelingen, esthetische paradigma’s. Er woedt geen strijd van geesten met als inzet de eigen plaatsbepaling in het Afrikaanse poëzielandschap. Het open debat meanderde heerlijk ongecontroleerd, zonder orkestmeester of vaste banen, naar een monding waar taal en ideologie onlosmakelijk met elkaar vervloeien.

Voor een buitenstaander met een Europese achtergrond is het confronterend maar ook intrigerend dit schouwspel te mogen beleven. Hoewel, een schouwspel was het niet echt. Hier hebben geen vrijblijvende discussies plaats over poëticale voorkeuren zonder dat ook politiek en ideologie een rol van betekenis krijgen. Ik hoorde bijna amechtige oproepen voor een nieuwe Afrikaanse taalbeweging, voor een fonetisch Afrikaans (schrijven zoals er wordt gesproken), apologieën voor de veelkleurigheid van een taal met onder meer een warme pleidooi voor het zogeheten Afrikakaaps. De avond vulde zich niet met vrijblijvend geouwehoer, geen literaire vendetta’s of steekspelen van literaire kongsi’s. Zelfs een buitenstaander kon aan zijn koude tenen voelen – helaas letterlijk te nemen – dat hier met bezorgdheid maar ook gedreven door combattiviteit wordt gesproken. Dat een discussie over taal meer is dan een triviaal onderwerp onder schrijvers. Ik beluisterde gisteren politieke discussies die verder reikten dan een nationalistische discours of een louter op taal gericht vertoog. Afrikaans, de derde taal van Zuid-Afrika, krijgt het aan universiteiten en verder in het land zwaar te verduren. Het wurgkoord van apartheid hangt rond deze taal. Schrijvers die de taal hanteren en door haar spreken, voelen zich geroepen ervoor op te staan, in hun diversiteit “saam te staan”. Het zal vooral de kracht van het woord zijn die het lot van het Afrikaans zal bezegelen. Spreken alle Zuid-Afrikanen over drie decennia Engels, is nog geopperd. Als ik de referaten en de poëzievoordrachten beluister, de vele gedichten lees in deze Tuin van Digters, de nieuwe Afrikaanstalige literaire boekpublicaties aanschouw en mensen hoor “gesels” in en over het Afrikaans, dan weet ik dat zoveel taalbewustzijn, liefde en overlevering deze moedertaal van vele Zuid-Afrikaanse sprekers – en niet alleen van de bezoekers van Wellington – niet snel onbetekenend zal maken. Of zoals de gisteren jarige Breyten Breytenbach het mij meldde en zo pregnant weet uit te drukken: het gaat tenslotte over de “saam-mekaar-andersmaak” van gemeenschappen. In dat gesprek ligt het bestaansrecht van een taal. Daar staat immers het Breytenbachsentrum voor zoals uit een opschrift van Breytenbach mag blijken, opgehangen in de inkomhall.

(c) Yves T’Sjoen / 17 September 2016