Wisselkaarten

Yves T’Sjoen. “Sharing heavy shit” in Wellington. Anne Vegter en de werkswinkel

Thursday, April 13th, 2017

“Sharing heavy shit” in Wellington. Anne Vegter en de werkswinkel

 

Anne Vegter

 

Dichter des Vaderlands in Nederland (2013-2017)

Na Gerrit Komrij, Simon Vinkenoog, Driek van Wissen en Ramsey Nasr is op 31 januari 2013 Anne Vegter aangesteld als Dichter des Vaderlands in Nederland. Tot Gedichtendag 2017 heeft de schrijfster het ambt van Poet Laureate bij onze noorderburen waargenomen. Een commissie bestaande Maria Barnas, Arie Boomsma, Arjen Fortuin, Piet Gerbrandy, Kristien Hemmerechts en Mei Li Vos benoemde Vegter voor een ambtsperiode van vier jaar. De Koninklijke Bibliotheek, NRC Handelsblad, NTR, Poëzieclub en Poetry International zijn de organiserende instituties die bij de officiële aanstelling betrokken waren. Nu Vegter haar dichterlijke vrijheid heeft herwonnen, is in januari 2017 Ester Naomi Perquin de eer te beurt gevallen.

Tijdens haar publieke optreden als Dichter des Vaderlands heeft Anne Vegter samen met de Belgische ambtsgenoot Charles Ducal, intussen opgevolgd door de Franstalige Belgische auteur Laurence Vielle (in 2018 is Els Moors aan de beurt), in 2015 een bezoek gebracht aan Zuid-Afrika. Ik ontmoette beide dichters ter gelegenheid van hun passage in de West-Kaap: eerst tijdens Tuin van Digters in Wellington en enkele dagen later in een college van Alfred Schaffer in Stellenbosch. Anne Vegter las tijdens het Afrikaanse poëziefestival in een Engelse vertaling een keur uit haar poëzie en werd bij de performance geflankeerd door Antjie Krog, die voor de gelegenheid de grootmoedergedichten in Mede-wete voordroeg. Zij was op uitnodiging van Krog en het gemeenschapshuis Breytenbachsentrum ook te gast bij een workshop in Wellington waaraan vrouwen die het slachtoffer zijn van seksuele intimidatie en verkrachting deelnamen.

Het getuigenis van die heftige confrontatie kunnen we nu lezen in Wat helpt is een wonder. Gedichten van de Dichter des Vaderlands 2013-2017. Zoals gebruikelijk wordt na het beëindigen van de opdracht de poëzieproductie van de Dichters des Vaderlands, net zoals van de stadsdichters hier te lande, gebundeld in een fraai boek. De gelegenheidsuitgaven maken deel uit van het literaire oeuvre. Zo kunnen de verzamelbundels van de Antwerpse stadsdichters Tom Lanoye [2003-2004], Ramsey Nasr [2005], Bart Moeyaert [2006-2007], Joke van Leeuwen [2008-2009], Peter Holvoet-Hanssen [2010-2011], Bernard Dewulf [2012-2013], Stijn Vranken [2014-2015] en Maarten Inghels [2016-2017] worden verdisconteerd in een studie van hun respectieve werk. Charles Ducal bundelde zijn gelegenheidswerk in de drietalige editie Bewoond door iets groters / Au-delà de la frontière / Von etwas größerem bewohnt (2015).

Deze bijdrage is de aanzet voor een dergelijke beschouwing over het werk van Anne Vegter.

De literaire productie van Anne Vegter

Op 15 december 2016 ging ik op vraag van de Permanente Vorming Literatuur en seksualiteit (Universiteit Gent) in gesprek met Anne Vegter. De video-opname kan hier worden bekeken: http://www.taalenletterkunde.ugent.be/literatuurenseksualiteit. Bij die gelegenheid sprak de auteur over de rol van erotiek in haar werk, met als aandachtspunt de net heruitgegeven bundel Ongekuiste versies  (1994, 2016²), en de wijze waarop het publieke ambt te verzoenen valt met de ontwikkeling van het eigengereide schrijverschap, door Henk van der Waal als een “uiteenwaaierend taallaboratorium” bestempeld waarin een “kijkje” wordt genomen “in de diepere lagen van de menselijke psyche”.

Na het poëziedebuut Het veerde (1991) en Aandelen en obligaties (2002) heeft de dichteres met Spamfighter (2008, nominatie VSB Poëzieprijs) en Eiland berg gletsjer (2011) landelijke bekendheid verkregen. In een tijdspanne van vijfentwintig jaar heeft zij vier dichtbundels uitgegeven. Ik noteer in de persknipsels nominaties voor haar jongste dichtwerk, respectievelijk VSB Poëzieprijs en Karel van de Woestijneprijs, en de bekroning van Eiland berg gletsjer met de Awater Poëzieprijs 2012. Zij staat ook bekend als kinderboekenschrijfster (De dame en de neushoorn (1989) en Verse bekken! (1990)) en publiceerde toneelteksten (o.a. Het recht op fatsoen (1996)), de korte roman Harries hoofdingang (1999) en erotische/pornografische verhalen (Ongekuiste versies en Sprookjes van de planeet aarde (2006)). De bibliografische lijst is verre van exhaustief. Vegters literaire productie is meermaals bekroond. Haar werk is door Henk van der Waal in De kunst van het dichten (2009, p. 226-247) omschreven als “kwiek en levenslustig”, “kloek en strijdbaar”, “een ijkpunt voor dichtend Nederland”. Zij schrijft gedichten met “hoge houdbaarheidsdatum […] terwijl ze in hun tijd staan, [die] hun tijd vooruit zijn” en de poëzie is omschreven als “een veelkantig kristal dat zonder dat het zijn kern verliest, zich altijd weer anders toont”. Van der Waal gewaagt van een “rijk en veelzijdig oeuvre”. Hans Groenewegen noteert het volgende over Vegters dichtkunst in zijn essaybundel Overvloed (2005): “Anne Vegter schrijf springerige poëzie. Tussen de verschillende regels, zinnen en zinsflarden kan het taalveld verspringen waaruit de woorden afkomstig zijn. Of het perspectief van waaruit verteld wordt verspringt. Of beide. De tekst kan verspringen van een gedachte naar een mededeling. Kan verspringen van de ene persoon in een dialoog naar een andere niet nader bepaalde persoon, van een vervreemdend geformuleerde waarneming naar een schijnbaar ongecontroleerde of naar juist een lyrische exclamatie” (p. 191-194).

Anne Vegter in Zuid-Afrika

De Zuid-Afrikareis van September 2015 heeft sporen getrokken in Vegters literaire universum. Er was al eerder een toevallige combinatie van haar poëzie met werk van Antjie Krog en Charl-Pierre Naudé. Tien jaar eerder, in december 2005, publiceerde het Vlaamse literaire periodiek Revolver gedichten van deze drie auteurs. Van Anne Vegter zijn toen ‘Onder een waarachtige hemel’, ‘ Stijl’, ‘Kamfer’ en ‘Lichtheid van de nacht’ opgenomen, later gebundeld in Spamfighter.

September 2015 is “de experimenterende Dichter des Vaderlands” in Wellington geconfronteerd met de Zuid-Afrikaanse realiteit van geweld en maatschappelijk onrecht, met het leed dat meisjes en vrouwen wordt berokkend. Het volgende kapittel verhaalt over de persoonlijke ervaring. In het ‘Vooraf’ van Wat helpt is een wonder stelt Vegter “hoe bevreemdend die Hollandse discussie over literair engagement is voor mensen die leven op de breuklijnen van verholen blanke dominantie en economische ongelijkheid. In Zuid-Afrika is de vraag niet óf je engagement toont maar hóé. Schrijven doe je altijd vanuit bewustzijn van de context, zei Marlene van Niekerk twee jaar geleden tijdens haar verblijf als artist in residence in Amsterdam” (p. 8).

De bundel met gelegenheidsgedichten, waarvan het merendeel in NRC is afgedrukt, wordt afgesloten met een rubriek ‘Berichten van de Dichter des Vaderlands’, columns die Anne Vegter tussen 2014 en 2016 in het Nederlandse poëzietijdschrift Awater presenteerde. De laatste tekst, gedateerd januari 2016, handelt over het unheimliche schrijversbezoek aan de Kaap. Over de ontmoeting publiceerde ik op Versindaba al eerder een stukje:  http://versindaba.co.za/2015/09/21/yves-tsjoen-dichters-des-vaderlands-in-de-west-kaap/. Vegter memoreert haar deelname aan een werkswinkel bij UWK (Bellville) op uitnodiging van Antjie Krog: “Een dag in Kaapstad op University of the Western Cape is verhelderend. Je werk als enige niet-zwarte dichter is tevoren gescreend door de studenten, goed bevonden. Je weet niet wat goed is. Je spart met Antjie Krog. Read it out loud, zegt ze. De studenten juichen door hun hiphoppresentator. Hij moedigt ze aan op te komen voor hun eigen taal. Loud out Xhosa, loud out English. Het Afrikaans krijgt het moeilijk op de uni. ‘Ik zie het studiemateriaal hier liefst in alle drie talen,’ zegt Krog. Studenten zijn woest vanwege het postkoloniaal gezag op de universiteiten. De jonkies vechten het Afrikaans eruit”. Het zijn de spannende dagen van oplaaiende studentenprotesten en vandalisme op de UWK-campus.

Vegter & de ‘Crimefighters’

Ik herinner mij levendig het gesprek met Anne Vegter tijdens Tuin van Digters, na afloop van een workshop die ze ook daar aanbood samen met Antjie Krog. De schrijfster was niet alleen onthutst. Tegelijk sloot de workshop aan bij een thematische lijn die haar oeuvre samenhoudt en wat zij zelf in een interview met Henk van der Waal “het belang van de zintuiglijke ervaring” (p. 233) noemt. Seksualiteit en lichamelijkheid worden in Vegters werk op revelerende wijze behandeld. Ongekuiste versies is door haar omschreven als een “erotisch taalproject”: vrouwelijke seksualiteit wordt vertaald en onttrokken aan de dominante masculiene benadering van de vrouw. Zij spreekt over de creatie van “een vrouwentaal die geilheid genereerde” (p. 241). Taal, zinnen, woorden worden een erotische lading gegeven, zo stelt zij in het vraaggesprek. De confrontatie met de meisjes in Wellington die over ‘sexual abuse’ praatten, moet voor de Nederlandse schrijfster bijzonder heftig zijn geweest.

In Wat helpt is een wonder schrijft Anne Vegter: “Je leert snel bij. Je neemt in Wellington deel aan Krogs schrijfworkshop voor vrouwen die te maken hebben met sexual abuse. In alle drie de talen. De kleine zaal dampt. Twintig vrouwen, twee mannen. Je toont teksten die je in Nederland zijn aangereikt door fijne vrouwelijke collega’s. Ze stuurden themagerelateerd werk van Anne Sexton, Patti Smith, Brian Patten. Inmiddels vertaald in Xhosa. Je moet uitleggen wat je als niet-zwarte op de workshop te zoeken hebt. Je noemt de situatie in Europa. Een op de drie vrouwen, jaja ook daar, heeft te maken met seksuele intimidaties of erger. I am a rape survivor, rape survivor, rape survivor, echoot het in het voorstelrondje. Sharing heavy shit”. Ik moet bij deze tekstpassage denken aan de toneelmonoloog Om te beginnen een vrouw. Monoloog voor de dochter van Noach en het derde deel van Eiland berg gletsjer (‘Dochter van’). De dochter is getypeerd als de vrouwelijke versie van Cham in het Noach-verhaal. Toneeltekst en gedicht zijn vormen van emancipatorisch schrijven, een poging tot bevrijding uit het patriarchale denken. In De kunst van het dichten heeft de schrijfster het over de hardnekkige man-vrouwverhouding en de poging een vrouwelijke seksualiteit in een vrouwelijke taal te ontwerpen (“vrijwel onmogelijk”). Om iemand te worden, zo stelt Vegter, moet je “jezelf ontworstelen aan degene die autoriteit over je uitoefent”.

De ontmoeting met de vrouwen heeft zoals gezegd diepe sporen getrokken. Anne Vegter: “Natuurlijk weet je na die workshop niet genoeg. Maar er is iets in je aangeraakt. Krog laat achteraf weten dat een aantal deelnemers sinds september niet opgehouden is te schrijven over ervaringen met seksueel misbruik. Crimefighters. Het gepland vervolg op die ‘werkswinkel’ in Kaapstad is trouwens afgeblazen, schrijft Krog me in december. Te gevaarlijk. Er branden gebouwen op de campus in the Western Cape” (p. 127). Vegters “lied van verlangen en rebellie” heeft een echo gevonden in de West-Kaap. Als het streven erop is gericht, zoals vermeld in De kunst van het dichten, de taal dienstbaar te stellen aan de seksuele fantasie van de vrouw zodat de taal zelf “als het ware […] een verlangend en smachtend en bewegend en likken en spuitend lichaam” wordt, dan heeft Anne Vegter tijdens dat beklijvende moment andere schrijfsters die kracht laten voelen. De passage wordt als herinnering opgetekend in Wat helpt is een wonder. Dat is veelbetekenend, ook voor het oeuvre van de toenmalige Dichter des Vaderlands en hedendaagse auteur.

Anne Vegter, Wat helpt is een wonder, Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2017.

 

Yves T’Sjoen. ‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Thursday, April 6th, 2017

Peter Holvoet-Hanssen

‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Hoeveel reisigers of dolende ridders

kan vertel van ’n losie

van volstrekt net papier –

hoeveel digters?

Charl-Pierre Naudé, ‘Papierverblyf’, in Al die lieflike dade (2014).

Een speurtocht verloopt langs etappes. Na zijn “eerste, echte” dichtbundel  De reis naar Inframundo (Prometheus, Amsterdam, 2011) – een compilatie van vijf “ontdekkingsreizen naar mijn onderwereld”, dat wil zeggen vijf afzonderlijke publicaties (1998-2008) – onderneemt Peter Holvoet-Hanssen (HH) een nieuwe “exploratie”. De voorbereidingen van de queeste kunnen worden opgespoord in onder meer Miavoye. Op bedevaart naar Paul van Ostaijen, een collectief spoorzoek- en schrijfproject van Koen Broucke, HH, Koen Peeters en Pascal Verbeken (De Bezige Bij, Antwerpen, 2014). De bijdrage ‘Nagestuurde gedichten. In het land van Music-Hall’ presenteert tien “muziekdoosgedichten voor Paul Ampère”. Een van de gedichten is getiteld ‘De weg naar Music-Hall’ en bevat de regel “mijn land is Music-Hall uitklapbaar zonder inwoners”.

Het vers ligt ten grondslag aan een prachtig nieuw project dat de titel kreeg ‘Het Land van Music-Hall’. De tekst van HH is géén essay, zo wordt benadrukt, maar een “schatkaart”. De illustrator Brecht Evens, bekend van graphic novels en strips, heeft de “sporentocht” van HH in het land van de poëzie verbeeld in een “vouwbare” kaart die dezer dagen tentoongesteld wordt in het Letterenhuis (Antwerpen). Naast de kaart is er de hypertekst waarin de auteur als gefascineerd poëzielezer zijn zoektocht vormgeeft (zie http://wereld.paukeslag.be). Tekst wordt verbonden met geluids- en filmopnamen. Samen met de tekening van Evens is dit een multimediaal project dat een onversneden en laaiend pleidooi is voor – in kapitalen – “VERVOERING” en “BELEVENIS” in de poëzie.

Wereld van de Poëzie in kaart

Op Gedichtendag, donderdag 26 januari 2017, presenteerde het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) een nieuw format na het Gedichtendagessay van respectievelijk Paul Bogaert, Charles Ducal, Luuk Gruwez, Jan Lauwereyns en Erik Spinoy (2008-2012). De website van het VFL maakt melding van het “poëziepromotieproject” ‘Wereld van de Poëzie in kaart’ (uitgeverij Polis). Na de essays wordt nu ingezet op “spoortochten”. Telkens worden een “enthousiasmerend” poëzieschrijver, lezer en promotor van gedichten, én een illustrator (“verbeelder”) uitgenodigd hun speuren in de wereldpoëzie “letterlijk en figuurlijk in kaart te brengen”. Op Wereldpoëziedag, 21 maart jongstleden, is het digitale luik van ‘Het Land van Music-Hall’ door HH en Brecht Evens online gekomen op Paukeslag.org. De dag van de release is natuurlijk niet toevallig gekozen.  Sinds de conferentie van de UNESCO in Parijs (1999) geldt 21 maart als World Poetry Day. Doelstelling van Wereldgedichtendag is volgens de website van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur “supporting linguistic diversity through poetic expression and increasing the opportunity for endangered languages to be heard”. Het nieuwe initiatief van het VFL past in dat streefdoel. HH profileert zich als een bedreven poëzieambassadeur die met zijn programma scholen bezoekt, optreedt op vraag van culturele verenigingen en te lande een lans breekt voor de “belevenis” en niet louter de “verstaanbaarheid” van de poëzie.

Intratekstualiteit

Een ander gedicht in de compilatie Miavoye heet ‘Het slempen van de reus’ en wijst vooruit naar de jongste dichtbundel Gedichten voor de kleine reus (Polis, Antwerpen, 2016). Uit de gedichtenreeks blijkt dat HH na de reis naar de onderwereld een “tegenbeweging” inzet. Dat hij daarvoor de conventionele grenzen van de literaire genres met de voeten treedt, merken we al in de “tweeschelpenroman” Zoutkrabber expedities (2014). De tekst wordt volgens de schrijver best opgevat als “twee schelpenhelften: Hollandse én Vlaamse (taal)eigenheden, sober én barok, rauw én magisch”. Dat een reis in etappes verloopt en bijgevolg een continuïteit laat zien, toont alleen al de titel van het boek aan. De schrijver is niet alleen schatplichtig aan de literaire traditie waar hij inherent deel van uitmaakt, hij kan vandaag alleen schrijven na wat hij gisteren heeft geschreven. De bundel waarmee De reis naar Inframundo afsluit, Navagio. Wrakhoutgedichten (2008), bevat in de reeks ‘sneeuwdienst’ een gedicht getiteld ‘Zoutkrabber Expedities’. En de nar Fanastasio in het gelijknamige prozaboek figureert zowel in de dichtbundel Santander (2001) als in “de anti-roman” De vliegende monnik (2004). Deze greep uit het web van intratekstuele verwijzingen laat de verstrengeling van HH’s teksten zien.

Dat geldt ook voor Gedichten voor de kleine reus. De Van Ostaijen-gedichten in Miavoye zijn opgenomen in de derde afdeling ‘Het land van Music-Hall’, een titel die zoals gezegd refereert aan de “sporentocht” die recent voor het voetlicht is gebracht.

Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Zuid-Afrika, het Afrikaanse continent en met name Breyten Breytenbach, Charl-Pierre Naudé en Alfred Schaffer spelen een rol in de queeste van de immer zoekende poëzielezer HH. In de zoektocht zelf moet de finaliteit van de “sporentocht” worden gevonden. Enkele reminiscenties aan Afrika zijn de volgende. In Navagio, de bundel van het zinkende schip, verwijst het gedicht ‘Marinero (klaaglied)’ naar de “gruwel van Darfur”. Gedichten in deze bundel zijn in Zuid-Afrika ontkiemd en zelfs geschreven. Als deelnemer aan het project E-POS II van Veerle Rooms en Willem Persoon zijn de gedichten ‘Marinero (klaaglied)’, ‘El Capitán (schipperslied)’ en ‘Een aanval van liefde’ geschreven. ‘Marinero (klaaglied)’ is door Charl-Pierre Naudé en Gabeba Baderoon vertaald naar respectievelijk het Afrikaans en het Engels (gepubliceerd in Revolver [133], 33 (2007), 4 (maart), p. 41-42). Op het einde van deze tekst citeer ik het gedicht ‘Soweto’ dat in Gedichten voor de kleine reus (p. 24) is opgenomen.

In HH’s pleidooi voor “muziekdoosgedichten” – ‘zingzeggende’ poëzie die door melodie en ritme wordt gedreven en aan de historische (schrijf)context ontsnapt – spelen Zuid-Afrikaanse schrijvers een rol. In ‘De sporentocht’, het eerste “hersenspinsel” waarmee Het Land van Music-Hall opent, wijst de “ontdekkingsreiziger” op een uitspraak van Breytenbach waarin de ongebondenheid van het gedicht wordt onderstreept: “We worden gedwongen te leven als drones, op afstand bestuurde mensen. […] Poëzie is zo oud als de mensheid, en zowel haar kracht als machteloosheid zijn altijd tegelijk aanwezig geweest. Het belang van poëzie is dat ze praat over fundamentele menselijke uitdagingen en ervaringen, over de mogelijkheid om nieuwe beelden te zoeken en andere mensen te worden. Daardoor alleen al levert ze kritiek op de dominante consumptiecultuur”. Het interviewfragment dat HH aanhaalt, kan als een motto voor de “sporentocht” dienst doen. De schrijver roept op: “Verleg je grenzen. Zing je lied, ondanks alles”. Op Paukeslag.org, waar de “schatkaart” online te vinden is, zijn foto’s en filmopnames van Breytenbach beschikbaar. Zo ook de verwijzing naar het eredoctoraat dat Breytenbach in december 2014 van mijn Alma Mater in ontvangst mocht nemen.

In het dromenboek van HH, dat lezers wil winnen voor de wereldpoëzie en een beklijvende hoogstpersoonlijke zoektocht is naar “[d]e stem van de bezieling” in de middeleeuwse ballade, het rondeau, bij uitbreiding “muziekdoosgedichten” in de literatuur van de Middeleeuwen tot de eenentwintigste eeuw, figureren ook Afrikaanse liedjes, zoals: “Ek’s ’n dapper muis, / Kyk hoe stap ek deur die huis / En daar’s niks waarvoor ek skrik nie…”, en een dichtfragment van Charl-Pierre Naudé – de reisgenoot die bij E-POS II betrokken was. In de eenentwintigste-eeuwse wereldpoëzie rekent HH de bundel Al die lieflike dade (2014) tot het dichtwerk dat “de verkalkte ruggengraat van de samenleving bloot[legt]”, “de zintuigen op scherp [zet]” en “de tijd bij de kraag [pakt]”: “Je ontdekt de fonkelverzen van de Zuid-Afrikaanse Charl-Pierre Naudé: het alledaags zichtbare wordt bij hem terug mysterieus, het hermetische blijkt een hoelahoepend meisje, het verhevene klopt door vlees en bloed. Zijn jongste bundel Al die lieflike dade legt verbindingen vanuit het land van wijlen Ingrid Jonker, bekend om haar schrijnende muziekdoosgedicht ‘Korreltjie, korreltjie sand’, naar de vele pijnpunten van dit tijdsgewricht. Naudé kijkt van buiten naar binnen, de 21e eeuw in”. Vervolgens worden deze regels geciteerd: “Ek droom oor ’n wêreld / waar die konings nie meer konings is nie/maar muiltjes met koningsgezichten”. In het gedicht ‘Nawoord’ aan het eind van Al die lieflike dade lees ik:

Weldra word alles

(as die geluk sou tref)

ingetrek

in ’n wêreld waar die konings

nie meer konings is nie

maar pakdonkies met koningsgesigte,

[…]

CP Naudé heeft de gedichten ‘Stoptrein’, ‘Pasboekfoto onder kleefplastiek’ en ‘Lof aan die versakers’ bijgedragen aan het project E-POS II.

Tot de dichters die alles “op het spel” zetten, rekent HH ook Alfred Schaffer. In ‘Het Land van Music-Hall’ lees ik: “een eigenzinnig en verrijkend taaluniversum creëren is volgens mij niet langer voldoende, er dient nog meer op het spel te staan. De eigen pols moet worden overgesneden, dieper gravend, kervend, het bloed vermengd met onze voorouders, de hand reikend over de schuttingen binnen en rond de samenleving. Lees de verzen van de in Zuid-Afrika wonende Alfred Schaffer”. Vervolgens leest Alfred Schaffer het gedicht met de openingsregel ‘Er waren landschappen zonder plezier’ van Hans Andreus. Wie het HH’s ‘Land’ betreedt, moet beslist ook de geluidsopnames aanklikken, de tekeningen bekijken, zich kortom overleveren aan de zintuiglijke rijkdom van het multimediale poëzieproject.

“Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”

De poëzie van Zuid-Afrikaanse schrijvers maakt deel uit van de “poëtische ontketening” waartoe HH oproept. Hun gedichten behoren tot de wereldpoëzie, met de term van Goethe de “Weltliteratur”, die voor deze auteur alléén interessant is indien ze tot een “belevenis” leidt, “een onherhaalbare gebeurtenis” is, tot de woorden zich loszingen van hun betekenissen. We betreden met als gids HH ‘Het Land van Music-Hall’ waar de ketenen worden losgezongen. “Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”. Het is de mantra van deze “sporentocht” door de poëzie. Als de lezer de verzen heeft geïnterioriseerd, niet alleen maar geconsumeerd (de tekst is een antidotum voor “consumptiecultuur”), kan hij of zij “van de woorden [loskomen] en [verdwijnen] door de poort naar het Land van Music-Hall”. De zoektocht is een balsem voor de ziel en opent nieuwe perspectieven voor wie bereid is er zich aan over te leveren. Ik sluit af met een zoveelste oproep van HH: “Van Ostaijen lezen, het zou in om het even welke studierichting verplicht moeten worden”.

Tot slot. In de openingsafdeling ‘De Tuin der Poëten’ van Gedichten voor de kleine reus heeft HH ‘Soweto’ opgenomen, een tekst die is ontstaan tijdens de Zuid-Afrikareis in 2006. Vooralsnog is het gedicht niet vertaald in het Afrikaans. Zowel de dichter als de auteur van deze bijdrage kijken uit naar een vertaling. Neemt Daniel Hugo de handschoen op?

Soweto

Wij zijn gazellen in het roodoranje.
De rotsen van Cederberg beschermen ons.
Zwetend in een okergele zak.
‘Ik sprak met de slang der kennis. Ik ben een wilde kat.’
‘En ik een aardwolf.’
‘Ik ben er ook. Geelvis.’
‘Witvis!’
‘Wat een uitzicht, ik ben een zwarte adelaar –’
Na de bliksem in het hoofd kalm worden als een oude man.
‘De dood reist altijd mee. Staat aan onze kant?’
‘Reken maar, vuurstokje. Doet het leven fonkelen.’

Klipspringers, richting beschilderde koeltorens.
Doornkop, verhaal van de goudkoorts.
De onderdrukkers. De regengodin liet hen begaan.
Ze werden groter en groter, blank en gulzig.
‘Naar de cel, kaffer!’
Hun witte forten kenden de vreugde van het stroompje niet maar de angstige
hoogmoed van de muren.
Emakhulukhuthu – diepe kloof in het hart.
Buiten deze cel glanst en zoemt het leven, dacht Gandhi.
Mandela soesde: niet stuurloos zijn als een wit busje zonder chauffeur. Hij
droomde van elektriciteit en water.
O lange weg.

De boze heuvelgeest lacht de golfkartonnen huisjes uit.
‘Wie is niet besmet, beroofd, verkracht, vermoord?’
Oog van de reus! Wij steunen elkaar, staan telkens op.
Zingen in het bloed. Wij zijn deel van de wereld, wereld.
Kinderen dansen – vuur maakt vuur in Orlando West.
Gluur naar binnen, blauwgroen vogeltje.

De queeste van de poëzielezer Peter Holvoet-Hanssen kan worden gevolgd op Paukeslag. Digitaal platform voor levend poëzie-erfgoed van Poëziecentrum (Gent): www.Paukeslag.org.

Zie ook: http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/press/1081/nu-online-het-land-van-music-hall.html

http://www.letterenhuis.be/nl/activiteit/wereld-van-de-po%C3%ABzie-kaart

http://www.unesco.org/new/en/unesco/events/prizes-and-celebrations/celebrations/international-days/world-poetry-day-2016/

 

Yves T’Sjoen. De ironische gestalte van Zbigniew Herbert in Breytenbachs poëzie

Wednesday, March 29th, 2017

Zbigniew Herbert

De ironische gestalte van Zbigniew Herbert in Breytenbachs poëzie

Het is op 8 maart jongstleden gerapporteerd, onder andere op de weblog Versindaba: Breyten Breytenbach ontvangt voor zijn literaire oeuvre van de stichting die is genoemd naar de Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924-1998) een van de meest belangwekkende literaire onderscheidingen in Europa. De Zbigniew Herbert International Literary Award wordt sinds 2013 uitgereikt aan een internationaal gerenommeerde schrijver. De voorbije jaren viel de eer te beurt aan Lars Gustafsson, Ryszard Krynicki, William Merwin en Charles Simic. Net toen het nieuws bekend raakte – er bestaat  geen toeval – las ik een essay van Marc Reugebrink in de bundel Het geluk van de kunst (2012). De bijdrage handelt over de gedichten ‘Apollo en Marsyas’ en ‘Meneer Cogito’s opdracht’. De eerst vermelde tekst is door Czesław Miłosz en Peter Dale Scott naar het Engels vertaald. ‘Apollo en Marsyas’ is een meesterlijk gedicht gebaseerd op en een adaptatie van de klassieke mythe zoals verhaald in Ovidius’ Metamorfosen (Boek VI), een narratief over de wreedaardige god Apollo en de stoutmoedige sater Marsyas, die de godheid uitdaagt en uiteindelijk levend wordt gevild. In verschillende versies en bewerkingen van de mythe verschuift het vertelstandpunt. In de Nederlandstalige literatuur denk ik aan bewerkingen door Hugo Claus en Stefan Hertmans.

Reugebrink bespreekt de vertaalproblematiek en de wijze waarop de vertaler Gerard Rasch in vergelijking met Miłosz en Dale Scott bepaalde keuzes voor de vertaalslag naar het Nederlands heeft gemaakt. De essayist stelt dat Herbert vooral het “(gruwelijk) lijden in de kunst” in zijn bewerking heeft gethematiseerd. De parallel ligt dan voor de hand met met het lijden van de kunstenaar onder een communistisch regime, het verhaal van de zanger die te maken krijgt met censuur en staatsintimidatie. Al voegt Reugebrink meteen toe dat “niet ieder gedicht van [Herbert] om die reden een ‘geëngageerd gedicht’ moet worden genoemd”. Niet alle teksten van schrijvers in de diaspora moeten vanuit politiek-ideologisch perspectief betekenis worden gegeven. Dat geldt zowel voor Zbigniew Herbert als voor Breyten Breytenbach.

De receptie van beide gedichten wijst uit dat Herbert in “het voormalige ‘Vrije Westen’” vrijwel uitsluitend politiek is geïnterpreteerd. Reugebrink gewaagt in zijn essay ‘“Some untidy spot”’ van “een soort strijdlied […] voor hen die zich intellectueel onderdrukt achtten, maar dat het [gedicht] tegelijkertijd als strijdlied niet werkelijk iets te bieden heeft: geen vrijheid, geen verlossing, geen troost, geen aankomst in een aards of hoger gelegen doel”. In een dergelijke lezing worden teksten gereduceerd tot een protestlied tegen de verknechting van de vrije kunst door dictatoriale machthebbers.

“How to bring presence into a poem” (Jarosław Mikołajewski)

Marc Reugebrink weigert de tekst van Herbert uitsluitend te lezen vanuit dat politieke frame. Met name als een getuigenis van een dichter die achter het IJzeren Gordijn door het alomtegenwoordige en toeziend staatsapparaat wordt geringeloord en van zijn vrijheid ontvreemd. Ironie, de schrijver spreekt zelfs over “fijnzinnige ironie”, is een substantieel ingrediënt van Herberts stilistische palet. Door zijn gedichten in de hermeneutische mal van “het strijdlied” te plaatsen, wordt het semantische potentieel aanzienlijk ingeperkt. De teksten waarvan hier sprake kunnen ook als uitdrukking van verwondering worden gelezen, waarin een bepaalde afstandelijkheid aanwezig is, of als een uitdrukking van het besef van “een kloof tussen voorstelling en wereld, in feite de kloof tussen taal en wat zij benoemt, en dus ook een kloof tussen het ik en de wereld”, zo stelt de auteur van het essay.

Indien dit het uitgangspunt voor een lezing is, ontstijgt de poëzie van Zbigniew Herbert de tragische anekdotiek die er ten grondslag aan ligt en hoeft de lectuur van het gedicht zich daartoe geenszins te beperken.

Ik denk dat de bekroning van Breytenbachs oeuvre in dat licht kan worden beschouwd. Het lijkt me de meer eervolle lezing van de prestigieuze onderscheiding. Hier wordt niet zozeer de antiapartheidsactivist gelauwerd, de schrijver die over het tragische (persoonlijke) lot onder apartheid een esthetisch verantwoorde getuigenis brengt. De eendimensionale politieke lezing van Breytenbachs poëzie doet afbreuk aan de gelaagdheid, de ironische connotaties, de semantische rijkdom en vooral de weerbarstigheid van elke tekst. Voor de duidelijkheid betrek ik hier beider oeuvres en poëtica’s, van Herbert en Breytenbach, niet op elkaar. Herbert, zo stelt Reugebrink, nam “afstand van de avant-gardistische, modernistische poëzie die zich na de Tweede Wereldoorlog evenzeer als antwoord op de verschrikkingen van de Holocaust aandiende”. Breytenbach omarmt in de jaren zestig nu net het surrealisme, de modernistische poëzie van onder andere Vijftig in Nederland, van de Franse meesters Blaise Cendrars, Paul Eluard, Henri Michaux en anderen. Een vergelijkend onderzoek naar de Franse modernistische poëzie en het werk van Breytenbach moet nog worden ondernomen.

De bekroning met de Zbigniew Herbert-prijs is een statement dat Breyten Breytenbach op zijn manier heeft gelezen. Op Versindaba oppert hij: “[G]edigte. In sy geval suiwer, gekonsentreerde syns-essensie wat ook uiters effektief ‘gelees’ en ‘verstaan’ is as stellingname in die politieke en sosiale en selfs religieuse arena”. Breytenbach legt de nadruk niet uitsluitend op de politieke subtekst, die hoe dan ook telkens in een referentiële lectuur kan worden betrokken, maar hij haalt ook sociale en “selfs religieuse” dimensies aan. In zijn ironische en tegelijk erkentelijke reactie laat hij dit nog optekenen: “een van die jurielede, Joeri Androekhowietsj van Oekraïene, [het] met die bekendmaking van die toekenning daarop gewys […] dat Afrikaans tans met uitwissing bedreig word. Ek sou kon byvoeg dat hierdie totaal sinnelose taalmoord gerasionaliseer word deur die heldhaftige Afrikaansveragtende Stalinistiese pragmatiste aan bewind by die Joenewersitie van Kakiebosch”. Breytenbach ziet de bekroning als een hart onder de riem, of dus een riem onder het hart, van het Afrikaans en brengt de “taalmoord” onder de aandacht die aan Zuid-Afrikaanse academische instellingen wordt gepleegd.

Ook in Nederland en België is de poëzie van Breytenbach lange tijd als protestsong gezien. De beeldentaal is veelal ideologisch zin gegeven en in de beperkende mal van Adorno’s beroemde uitspraak over poëzie en Auschwitz geplaatst. Op die manier is het werk van Breytenbach jarenlang reductionistisch gelezen, als klacht of uitdrukking van een anti-apartheidsmilitant. Tijdens mijn lectuur van Reugebrinks essay en met kennis van de literaire berichtgeving over de toekenning van de Zbigniew Herbert Internationale Literaire Prijs ontwaar ik een parallel. Het is verleidelijk de teksten van een onderdrukte, verbannen of gevangengezette dichter vanuit de persoonlijke tragiek en de politieke overtuiging interpretatief gestalte te geven. Maar daarmee stapt de lezer voorbij aan de diepgang, de particuliere beeldentaal, de stijlmiddelen die van een tekst méér dan een politiek pamflet maken. Dat toont Reugebrink voor ‘Apollo en Marsyas’ en de Meneer Cogito-gedichten van Herbert, gebundeld in Een snaar van licht (1956), overtuigend aan. De bekroning van Breytenbachs oeuvre met de prijs is niet alleen een eerbetoon voor het politieke activisme van een kunstenaar in een onderdrukkend regime. Voor mij zijn het de eigenheid en ook de fijnzinnige ironie die deel uitmaakt van beider oeuvres die beide namen samenbrengt. De stichting heeft daarenboven geen kloon, een Zbigniew Herbert-achtige verschijning in de Afrikaanse poëzie, willen bekronen. Daarvan ben ik overtuigd. De persoonlijke zinnen van de drie hoog aangeschreven literaire juryleden sterken me in die niet eens gedurfde zienswijze.

Noten

De motivering van de jury (Yuri Andrukhovych, Michael Kruger en Jarosław Mikołajewski) kan hier worden gelezen: http://www.fundacjaherberta.com/en/laureates-of-the-international-zbigniew-herbert-literary-award.

Marc Reugebrink, ‘“Some untidy spot”’, in Het geluk van de kunst. De Bezige Bij, Antwerpen, 2012, p. 45-56.

Breyten Breytenbach ontvangt op 25 mei in Warschau de Zbigniew Herbert International Literary Award. Vorig jaar was hij in juni nog te gast op het internationale Czeslaw Milosz-festival in Krakau (http://miloszfestival.pl/en/archive/2016-2/guests/). Ook de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans, wiens Oorlog en terpentijn door Daniel Hugo naar het Afrikaans is vertaald, was er toen te gast.

 

Yves T’Sjoen. Tottenham Hotspur in de Vlaamse poëzie

Monday, February 20th, 2017

Tottenham Hotspur in de Vlaamse poëzie

Voetbal op een poëzieweblog: het is eens wat anders. De voetbalsupporter in en rond de Arteveldestad leefde er al maanden naartoe. Net als de andere Belgische clubs Anderlecht en RC Genk heeft een van de oudste clubs van het land, KAA Gent of dus vanouds de Gantoise, met de nodige meeval in een winterkoud Turkije de groepsfase doorsparteld. Gent heeft zich in het najaar van 2016 geplaatst voor de volgende ronde van de Europa League. Waar FC Brugge op het echte kampioenenbal lelijk in het zand beet en met lege handen achterbleef, konden de drie vermelde clubs Europees overwinteren.

Actueel voetbalnieuws

De loting was KAA Gent deze keer gunstig gezind. In de campagne van vorig seizoen, meer bepaald in de groepsfase van de Champions League, steeg Gent boven zichzelf uit. De club slaagde erin zich met verve te plaatsen voor de achtste finale tegen de Duitse Volkswagen-club Wolfsburg. Alleen waren de tegenstanders vorig seizoen geen notoire publiekstrekkers of Europese kleppers (hoewel: Zenit Sint-Petersburg, Lyon en Valencia). Van alle tegenstrevers die Gent deze keer kon loten, in de zestiende finales van de Europa League, verkoos zowat iedereen in Gent Tottenham Hotspur. Zelfs boven AS Roma. De Londense topclub van de Engelse Premier League appelleert aan het voetbalhart van de soccerfan. Het zou voor de hand liggen dat de dubbele confrontatie met het roemruchte Tottenham, momenteel derde in de Engelse league, met een sisser afloopt. Tenminste als de krachts- en kapitaalsverhoudingen worden gerespecteerd. Geld en sportieve mogelijkheden hoeven niet altijd de doorslag te geven. Vorige week donderdag 16 februari had de heenwedstrijd plaats in de Ghelamco Arena, de thuisbasis van AA Gent. In de media, zowel de Engelse als de Vlaamse, is gesproken over “een stuntzege”. Gent haalde het van Tottenham met een typische Arsenalscore: 1-0. Volgende week nemen Gent en Tottenham het tegen elkaar op in het mythische Wembley Stadium. Er worden daar meer dan tachtigduizend toeschouwers verwacht.

The Spurs

Ook in het verleden sprak de club met decennialang haar thuisbasis in het roemruchte White Hart Lane tot de verbeelding van de sportliefhebber. Tottenham is in Engeland echt een traditieclub. Opgericht in 1884 heeft de club door de jaren heen vele iconen van het internationale voetbal in zijn rangen geteld. De Wikipediapagina resumeert de rijke historiek. Tottenham Hotspur Football and Athletic Club sprak ook in de Lage Landen altijd aan. Dichters lieten zich charmeren door het viriele en dominante spel en het succes van de Londenaars. Grasduinend in de poëzie van de Antwerpse dichter en Beerschot-fan Nic van Bruggen (1938-1991), bekend als radioverslaggever voor thuismatchen van de Ratten op het Kiel (Beerschot VAV), tref ik een liefdevolle reeks Tottenham-teksten aan. De afsluitende afdeling ‘Yards’ in de bundel Jardin des modes (1963) bevat voetbalgedichten waarin de legendarische ‘Spurs’ worden bezongen in dithyramben, alliteraties en assonanties, in welluidende regels. In 1961 kroonden de Spurs zich voor de tweede keer in hun bestaan tot landskampioen van Engeland, precies een decennium na de eerste titel, en ze wonnen in datzelfde jaar de FA Cup. Het volgende seizoen kwam Tottenham uit in Europa waar het pas in de halve finale de meerdere moest erkennen in het gerenommeerde Benfica Lissabon. De titel en de cup in 1961 markeren het begin van een weliswaar kortstondige zegetocht en het bijbehorende renommee in Europa. In 1962 is opnieuw de beker veroverd. In het seizoen 1962-1963 veroverden de Spurs de scalp van Atletico Madrid in de finale van wat toen nog Europacup II heette. De monsterscore van 5-1 tegen Madrid heeft in het oeuvre van een Antwerpse dichter geleid tot lyrische ontboezemingen.

Voetbalgedichten

De reeks van Van Bruggen begint met ‘the Spurs’ en bevat onder meer titels als ‘the cup’, ‘White Hart Lane’ en ‘when the Spurs go marching in’. Van Bruggen beschrijft niet, zijn poëzie is helemaal niet anekdotisch of vertellend. De gedichten zijn gekunstelde expressies over taal, lichamelijkheid, schoonheid. Anders dan Herman de Coninck in zijn nieuw-realistische Cruijff-gedicht in Zolang er sneeuw ligt (1975) gebruikt Van Bruggen metaforen die aan de viriele voetbalsport zijn ontleend.

Cruijff

Een gestrekte bal,

een balk door de lucht,

een eerlijk eikehouten schot:

zo gaat de waarheid op haar doel af.

Of heen en weer

en heen bewegend, de tegenstrever,

de lezer, steeds weer op het verkeerde

been zettend, door een overstapje, een

oversprongetje, elke nieuwe regel

uit leesevenwicht te beginnen,

deze beweeglijkheid, deze fysieke

bewogenheid, god, dit is kunst:

geboren worden en een lichaam hebben

en er dan gedurende een blauwe maandag

Johan Cruijff mee zijn

in een gedicht, een speelveld

van Herman de Coninck.

Net zoals de legendarische coach van Nederland Rinus Michels het omschreef, is voetbal voor de dichter Nic van Bruggen oorlog. Zo staat het althans geformuleerd, in een écriture artiste, in het gedicht ‘Blanchflower’ van Jardin des modes: ‘het brede weten van uw einder / om de wet van oorlog / de groene horizon de witte kring / ontmanteld en liturgisch moegelopen’. Het voetbal van de Spurs wordt met sacrale termen verbonden. Voetbal is een religie en gaat over het bestaan.

In zoverre ik het kon nagaan, heeft in de Vlaamse literatuur alleen Nic van Bruggen Tottenham Hotspur tot een dichterlijke metafoor verheven. Overigens krijgen ook Beerschot en Feyenoord, en het onderlinge duel dat beide clubs uitvochten, in een andere bundel aandacht (Ademloos seizoen, 1974).

Beerschot-Feyenoord

Het stadion oud van ijzer, maar gras

Licht als een biljart onder neon.

En daarop, dierbaar maar droef wel,

Kleur om kleur, geweld om geweld:

Het schone schuldige recht van de sterke.

Hier zijn de helden, tragisch als traditie,

Dragen namen, nummers, data en doelpunten,

Rauw applaus en herkenbaar antiek om

Hun pracht, hardheid, praal en huid.

De tijd is van koorts, de adem giftig,

Goedheid sterft eeuwig en eenzaam hier.

Het regent nu. Het lijf aan lijf, toornig

Trots, zeldzaam genadig, maar mooi

En minzaam als een gestreelde broedermoord.

‘The Saints’

De confrontatie tussen KAA Gent en Tottenham Hotspur spreekt sinds enige tijd tot de verbeelding. In Gent zoals de FA Cup en de finale van de Europacup dat deden begin jaren zestig voor de Antwerpenaar Nic van Bruggen. De wedstrijd op donderdag 23 februari in Londen speelt zich niet af in de tempel White Hart Lane, waarover Van Bruggen het volgende dichtte: ‘de smeulende smaak der spieren / scheppend in een tempel / adem schouders en schoonheid’. Het clublied van ‘the Spurs’ klinkt nog steeds elke week uit duizenden kelen. Ik ben benieuwd hoe deze evergreen van de Britse voetbalvelden klinkt in die andere voetbaltempel van Londen. Van Bruggen spreekt over ‘de zware zang der treurbes / het lichte lied van gewichtige ladies’. Het stelselmatig oplopende ritme, met in de eerste regels de larmoyante cadans van een treurmars en naarmate het refrein wordt hernomen een opwekkend lied van hoop en zegepraal, is bijzonder aanstekelijk. Ik zal er beslist aan denken wanneer ‘when the Saints go marching in’ weergalmt in Wembley. ‘When the Saints’ is niet alleen een beroemde jazzstandaard, een hymne over de verhoopte toetreding tot het hemelse paradijs die is vertolkt door onder anderen The Beatles, Fats Domino en Louis Armstrong, Elvis Presley. Het is tegelijk een troostend lied dat op begrafenissen wordt gespeeld. De supportersschare van Gent heeft een andere evergreen in het repertoire, internationaal veel minder bekend: ‘’t Vliegerke’ van de plaatselijke bard Walter de Buck. Laten we hopen na de “stuntzege” in Gent dat de zonen van Artevelde hun lijflied daar in Wembley, op de Dag des Oordeels, niet als treurmars zullen moeten inzetten. Want winnen is toch nog belangrijker dan alleen meedoen.

When the Spurs go marching in

zo de taal tekent toon slaat

metalen woorden drijvend

uit de deuren van het hoofd

keel is een fluwelen kei

geluid een dankbaar spraakgebrek

van zenuwen

en hoort hoe de zonen zingen

de zware zang der treurbes

het lichte lied van gewichtige ladies

Meer bespiegelingen over voetbal en poëzie heb ik verwerkt in ‘“Dribblings schotsen van koper”. Voetbal in de Vlaamse poëzie’, in Kunsttijdschrift Vlaanderen 64 (2015) september (nr. 355), p. 34-37.

Yves T’Sjoen. Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Friday, December 30th, 2016

louis-2011a

Yves T’Sjoen, Athol Fugard & Louis Esterhuizen (sept. 2011)

.

Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Bij het afscheid van de boekwinkelbestuurder Louis Esterhuizen

.

Literair veldonderzoek

Schrijvers en uitgevers, critici en vertalers, fondsredacteurs en letterkundigen. Ze krijgen in het hedendaagse literatuurwetenschappelijke onderzoek aandacht voor hun institutionele rol in het vertoog over literatuur. Hun posities worden toegelicht zowel op het gebied van de materiële als de symbolische productie van literatuur. In het Nederlandse taalgebied bestaat toenemende aandacht voor de cultuursociologische context waarin het literaire bedrijf plaatsheeft. De fondsopbouw van literaire uitgeverijen, het discours van periodieken en de literatuurkritiek, de cultuurbemiddelende functie van de vertaler en de (canoniserende) beeldvorming van literatuurgeschiedenissen zijn maar enkele voorbeelden van contextuele benaderingen die vandaag in het vakgebied modieus zijn.

In het schema dat C.J. Van Rees en G.J. Dorleijn opnamen in hun veel geciteerde studie De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000 (2006) worden de onderlinge relaties tussen actoren, instituties en strategieën in het literaire veld aanschouwelijk voorgesteld. Daarin bekleden onder meer literatuuronderwijs, fondsen voor de letteren, bibliotheek en boekhandel een belangwekkende positie. Vooral wanneer het op de symbolische waardebepaling van literaire producten in de publieke ruimte aankomt. De boekhandel is een van de instanties die vooralsnog in het veldonderzoek geringe aandacht krijgt. In het Nederlandse taalgebied ken ik maar enkele voorbeelden. Daarnaast ben ik geïnteresseerd in boekhandelaars die ook schrijver zijn, of beter andersom, auteurs die een tijdlang de kost verdienen met het uitbaten van een boekwinkel. In Vlaanderen, toen en nu, denk ik bijvoorbeeld aan de Antwerpse boekhandel De Brug van Paul de Vree, de legendarische boekhandel van Adolf Herckenrath in de Gentse Veldstraat, het gerenommeerde De Zondvloed van Johan Vandenbroucke (Mechelen en Roeselare), het boekwinkeltje Librairie de la Bibliothèque in Oostende van de Franstalige Belgische dichter Henri Vandeputte en Joris Vriamont als verantwoordelijke van de muziekafdeling in La Lecture Universelle (Brussel). Paul van Ostaijen hield dan weer enkele jaren de Brusselse kunstgalerie A la Vierge Poupine open. Schrijvers moeten aan de kost komen.

Boekhandelaar en dichter

Weken geleden is melding gemaakt van het afscheid van Louis Esterhuizen als filiaalhouder en bestuurder van de voor mij al jarenlang als onweerstaanbaar ervaren Protea Boekwinkel in Stellenbosch. Sinds juli 2002 is Esterhuizen in dienst van Protea Boekhuis (Pretoria). De laatste werkdag van 30 desember 2016, vandaag dus, trekt hij de deur achter zich dicht. Op de Facebookpagina zijn de voorbije tijd foto’s gepost van een afscheidsbijeenkomst in het gezelschap van de medewerkers. Jaren terug, sinds mijn eerste kennismaking met de indrukwekkend volgestouwde boekwinkel in de Andringastraat, was Louis Esterhuizen voor mij een door literatuur begeesterde en bijzonder sympathieke handelaar. De robuuste en zachtzinnige verschijning die ik elk jaar in september de stevige hand mocht schudden.

louis-2011e

 Louis Esterhuizen

Later werd hij voor mij de dichter. In het najaar van 2010 stuurde hij naar mijn thuisadres wat die water onthou met op het boekomslag een aquarel van zijn geliefde muze Marlise Joubert. In de gebundelde gedichten is de relatie met en kennis van de Vlaamse poëzie expliciet gemaakt. Zo begint een van de watergedichten, ‘die heiligheid van water’, met een bijna letterlijke referentie aan de beginregel “Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water” van Paul Snoeks canonieke gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’. Drie jaar later, in september 2013, overhandigde Louis in Stellenbosch tijdens een diner in de Volkskombuis aan de oevers van Eerste Rivier het “reisjoernaal” Amper elders. Naast Cambridge, Amsterdam en Praag bepalen Brugge en Antwerpen (Berchem) de ruimtelijke setting van de poëzie. Voor wat die water onthou gebruikte Esterhuizen een motto dat is ontleend aan Paul van Ostaijens klassieker ‘Melopee’, ook de titel van het gedicht waarmee de bundel afsluit. In Amper elders wordt in de reeks die reminiscenties bevat aan de Lage Landen wel méér verwezen naar Nederlandstalige dichtkunst (Hugo Claus, Herman de Coninck, Peter Holvoet-Hanssen, M. Nijhoff en Eddy van Vliet). Ik herinner me zeer levendig het gesprek daar aan de oever van de kabbelende rivier – een locus amoenus voor de dichter – over de reis die Marlise en Louis in Europa hebben ondernomen, en de onuitwisbare indrukken van hun rite de passage. Amper elders is er het lyrische getuigenis van. Het bijwoord ‘amper’, zo lichtte hij toe, betekent in het Nederlands zowat het tegenovergestelde van wat in het Afrikaans wordt begrepen. Er zijn vele levendige herinneringen aan ontmoetingen. Zoals die keer dat we Breyten Breytenbachs verjaardag vierden ten huize Esterhuizen en verrassend de theaterlegende Athol Fugard te gast was. Het blijft ongelooflijk dat ik die zestiende september over Tone Brulin heb kunnen praten met een charmante oude man die het theaterexperiment in Vlaanderen vanaf de eerste rij heeft aanschouwd.

louis-2011f

 Verjaarsdagviering vir Breyten Breytenbach
16-09-2011
.

louis-2011d

Athol Fugard
.

Naar aanleiding van de generositeit die mij telkenmale te beurt viel, ben ik ook méér gedichten van Louis Esterhuizen gaan lezen. Uiteraard in de dikke Komrij, maar ook in periodieken en andere anthologieën. Esterhuizen is de schrijver van voorlopig tien dichtbundels, te beginnen met Stilstuipe (1986). In 2011 is hij voor de doorgecomponeerde bundel wat die water onthou bekroond met de Protea Poësieprys. Zijn debuut is genomineerd voor de Ingrid Jonkerprijs. De gedetailleerde bibliografie, die op de Wikipediapagina kan worden nagelezen, maakt verder melding van zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van en de praktische beoefening van “Bekgevegte”, intussen een begrip in de Afrikaanse literaire wereld, en in den beginne een lange loopbaan in het onderwijs.

Afscheid van een icoon

Het afscheid van Louis Esterhuizen als boekhandelaar valt me zwaar. Zelden ontmoette ik zo’n bekwame en innemende boekverkoper – verkoper klinkt in deze context veel te mercantiel. Hij is een bezetene van het boek, een wandelende encyclopedie van literaire anekdotes en bibliografische weetjes, en vooral – zo leer ik uit zijn Facebookposts – een aanstekelijk speurende melomaan. Het is in Louis’ boekhandel prettig kuieren tussen uitpuilende boekenrekken en doorhangende planken waar ik elk jaar bij mijn doortocht nieuwe producties mocht ontdekken. Daarin begeleid door de warme sonore stem en de nimmer opdringerige aanwezigheid van de bestuurder. Mijn privécollectie Afrikaanse letteren heb ik mede te danken aan Protea Boekwinkel en is ingefluisterd door de belezenheid van de plaatselijke boekenchef. Het is frappant hoeveel Louis heeft gelezen, niet zomaar even geproefd of van op afstand verkend. Legendarisch zijn de zaterdagmiddaggesprekken in de boekhandel waar literaire auteurs, historici en andere schrijvers de revue passeren. Recent, in november, was John Miles er nog te gast. Ik vergaap me bij elk bezoek aan de uitnodigende boekenkasten waar fotocollages aan de zijkanten evenzovele warme herinneringen zijn aan druk bijgewoonde boekpresentaties. Met een glaasje Zuid-Afrikaanse wijn. Louis hield het zelf bij, zo merkte hij onlangs op: hij leidde honderden sprekers in, faciliteerde dialogen en verzorgde de promotie. De foto’s etaleren het kruim van de Afrikaanse letteren. Allemaal passanten in de boekwinkel van Louis Esterhuizen, en voor haar pensionering natuurlijk ook Marlise Joubert.

louis-2011b

Athol Fugard en Marlise Joubert
.

De vriendschappelijkheid staat mij voor altijd bij en is onlosmakelijk verbonden met het pand op Bergzicht Plaza in de Andringastraat. De boekhandelaar, samen met zijn bijzonder sympathieke crew, was er het uithangbord. Het wordt nu anders. Maar ik weet zeker dat Protea Boekwinkel een baken is voor het letterkundige leven in de Kaap. Dat stempel valt nu eenmaal niet uit te wissen. Althans dat is mijn vurige verlangen.

“Huis toe gaan, ja, ek wil huis toe gaan” (‘Soldatelied’)

Intussen gaat Louis Esterhuizen verder met dichten en vertalen. Ik wens hem vanuit mijn positie van binnenwaartse buitenstaander alle wind in de zeilen.

Voortaan richt mijn aandacht zich op het dichtwerk. De muzikale compositie Die afwesigheid van berge (2014), de jongste bundel, is voor mij zonder meer een hoogtepunt in het dichterlijke oeuvre. Niet alleen compositorisch of stilistisch is Louis Esterhuizen de schrijver van bijzonder werk. Ook vanuit transnationaal perspectief valt er veel over te zeggen. De (expliciete) intertekstuele verwijzingen in Esterhuizens poëzie naar de Lage Landen verdienen uitdieping en in een breder (discursief) perspectief te worden bestudeerd. Als een literair-institutioneel onderzoek in Zuid-Afrika zich richt op de beeldsturende functie van de boekwinkel voor de Afrikaanse literatuur, dan zullen Protea Boekwinkel in Stellenbosch en de charismatische “boekwinkelbestuurder” daarin een prominente plaats toebedeeld krijgen.

Louis komt thuis in de poëzie.

Vale, waarde vriend Louis.

louis-2011c

.

Yves T’Sjoen. Peter Snyders in de Lage Landen

Tuesday, December 27th, 2016
Etienne van Heerden, Peter Snyders & Marlene van Niekerk

Etienne van Heerden, Peter Snyders & Marlene van Niekerk

‘Dié poem kan jou famous maak’ – Peter Snyders in de Lage Landen

Ter nagedachtenis aan Adam Small (1936-2016)

 

Herinnering aan een passage

Najaar 1997. Nagenoeg twintig jaar geleden. Op uitnodiging van de Nederlandse Taalunie in Den Haag en vermoedelijk na bemiddeling door mijn Amsterdamse collega Ena Jansen is een uitgelezen gezelschap van Zuid-Afrikaanse schrijvers te gast in Nederland en België. Behoud de Begeerte faciliteert  de schrijversoptredens. De keurig uitgestippelde reisroute brengt E.K.M. Dido, Peter Snyders, Wilma Stockenström, Marita van der Vyver, Etienne van Heerden en Marlene van Niekerk ook naar de universiteit in Gent. Ik herinner mij van de passage een uitstap op zondag naar Damme, in de buurt van Brugge, waar het standbeeld van Jacob van Maerlant bewonderende Afrikaanse blikken oogstte en alwaar de lunch is gebruikt samen met mijn oudere professorale collega’s in een plaatselijke brasserie.

Op 6 oktober 2015 postte Etienne van Heerden op zijn Facebookpagina een memorabele archieffoto. De opname is gezien het klinische decor – uitgestrekt grasgroen tafelkleed, onbeschreven groen-blauw krijtbord, eentonige waterflessen van het Belgische merk Spa – gemaakt in een auditorium van de universiteit. De toentertijd achtenvijftigjarige dichter en toneelschrijver Peter Snyders is aan het woord. Tot zichtbaar jolijt van hem flankerende schrijvers, de paranimfen van dienst: Etienne van Heerden en Marlene van Niekerk. Gezien de indrukwekkende stapel papier op tafel, zo stel ik mij dat voor, was Van Niekerk drukdoende met het manuscript van haar roman Agaat.

Nieuwe verzetspoëzie en het literaire establishment

Ik herinner mij het geslaagde optreden van Peter Snyders. In november 1997, kort na de boekenbeurs in Antwerpen. En dus niet in 1998 zoals de Wikipedia-pagina over Snyders memoreert. Snyders trad in die periode op tijdens het Winternachtenfestival in Den Haag en op Poetry International. In Nederland traden Willem van Toorn en Henk van Woerden op, in Vlaanderen zijn Kristien Hemmerechts, Geert van Istendael en de Franstalige Belgische auteur Jean-Luc Outers uitgenodigd samen met de Zuid-Afrikaanse schrijvers.

Er stond in die dagen dus ook een performance gepland in Gent. De dichter bracht Kaaps-Afrikaanse gedichten ten gehore en voorzag zijn spitse voordracht van geestige zelfrelativerende commentaren. Twee jaar later las ik in ‘Perspektief op die moderne Afrikaanse poësie (1960-1997)’, een bijzonder gedocumenteerd overzichtsartikel van Helize van Vuuren, dat Snyders een “Kaapse Vlakte”-vertolker is van “die kollektiewe stem van opstand” en de auteur van “politieke versetgedigte”. Zij voegt toe dat hij “nie skroom om van die humoristies-satiriese Kaapse sosiolek gebruik te maak nie, wat ook sy verse ’n groter populêre gerigtheid gee”. Verder belicht de auteur de schatplichtigheid van de Kaapse Vlaktedichters, medio jaren tachtig en dus nog in de apartheidsera, aan de “satiriese protestaal” van Adam Small in Kitaar my kruis (1961). Van Vuuren noemt Patrick Petersen en Peter Snyders “as van die belangrikste eksponente van ’n kollektiewe nuwe versetpoësie teen apartheid”. Tot slot noteert zij met onverholen verontwaardiging: “Hoewel Petersen, Philander en Small […] deur die literêre establishment gekanoniseer is as individuele bruin digters, is die kollektiewe groep Kaapse Vlaktedigters nie deur die kanon geakkommodeer nie, deels om die vooroordeel op estetiese gronde, deels om die politieke inhoud van die verse”. Het verwijt aan het literaire establishment klinkt in elke lettergreep van de slotzin.

Toen ik vorig jaar (2015) in Bellville bij UWK het Swart Skrywers-symposium mocht bijwonen, handelde een van de discussies over de vermelde ‘accommodatie’, met name het acute gebrek aan institutionele infrastructuur voor kwaliteitsvolle uitgaven van literair werk van bruine en zwarte schrijvers. In hoeverre de poëzie van Peter Snyders, zoals die van onder anderen S.V. Petersen, P.J. Philander en Adam Small, in Zuid-Afrika als canoniek wordt beschouwd weet ik niet. Elk jaar vermeld ik zijn naam voor de zekerheid met enige nadruk in mijn panoramisch overzicht van de Afrikaanse literatuur. De anekdote en de foto in het bezit van Van Heerden zijn verbonden met Snyders’ optreden in de Lage Landen. Ik hou nogal van Snyders’ poëzie. Ik beschik helaas niet over het merkwaardige poëziedebuut dat als een collectieve onderneming is gerealiseerd. Brekfis met vier (1981) is een coproductie van Etienne van Heerden, Daniel Hugo, André Leroux du Toit (Koos Kombuis) en Peter Snyders. Daniel Hugo liet mij ooit, ik meen bij Tuin van Digters in Wellington, een nog moeilijk te traceren exemplaar als resultaat van die bijzondere samenwerking zien. Ik kon evenmin bundels als ’n Ordinary mens (1982), Political joke (1983), ’n Waarskynlike mens (1993) of later dichtwerk inkijken. Helize van Vuuren somt de vermelde titels op en benadrukt “die gebruik van Kaaps” als “’n voortsetting en verdere ontwikkeling van Small se satiriese verse Kitaar my kruis en Sê sjibbolet”.

Snyders in De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten

Gerrit Komrij selecteerde voor zijn anthologiebundel De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999) in totaal zeven teksten van Peter Snyders: ‘Ek is oek important’ (zie de YouTube-opname ter gelegenheid van Snyders’ optreden bij een graadplechtigheid van UWK), ‘Dit’, ‘Tighten your belt’ en ‘Die gesteelde TV’ uit ’n Ordinary mens, ‘Moedertaal’, ‘Versagtende omstandighede’ en ‘Ek skryf ’n gedig’ uit ’n Waarskynlike mens (1992). Zeven gedichten. Dat is een aanzienlijk aantal, gelet op de wall of fame die de bloemlezer van de Afrikaanse dichtkunst voor zijn Nederlandse lezers oprichtte. Komrij koos van de door hem het best aangeschreven dichters een maximum van tien gedichten. Snyders prijkt dus hoog in de literaire pikorde.

Twee jaar na de passage van Peter Snyders in Vlaanderen, na mijn lectuur van Van Vuurens panorama van de Afrikaanse poëzie en van Komrij’s canonieke bloemlezing, was de herontdekking niet minder dan een eye-opener. In 1999 mag door een gezaghebbende kritische stem in Perspektief & Profiel. ’n Afrikaanse literatuurgeskiedenis, bestemd voor een Zuid-Afrikaans lezerspubliek, zijn geopperd dat “Kaapse Vlaktedigters nie deur die kanon geakkommodeer [is] nie”. En dat het gebrek aan respons misschien wel kan worden toegeschreven aan een bepaald begrip van esthetische kwaliteit en de politiek-ideologische inslag van de gedichten. De ruime selectie die Komrij maakte uit twee dichtbundels heeft Peter Snyders een aanzien gegeven in het Nederlandse taalgebied. De zogeheten verzetspoëzie, tegen apartheid en na 1990 als kritische stem in het nieuwe Zuid-Afrika, heeft zonder meer een bereik in Nederland en België. Tot de weerklank hebben naast performances tijdens het Winternachtenfestival (naar verluidt ook nog eens in 2008) publicaties in het Brugse periodiek Kruispunt en vooral Jan Deloofs kleine tweetalige editie Versagtende omstandighedeVerzachtende omstandigheden bij Point (Altea, Alicante 1995) bijgedragen. Deloof vertaalde de Kaapse gedichten overigens niet maar voorzag de teksten van “Nederlandse transcripties”. Daarover meldt hij in de inleiding: “Bij Peter Snyders is dit (namelijk zijn van de standaard afwijkende taal) zelfs een wezenlijk kenmerk van zijn poëzie, die inhoudelijk nauwelijks uitleg behoeft, maar door het gebruikte idioom voor een Nederlandstalige hier en daar moeilijkheden oplevert. Dat is de reden waarom de originele gedichten… vergezeld gaan van Nederlandse transcripties, die enkel en alleen de bedoeling hebben het origineel beter toegankelijk te maken. De lezer gelieve de transcripties niet als vertalingen te beschouwen, want voor mij is vertalen uit het Afrikaans zoiets als Gezelle omzetten in standaard Nederlands.” Later, zo meldt Deloof, heeft Snyders in Afrikaans vandag (maart 1998) een kritisch commentaar geleverd onder de titel ‘Nederlands wil Kaaps raakvat’. Hier en daar, ten slotte, staat nog een gedicht van Peter Snyders in een bloemlezing. Ik denk dan aan het gedicht ‘Vullisblikmentaliteit’ in de tweetalige uitgave Ons klein en silwerige planeet. Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse gedigte oor die omgewing (Johann Lodewyk Marais en Ad Zuiderent (samenstelling), J.L. van Schaik Akademies, Pretoria, 1997, p. 95).

Nog vóór Komrij op het belang van het dichterschap wees, was Snyders zacht gezegd al een opgemerkte naam in Nederland en België.

Ik kan me van die koude winterdag in 1997 niet meer herinneren of Snyders het ironisch-sarcastische ‘Ek skryf ’n gedig’ heeft voorgelezen. De bundel ’n Waarskynlike mens was een jaar tevoren verschenen. De aanstekelijke lach van de spreker staat me nog voor de geest, de humor waarmee Snyders zijn optreden doorspekte. En de scherpzinnige doortastendheid waarmee hij uit de hoek kwam, in de steriele omgeving van een universiteitsaula. Sindsdien heeft de stem een plek veroverd in mijn favoriete privébibliotheek van de Afrikaanse poëzie. Indien ik met studenten spreek over ‘Kaapfrikaans’ en de dwingende stem van de Kaaps-Afrikaanse “bruine” dichtkunst, dan komt niet alleen Adam Small ter sprake. Ook de weergaloze dichter Peter Snyders heeft een plaats in dat pantheon. Tijdens het geanimeerde Swart Skrywers-symposium bij UWK, in oktober 2015, naar aanleiding van de kritische opmerkingen over het uitgeverslandschap voor “bruin” en “swart skrywers”, moest ik terugdenken aan dit gedicht. In zoverre ik mij dat herinner, gaf Peter Snyders toen niet present. En Adam Small was verhinderd vanwege gezondheidsperikelen. De tekst die ik hier presenteer, echoot nog altijd door mijn hoofd.

 

Ek skryf ’n gedig

 

Ek skryf ’n gedig

’n gedig wat almal kop laat staan,

ek wys dit vir my vriende wat sê:

Dié poem kan jou famous maak.

 

Ek tik dit netjies,

onderteken my naam, en,

kopiereg-verskrik

stuur dit toe na elke redakteur

wat waag om goeie vers te druk;

 

drie jaar later hoor ek dié wysie:

Nog nie famous nie?

 

My verwysingsveld –

dít is wat daai sogenaamde redakteurs ontwrig;

ek sal hulle wys,

ek sal my eie uitgewery stig.

 

So, hier sit ek met gevoude arms,

’n baie belangrike mens, sê die bord,

my vriende wat verbygaan sê:

Nóú gaan hy famous word.

 

My naam verskyn in druk, o ja,

op rekenings vir dit of dat,

maar as ek bankrotstraat afstap

gaan my ondersteuners voort:

’n Mens raak famous ná jou dood.

 

(c) Yves T’Sjoen / Desember 2016

Voor een korte vermelding van ‘Skrywers en Schrijvers’ (november 1997), zie Matthijs de Ridder, Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis 1984-2014. De Bezige Bij, Antwerpen, 2014, p. 177.

Yves T’Sjoen. Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Sunday, December 18th, 2016

komrij

Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Ter gelegenheid van een verjaardag

Over de bloemlezing “in 1000 en enige gedichten” uit de Afrikaanse poëzie, die Gerrit Komrij aan het einde van het vorige millennium voor het fonds van Bert Bakker (Amsterdam) samenstelde, is destijds veel inkt gevloeid. Komrij’s eigengereide tekstkeuze is in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek toegejuicht maar ook verketterd. Het is een open deur te beweren dat de bloemlezer zijn particuliere beeld van een eeuw Afrikaanse dichtkunst presenteert. Het spreekt dus voor zich dat De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten geen panoramisch, laat staan een representatief, beeld construeert van krachtlijnen of tendensen in honderd jaar Afrikaanstalige poëzie. Komrij neemt allesbehalve een literatuur-historisch standpunt in. Bij uitstek is hij de selectieheer die zich beroepend op poëticale premissen en een eigen esthetica een keuze uit honderden dichtbundels maakt. In het ‘woord vooraf’ stelt hij: “Ik heb me zelf maar twee principes opgelegd. De eerste is dat er per dichter maximaal tien gedichten werden opgenomen. De tweede is dat ik, zonder één idee vooraf en ongehinderd door welke belangengroepen ook, alleen naar de poëzie wilde kijken. Naar de kwaliteit van de poëzie en naar wat poëzie met ons vermag”. Wat de samensteller met de wel heel subjectieve aanduiding “kwaliteit” op het oog heeft, wordt opgehelderd in de alinea die daarop volgt: “Poëzie is kunst en kunst is kunstigheid en kunstigheid is vakmanschap, dat voorop. Maar poëzie biedt ook schoonheid en – waarom niet? – troost”. Hij maakt tot slot een onderscheid tussen wat poëzie teweegbrengt voor de lezer toen en nu. “Voor het verleden is [poëzie] een onschatbare informatiedrager omdat ze momenten en attitudes, in schuld of onschuld, notuleert. Voor het heden is ze een bezweerder van angsten, een aanjager van dromen, een opwekker van doden, een magazijnbeheerder voor de mensen van morgen en overmorgen”. Ambacht (“vakmanschap”) en artisticiteit (“kunstigheid”, “schoonheid”) zijn principes die ten grondslag liggen aan de samenstelling van de poëzieanthologie. Ook in het eigen scheppende werk van Gerrit Komrij, zoals de poëzie, ligt de klemtoon op de ambachtelijke aard. Een veel geciteerd gedicht, vanwege de programmatische inslag, is ‘De zwijgzaamheid’ in de bundel Tutti frutti (1972). Daarin wordt door het lyrische ik zijn door contemporaine critici als zwart-romantisch en expressief voorgestelde poëtica ter discussie gesteld. De dichtende verteller legt niet zozeer zijn ziel bloot in taal maar maakt zijn gedicht. Het gedicht is een kunstmatige constructie, beklemtoond door de anafoor “eer” in twaalf van de veertien dichtregels, die alleen als taalwerkelijkheid bestaat en niet als uitdrukking van hyper-individualistische sentimenten.

Naar mijn oordeel liggen vergelijkbare ideeën aan de basis van Komrij’s keuze uit de Afrikaanse gedichten. Critici die er gemakshalve van uitgaan dat de schrijver voor een belangstellend Nederlandstalig publiek een staalkaart van de Zuid-Afrikaanse (Afrikaanse) poëzie heeft willen presenteren, gaan voorbij aan de morfologie van de selectiehand. De bloemlezer hanteert specifieke principes en gebruikt poëticaal onderbouwde criteria voor zijn lectuur. De bloemlezing is deel van een schrijversoeuvre, de tekstkeuze beantwoordt aan een particuliere idiomatische grammatica die het werk van Komrij een eigen gestalte geeft. De Afrikaanse poëzie wordt niet zozeer geëtaleerd, Komrij’s keuze staat voorop. Het is dan ook veelzeggend dat op het voorplat van het vuistdikke boek de naam van de samensteller aanzienlijk groter staat afgedrukt dan de titel zelf. De auteur staat letterlijk en figuurlijk voor het selectiewerk dat in 1999 is gepresenteerd. Zelfs de paratekstuele gegevens onderbouwen deze stelling.

‘Sodat jy van my weet’ van Marlise Joubert

Tegen die achtergrond belicht ik een enkel gedicht. Van Marlise Joubert nam Komrij één gedicht op, met name ‘Sodat jy van my weet’ in de bundel ’n Boot in die woestyn (Afrikaanse Pers-Boekhandel, Johannesburg, 1970). De auteur was vijfentwintig toen zij het dichtwerk op het publieke forum bracht. Intussen volgden vele dichtbundels, ook de bijzonder rijke bloemlezing In a Burning Sea. Contemporary Afrikaans Poetry in Translation (2015). Ter gelegenheid van Marlises verjaardag herlees ik het gedicht dat Komrij selecteerde voor de Nederlandssprekende lezer.

Sodat jy van my weet

Ek sal op die brug

van jou voet orent staan

miskien sal ek kniel

ek sal slawekore word

my liedere soos vure

in die gange van jou bors

laat smeul sodat jy

van my weet

Ek sal soos wolke stapel

watersuile deur laat breek

soos wilde perde sonder

teuels oor jou jaag

sodat jy

van my weet

Omslag

Omslag

In het hoofd van Gerrit Komrij kunnen we niet kijken en naar zijn overwegingen niet vragen. Ik kan alleen speculeren op grond van welke bedenkingen het gedicht van Marlise Joubert in De Afrikaanse poëzie is terechtgekomen. Het romantisch getoonzette gedicht – een staaltje belijdende ik-poëzie – is volgens een klassieke vormentaal geconstrueerd. Hoewel dat op het eerste gezicht niet blijkt, gezien de atypische strofenindeling, is de tekst een sonnet van veertien regels: een octaaf (zonder witruimte tussen de kwatrijnen), dan een witregel gevolgd door een kwatrijn en een distichon (samen zes versregels). De twee tekstentiteiten (octaaf en sextet) beginnen identiek: “Ek sal”. Gebruik makend van het enjambement, met regelafbreking die betekenis toevoegt aan versregels en strofen, worden twee korte directe redes vanuit een ik-perspectief gepresenteerd. De mijmeringen van de vastbesloten ik (drie keer “sal” in de eerste strofe) zijn tot een jij-figuur gericht. De persoonlijke pronomina onderstutten de tekst: in strofe 1 wordt vier keer verwezen naar ‘ik’ en drie maal naar “jou” of “jy”. Het ik neemt zich voor een onuitwisbare indruk te maken op die jij-figuur, “sodat jy van my weet” (ook de titel van het gedicht). Het ik wil overeind staan “op die brug/van jou voet” en tracht “my liedere soos vure/in die gange van jou bors/laat smeul”. Op die wijze wil de ik-figuur afhankelijk zijn van de aangesprokene, haar lot verbinden met die van de als apostrof opgevoerde jij. In de tweede strofe, na de volta, gebruikt de schrijfster voor de monoloog (monologue intérieur) natuurbeelden om aan te geven welke storm zij in de jij wil jagen: “soos wolke stapel/watersuile deur laat breek”, en in een tweede expliciete vergelijking: “soos wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Het subject heeft het plan een aardverschuiving te veroorzaken, “sodat jy/van my weet” (de slotstrofe). De titel echoot twee keer letterlijk in het gedicht: in de voorlaatste en laatste regels van zowel octaaf als sextet.

Komrij’s choice

Het gedicht van Marlise Joubert is een voorbeeld van ambachtelijke poëzie. In een klassieke vormentaal, of anders gezegd in wat we écriture artiste noemen, wordt een gevoel van overweldigend verlangen tot uitdrukking gebracht. De herhaling van “sodat jy/van my weet” wijst erop dat de ander hét (nog) niet weet. Hier wordt een resoluut voornemen uitgesproken. De beeldentaal laat een zekere hybris zien: het ik zal weliswaar “slawekore” worden met “liedere soos vure” maar evenzeer “watersuile deur laat breek” en zoals “wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Dit zijn krachtige beelden waarin respectievelijk de nederigheid (“sal ek kniel”, “slawekore”) én de goddelijke macht die waterzuilen laat breken – mogelijk een beeld voor ontroering – aanschouwelijk worden gemaakt. De tekst kan zonder meer worden gelezen als psalmodiërende lied van brandend verlangen. Een andere mogelijkheid is enige kwaadaardigheid te veronderstellen in de vastberadenheid van de ik-verteller. De directe rede wordt nergens onderbroken door een adempauze (geen interpunctie) en gaat wel heel expliciet uit van het ik-standpunt. Misschien is de liefdesverklaring wel onbeantwoord gebleven en neem het ik de toegesprokene dat wel heel kwalijk. In dat geval krijgen we een diabolisering van de monddode jij-persona, de figuur die niet reageert en bijgevolg ver weg blijft.

Hoe we het gedicht ook lezen, het past in een bloemlezing waarin overwegend traditioneel vormgegeven romantische gedichten in het Afrikaans een plaats krijgen. Of het de erotisch geladen mythische beelden zijn die Komrij overtuigden, weet ik niet en doet zelfs niet ter zake. De wijze waarop de tekst is gecomponeerd, met de sacrale plechtstatige toon en gestut door enkele expliciete vergelijkingen, laat mij toe over een klassieke compositie te spreken. In die mate klassiek dat een ironische lezing allesbehalve uit te sluiten valt. Zoals de poëzie van Komrij zelf zich daar altijd weer toe leent.

(c) Yves T’Sjoen / 17 Desember 2016

Luuk Gruwez. Resencie: New Romantics (Michaël Vandebril)

Tuesday, December 13th, 2016

tumblr_o6wl3wmrbk1tgywyso1_1280

Een Ik Bestaand Uit Vele Anderen

De auteur: Dichter die in 2013 de Herman De Coninck Debuutprijs in de wacht sleepte en een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs verwierf.

Het boek: ‘Poëzie zal romantisch zijn of zal niet zijn,’ lezen wij op de achterflap. En ja: Vandebril zet het begrip romantiek naar zijn hand in wat soms een persiflage van een persiflage lijkt.

ONS OORDEEL: Gedichten die deel uitmaken van een doordacht concept dat sommigen misschien te gekunsteld zullen vinden en anderen juist zullen weten te waarderen.

Er is een zin van de helaas bijna vergeten Nederlandse romancier J. Van Oudshoorn die ik vaker citeer omdat hij zo typisch is voor wie zichzelf schrijvenderwijs wil ontplooien: ‘Alle anderen had hij kunnen zijn, alleen zichzelve niet.’ Op Michaël Vandebril is die zin bij uitstek van toepassing: hij is de dubbelganger van een dubbelganger. Of misschien net niet. In een recent nummer van Staalkaart schrijft hij namelijk: ‘Wat is echt en wat is schijn, het is een wederkerend thema in de filosofie en de kunst, maar ook in de politiek of de economie. De mens heeft onweerlegbaar een drang naar authenticiteit, naar oprechtheid. (…) Echtheid was ook een van de streefdoelen van de historische romantiek.’ Het zou dus kunnen dat deze dichter zijn poses net zo echt vindt als wat anderen daar doorgaans onder verstaan: het tegenovergestelde. Misschien is die vermeende echtheid in zijn ogen evenzeer een constructie. Wel koketteert Vandebril naar hartenlust met zijn ‘romantische’ poses, al meteen in een eerste cyclus die ‘Vijf pozes’ heet. Of nog eerder: op het voorplat van zijn bundel waarin hij poseert als een dandy met een pruik vol pijpenkrullen en een hemd met een overdaad aan ruches. Hij schaamt zich er niet voor om wat zijn poëzie al in extreme mate ademt, nog eens te intensiveren in de grafische vormgeving.

Centraal staat bij hem dan ook de vraag wat kitsch en wat romantiek is, wat schijn en wat werkelijkheid. En ja dus: wat leugen en wat oprechtheid is, wat pose en wat echtheid. De dichter stapt niet op onder een vlag als ‘de nieuwe romantiek’, maar onder de Engelse term ‘New Romantics’. Dit insinueert dat hij niet kiest voor een poëzie die alleen maar een neoversie van een neoversie en nog eens een neoversie van de historische romantiek is, maar dat hij bijvoorbeeld de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft gekend en de Engelse generatie van de new romantics: lustig doet hij aan kruisbestuiving tussen uiteenlopende tijdperken en  diverse iconen uit  de wereld van de literatuur met onder meer de synthpop van de jaren tachtig. Maurice Gilliams en David Bowie, Duran Duran en Rainer Maria Rilke, Brian Eno en Jean Cocteau: allen zijn zij bien étonnés de se trouver ensemble. Vandebril heeft de enigszins antieke neiging zichzelf als een gepokt en gemazeld narcist te zoeken in een spiegel. ‘in de spiegel ben ik dichter/ dan in werkelijkheid,’ dicht hij. Daartegenover staat dat hij zich blijkbaar graag bedient van een citaat waarmee hij zijn potentiële critici voor wil zijn. Het is van Cocteau: ‘Ne faites jamais confiance aux miroirs,/ ils vous montrent toujours à l’envers.’ Citeren doet hij trouwens onophoudelijk: pose heeft haast per definitie citeerdwang nodig. Maar natuurlijk is het wel discutabel dat hij de lezer in zijn afsluitende notities instructies oplegt over de manier waarop hij de al dan niet imaginaire soundtrack bij deze gedichten moet lezen: ‘To Be Played At Maximum Volume (While Reading).’ Waarna, per gedicht, de namen volgen van Simple Minds, Kraftwerk, Ultravox, e.a. (Eén bedenking: zou hij ook voeling hebben met een zangeres als Taylor Swift en haar song die evenals zijn eigen bundel ‘New Romantics’ heet?)

Men kan bezwaar maken tegen al dit geposeer, dat na-apen van het na-apen. Niettemin gaat het ook om poëzie die wordt gevoed door een epoque in de jeugd van de dichter en om een poging uit alles wat zich ooit op literaire, muzikale of artistieke wijze aan hem heeft voorgedaan een soort synthese te destilleren waarin hij zich op eclectische wijze kan vinden. Eigenlijk wordt hier een ouderwetse queeste naar identiteit ondernomen. ‘mijn naam is michaël’ schrijft hij her en der in zijn bundel, alsof hij de lezer toch wil herinneren aan zijn burgerlijke status. Hij voert zichzelf op verschillende leeftijden verifieerbaar ten tonele. ‘ik werd vijf in 1977’, lezen wij.  Of nog: ‘ik werd negen in 1981’. Al omschrijft hij ook dit feit als zijn ‘mooiste schijnbeweging’. De dood dan maar als ultieme ernst? Welnee, ook die behoort maar tot een acteerprestatie: ‘(wij) zetten onze/ dood in scène’. Wat mag daar de oorzaak van zijn, vraag je je als lezer af en je hebt de neiging te denken dat de dichter een egelstelling inneemt omdat hij geen bijzondere fiducie in zijn medemens heeft: ‘ik heb genoeg/ aan een handdruk/ (…) om te weten/ (een mens liegt/ (…)/ zes keer per dag)/ hoe laat het is’. Nogmaals: de pose is de werkelijkheid, niet de biografie van een verjarend lijf. Vandebril wil zichzelf verwekken, blijkt uit één gedicht. Zo raakt hij zichzelf niet kwijt.

Er is in deze poëzie veel dat naar koude en naar ondoordringbaarheid verwijst: beelden van koudbloedigen als hagedissen, afgekoelde lippen. Beelden van  glas, steen, edelgesteente, ijzer. Maar in de laatste twee cycli lijkt het of er een doorbraak plaatsvindt: naar de anderen toe en weg van het verloren paradijs en de eigen plek. Vandebril onderneemt een reis langs diverse steden, van Belgrado tot Istanbul, in wat hij zijn ‘Grand Tour’ noemt. En weer legitimeert hij zijn onderneming met een citaat, dit keer van Rilke: ‘Um eines Verses willen muβ man viele Städte sehen’. Een dichter op zoek naar iets anders dan zijn identiteit, namelijk naar zijn gedicht? Of valt zijn gedicht juist samen met zijn identiteit?  En wordt niet alles ondergraven door dit ene besef: ‘overal waar ik kom is een dichter/ me voor geweest’?

 

VERLOREN PARADIJS

 

toen ik hier wegging had ik alles

maar nu kom ik met lege handen

.

naar deze aardkloot van afval en glas

geen vissen geen vogels enkel stilte

.

die elk oor verdooft onze verlaten

huizen staan te blinken in de helle zon

.

op deze plek spleten wij de vrucht

en aten ons vol weldadige warmte

.

toen hoorden wij een stem van bliksem

en verstopten ons waar bedelaars

.

en zwervers zich verschuilen vuil

en onbeschermd tegen het vlammend

.

geweld dat als een zondige wolk

in onze volnaakte lichamen sluipt

.

toen ik hier vertrok had ik alles

en aan u toon ik mijn lege handen

.

Michaël Vandebril

 

____________________

MICHAËL VANDEBRIL

New Romantics

Polis, 64 blz., 19,95 euro.

AANTAL STERREN:

***