Wisselkaarten
Monday, May 21st, 2012
Menno Wigman - Mijn naam is Legioen
 Mijn naam is legioen.
Menno Wigman waste als puber ooit een jonge Jehova’s getuige stevig de oren. De jongen, gekomen om zijn leeftijdgenoot van het evangelie te overtuigen, kreeg in plaats daarvan een pleidooi voor de poëzie van J.C. Bloem van de jonge dichter. ‘Ik liet me niet uit de Bijbel voorlezen’.
Er zal desondanks toch een moment geweest zijn waarop Wigman de Bijbel is gaan lezen: de titel van zijn nieuwste bundel is een rechtstreekse verwijzing naar een ontmoeting van een man die bezeten was door een ‘onreine geest’ en Jezus.
Nu heeft Wigman een fascinatie voor de relatie tussen poëzie en waanzin en voor waanzinnige schrijvers. Een paar jaar geleden verbleef hij geruime tijd als writer in residence in een psychiatrisch ziekenhuis in Den Dolder. Hij schreef erover in Het gesticht.
Het verblijf tussen psychisch gestoorden ging hem echter niet in de koude kleren zitten, sterker hij kreeg een writer’s block: hij perste in 2006 nog een kleine Gedichtendagbundel uit, daarna bleef het zes jaar stil. Tot nu.
Mijn naam is Legioen, waarin het Gedichtendagbundeltje bijna integraal is opgenomen, opent met een opdracht ‘Tot mijn pik’, waarvan de openingsregels de sombere stemming meteen raak verwoorden:
Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,
gewapend glas en Seroxat.
(…)
Ik wil geen weemoed die niks kost, kom op,
je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe
van wie je ziedend van je zaad ontdoet.
In Mijn naam is Legioen hangt niet alleen de penis slap, het is somberheid alom. Alles gaat bergafwaarts, verliest zijn schoonheid en glans: zelfs ontspannen lopen door de stad is er niet meer bij: ‘De goede handel die ons lichaam was/ vervloog en bijna elke winkelruit/ verspreekt zich en beledigt nu je hoofd.’
Niet dat Wigmans poëzie ooit louter blijmoedig was - er was altijd al een hang naar de zelfkant, naar vuil, lelijkheid, decadentie, te jong gestorven kunstenaars -, maar in deze nieuwe gedichten moet ook het dichten zelf van ver komen. Hier spreekt een dichter die zo lijkt te walgen van woorden dat hij zelfs medelijden met zijn eigen lezers heeft:
(…) Geef toch toe
dat je steeds stroever woorden aan elkaar reeg,
toen moe werd van je delicate geest,
toen medelijden met de lezer kreeg.
Die oversombere, die overweemoedige toon, die zich in de eerste afdeling voornamelijk tot de dichter zelf beperkt, weerspiegelt zich in de tweede reeks in de omgeving, in gedichten met weinig opgewekte titels als ‘Onder de reactor’, ‘Vuilstort’ of ‘Massavaccinatie’. Ze spelen zich af in modepaleizen als H&M of in Tuincentrum Osdorp, waar de treurnis niet minder groot is. Maar leven en gedachten van het winkelend publiek blijken niet wezenlijk anders dan die van de kunstenaar/ dichter, een constatering die even ontstellend als geruststellend is.
Het verband in de bundel is losjes, maar toch lijkt langzaam de blik van iets onder de navel van de dichter weer naar buiten te verschuiven. Een blikwisseling die wordt ingezet als in het gedicht ‘Oud-West’ (over de verschillende godsdiensten onder de bevolkingsgroepen in de Amsterdamse wijk), de zon de kamer van de dichter komt ingerold. Er is weer oog voor de wereld, onder andere in enkele mooie gedichten voor eenzaam gestorvenen. De laatste reeks eindigt zelfs met een gedicht getiteld ‘Promesse de Bonheur’: en het bed dat in het openingsvers nog leeg was is weer gevuld.
Dat Wigman door en voor de poëzie leeft is aan alles in deze gedichten voelbaar. Van de moeizame ontstaansgeschiedenis van sommige ervan, (hij schreef erover in een essay) blijkt - behalve in de inhoud - uiteindelijk niets op papier. Elke regel loopt soepel, het rijm is even doordacht als subtiel, en somber of niet, Wigman verzint het dan toch maar weer om ‘huisraad’ ‘jichtig’ te noemen, en hij moffelt nauwelijks merkbaar toch ook weer een paar woorden Bloem in dat vers dat zich afspeelt in de H&M.
Ofwel, als er iets is dat hij met Mijn naam is Legioen laat zien, dan is het dat hij in de afgelopen zes jaar het schrijven niet is verleerd.
Tot mijn pik
Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,
gewapend glas en Seroxat. Zocht ik
een woord voor alles waar geen woord voor is,
ik geef het op. Je bent een zak, een zak
ben je dat je ook nu weer dicht. En jij,
mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?
Ik wil geen weemoed die niks kost, kom op,
je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe
van wie je ziedend van je zaad ontdoet.
Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin. En naakt
als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.
Oktober. Veertig en geen bed werkt over.
Ooit wist je alles van genot. Iets met
voltage, wijsheid - ach mijn sleutel tot.
Menno Wigman - Mijn naam is Legioen. Prometheus, 2012, 68 pagina’s, 14,95 euro, ISBN 9789044619836
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.
Tuesday, May 8th, 2012

Naarmate de bezetting van Nederland door de Nazi’s langer geleden is, wordt het geluid van vergeving en verzoening steeds sterker.
Het gaat dan niet om vergeving van de misdaden van opgewekte misdadigers, maar om diegenen die verkeerde keuzen hebben gemaakt. Zoals altijd in morele kwesties, gaat het om een zeephelling. Waar ligt de grens van wel of niet vergeven? Een verzetsstrijdster maakt na 66 jaren bekend dat zij op grond van foute informatie een onschuldige heeft vermoord. Een soldaat heeft in het wildst van de strijd een ongewapende Nazi doodgeschoten - hij dacht dat de ander een wapen trok, maar het was een witte zakdoek geweest. Een ander heeft tijdens de zogenaamde politionele acties in Indonesië een ongewapende burger doodgeschoten, omdat hij verdacht werd van verzetsdaden. In een concentratiekamp heeft een gevangene de houten kleppers van een ander gestolen, want die was toch al dodelijk ziek. Hij overleefde door die kleppers, de ander stierf inderdaad. Een jongen van 18 is, uit overtuiging dat het goed zou zijn voor zijn land, vrijwillig bij de moordenaarsbende van de SS gegaan, om tegen de Russen te vechten, niet wetend waar hij aan begonnen was. Hij heeft spijt betuigd toen hij merkte waar hij in verzeild was. Hij was moordenaar geworden, maar kon niet terug. Hij sneuvelde.
Tijdens de herdenking van de oorlogsslachtoffers van 40-45 wordt een gedicht van een scholier voorgelezen. Een comité heeft het gedicht uitgekozen van de achterneef van die jongen van 18 die bij de SS ging. Wie het wil lezen kan het gemakkelijk op internet vinden. Er ontstaat commotie, meer dan discussie, waar uit blijkt dat het hier om een morele kwestie van groot belang gaat. Het gedicht wordt niet voorgelezen. De oudoom is geen oorlogsslachtoffer, maar een dader, ook al was het uiteindelijk tegen wil en dank. Hij is slachtoffer van zijn eigen verkeerde keuze geworden. Hoewel we allen feilbaar zijn en vrijwel niemand nooit verkeerde keuzen maakt, is dat geen reden om aan hem te denken op 4 mei. Dat is de dag waarop we denken aan onschuldige slachtoffers en degenen die gestorven zijn doordat ze tegen het ultieme kwaad kozen. De zeephelling van de ethiek gaat door een grijs landschap tussen wit en zwart. Het individuele drama van die oudoom behoort echter niet tot het gebied van collectieve rouw. Ik kan om zijn lot en dat van zijn familie treuren, maar daar houdt het mee op.
Nee, op 4 mei denken we maar beter aan degenen die geleden hebben buiten hun schuld en degenen die hun rug rechten wisten te houden, ook al dreigde de dood elk moment. Een voorbeeld van beide zag ik in een documentaire van het soort waar je eigenlijk liever niet naar kijkt, of alleen door geloken ogen, met afgewend gelaat. Het soort dat je niet wilt zien en ook niet navertellen. De in Nederland bekende opinieonderzoeker Maurice de Hond zien we, met zijn zoon, een nauwelijks te verdragen bezoek brengenaan een van die afdelingen van de diepste hel, waar de Nazi’s zulke begeesterde ontwerpers van waren. In een barak in kamp Auschwitz zijn honderden joodse vrouwen onderworpen aan experimenten in het zo efficiënt mogelijk steriliseren. De moeder van Maurice was een van hen. Een familielid van haar was daar ook en blijkt nog te leven. Ze kan Maurice nog bijzonderheden vertellen uit die tijd - zo’n tijd waar niemand ooit nog over wil spreken. Hoe de vrouwen elkaar ontdekten, en hoe ze elkaar vanaf dat moment niet meer loslieten. Hoe ze samen met de anderen onbeschrijfelijke pijnen doorstonden en overleefden (nee, dit vertelt ze nauwelijks). Misschien ook wel, omdat deze vrouw op verzoek van de anderen in de beslotenheid van de slaapzaal Amerikaanse liedjes zong.
Dit is mijn gedicht dat haar herdenkt, met die andere vrouwen. Ik heb het voor de zeggingskracht vertaald in het Afrikaans, met de onmisbare hulp van Louis Esterhuizen.
Block 10
Die krete van pyn het in die mure getrek
‘n afbeelding van bloedrooi en rouswart deur waansinniges
bedwelm en beveel deur die kladskilder H.,
waansinniges in wit jasse, Herren Dr. Dr.,
- as daar ‘n god is wat bestaan weier hy hulle siele
maar daardie siele is al weggesny onder volksverdowing -
en tussen hierdie bespatte mure
het die vroue saamgehok, hulle hande in angs verbonde,
terwyl hulle siele stukkend gesny is sonder verdowing,
en een van hulle het nogtans Amerikaanse liedjies gesing
oor die terugkeer na ‘n sonnige huis, waar die ongebore kinders
skoppelmaai in die skaduwee van bloedrooi struike
Tuesday, May 1st, 2012
Jozef Deleu
Deze tekst verscheen eerder in De Standaard der Letteren.
Weinig mensen hebben zoveel verstand van verjaren als Jozef Deleu. Niet alleen is hij op 20 april vijfenzeventig geworden, bovendien gaat Het Liegend Konijn, het tijdschrift waarvan hij de enige redacteur is, zijn tiende jaargang in. Als om deze jubilea nog meer luister toe te voegen publiceert hij nu ook ‘Overboord.’, een nieuwe dichtbundel, precies vijftig jaar na zijn debuut. Deleu is altijd al een dichter geweest die op onthechting was gesteld zonder dat hij daar canonieke eigenschappen aan wenste te verbinden. Ook nu excelleert hij opnieuw in het schaarse. Op Roland Jooris na is er in Vlaanderen niemand die zo weinig ingrediënten nodig heeft om een recept te bereiden. Hij mag dan al een gul mens zijn, hij is een dichter op dieet. Opmerkelijk alleen al is in dit verband de titel van zijn bundel. Hij heeft de leeftijd bereikt waarop het zaak is afstand te doen van wat overbodig is en al dat overbodige ook overboord te gooien, zoals een wielrenner zich in het zicht van de eindmeet nog snel ontdoet van een lege drinkbus en ander nutteloos gewicht om zo kansrijk mogelijk te kunnen finishen. Ongebruikelijk, maar significant is het feit dat de titel van zijn bundel eindigt op een punt. Alsof hij zeggen wil: tot hier en niet verder; ziehier mijn dichterlijke testament, alles wat eventueel nog volgen zal, behoort al tot de toegevoegde tijd van mijn bestaan. Het is een gedachte die nauwelijks verrast als je rekening houdt met de waslijst aan lichamelijke onfortuinlijkheden die hij sinds zijn pensioen heeft weten te overwinnen. Niet dat de dichter echt gekweld wordt door dat onvermijdelijk naderende einde. Hij blijkt overtuigd van een soort voortbestaan dat voortspruit uit zijn overtuiging dat in het heelal niets verloren gaat, dat daar zoiets bestaat als behoud van energie en dat er dus geen apert verschil tussen hiernumaals en hiernamaals is:
HEELAL
oneindig
sterven
de dingen
een voor een
gaan zij
ervan door
om verloren
of herboren
verder te bestaan.
Deleu is in de voorbije decennia als een van de weinige werkelijk gezaghebbende pleitbezorgers van de Nederlandstalige poëzie nooit iemand geweest die zwoer bij een exclusieve poëtica. Hij beleed altijd het credo van het ongeloof, het ongeloof in het alleenzaligmakende. Dit is een kwaliteit die hij, zolang hij hoofdredacteur van Ons Erfdeel was, ook uitstekend kon gebruiken, samen met iets wat hem allicht tot het eind van zijn dagen zal blijven karakterizeren: een zekere koppigheid en onverzettelijkheid die wel eens vaker het epitheton ‘West-Vlaams’ meekrijgt. Hier is een man die weet wat hij wil, die staat op zijn gelijk, maar die tegelijk een begenadigd luisteraar is en erop aandringt verschillende stemmen aan bod te laten komen, ook als die niet overeenstemmen met die van hem. Maar er is wel één belangrijke voorwaarde: kwaliteit, altijd kwaliteit. Zonder uitzondering is dit de premisse van de voormalige hoofdredacteur van Ons Erfdeel geweest, maar ook van de gerenommeerde bloemlezer van het Groot Verzenboek en van de organisator van literaire evenementen in binnen- en buitenland die nooit met kneuterigheid gepaard gingen en juist opvielen door hun grandeur. En nu is kwaliteit dus ook zijn verdienste als soloredacteur van Het Liegend Konijn, het poëzietijdschrift dat maar twee keer per jaar verschijnt, lijviger en lijviger lijkt te worden en daarmee een zekere portee verschaft aan wat decennium na decennium, dwars door zijn toenemende leeftijd heen, een jongensdroom van hem is gebleven: de poëzie en niets dan de poëzie, de poëzie in al haar vanzelfsprekendheid en eigenlijk ook zonder de obesitas van te veel academisch discours. Het gedicht mag zijn waardigheid aan zichzelf ontlenen. In de eerste plaats zelfs.
‘Buikgevoel’: in sommige omstandigheden is dit misschien een betwistbaar, zelfs gevaarlijk begrip, maar Deleu is er - in gunstige zin en als geen ander - mee uitgerust. Het jongste nummer van zijn tijdschrift levert daar opnieuw het bewijs van. Wij treffen er net zo goed voortreffelijk werk in aan van gevestigde namen - de opsomming is een beetje willekeurig en dus onrechtvaardig: Peter Ghyssaert, Wiel Kusters, Leo Vroman en Miriam Van hee. En van jonger talent dat luistert naar namen als Bart De Block, Y.M. Dangre, Lies Van Gasse en Jelmer van Lenteren.
Een blad voor de mond heeft Jozef Deleu nooit genomen. De contramine heeft hij evenmin geschuwd als de verbroedering. Hoeveel sympathie hij ook mag hebben voor Van Ostaijens liegend konijn, het is allicht toepasselijker hem, zelfs nu hij al vijfenzeventig is, leeftijd die doorgaans voor de verdwerging is gereserveerd, te omschrijven als een Vlaamse reus, met - getuige zijn jongste dichtbundel - een aanzienlijke dosis Zen. Want ook dit zit in hem haast paradoxaal naast elkaar: het schaarse en het vele. En het aardige is dat die twee nog altijd kameraadschappelijk met elkaar kunnen kunnen opschieten, alsof het net hun verschillen zijn die ze eensgezind maken.
JOZEF DELEU
Overboord. Gedichten
Uitgeverij Van Halewyck, Leuven - Van Gennep, Amsterdam, 79 blz., 50 euro
—
Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, april 2012, 1, Van Halewyck, Leuven - Van Gennep, Amsterdam, 264 blz., 20 euro
© Luuk Gruwez
Thursday, April 26th, 2012

De Vlaamse dichter en dagboekschrijver Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947) ontvangt dit najaar de Prijs der Nederlandse Letteren. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 40.000 euro.
Dit maakte de voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie, de Vlaamse Minister van Onderwijs Pascal Smet woensdagavond bekend in een uitverkochte Bourlaschouwburg in Antwerpen, waar de 65ste verjaardag van Nolens gevierd werd.
‘Nolens doet het Nederlands opnieuw zingen’, zo stelt de jury onder voorzitterschap van Herman Pleij. De jury noemt Nolens een ‘uitzonderlijk dichter en zeer begenadigd voorlezer’ en kenmerkt zijn werk als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’.
De laureaat werd woensdagochtend overdonderd door het bericht. Hij zat in zijn werkkamer toen minister Smet belde: ‘Het was of de buitenwereld op een onwezenlijke manier binnenkwam’.
Bij de aankondiging in de Bourlaschouwburg zei minister Smet: ‘Leonard Nolens wijdt zich al zijn hele leven aan wat allicht economisch een van de meest nutteloze bezigheden is, en daar heb je in deze tijden uitzonderlijk veel lef voor nodig. Maar zonder taal, gevoed door taalkunstenaars, is er van economie waarschijnlijk helemaal geen sprake’.
Nolens heeft sinds zijn debuut in 1969 een indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor poëzie. In 1997 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend.
De Nederlandse Taalunie kent de Prijs der Nederlandse Letteren om de drie jaar toe aan een auteur van wie het werk een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandstalige literatuur. De ene keer overhandigt de Belgische koning de prijs, de andere keer de Nederlandse koningin.
De jury van de Prijs der Nederlandse Letteren 2012 bestaat uit Herman Pleij (voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam; Chandra van Binnendijk, publicist, redacteur in Suriname; Leen van Dijck, directeur Letterenhuis Antwerpen; Iris van Erve, docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds; Judit Gera, hoogleraar moderne Nederlandse Letteren aan de Universiteit van Boedapest, literair vertaler; Ruth Joos, radiomaker bij de VRT; Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam; Hans Vandevoorde, docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.
Leonard Nolens is sinds de instelling van de Prijs der Nederlandse Letteren in 1956 de twintigste laureaat. De eerdere laureaten waren: Herman Teirlinck (1956), A. Roland Holst (1959), Stijn Streuvels (1962), J.C. Bloem (1965), Gerard Walschap (1968), Simon Vestdijk (1971), Marnix Gijsen (1974), Willem Frederik Hermans (1977), Maurice Gilliams (1980), Lucebert (1983), Hugo Claus (1986), Gerrit Kouwenaar (1989), Christine D’Haen (1992), Harry Mulisch (1995), Paul de Wispelaere (1998), Gerard Reve (2001), Hella S. Haasse (2004),Jeroen Brouwers (2007) en Cees Nooteboom (2009).
Het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie bestaat uit Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel (voorzitter); Joke Schauvliege, Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur; Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart, Nederlands minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Halbe Zijlstra, Nederlands staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
*
Monday, April 16th, 2012

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.
IK WIL DE HEMEL EN IK WIL DE STRAAT
Menno Wigman is een dichter die vaak kletterende ruzie met zijn gedicht maakt. Misschien is die continue huwelijkscrisis een van de drijvende krachten achter zijn schrijven. Het ongenoegen over het eigen medium wordt uitgebreid tot een sombere kijk op de wereld van de literatuur. De uitvaart van het boek ligt in het verschiet. ‘We lezen om te leren hoe te leven,’ heet het. Maar in een ander gedicht lijdt de doorsnee mens, toch een potentieel lezer, aan een ‘reader’s block’ en mist hij de kracht om zich van kaft tot kaft te worstelen. De dichter krijgt zowaar medelijden met hem. Wigman is allerminst een missionaris van de poëzie en heeft in het geheel geen neiging haar zalig te verklaren. Hij voelt zich minstens zo vaak het slachtoffer als de dader van het woord en heeft begrip voor alle onbegrip dat dit bij de meeste mensen genereert.
Die spanning tussen de zogenaamd geletterde maar getormenteerde mens enerzijds en wie absoluut niets om geletterdheid geeft, maar blaakt van domme gezondheid anderzijds, lijkt een constante in deze gedichten, hoewel er al bij al niet eens zoveel verschil tussen eerstgenoemde en laatstgenoemde is. Wigman ontmaskert zowel de leegheid en de onbeduidendheid van de maatschappij als hij het recht op domheid claimt voor wie er deel van uitmaakt. Hij maakt een laatste geestig-droefgeestig dansje op de puinhoop van de beschaving, hier geëxpliciteerd in een Hollands decorum, gekenmerkt door postconsumentisme, decadentie, verval en afval. (In het gedicht ‘Vuilstort’ laat hij zijn Holland zowaar onder water lopen.) Hij schetst een buitenwereld waarvan de belangrijkste kentrek is dat hij te koop is, een agressieve buitenwereld die gemaakt lijkt voor de sloop en waarin zelfreflectie de doodsteek van het geluk is: ‘Ik las/ dat in het Paradijs geen spiegels waren.’ ‘Het is ons brein dat geen defecten duldt (…),’ vernemen wij elders. Wigman is daarbij wars van elke vorm van dogmatiek en schrijft een soort poëzie die, hoewel zeer modern, modieuze poëtica’s aan haar laars lapt en die, en passant opgemerkt, over het wonderlijke vermogen beschikt niet in de prijzen te vallen die jury’s als fuiken voor pseudodiepzinnigheid hebben klaargezet. Dit terwijl hij ongetwijfeld een van de meest eminente dichters van de Lage Landen is. Zijn recente bundel is daar een magnifiek bewijs van.
Maar waar is het hem dan het meest om te doen in zijn gedichten? Hij is, zoals uit het bovenstaande al bleek, geïnteresseerd in de relatie tussen massa en individu. Maar daarnaast, op een nog persoonlijker vlak, ligt meteen ook de associatie tussen poëtisch en erotisch genot klaar. Hij laat zijn bundel heel heftig beginnen, met veel ‘fuck’ in het motto van Johnny Rotten en met in het aanvangsgedicht een zowel hilarische als depressieve toespraak tot zijn pik. Een gewaagde onderneming met een hoog grandguignolgehalte, maar hier volstrekt geloofwaardig. De copulatie geniet geen hoge waardering: ‘In elkaar, uit elkaar. De daad heet het./ Zo tuur je maar wat naar bewegend vlees./ Je veegt je zaad op en vergeet het.’ Toch is het een dichter van mannelijke kunne misschien vooral om dat seksuele genot te doen. Misschien is zijn gedicht een gesublimeerde vorm van penisverlenging en heeft zijn zanglust in eerste instantie een biologisch motief: dat van een lokmiddel of - minder op zijn janboerenfluitjes - een soort invitation à la danse.
Het stemt misschien niet vrolijk te beseffen dat zelfs een dichter weinig meer dan een biologisch samenraapsel is. Vooral niet wanneer die ernaar streeft ‘een woord voor alles waar geen woord voor is’ te vinden. Het verbaast dan ook niet dat Wigman er zich voortdurend van bewust is dat hij, hoe vaak hij de hemel verlangt, toch ook de straat toebehoort, ook al deprimeert die hem soms dermate dat hij een antidepressivum behoeft. Hij wordt namelijk voltijds met de ontluistering en niet met de luister geconfronteerd. Het lijkt wel of er een nieuwe pest is uitgebroken. Een massale vaccinatie tegen een anders haast zekere dood dringt zich op. ‘Creperen, nee, we zullen niet creperen,’ klinkt het, in een gedicht waarin de dag niet opengaat ‘als een gouden roos’, zoals in het beroemde gedicht van Herman Gorter, maar wel ‘als een geurloos dekbed’. (Wigman zou overigens ook geen bloemlezer zijn als in zijn poëzie niet af en toe een echo van klassiek geworden versregels weerklonk: van Rilke tot Campert e.a.)
Er is veel straat en er zijn veel plaatsomschrijvingen in deze bundel. Nooit eloges van geliefde plekken. De dichter maakt een inventaris op van wat deze eeuw zoal de revue is gepasseerd. Uiteraard vooral van de vaak nogal domme locaties die hem omringen en die een wurgende impact op hem hebben. Uit zijn gedichten blijkt voortdurend de pijnlijke relatie met het stadsbeeld dat hem omringt. Hij brengt niet alleen een karikatuur van de alom geaccepteerde, maar door hem versmade hedendaagsheid, maar reflecteert daarnaast op de historische gedrochtelijkheden van een vorige eeuw en de naweeën hiervan. Een gedicht als ‘Tweeduizendzoveel’ eindigt met het besef dat de hele geschiedenis niet anders te duiden is dan met het wel zeer holle cliché dat een mens niets leert.
Die mens! Om hem is het Wigman in de eerste plaats te doen, hoeveel aandacht hij hier ook aan diens habitat schenkt. Hij portretteert hem als iemand die erop aast zich een nieuw gezicht aan te schaffen, zeg maar een nieuwe identiteit, en die zich met een nieuwe jurk of een nieuw pak tevreden moet stellen. Uit onvermogen verandert hij zijn look in plaats van zijn wezen. Niet bepaald een doeltreffende remedie tegen de dood, maar alla: niet minder dan de schijn moet ook de menselijke essentie er ten slotte aan geloven. We zijn er en we zijn er niet, precies doordat in elk zijn het niet-zijn al prominent besloten ligt. ‘Soms voel je bijna dat je leeft,’ schrijft de dichter in een gelegenheidsgedicht voor de uitvaart van een nobele onbekende, een Engelsman die zich onder een brug in het Centraal Station van Amsterdam verhing. Wigman, zo vaak dichtend op de grens tussen bestaan en onbestaan, tussen het naamloze individu en de al even naamloze massa, is werkelijk de geknipte figuur om die anonieme doden met een waardig in memoriam te bedenken. Zijn gedichten zijn een vorm van taxidermie. In zijn universum zijn het de straten en de plekken die een naam hebben, de mens niet: die moet er van hem een krijgen. Niet letterlijk, natuurlijk, maar doordat hij een gedicht aan hem wijdt, ook als het om een mens van niemendal gaat. Dan misschien nog het meest. Want diens verlangen verschilt nauwelijks van dat van wie maatschappelijk aanzien geniet: ‘De mooiste idioot die ik ooit zag/ lag op zijn rug een heel heelal te zijn.’ Ook wie van de straat is, wil minstens de hemel.
______________________________
MENNO WIGMAN
Mijn naam is Legioen
Prometheus, 68 blz., 14,95 euro
AANTAL STERREN:
****
Kamer 421
Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels
en geen daarvan die zijn verwekker kent.
Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.
Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet haast zeker dat ze me nog kent.
Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.
Menno Wigman
Thursday, April 12th, 2012
Het is een kwaaie tijd voor beginnende dichters.
Stel: je voelt het sap van de inspiratie voor het eerst opborrelen, de urgentie breekt je mond open, het witte blad ligt voor je. De vorige generaties grepen dan terug naar de klassieke voorbeelden die ze op school kregen ingelepeld of snelden naar de bibliotheek. Dat was geen wankele basis.
Vandaag schuwt het onderwijs de poëzie wegens te moeilijk of niet flashy genoeg en de beginnende dichter stort zich gemakshalve op het internet. En daar begint de miserie: de filter ontbreekt. De bundels die men vond in de bibliotheek waren toch gegarandeerd van een zeker niveau, want ze waren al de filters van de redacteur, de uitgever, de boekhandel en de bibliothecaris gepasseerd. Vandaag is het internet de vuilnisbelt voor alle geweigerde poëzie. De ervaren dichter of poëzielezer vindt er natuurlijk pareltjes terug, maar de leek voor wie de naam Marie-France Probeersel evenveel betekent als Neruda of Nolens heeft 95 procent kans om op een krakkemikkig gedicht te stoten. Onder dat gedichtje staat natuurlijk een naam … dus … even het facebookje raadplegen en de beginnende dichter drijft binnen de kortste tijd in een poeltje met gelijkgestemde, nietsvermoedende beginners die elkaars fouten bevestigen als de goede norm. Jammer, want hier en daar verdrinkt in dat poeltje een talentvol dichter.
Is er dan geen reddingsboei? Toch wel. Terwijl schilders al honderden jaren hun métier leerden bij meesters of in academies, terwijl muziektalenten hun zweet lieten in strenge conservatoria, zaten de dichters moederziel alleen op hun armoedig zolderkamertje, alsof schrijven geen vak was en de inspiratie een heilig altaar dat niet door raad of techniek mocht worden bezoedeld. Gelukkig beginnen de alternatieven veld te winnen en is de mentaliteitsverandering onomkeerbaar.
Leo Geerts stichtte in Antwerpen de SchrijversAcadmie naar het voorbeeld van de schrijversvakschool ‘t Colofon in Amsterdam. Na een vijf jaar durend pilootproject in 5 kunstacademies voor Muziek en Woord keurde de Vlaamse minister van Onderwijs het vak Literaire Creatie goed. Elke kunstacademie mag het vak nu inrichten. Creatief schrijven organiseert talrijke workshops en de poëziecursussen van Wisper zitten vol.
Bezigheidstherapie! kraaien de tegenstanders. Waauw, roepen de bekeerde aanhangers vol ontzag. De waarheid ligt tussenin. Na twintig jaar werken als poëziedocent weet ik het zeker: goede feedback is de versnellingsbak van de dichter. Waar de zolderkamerdichter met vallen en opstaan tien jaar over doet, doet de cursusdichter (ook met vallen en opstaan) twee jaar over. Natuurlijk past de versnellingsbak van de Rolls Royce niet in het deuxchevautje: groot talent kan je niet kweken, alleen kneden, maar ik heb veel luie talenten zien afsterven en matig, hard werkend talent zien zegevieren.
En wat doet de internetdichter in zijn poeltje: hij denkt dat mooie-woordjes-poëzie nog altijd het summum is, hij droomt met druipende, sentimentele verzen van de Nobelprijs en legt de grootste en zwaarste begrippen als bommen klaar voor de (ontbrekende) lezer: een zegen voor juryleden van de talrijke poëziewedstrijden die meteen door deze basisfouten 95 procent van de inzendingen opzij kunnen schuiven.
Zijn dichters werklieden of uitvinders? Werklieden natuurlijk. EN uitvinders natuurlijk. Maar was het niet de grote uitvinder Edison die zei : inspiration is transpiration?
© roel richelieu van londersele
Thursday, April 12th, 2012

Een leuk boek om in te bladeren, maar met te veel materiaal waarop de samenstellers dan misschien om wat voor reden dan ook met heimwee terug mogen blikken maar waar de gemiddelde medemens nooit maar dan ook nooit van gehoord heeft. Ik heb het over Tijd voor teenagers – 100 Nederlandstalige liedjes die de rock & roll overleefden van Co de Kloet en Leo Boudewijns. Tijd voor teenagers was een uiterst populair radioprogramma dat De Kloet in de Late Middeleeuwen jarenlang samen mocht stellen. Als een van de voorbeelden van een liedje dat de rock & roll overleefde noemen ze Twistziek van ene Paul Gimbel. Wat een onzin. Ooit van gehoord? Hitdossiers kennen het niet, zelfs op YouTube is het onvindbaar….
Gimbel was een Nederlandse toptafeltennisser (dat kun je wel vinden), die er met zijn vetkuif en babyface in 1962 klaarblijkelijk dusdanig aantrekkelijk uitzag voor bakvissen (zoals je jonge meisjes noemde in de tijd waarin senioren nog gewoon ouden-van-dagen waren) dat platenmaatschappij Fontana er wel brood in zag een plaatje met hem te maken. En dat werd Twistziek. Geen hond die het kocht. Nergens meer te vinden. Maar toch een voetnoot in de literatuurgeschiedenis waard. Waarom dan wel? Omwille van de tekstschrijver! Die een onvergetelijk refrein uit de pen perste:
O ho! O ho!
O ho! O ho!
‘k Ben ziek! O ho!
Twistziek! (10x)
Benieuwd of hij zich dit nog kan herinneren. Misschien kan hij het zelfs nog wel zingen! Ondertussen is hij een algemeen gerespecteerd auteur, met een grote naam in nagenoeg geheel Europa. Twistziek, dames en heren, ontsproot – zo staat ook netjes op het label van de single te lezen, de muziek werd gecomponeerd door Jack Bulterman – aan ’t brein van niemand minder dan…Cees Nooteboom!
Sunday, April 8th, 2012

Luuk Gruwez. Woord en vlees
Onderstaande recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.
De meesten houden van hem, mede allicht vanwege de hoge herkenbaarheidsgraad van zijn gedichten. Een minderheid, met aan het hoofd de bekende Nederlandse recensent Piet Gerbrandy, maakt zijn poëzie met de grond gelijk. Ik behoor zonder twijfel tot het eerste kamp. Altijd heb ik mij thuis gevoeld in het werk van Charles Ducal, zozeer soms - en dat is het hoogste compliment - dat het mij een zekere smetvrees bezorgde. Het enige wat mij hinderde in mijn bewondering, was het feit dat zijn gedichten wel eens de indruk kunnen wekken te strak in het pak te zitten, met een voorspelbare dreun als gevolg. Maar dit weegt niet op tegen het feit dat de dichter absoluut tot de eredivisie van de Vlaamse poëzie behoort.
Charles Ducal stond er meteen toen hij in 1987 debuteerde met de onvergetelijke bundel ‘Het huwelijk’. Voorpublicaties waren in het onvolprezen NWT verschenen, het tijdschrift waarvan Herman de Coninck, de man met het haast onfeilbare buikgevoel, de hoofdredacteur was. Meteen wist hij deze poëzie op haar juiste merites te beoordelen. Het is gevaarlijk te debuteren met wat later een hoogtepunt in je oeuvre blijkt te zijn; mogelijk is ‘Het huwelijk’ namelijk nog steeds het beste was Ducal geschreven heeft. De gedichten ademen een zeer grote noodzakelijkheid. Zij behandelen die voor artistieke buitenstaanders misschien nauwelijks inleefbare problematiek: de driehoeksverhouding tussen een dichter, zijn vrouw en het woord dat hem tot maîtresse dient, met alle pijnlijke spanningen die hiervan het gevolg zijn.
Ook wanneer dat debuut er niet was geweest, zou Ducal met zijn overige, hoogstaande bundels tot het nec plus ultra van de dichtersgilde gerekend moeten worden. Ondanks zijn misschien nog steeds geldende bewondering voor de postmoderne collega’s van weleer heeft hij zich in de eigen praktijk nimmer iets van een normatieve poëtica aangetrokken. Hij is blijven dichten in de bekende sjablonen, zelden vies van een rijm of een halfrijm of strikt klassieke strofevorming. En voor zijn beeldvorming put hij nog altijd uit het vertrouwde religieus-culturele gedachtegoed, waartegen hij zich soms op blasfemische wijze afzet. Overigens is blasfemie in het werk van Ducal, die qua schuldbewustzijn perfect met Gerrit Achterberg kan wedijveren, zeer bevorderlijk voor de intensiteit van zijn erotische beleving. Hij is in zekere zin ook een zoon van Georges Bataille die uit de transgressie, de overtreding van het taboe, seksuele voldoening puurt. Par excellence is dat duidelijk in een bundel als ‘Toegedekt met een liedje’ uit 2009, een bundel die onder meer de pornografie als thema heeft. Nergens elders wordt het woord zo duidelijk vlees. Het genereert zelfs een overkill die precies vanwege zijn overvloedige aanwezigheid op consumptieniveau zijn communicatieve waarde verliest: het is plotseling niets meer dan vlees.
In feite is het Ducal vanaf zijn eerste bundel te doen om een queeste naar de eigen identiteit. Hoe aristocratisch zijn pseudoniem ook klinkt, de omschrijving van zijn ik is een hachelijke onderneming. ‘De hertog en ik’ (titel van ‘s dichters tweede bundel) illustreert doeltreffend de moeilijke identificatie tussen - precies! - de hertog en de ikfiguur. Die ik laveert tussen Narcissus en een zichzelf wegcijferende altruïst, en zelfs tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde, opererend in een soms wat sadomasochistisch universum, gevoed met het oeridioom van het katholieke landbouwersgezin waaruit hij stamt en waarbij de familieleden, de veestapel en het gepersonifieerde landschap als archetypische figuren fungeren. God krijgt in deze poëzie nog een hoofdletter en ondanks al zijn religieuze weerbarstigheid reveleert Ducal zich misschien wel als Vlaanderens katholiekste dichter. Als geen ander bedient hij zich van de christelijke mythologie. ‘Kwam ik uit liefde?/ Of door een godsdienst bedacht,’ vraagt hij zich af.
Het resultaat van de zoektocht naar zijn ik resulteert niet in een bevredigend antwoord. Dat bewijst ook de mooie titel van deze verzamelbundel: ‘Alsof ik er haast ben’ stelt de eigen identiteit vanwege dat ‘alsof’ en dat ‘haast’ zeer ter discussie. Daarnaast kan die titel natuurlijk ironisch alluderen op een in het verschiet liggende dood (Kijk eens, ik heb al een Verzameld Werk. Hoeveel jaren nu nog te gaan?). Maar wie Ducal ook is en hoezeer hij begaan is met zijn ik, hij laat ons proeven van een cocktail van confronterend menselijk inzicht en mededogen. Onder meer daarom is hij als een van de weinigen in Vlaanderen een dichter die mij bij het nekvel grijpt.
___________________
CHARLES DUCAL
Alsof ik er haast ben
Uitgeverij Atlas, 360 blz., 39,95 euro
UITGESTELD
Wees gerust, als ik sterf zal wel blijken
of ik je lief heb gehad.
Jij, de laatste naar wie ik zal kijken,
de laatste die mij ontsnapt.
Dan dwing ik je oor naar mijn mond
voor iets dat ik had moeten schrijven,
een zekerheid in gereutel vermomd.
Wees gerust, jij zal de slotzin krijgen.
Het zal ontroerend zijn, het einde,
de poging die alles herstelt.
Je bent mijn vrouw. Het zal wel blijken,
al wordt het een leven lang uitgesteld.
Charles Ducal
Wednesday, March 14th, 2012

Vandaag besluit ik naar boven te kijken. Normaal gesproken kijk ik naar beneden wanneer ik wandel. Dat is verstandig, want voor je het weet struikel je over de verpakking van een tapijtschaar en val je op je gekwelde gezicht.
Wie zijn neus schendt schendt zijn aangezicht. Ja, ik denk veel na over mijn ouders. Mijn schattige, deerniswekkende vader en moeder die respectievelijk te veel calvados drinken en te weinig marsepeinen wortels eten. Ik zie ze graag.
Mijn moeder woont in dezelfde stad. Ik heb een sleutel van haar huis. Soms ga ik naar binnen wanneer zij in een kuststad bijles Frans aan het geven is aan een verwend veganistisch notariszoontje, of aan de weerloos wulpse dochter van de rijkste imker van België. Dan zit ik op haar voetkussentje en tel ik mijn geld. Meestal heb ik niet genoeg geld om naar de cinema te gaan.
Ik kijk naar boven en ik zie een wolk die op een doorspietste stier met heimwee lijkt.
Als ik beter kijk wordt de stier een bloedend communielam, daarna mijn nicht toen ze na haar abortus voor het eerst op haar merrie zat.
Mijn nicht was in alles beter en sneller: eerst geboren, betere speller, eerst gekust, betere verleidster, eerst getrakteerd, betere kokkin, eerst gegokt, betere spaarder, eerst getrouwd, betere moeder, eerst gescheiden, betere gifmengster, enzovoort…
Nu zien we elkaar nauwelijks, ze is getrouwd met een Jan die Jan heet, hij doet iets met spreadsheets. Ze heeft me verzekerd dat het niet magisch is. De spreadsheets noch het huwelijk. Ze is vermagerd en verzamelt sinds vorig jaar houten amfibieën. Ze moeten uit Bali komen en handgesneden zijn door blinde weeskinderen. Het mogen meisjes zijn.
Ik staak het naar boven kijken. De grond is boeiender. Een alerte clochard in een plakkerige contrabaskist vraagt of hij er profetisch uitziet. Ik antwoord: ‘Je lijkt een beetje op de geïllustreerde Abraham van mijn eerste en enige kinderbijbel.’ Hij is niet tevreden met mijn antwoord, omdat hij op Elia gehoopt had.
Omdat ik ‘Abraham’ gezegd heb in de korte vijandige dialoog met de onvoorspelbare zwerver denk ik uiteraard aan mosterd.
Na mosterd komt berouw: ik heb gisteren een pot mosterd van mijn muze gestolen, en ketchup die niet meer houdbaar was. Mijn muze laat alles oogluikend toe, zolang hij achteraf mijn schrijfsels niet moet lezen kan het hem niet veel schelen.
Hij werkt in de tuin van zijn dochter. Vroeger haatte zijn dochter mij. Sinds ik een fiets van haar gekocht heb verdraagt ze mij in beperkte dosissen.
Gisteren kwam ik haar toevallig tegen in de zuivelafdeling van mijn favoriete supermarkt. Ik voelde mij rood worden omdat er meer dan drie afgeprijsde vleesvervangers in mijn boodschappenmandje lagen. Zij had een kar volgestouwd met rum, linzen, suikervrije jachtwafels, bananen en hondenvoer. Maar ze heeft geen hond, ze heeft nooit een hond gehad.
Ik had vroeger een hond, een boxer met een Italiaanse gangsternaam. Ik gaf hem een denkbeeldige borstzak zodat ik hem iedere zaterdag zakgeld kon geven. Ik was niet gierig. Toen ik zeven was liepen we weg. In mijn rugzak zat de kinderbijbel die het mij later moeilijk zou maken in de communicatie met vaders en landlopers.
In de duinen kwamen we een naakte man tegen. Hij vroeg of ik mee wilde naar zijn huis om een fresco van een Baskische burgeroorlog te schilderen op de muur van zijn strijkkamer. Maar ik was al te oud om Picasso niet te kennen, dus zei ik: ‘Nee, ik heb beloofd aan een touwslager om een fresco van een Tsjechische toneelschrijver die wordt afgeranseld met een gesluikstort visnet door de anemische uitvinder van de frituurmand, en met een kapotte kinderxylofoon door een spichtige bontmagnaat die de schoonvader is van de toneelschrijver, te schilderen op de muur van zijn slaapkamer!’
‘Is dat niet gevaarlijk?’ vroeg de naakte man monkelend.
‘Delphine houdt van het gevaar,’ loog mijn hond. ‘En loop nu maar naar de maan en trek er je beste kleren aan!, voegde hij er nog aan toe.
We keerden terug naar huis en niemand had ons gemist. ’s Avonds las ik dat het allemaal de schuld van Eva was. En toen ik niet kon slapen las ik in een ander boek dat het de schuld van Marx was. Gelukkig had ik nog een derde boek: een bloemlezing van surrealistische dichters in het Wit-Russische interbellum.
Friday, February 24th, 2012
Pablo Picasso - Fille devant un miroir (1932)
“Ik ben Picasso! Wij gaan samen grote dingen doen.” Op 8 januari 1927 zag Pablo Picasso (1881-1973) in Parijs een blond meisje met een klassiek gezicht de metro verlaten: de op dat moment 17-jarige Marie-Thérèse Walter. Hij sprak haar naar verluidt met deze woorden aan. Hij had gelijk. Na deze ontmoeting volgde een indrukwekkende reeks schilderijen, etsen en tekeningen met Marie-Thérèse als onderwerp. Eerst verborgen, omdat hun relatie verborgen moest blijven voor Picasso’s toenmalige echtgenote, de danseres Olga Kokhlova. Later zonder enige terughoudendheid. In de schilderijen waar Marie-Thérèse als model fungeerde is de grondtoon meestal erotisch. De schilderijen zijn vaak een ode aan haar klassieke schoonheid, haar jeugdige kracht. Maar Fille devant un miroir (1932) brengt daar een extra laag in aan.
Het schilderij hangt in het Museum of Modern Art in New York en ik vond het schilderij, toen ik het er vorig voorjaar zag hangen, ronduit magisch. Het klassieke thema van een vrouw die in de spiegel kijkt waarbij de reflectie wordt weergegeven als een doodsmasker is sowieso aangrijpend; het wordt in dit schilderij door Picasso op een beklemmende, indringende manier vormgegeven. Bij de uitgang kocht ik de catalogus van het museum, maar niet voordat ik had gecontroleerd of Fille devant un miroir erin stond opgenomen.
Het type spiegel dat is geschilderd, leerde ik uit de catalogus, wordt in het Frans psyché genoemd, het Griekse woord voor ziel. Links zien we de ‘echte’ Marie-Thérèse. Haar gezicht bestaat uit twee helften, één vleeskleurig, de ander fel geel. Deze gespletenheid suggereert een innerlijk conflict en de catalogus heeft het over het conflict tussen de onschuld van het meisje en haar seksualiteit. Dit wordt ook uitgebeeld in het lichaam van Marie-Thérèse, dat tegelijk naakt is en gekleed - en bovendien geeft het schilderij er een soort röntgenweergave van. Ze draagt zowel in het ‘echt’ als in de reflectie een gestreept badpak, waarvan de strepen ook haar ribben kunnen zijn.
De reflectie laat een donker gezicht zien met een doodse blik, een gezicht dat door die donkere kleuren ook een zekere agressiviteit uitstraalt. Is het Marie-Thérèse op latere leeftijd? Of representeert haar spiegelbeeld een donkere kant van haar persoonlijkheid? De kleurige achtergrond, dat het effect van een glas-in-loodraam heeft, geeft het tafereel iets sacraals. Overigens heeft de houding van haar arm wel een gelijkenis met de arm van een kunstenaar die aan zijn schilderij werkt. In deze interpretatie zou Marie-Thérèse haar eigen spiegelbeeld vervaardigen. In dezelfde periode waarin Picasso dit schilderij maakte, maakte hij ook de serie tekeningen en etsen die de kunstgeschiedenis in zouden gaan als de Vollard Suite, en waarmee Picasso de verhouding tussen schilder en model, kunstenaar en kunstwerk problematiseerde.
Dit alles was ik me niet bewust bij de eerste kennismaking met het schilderij. Toen was ik overweldigd door het beeld, die de kracht had van een openbaring.
Marie-Thérèse schreef Picasso eens: “Ik hou van je en ik geef je alles wat ik heb.” Ze schonk hem een dochter (Maya, geboren in 1935); vlak na de geboorte van hun dochter kreeg Picasso een verhouding met Dora Maar. Na de dood van zijn vrouw Olga in 1955 deed Picasso Marie-Thérèse nog wel een huwelijksaanzoek, maar na al die jaren weigerde ze met hem te trouwen. In 1977, vier jaar na de dood van Picasso, hing Marie-Thérèse Walter zich op in de garage van haar huis.
(Edwin Fagel)
Thursday, February 16th, 2012
Eva Gerlach - Kluwen
Recensie door Janita Mona
 Eva Gerlach
Al gaan de deuren open, een warm welkom krijgt de lezer die de nieuwe bundel van Eva Gerlach openslaat niet. ‘Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden/ vraag wat je wilt.// Vluchten de levenden, ga ze/ achterna, slacht ze’.
Het leven wordt gevangen en op de slachtbank gelegd. ‘Ontleed’ is misschien een beter woord, want dat is wat er veelal gebeurt in het werk van Gerlach. Haar werkwijze houdt het midden tussen het onderzoekende van de bioloog en het secure snijden van de anatoom. Ze heeft in haar poëzie evengoed oog voor de wratten van padden als voor de onzekere puber die bang is dat hij uit z’n ‘giechel’ stinkt.
Kluwen is een poging om grip te krijgen op een van de meest ongrijpbare aspecten van het leven: het geheugen, de herinnering, wat bewaart wordt en vergeten.
De bundel is het eerste deel van wat de driedelige cyclus Ogen wijdopen moet worden, een motto, een regieaanwijzing gaat de bundel vooraf:
het labyrint
van tijd waarin we naar het midden lopen
of we willen of niet ogen wijdopen
Voor wie in Gerlachs labyrint verstrikt raakt, is geen weg terug; er is geen draad van Ariadne, maar een kluwen, waarin na elke knoop een nieuwe volgt. Want Gerlach is een onbarmhartig dichter, ze spaart niets, wil tot in de vezels doordringen. Als weinig andere dichters kan ze de zweep over de woorden te halen en zo elk sentiment en elk effect eruit te slaan. De eerste reeks ‘Stapvoets’ bijvoorbeeld, gaat over een oude, aftakelende dame, een moeder voor wie het einde nadert en van wie langzaam afscheid wordt genomen:
Ze is een open plek geworden, dood
spreidt zijn jas uit en schrijft ‘gereserveerd’
op oksel ooglid oorlel overal.
Toch is voor tranen geen plaats: het ongemak met de lichamelijke situatie van de oude vrouw en het aanschouwen daarvan wordt genadeloos weergegeven. Daarbij is nauwelijks onderscheid te maken tussen wat werkelijk is en wat droom, wat vroeger is en wat nu - indachtig ook het motto van Augustinus dat tijd voorstelt als een ‘uitgestrektheid van de geest’ en dat aan de gedichten vooraf gaat. Het krijgt vorm in zinnen die soms de adem benemen:
Droom: ik duwde je maar je wou zelf, de stoel
kiepte, je rookte liggend, vloekte, spoog
neptanden, vuur, kots, bloed, ik stond erbij
keek ernaar Vuil kolerelijf ik hang je
boven de trap ik voer je gif ik snij -
Gerlachs gedichten volgen geen rechte weg, maar zijn als een tocht in het labyrint: ze hebben een verraderlijke helderheid, en toch kun je er maar al te makkelijk in verdwalen. Haar zinnen zijn als paden die ineens doodlopen of een haakse bocht maken. Er zijn tal van sporen in te ontdekken, ook naar eerder werk.
Eerder maakte ze ook enkele bundels met gedichten voor kinderen. In de ruime bloemlezing die ze uit haar werk samenstelde, Het gedicht gebeurt nu, stonden die kindergedichten gewoon tussen het volwassen werk. Bijna kinderlijk eenvoudige vragen klinken ook in Kluwen. Op zoek naar de werking van het geheugen worden in de reeks ‘In een jas’ spullen verzameld om te bewaren. Het geheugen als een volgepropte jas:
Niets wegdoen nooit iets verplaatsen.
Kun je dan niets meer vergeten
of is het alleen maar dit dat je niet meer vergeet
de ene kleur rood de ene manier met de bal?
Ergens doet het denken aan wat ook K. Schippers doet, het verzamelen van momenten, ogenschijnlijk onbelangrijke dingen die gedoemd zijn te worden vergeten. Maar waar het Schippers in eerste instantie gaat om het verzamelen zelf, legt Gerlach het proces onder het vergrootglas: wat wordt gezien, wat vervolgens bewaard en hoe mengt zich dat in het dagelijks leven.
‘[H]erinnering is niks hoe helder ook’, schrijft ze ergens. Dat neemt niet weg dat Gerlach aan de hand van (herinneringen aan) kleine, concrete gebeurtenissen, zo banaal als een blauwe nagel door de klap van een autodeur, leven en dood, zijn en niet meer zijn, haarscherp aanschouwelijk maakt.
Draad
Ik loop op de weg die zich doorknipt, mijn been leest het zwart.
Al het zien zien zien, waar is het goed voor,
wat is er dat ik zie dat ik niet weet,
wat ik niet zie vul ik in, ik merk geen verschil.
Ik loop op de weg die zich doorknipt, ik dek één oog af.
Wat ik weet hoef ik niet te vergeten,
je hals, je hand met het vismes, je zilveren oksel
of je gekreukte ooglid, je korrelige oogwit.
Ik zie de richting alsof ik een draad door een naald steek.
Knipt de weg zich in tweeën, loop ik door op geenbeen.
Eva Gerlach - Kluwen. De Arbeiderspers. 104 pagina’s, € 18,95 ISBN 978 90 295 7597 3
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.
Tuesday, February 14th, 2012
[2]

In het eerste deel van deze bijdrage heb ik een poging ondernomen de aanwezigheid van Antjie Krog in Nederland (en Vlaanderen) in kaart te brengen. Daarbij heb ik aandacht willen besteden aan (1) de Nederlandse vertalingen van Krogs poëzie (en proza) en (2) de aanwezigheid van Krog op podia (o.a. Geletterde mensen, Saint Amour, Wintertuinfestival), in interviews en als medewerker aan literaire periodieken, op een evenement als Gedichtendag. Op grond van deze materiaalverzameling, voor punt 2 uiteraard niet-exhaustief, is mijn belangrijkste stelling dat Krogs poëzie sinds de uitgave van Om te kan asemhaal (vert. Robert Dorsman, Atlas 1999) bijna systematisch beschikbaar is in Nederlandse vertaling. Antjie Krog als performer en maatschappelijk betrokken stem in en over Zuid-Afrika is ook zeer aanwezig op het publieke forum.
De poëziekritiek in de Lage Landen blijft daarentegen in gebreke, indien we rekening houden met het aanzienlijke corpus van vertaalde gedichten en de renommee die Krog internationaal geniet.
Na de presentatie van het materiaal (vertalingen en optredens) wil ik de stelling – ‘Krog geniet voor het Nederlandse publiek meer bekendheid als maatschappijkritische opiniemaker (en performer) dan als schrijver van dichtbundels’ – in dit tweede deel verder toelichten. Het overzicht van literaire kritieken zal zonder twijfel lacunes vertonen. Vandaar de oproep onderaan de bibliografie. Het corpus is samengesteld op basis van de databanken BNTL (Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap), BLTVN (Bibliografie van de Literaire Tijdschriften in Vlaanderen en Nederland) en het knipselarchief van Poëziecentrum (Gent), en na googlen naar e-zines en gedigitaliseerde boekenrecensies. Meer obscure en dus minder gelezen publicaties liet ik achterwege. Ik richt me in hoofdzaak op landelijke dag- en weekbladen en literaire periodieken.
Verkennend receptieonderzoek

Ter gelegenheid van de uitgave van Om te kan asemhaal heeft Erica Jong op de geesteswetenschappelijke webstek LitNet een van de meest uitvoerige beschouwingen over Krogs poëzie geschreven. Naast een interview met Krog door Arjen Fortuin heeft ook Arie van den Berg een recensie in NRC Handelsblad gepubliceerd (januari 2009). Méér reacties op de bloemlezing zijn me trouwens niet bekend. In Jongs bijdrage wordt de positie van Antjie Krog in Nederland als volgt belicht: “Krog is geen volslagen onbekende in Nederland. In 1977 ontving ze de Reina Prinsen-Geerligsprijs voor Mannin en Beminde Antarktika. In 1992 was ze te gast bij Poetry International, en in 1998 gastschrijver van het Nederlands Architectuurinstituut en Poetry samen. Haar gedichten verschenen in De tweede ronde en Tirade, en ze schreef columns en artikelen in het Nieuw Wereldtijdschrift, de NRC en Trouw. Op 20 maart 1999 trad ze op tijdens de Utrechtse Nacht van de poëzie, na Elisabeth Eybers (1990) en Breytenbach (1996)”. Verder wijst Jong op affiniteit met het werk van Hugo Claus en Lucebert.
Eén jaar na de verzamelbundel Om te kan asemhaal en twee jaar na de Afrikaanse editie is Kleur komt nooit alleen niet onverdeeld gunstig gerecipieerd in Nederland. In enkele door mij getraceerde besprekingen is vooral de ideologische dimensie van het dichtwerk in de verf gezet (in de trant van “overwegend politiek geëngageerde poëzie”; Koefoed, 2006). Op enkele particuliere websites (zoals De Recensent) doet Milla van der Have) afbreuk aan de Nederlandse vertaling van Dorsman en, naar analogie met Ludo Teeuwens kritiek op Gerrit Komrij’s bloemlezing Ik herhaal je met gedichten van Ingrid Jonker, aan de tweetalige opzet van ook deze tekstuitgave. Het is een kritische opvatting die je in besprekingen van uit het Afrikaans vertaalde poëzie wel vaker tegenkomt. Jan Deloof, bijvoorbeeld, heeft in Ons Erfdeel het verlies bij de Nederlandse vertaling van Kleur kom nooit alleen nie expliciet aangekaart: “Die getrouwe Nederlandse vertaling bewijst weliswaar goede diensten bij het exploreren van de gedichten in het Afrikaans, maar is hopelijk niet bedoeld als een poëtische tegenhanger. Daarvoor verliest dit Nederlands, met al zijn doffe lettergrepen en hier en daar uitgesponnen omschrijvingen, te veel aan gebaldheid en trefkracht”. Afgezien van dergelijke vertaalkundige oprispingen loven beide recensenten Krogs “meester[schap] van de taal” en de “flitsende, veel verzwijgende notities”.
In Poëziekrant heeft Kleur komt nooit alleen méér aandacht gekregen. Er is een uitvoerige bijdrage van Luc Renders, waarin Om te kan asemhaal en Kleur komt nooit alleen centraal staan. In zoverre ik het kan nagaan, is dit de meest onderbouwde tekst over Krogs poëzie in het Nederlandse taalgebied. Daarnaast noteer ik een tekst van Ingrid Glorie die in strike zin geen recensie van de bundel is. In de rubriek ‘De lezer’ contextualiseert en bespreekt zij vanuit een intertekstueel perspectief het gedicht ‘vanweë die verhale van verwondes…’. De brontaaltekst, ontleend aan Country of my skull (1998), staat onder de rubriektitel afgedrukt en ook in haar benadering van de tekst worden overwegend de ideologische lagen in de tekst aangeboord.

De volgende vertalingen van Krogs dichtbundels, met name Liederen van de blauwkraanvogel, Wat de sterren zeggen en Lijfkreet, zijn op enkele stukjes na niet echt grondig besproken in de Nederlandse dag- en weekbladkritiek en op poëziesites. Naast een bespreking over Liederen van de blauwkraanvogel van Rob Schouten voor Vrij Nederland zijn er mij ook recensies bekend van Ena Jansen in Trouw en Luc Renders in Poëziekrant. Het zal in het licht van mijn essay wellicht geen toeval zijn dat Renders in hetzelfde nummer van het poëzieblad Krog “als bruggenbouwer” presenteert (‘Schrijven aan een nieuw Jeruzalem’). Ludo Teeuwen heeft aan Liederen van de blauwkraanvogel een korte bijdrage gewijd in De Standaard. In zijn dubbelrecensie van Krogs bundel en Riana Scheepers Met de taal van karmozijn (2004; Met die taal van karmosyn, vert. Jooris van Hulle) merkt hij op dat Antjie Krog “een van de veelzijdigste Zuid-Afrikaanse schrijfsters” is, onder meer omdat zij in de bundel “de wereld van de magie [van de Bosjesmannen]” weet op te roepen “en wat nazindert, is het kloppende hart van de natuur”.
Over Wat de sterren zeggen, een tweetalige editie (Afrikaans/Nederlands) met een keuze uit de poëzie van Antjie Krog (aangevuld met een luister-cd waarop de auteur enkele gedichten voorleest), noteert Joop Leibbrand: “[Ze] proeft […] de woorden, fluistert ze, verbijt ze, acteert ze, beeldt ze uit in een ongelooflijk rijk palet aan klanken en dat alles zonder enige terughoudendheid”. Van de bundel Lijfkreet is me alleen een recensie van Peter de Broer in Trouw bekend.
Voor een literaire persoonlijkheid met groot internationaal aanzien is het wellicht merkwaardig te noemen dat de Nederlandse critici zo relatief weinig belangstelling weten op te brengen voor Krogs vertaalde poëzie.
Alle verhoudingen in acht genomen, dat wil zeggen rekening houdend met Gedichtendagbundels die de afgelopen jaren door Nederlandse en Vlaamse auteurs zijn geschreven, heeft de Gedichtendaguitgave Waar ik jou word in de gedrukte en digitale poëziekritiek ook weer weinig reacties teweeggebracht. Dit zegt uiteraard méér over de stand van de hedendaagse poëziekritiek dan over Krogs dichterschap. Misschien kan een oorzaak voor de geringe aandacht voor Krogs Gedichtendagbundel worden gezocht in het gegeven dat de bundel gedichten omvat die eerder al in Om te kan asemhaal, Kleur komt nooit alleen en Lijfkreet is uitgegeven.

De volgende bundel, Hoe zeg je dat (2010), een nieuwe ruime keuze uit de poëzie van Antjie Krog (van Dogter van Jefta tot Waar ik jou word), kreeg daarentegen meer aandacht. Naast Theo Hakkert in Het Parool heeft Erik Menkveld, toentertijd directeur van Poetry International, in de Volkskrant een panoramisch overzicht van Krogs dichterschap gepubliceerd. Ook hier komen de Waarheids- en Verzoeningscommissie (TRC) en het politieke engagement uitgebreid aan bod. De doorbraak van Antjhie Krog in Nederland, na haar vroege entree ter gelegenheid van de bekroning met de Reina Prinsen-Geerligsprijs, wordt door de recensent gesitueerd in 2000. Dat wil zeggen naar aanleiding van de Nederlandse editie van De kleur van je hart.
Voorlopig wil ik deze tussentijdse conclusie formuleren. De beperkte media-aandacht voor Waar ik jou word zegt iets over de stand van de poëziekritiek in Nederland (en Vlaanderen), maar evengoed over de relatief gesproken mindere renommee van de dichter Antjie Krog in ons taalgebied. Robert Dorsman liet me weten dat Krogs poëzie goed verkoopt en dat haar optredens druk worden bijgewoond maar dat de kritiek de (vertaalde) Afrikaanse literatuur makkelijk voorbijloopt. Er zijn verhoudingsgewijs inderdaad méér interviews met Antjie Krog op te sporen dan dat er boekenrecensies zijn.
Een onderzoeksvoorstel: comparatieve receptiestudie
Het is mij niet bekend of een soortgelijke receptieverkenning is ondernomen naar de aanwezigheid van de dichter Antjie Krog in het Angelsaksische taalgebied. Enkele teksten zijn ofwel door de auteur eerst in een Engelstalige editie of zelfs simultaan in het Afrikaans en het Engels gepubliceerd (zoals Country of My Skull, Kleur kom nooit alleen nie, Down to My Last Skin, A Change of Tongue, Die sterre sê “tsau”/ Xam-gedigte van Diä!kwain, Kweiten-ta-//ken, A!kúnta,/ Han≠kass’o en // Kabbo en Verweerskrif). Vanuit een comparatief standpunt kan het mijns inziens revelerend zijn de aanwezigheid (zowel de presentie als de receptie) van Krogs literaire werk in ook andere literaire systemen en taalgebieden te onderzoeken.
Ingrid Glorie besluit haar essay over Komrij’s bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie met twee overwegingen. De eerste is dat de bloemlezing in Nederland zo succesvol is door “het Komrij-kwaliteitskeurmerk”. Zij stelt: “Het is niet aan een plotselinge massale belangstelling voor de Afrikaanse poëzie te danken dat zoveel mensen het boek hebben gekocht, als wel met bepaalde verwachtingen die alleen al gewekt worden door het feit dat Komrij’s naam op het omslag staat”. Op basis van de casus Antjie Krog kan ik instemmen met deze opmerking. Het is niet omdat een auteur in het eigen nationale circuit (in dit geval het Afrikaanse en Engelse taalgebied van Zuid-Afrika) een onomstootbare reputatie geniet dat ook in andere taalgebieden en literatuursystemen de literaire persoonlijkheid, en dus de literaire productie (in vertaling), op grond van dezelfde criteria worden gewaardeerd. Mijn vaststelling is dat Antjie Krog in de Lage Landen toch op meer extraliteraire merites wordt in beeld gebracht. Ik vergelijk met de wijze waarop in de academische literatuurkritiek in Zuid-Afrika aandacht wordt besteed aan ook andere facetten van Krogs literaire productie.
Een tweede conclusie van Glorie deel ik veel minder. “Komrij [is erin] geslaagd […] om de Afrikaanse poëzie in Nederland opnieuw op de kaart te zetten”. Daarmee doelt Ingrid Glorie op ”de Nederlands-Afrikaanse canon”, de evergreens die bij een Nederlands publiek herinneringen of zelfs herkenning oproepen. Indien de implicatie van deze stelling is dat hedendaagse Afrikaansschrijvende dichters door bemiddeling van vertalingen makkelijker weerklank krijgen in het Nederlandse literatuurlandschap, zou ik dat op basis van mijn casus en uitspraken van vertaler Robert Dorsman willen nuanceren.

Mijn verkenningstocht, met de receptie van de poëzie van Antjie Krog in de Lage Landen als kompas, heeft niet opgeleverd wat ik vooraf kon verwachten. Over de weerklank van Krogs poëzie hoefde ik mij geen vragen te stellen, aangezien de Zuid-Afrikaanse auteur internationaal veel waardering krijgt. Boekbesprekingen in toonaangevende Nederlandse en Vlaamse media, in zoverre ze over Krogs poëzie handelen, focussen sterk op de maatschappijkritische présence van de persona pratica . Zoals gezegd is deze casus illustratief voor de stand van de poëziekritiek in het Nederlandse taalgebied. Indien er recensies voorhanden zijn, richten de schrijvers ervan zich toch overwegend op extra-literaire facetten. Antjie Krog wordt neergezet “als zeer gewaardeerde gast”, als stem in het debat over (post)apartheid en het maatschappelijke bestel van Zuid-Afrika, en dus niet in eerste instantie als belangrijke dichter. In de verzamelde besprekingen heb ik zelden een uitspraak genoteerd over verstechnische, thematische, poëticale of andere aspecten van Krogs veelzijdige en rijke dichterschap.
Vermelde bronnen
Deloof, Jan. 2002. ‘Genoeg beredenéérdheid in jou hartstog kry’. Gedichten van Antjie Krog. In: Ons Erfdeel 45(4), 589-591. [Kleur komt nooit alleen] <http://www.dbnl.org/tekst/_ons003200201_01/_ons003200201_01_0137.php>
De Moor, Wam. 2002. Zal ik altijd wit blijven? In: De Gelderlander, 22 Maart. [Kleur komt nooit alleen]
Glorie, Ingrid. 2006. ‘Duizend woorden schroeien mij tot een nieuwe tong’. Over het gedicht vanweë die verhale van verwondes… van Antjie Krog. In: Poëziekrant 30(1), 36-39.
Glorie, Ingrid. 2002. Gerrit Komrij en de Zuid-Afrikanen. LitNet (NeerlandiNet). <http://www.oulitnet.co.za/glorie/glorie8.asp>
Hakkert, Theo. 2010. Ik benoem wat ik voor mezelf onmogelijk vind. Het Parool, 10 Februari. [Hoe zeg je dat]
Jong, Erica. 1999. Om te kan asemhaal – gedichten van Antjie Krog. LitNet. <http://www.oulitnet.co.za/vholland/akrog.asp>
Koefoed, Geert. 2009. Op zoek naar een taal van heelheid en gemeenschappelijkheid. Oerdigitaalvrouwenblad. < http://www.oerdigitaalvrouwenblad.com/pp/story/op-zoek-naar-een-taal-van-heelheid-en-gemeenschappelijkheid> [Hoe zeg je dat]
Leibbrand, Joop. 2005. Poëzie kort. Meander/e-zine. [Wat de sterren zeggen] <http://eerder.meandermagazine.net/recensies/recensie.php?txt=1483&id=>
Menkveld, Erik. 2010. Het wisselen van tampon in een townshiphotel. In: de Volkskrant, 15 Januari. [Hoe zeg je dat]
Renders, Luc. 2004. Gedichten die van ver komen. In: Poëziekrant 28(4), 90-91. [Liederen van de blauwkraanvogel]
Schouten, Rob. 2010. Halfontkleed schreeuwen. In: Awater 9(1), 36-37. [Hoe zeg je dat?]
Teeuwen, Ludo. 1999. ‘Mijn Afrikaans is een politiek statement’. Interview. De woedende gedrevenheid van Antjie Krog. In: De Standaard, 8 April. <http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DEXG28032000_013>
Teeuwen, Ludo. 2004. Woorden als kersen. Vertalingen van Antjie Krog en Riana Scheepers. In: De Standaard, 26 Februari. [Liederen van de blauwkraanvogel] <http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=GC445GHU>
Van der Have, Milla. 2002. Die begenadigde woord. De Recensent, 21 Februari. [Kleur komt nooit alleen] <http://www.derecensent.nl/2000-2004/antjie_krog.htm>
Van der Heide, Lotte. 1998. Als de leugen zich opricht, ruik ik bloed. De rechten van de mens, 3 December. <http://retro.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Mensenrechten/waarheidscommissie.html>
Voor enkele aanvullende bronnen, zie: BNTL en BLTVN. De bibliografie bij deze tekst pretendeert geen volledigheid. Voor het signaleren van aanvullende recensies in ruim verspreide dag- en weekbladen en literaire periodieken ben ik alvast dankbaar.
Vanuit een comparatief perspectief wil ik nog wijzen op de volgende twee studies over Krogs werk m.b.t. actoren in de Nederlandse literatuur:
Van Zyl, Dorothea. 2009. Grensoorskrydende passie in die poësie van Antjie Krog en Anna Enquist. Vroueverskynsel, konvensie of vernuwing?
Van Niekerk, Jacomien. 2009. Twee digters op die podium. Performatiwiteit in die oeuvres van Antjie Krog en Tom Lanoye.
In: Foster, R. & T’Sjoen, Y. & Vaessens, T. (reds.). Over grenzen/Oor grense. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie. Leuven/Den Haag: Acco, resp. 109-127 en. 319-332.
Met dank aan Stefaan Goossens van Poëziecentrum (Gent).
Endnotes
In een paratekst bij het lange gedicht ‘skryfode’ (in Kleur kom nooit alleen nie) worden Hugo Claus en Charles Ducal expliciet genoemd.
Ingrid Glorie heeft naar eigen zeggen (Versindaba, februari 2012) elk nieuw boek van Antjie Krog besproken, onder andere in het magazine Zuid-Afrika. Voor mijn onderzoek focus ik uitsluitend op poëzierecensies in (landelijke) literaire media. Het samenstellen van een lijst van interviews met Krog, in tegenstelling tot poëziebesprekingen in boekenbijlagen van dag- en weekbladen en in literaire tijdschriften, is bijna onbegonnen werk. Met dank aan Ingrid Glorie.
Aanvullend kan nog worden gewezen op Antjie Krogs aanwezigheid in themanummers over Zuid-Afrikaanse literatuur van Nederlandse literaire periodieken. In het dossier ‘Identiteit in tekst en taal’ (red. E. Jansen) van Armada. Tijdschrift voor wereldliteratuur (mei 2004) zijn in een vertaling van Robert Dorsman en Jan der Haar ‘Nieuwe gedichten’ van Krog opgenomen. In ‘Plaatsen van Afrikaner herinnering’ in De Gids (november-december 2008) is ‘Brentpark march for freedom 1990’ (‘Nieuwe gedichten’) in een vertaling van Dorsman en Van der Haar gepubliceerd.
Monday, February 13th, 2012
DE SIRENE In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.
EN IN HET BEWAREN BEGINT METEEN HET VERLIEZEN
 Eva Gerlach
Er heerst veel snobisme in de wereld en ook in het domein van de poëzie praat een handjevol lezers maar al te vaak een handjevol lezers na. Velen vinden zo’n winkeldochter als een dichtbundel hoofdzakelijk vervelend of truttig. Misschien wel omdat zelfs de meest gerenommeerde dichters haast collectief lijken te investeren in de spoedige teloorgang van hun eigen genre. Betekent dit dat gedichten onmiddellijk de aandacht hoeven te capteren? In het geheel niet. Alleen moeten ze zich zien te bevrijden van hun wereldvreemdheid. En verder hoeven zij eigenlijk niets. Alleen: verbaasd hoeven zij niet te zijn wanneer straks niemand, behalve een verdwaalde poëzierecensent, een doctorerende neerlandicus of een puzzelende academicus ze nog leest. Ik moet toegeven dat dit een bedenking is die ik mij maakte na mijn eerste lectuur van de nieuwe bundel van Gerlach. Vanwege de hoge toegangsdrempel leek ‘Kluwen’ mij wel een heel toepasselijke titel.
Ik liet het niet bij die eerste bedenking. Al snel begon die titel mij te triggeren. Hij is namelijk erg geladen. Hij kan bijvoorbeeld refereren aan de bol garen die Ariadne meekrijgt om te ontsnappen uit het labyrint waarin de dreigende Minotaurus verblijf houdt. Aan de poging om zin te geven aan wat voor verwarring geschapen lijkt. Aan de hele ‘rataplan’, zoals de dichteres een van haar cycli betitelt, de rataplan die tot een boedelinventaris noopt: dat rommeltje waaruit geen mens nog wijs kan raken, is natuurlijk noch min noch meer het leven. En dan is er nog de cover van de bundel, een foto van een warrige, in zichzelf verstrengelde plant die zich waarschijnlijk laat identificeren als ‘tumbleweed’, ook al de titel van een van de cycli. De dichteres beschouwt het geheugen ten overvloede als een instrument om aan de warwinkel te ontsnappen en om - zoals zo vaak - orde te scheppen met assistentie van de poëzie: ‘(…) ik weet / niet wat ik zing tot het gezongen is.’ Het is het schrijven zelf dat het denken genereert. Weer eens is het lied slimmer dan de zanger.
Maar in de eerste plaats gaat het hier om ‘de dood, de dood en de dood’. Over wat er in onze herinnering al dan niet blijft van wie gestorven is. Over vergeten worden en vergeten zijn. ‘Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden (…)’: zo lezen wij al in het aanvangsgedicht. En ook in ‘Bloedbal’, de slotcyclus, reutelt het dat het een lieve lust is. De vele bespiegelingen over de dood impliceren natuurlijk ook een meditatie over de tijd. Een motto van Augustinus accentueert dit: ‘Zo ben ik gaan denken dat de tijd niets anders is dan een uitgestrektheid. (…) Het zou me verbazen als het geen uitgestrektheid was van de geest en van hem alleen.’ In die zin zijn de doden misschien niet echt dood, maar blijven zij, ontdaan van hun lichaam, juist springlevend in de geest. Want Gerlach heeft zo haar bedenkingen bij dat lichaam waarvan zij meermalen lijkt vervreemd.
Deze bundel is opgezet als een met mathematische precisie geconstrueerde doolhof. Zo begint hij met acht samenhorende gedichten (om preciezer te zijn: één plus zeven), terwijl hij ook eindigt met een cyclus van acht. De tweede en de voorlaatste bevatten er vijf; de derde en de derde laatste acht; de vierde en de vijfde evenals de vierde laatste elf; en de zesde, de zevende en de achtste telkens drie. Het kan nauwelijks toeval zijn. De dichteres beweegt zich weloverwogen en als het ware spiraalsgewijs naar de kern toe. Dit centripetale streven is ook merkbaar in ‘Toba’, een van haar helderste gedichten. Het handelt over een meer op Sumatra dat is ontstaan door de uitbarsting van een supervulkaan zo’n vierenzeventigduizend jaar geleden. Gerlach laat dat meer in al zijn uitgestrektheid coïncideren met een tot in het oneindige uitdeinend lichaam: ‘Ik zal vinden wat ik wil, het meer en / meer, lichaam uitspanselwijd / over het volle oppervlak gespreid (…).’ Het is een essentiële ervaring die haar aan de tijd lijkt te kunnen ontrukken, maar die dra vergeten wordt wanneer zich om halfzeven ’s ochtends de ontnuchterende realiteit met al haar teloorgang weer aandient.
Die teloorgang. Het verwondert mij niet dat hier opvallend veel aandacht heerst voor ontlasting, zeg maar voor pis en poep, die bij uitstek verwijzen naar die dood: ‘pissend tegen de tijd’. Wat een mens uitscheidt, vestigt scherper zijn aandacht op dat definitieve afscheid. Er zit wel meer verval in Gerlachs bundel. De aftakeling van het brein, bijvoorbeeld, in ‘Stapvoets’, een cyclus die over een dementerende vrouw gaat en waarin een aardig contrast wordt opgeroepen met het motto van A. Roland Holst dat eraan voorafgaat: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven.’ De traagheid van mevrouw Stapvoets is namelijk van een heel ander allooi, ontbeert die gratie, heeft alles met verwarring te maken en met zichzelf niet langer in de hand hebben. Ook haar taal is in de war: ‘Rat! een walsje, ik klim op je voeten / kom hou me vast neem me mee, ik kan iedereen zijn’.
Het is de dichteres al vanaf haar eerste vers te doen om de grenslijn tussen leven en dood. Zij vraagt zich af op welk moment iemand nu eigenlijk niemand wordt. Zij citeert zelfs Odysseus, die haast onsterfelijke reiziger, wanneer hij zegt dat zijn naam Niemand is. De vraag is wat er aan het eind van ons overblijft? Er is het lichaam verpakt in een jas en de route die dat lichaam aflegt van ergens naar nergens, van thuis naar uithuizig. Die jas lijkt een metafoor voor het enige bestaan waarbij Gerlach lijkt te zweren: ‘Zeg: een jas is voldoende. / Meer dan in een jas past wil ik niet hebben.’ En verder schrijft ze: ‘Leg het hart van de dode naast alles / wat hij in zijn jas bewaard heeft.’ Wat wij in onze jas bewaren staat voor wat wij hier dag na dag realiseren. Is dit voldoende om het leven zinvol te laten wezen, dan slaag je er in zekere zin in te overleven: ‘Als alles gelijk is gebleven / begint in de verte de dode / voorzichtig te lopen.’ Maar Gerlachs opinie over de grenslijn tussen leven en dood blijft getekend door onzekerheid. Niets is herstelbaar. Je kunt de geheugenfunctie niet echt op reverse zetten en scherven kun je niet echt weer heel maken. ‘(…) in het bewaren begint meteen het verliezen,’ lezen we.
‘Kluwen’ is een dichtbundel waarvan de kwaliteit minstens evenzeer in zijn ingenieuze constructie ligt als in zijn losse gedichten, die niet altijd even bevattelijk zijn. Maar wie in deze tijd nog geduld voor poëzie wil opbrengen, wacht een royale beloning.
Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden
vraag wat je wilt.
Vluchten de levenden, ga ze
achterna, slacht ze, je krijgt
wat je wilt, vang hun bloed in een zak, steek een spons
op de plaats van hun hart, zeg de spreuk:
‘Onverzadigbaar hart, ga niet over rivieren!’
Geen van hen zal de Lethe oversteken.
Pis op wie tegenwerkt, sluit de deur weer en wacht.
Eva Gerlach
___________________
EVA GERLACH
Kluwen
De Arbeiderspers, 101 blz., 18,95 euro
AANTAL STERREN:
****
Friday, February 3rd, 2012

Erik Spinoy
Deze bespreking van het gedichtendagessay 2012 van de hand van Erik Spinoy verscheen eerder al in De Standaard der Letteren.
Luuk Gruwez. DE LAATSTE DER AZTEKEN
Het zijn barre tijden voor het genre poëzie. Dreigt de teloorgang? Volgens Erik Spinoy, schrijver van ‘As/zteken’, het jongste gedichtendagessay, is die allerminst ondenkbaar: ‘Poëzie is in Nibelungenachtige nevelen ontstaan. Poëzie zal dus, in een toxische apocalyps, beslist ook een keer verdwijnen. Volgens sommigen ligt dat moment (…) misschien niet eens meer zó ver van ons vandaan.’ Ook dit staat er: ‘De nakende verdwijning of op zijn minst de complete marginalisering van de poëzie valt niet uit te sluiten.’ Poëzie is inderdaad zijn maatschappelijke prestige kwijt en krijgt nauwelijks nog aandacht op scholen, in kranten en weekbladen.
De auteur buigt zich al in het tweede van zijn eenentwintig korte hoofdstukjes over de wisselende waarde die men aan een auteur toekent tot er uiteindelijk iets als een consensus ontstaat. Hij vernoemt daarbij Louis Paul Boon als schoolvoorbeeld. ‘Eén oordeel is het dominante geworden,’ schrijft hij. Wie daarvan probeert af te wijken dreigt zich te excommuniceren, ook al is geen enkele consensus zaligmakend. De geschiedenis van de poëzie is in hoge mate een van dichters die in tegengestelde discoursen het gelijk aan hun kant proberen te krijgen. Herman de Coninck (over wie hier wordt beweerd dat hij aan het eind van de twintigste eeuw als geen ander de Vlaamse poëzie naar zijn beeld en gelijkenis heeft geboetseerd) eigent zich op deze wijze het nieuw-realisme toe, net zoals Spinoy zelf dat in zekere zin met het postmodernisme doet door er juist afstand van te nemen. Postmodernist is hij eigenlijk in hoofdzaak door het feit dat hij zich tegen dat etiket afzet. Want wordt hij doorgaans als dusdanig omschreven, hij ziet zichzelf veeleer als een romanticus, in zijn definitie niet zozeer iemand die zweert bij de renovatie, maar bij de negatie, iemand die in opstand komt tegen het aangepaste en - zoals dat hier herhaaldelijk heet - ‘in het ongebondene gaat’. ‘Met de romantiek is iets fundamenteels in de poëzie voorgoed veranderd,’ schrijft hij. Het gaat hem hier niet zozeer om een historische stroming, maar om een proces van voortschrijdend inzicht. Hij adstrueert zijn stelling aan de hand van gedichten van Claus, Faverey, Dickinson en Gezelle.
Kon je de zogenaamde ‘postmodernen’ destijds misschien enig sektarisme aanwrijven, dan is hier duidelijk dat Spinoy daar wars van is. Bovenal omschrijft hij poëzie als iets lichamelijks, als iets dat zich op het riskante af laat inspireren door onze diepste drift. De dichter is iemand die voor insubordinatie gaat, die zich ontdoet van de conventies waarnaar men hem probeert te kneden, het askruis van zijn voorhoofd wist en zich als een Azteek weigert te onderwerpen. Die nadruk op het lichamelijke leidt soms tot aardige constataties, bijvoorbeeld daar waar hij een affiniteit ziet tussen Gezelles gedicht ‘Ego Flos’ en het ‘Je t’aime moi non plus’ van Serge Gainsbourg. Ondanks diens reactionaire ideologie, ziet hij Gezelle als de ‘Gainsbourg van de neogotiek’. (Spinoy is een par keer niet vies van spitante, maar misschien wel ware beweringen. Bijvoorbeeld waar het om de tanende interesse van media en overheden voor poëzie gaat. Hij stelt vast dat de provincie West-Vlaanderen hierop een uitzonderig vormt en voegt daar kwansuis aan toe dat het daar is dat de bakermat van half dichtend Vlaanderen gelegen is.)
Al dreigt poëzie onmogelijk te worden, toch beweert de auteur dat ‘haar onmogelijkheidsvoorwaarde tegelijk haar mogelijkheidsvoorwaarde’ is. Of om het simpeler te stellen: uit het onmogelijke wordt het mogelijke geboren. Hij beëindigt zijn essay dan ook met een onversneden eloge aan de dichter, die laatste der Azteken: ‘Saluut daarom aan de dichter, aan zijn lezer: eeuwige Azteek, niet te stuiten zombie. Geest die niet uitgedreven raakt.’
Het is onmogelijk om dit rijke essay, dat nog over zoveel meer gaat, binnen een kort bestek als dit recht te doen. Een enkele keer klinkt het te wollig en te academisch en is het te frequent gelardeerd met termen uit het Engels, het Frans of het Duits. De titel klinkt bovendien wat geforceerd inventief. Maar voor de rest is het gedichtendagessay 2012 een ‘grand cru’ en bevat het een visie die uiterst verdedigbaar is en niets dan applaus verdient.
(Luuk Gruwez, 2012)
|
|