Wisselkaarten

Job Degenaar. Twee gedichten

Saturday, March 17th, 2018

Twee gedichten

 

Hoog uitzicht op dit leven

 

Er lag gestapeld hout dat gloeide

de zon verwaasde achter de bergen

we dronken nostalgisch op het geluk

 

en bleven zitten, licht beroesd

de avond werd vanzelf nacht

Boven ons installeerde zich

 

een ontregelend decor van sterren

tokkelend op ons netvlies, soms

doorkruist door stille satellieten

 

de lichtpijlen van hemelsteen

en het nabij geknipper van

zacht snorrende vliegtuigen

 

Toen was ‘t voor ons, stervelingen

weer mooi genoeg geweest

en omsingelde grondmist ons

 

een ging op Facebook

een ander rolde een sigaret

en blies vraagtekens de ruimte in

 

In de verte, vanuit het duister

loeiden herten

hun oude blues

 

*

 

Vluchteling

 

Vrij de lucht waarin wie vliegt

een niet verscheurde wereld ziet

van wolken, wisselend van vorm

en kleur, en aanzuigend hemelblauw

 

en onder zich een landschap

dat gaandeweg verandert

en wat daarin beweegt

verandert van nature mee

 

Maar down to earth is vrijheid toeval

en wie op drift is voor een oorlog

is als een kever die een zandhoop

over wil, maar terug- en op z’n rug valt

 

En soms schuift een opperwezen

dat zijn gespartel gadeslaat

hem nog een zandstorm toe

wanneer hij bijna boven is

 

(uit: Hertenblues)

 

© Job Degenaar / 2018

Hans C. ten Berge. Drie gedichten

Tuesday, February 20th, 2018

PUTSONDERWATER

 

De trein hield stil,

ik stapte uit.

 

Een schim gleed langs een muur,

een wiel wees op een ossewa.

 

Putsonderwater

 

Vlek van dode huizen, leven

dat vervloog, de stationstuin zonder rozen.

 

Hitte drukte mij tegen de grond,

droogte vrat aan gapende kozijnen.

 

Geen tijd geklokt,

geen mens gezien.

 

Een schroeiwind zong

door nutteloze draden.

 

Oude kranten op een kale vloer,

de foto van een trekboer zo gelaten aan de wand.

 

Steil en trots staat hij

in de vreze gods op uitgemergeld

 

land, waar zelfs ratten kwijnden

en geen buizerd iets te muizen had.

 

Ik stapte in,

de trein vertrok

 

naar waar niets was –

Koegrabie, Kleinbegin.

 

De leegte was hier god

tot Upington, waar een rivier

 

zich eindeloos in bochten wrong

om ver, ver naar het westen                                                   .

 

voorbij Jakhalsbergen

op te gaan in oceanisch blauw.

 

*

 

HALFMENS BOOM

 

Op de rand van al wat

bijna niet meer leeft,

door vier wielen aangedreven, stapvoets

door het puin, over godverlaten

en vergruisde wegen – woestenij

waarvoor geen taal bestaat –

stuit je op een slungel van vier meter,

tors vol wratten en een vreemde pruik

als schedeldak: de halfmens boom

geworteld in gesmoorde aarde,

zonder armtak, beenprothese, bladertooi,

drinkend van gedroomde wateren

of ochtendlijke dauw door nevels

in de nacht hier neergeslagen.

 

Dit is het leven rauw:

land en lijf verzengd, de geest

vernauwd en prijsgegeven aan de leegte.

Glijdt een slang over de keien,

klemt een haviksklauw zich om een prooi,

spurt een klipspringer staccato door het veld.

Hier en daar een halfmens op een helling,

kaarsrecht of gekromd, een gestalte

zonder handen die verdorst, op halve kracht,

de loden zonnegloed weerstaat.

Net voor de avondval en het sublieme van een sterrennacht

doemt daar de grensrivier: een veerman,

blind en stug, wacht op de late reiziger

die hij voor ‘n sopie of ‘n dollar overzet.

 

*

 

DE TOCHT NAAR MONTAGU                                  

voor Francis Galloway

 

Iemand zei: Drijf de beulen

terug in het duister

Denk niet dat de tijd ons iets leert.

 

Je schrok op uit een moment van onoplettendheid

De Klein Karoo trok aan het oog voorbij,

de wagen klom en daalde

over uitgehakte wegen

Hitte, stof en uitgestrektheid

Soms een pick-up die passeerde zonder groet

 

Gesprekken die in de verlatenheid

geen einde mochten nemen –

Over krachtige vrouwen en hoofdige boeren,

over stugge maar onweerstaanbare taal

Een Kimberley voor kaartlezers

die zich verlustigen in namen: zie

Verneukpan, Modderspruit, Verraaiersnek

 

Terwijl je zelf niet stilstond

liep de tijd nog sneller

dan je hartslag deed vermoeden.

Wat voorheen de pas naar hier

had afgesneden, wortelde

in een nabij en alweer ver verleden

 

Zag je die apenrots niet eerder of elders –

Lag daar de boerenplaats waar Breytens oupa in een peperboom verkwijnde?

Wilde je in Swellendam of liever bij de warme bronnen wonen?

Dacht je aan de oceaan, het schitterlicht in kreken, baaien –

hoe de wind vanaf Antarctica

de schuimkraag van de branding streek,

hoe het zou zijn een laatste toevlucht

op een rots te bouwen?

 

Na Kogmanskloof de wijn, het avondmaal, de rode

zon die laag over de tafel scheerde

 

Al wat mogelijk leek

en toch niet kon

 

Al wat eeuwig was

en toch een einde nam

 

Het woord, de mond, de bron

die de bezwaarde geest een uur of wat verlichtte

 

Er schemerde iets voor je ogen

dat zich niet zomaar gewonnen gaf

Iets buigzaams dat onbreekbaar scheen.

 

Vermoeid zwikte een wijnglas door zijn voet

Een waas versluimerde je blik

Het was die dag gedaan

 

Iemand zei: Wat voorbij is

breekt ons morgen op.

En jij in de al bijna lege zaal:

Een maïsgele maan bestrijkt bergen en dromen.

Drijf de beulen terug in het duister.

De dageraad komt als een duif in bruidswit aangevlogen.

 

© Hans C. ten Berge/2018

Hans C. ten Berge

HCtB / beknopte bio-biblio

Hans C. ten Berge is dichter, prozaschrijver, essayist en poëzievertaler. Richtte in 1967 het tijdschrift Raster op, waarvan hij tot 1973 de enige redacteur was. In 2003 ontving hij de A. Roland Holstpenning voor zijn poëzie. Zijn gehele oeuvre werd bekroond met de Constantijn Huygens- en de P.C. Hooftprijs (resp. in 1996 en 2006). De poëzie tot 1993 werd verzameld in Materia Prima. In 2014 verscheen Cantus Firmus, gedichten 1993-2013, gevolgd door Splendor in 2016.

Recente prozatitels: Blauwbaards ontwaken (roman, 2003), Ontluisd verleden (vijf novellen, 2006), Voorbeeldige vertellingen en hun versluierde betekenis (45 mythen en hun achtergronden, 2009), De stok van Schopenhauer (documentaire roman, 2012) en Een spreeuw voor Harriët (essays, dagboekbladen, veldnotities, 2018).

 

 

Bert Bevers. Huiswaarts

Friday, February 9th, 2018

Huiswaarts

Bij Twin Peaks – The Return van David Lynch

 

Luister naar de geluiden. Het kan nu niet meer

allemaal hardop gezegd worden. Iemand is hier.

Ik heb het gevoel dat ik  mezelf ken, maar soms

buigen mijn armen zomaar naar achteren.

 

Is dit de toekomst, of het verleden?

 

Dit is het water. En dit is de put. Drink goed

en daal af. Het paard is het oogwit en donker

vanbinnen. Dit is het water. En dit is de put.

Drink goed en daal af. Het paard is het oogwit

 

en donker vanbinnen. Dit is het water. En

 

Er zullen een paar dingen veranderen, want

vroeger en later weet je. Herinner je je alles nog?

Ja. We leven in een droom. ‘Vergezel mij!’

roept iemand, maar misschien is er niemand.

 

Waar gaan we naartoe? We gaan naar huis.

 

 

 

© Bert Bevers, 2018

Yves T’sjoen. Wanneer muren verbrokkelen

Tuesday, January 23rd, 2018

 

Wanneer muren verbrokkelen en dansende ruimten worden. Een gelegenheidstoespraak

 

Maître Breyten, geachte toehoorders,

Laat ik vanuit het verre Gent, alwaar de centrale gast van vanmiddag sinds 2014 de academische titel van doctor honoris causa draagt, hier in cultuurcentrum De Nieuwe Liefde met de spreekwoordelijke deur in huis vallen. Zowel de schilderijen van Breyten Breytenbach met het prominente vogelmotief als het literaire werk met alle beeldassociaties thematiseren het zwerversbestaan, de outsider en de vagebond, beklemming, dood, verval. Maar evenzeer, in de bewoording die de kunstenaar hanteert, “het ochtendlicht, beweging, sociale kritiek, memorie, verbeelding, bewustzijn en geweten”. En natuurlijk de liefde, getuige de verzamelbundel Lady One met “99 liefdesgedigte” (2000). Boven alles construeert Breyten “de Middenwereld-identiteit”. De schrijver en schilder verzetten zich met pen en penseel tegen de conventies en de verstikkende burgerlijke middelmaat. Als reiziger in de imaginaire maar o zo levensnoodzakelijke Middenwereld leiden zijn personages een nomadisch bestaan en zij streven naar individuele ongebondenheid, een vrijheid van denken, spreken en handelen. Belangrijk in het omvangrijke oeuvre is de publicatie van The Middle World Quartet, vier hybride samengestelde bundels met sprankelende en prikkelende essays én poëzie, waarin de schrijver politiek en filosofisch, in teksten bezaaid met persoonlijke notities, gedichten en essayistische beschouwingen, zijn eigen Middenwereld creëert. In essays, zoals verzameld in Parool / Parole. Versamelde Toesprake / Collected Speeches (2015), heeft hij overigens meermaals uitgeweid over de Middenwereld.

Sta mij toe een gedicht te lezen, in een vertaling van Krijn Peter Hesselink, die als sleuteltekst kan worden beschouwd.

Dansen

Het wordt zwaar

deze aarde op te geven

(maar wie of wat gaat weg?)

de verschrikkelijke ruimten van onteigening

altijd voor jou alleen

die donkere heuvel daar

als een kom schemerlicht

met bomen die nog sporen van wind dragen

in knoop en wond en ademwonder

en hier een modderstroom

hellingen en vlakten

en zware begroeiing

elk lijden is afstand –

hoe kun je weten van mensen in de modder?

wat wordt doorleefd? wat wordt gezien, gehoord

of enkel gefantaseerd

en wat doet ertoe?

als muren verbrokkelen

en de ongebreidelde kreet

zich in je ontvouwt

een weergalmende, schemerige bezwering

van dansende ruimten –

een stilte van wind

Het gedicht is de openingstekst van de opstellenbundel Notes from the Middle-World, vertaald door Krijn Peter Hesselink als Berichten uit de Middenwereld, het derde deel van het tetralogie The Middle World Quartet. In de slotregels zit een artistiek-existentieel programma vervat: “muren verbrokkelen” en worden uiteindelijk “dansende ruimten”. Alleen met een eigenzinnige taal kunnen muren van onverschilligheid en starheid worden geslecht. Het woord dat niet zozeer beredeneerd maar vooral zintuiglijk doorleefd is – “de ongebreidelde kreet” in het gedicht – heeft de inspirerende kracht van “een weergalmende […] bezwering”. De dichter Breytenbach is niet alleen een reiziger in woord en gedachten. Hij is bovenal een danser en een “windvanger” – dat is ook de titel van een bloemlezing die hij puttend uit zijn imposante poëzieproductie samenstelde: Die windvanger / The Windcatcher (2007). Intussen is er dat andere boek De zingende hand (2017), met prachtige vertalingen door Laurens van Krevelen. Het zintuiglijke, zingende woord vermag veel op voorwaarde dat de spreker er geloof aan hecht, dat hij erin gelooft, indien de taal “doorleefd” is. Alleen dan kunnen muren verbrokkelen. “[A]ls muren verbrokkelen” gaan volgens het lyrisch subject de ruimten vanzelf aan het dansen. We hoeven dat streven niet uitsluitend esthetisch in te vullen. Het heeft in het geval van Breyten Breytenbach ook een politiek-ideologische, zelfs een ethische en morele implicatie.

De tragische biografisch-anekdotische achtergrond is bekend. Breytenbach is een van de meest notoire blanke antiapartheidsactivisten in de geschiedenis van Zuid-Afrika. De strijd van de politieke activist tegen het perverse Zuid-Afrikaanse apartheidsregime leidde onder meer tot de oprichting van de Franse verzetsgroep Okhela. Breytenbachs inzet voor “mensen in de modder” in zijn vaderland leidde begin jaren zestig tot een jarenlange vrijwillige ballingschap in Europa. Na een terugkeer in Zuid-Afrika zonder visum is hij gearresteerd en veroordeeld tot negen jaar gevangenschap. Van 1975 tot 1982, dus zeven jaar effectief, is Breytenbach door Pretoria opgesloten op beschuldiging van terroristische activiteiten en de schending van een van de vroegste apartheidsdecreten, met name de Wet op het Verbod van Gemengde Huwelike (1949). Hij is immers gehuwd met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst. In 1982 kwam hij onder internationale druk vrij. De autobiografische neerslag van de periode vóór, tijdens en na de gevangenisperiode kunnen we lezen in de naar het Nederlands vertaalde prozatrilogie Een seizoen in het paradijs, De ware bekentenissen van een witte terrorist en Terug naar het paradijs. Breytenbach is een opusschrijven: de titels haken in elkaar, ze versterken elkaar door de talrijke intratekstuele verwijzingen, de vele sleutelmotieven.

Breytenbach is niet alleen wereldvermaard als verzetsstrijder tegen de op racisme en segregatie gefundeerde apartheidsideologie. Daarenboven geniet hij internationale bekendheid als dichter, romancier, essayist, taalactivist en ook als beeldend kunstenaar. Zowel het literaire als het schilder- en tekenwerk krijgen in Zuid-Afrika en ver daarbuiten weerklank. De poëzie en het proza zijn inmiddels in vele talen vertaald.

Wat is zo bijzonder aan het literaire oeuvre dat veelomvattend is, een productie die de afgelopen jaren in omvang en kracht toeneemt. Het artistieke project van Breytenbach houdt geen rekening met voorgeschreven regels. Geïnspireerd door de surrealistische écriture automatique ontwerpt Breytenbach in tekst en beeld een eigenzinnig beeldend en een grotesk-symbolisch geladen universum. De symbolentaal verwijst trouwens niet uitsluitend naar de geschiedenis en de orale tradities van Afrika, rituelen en magie van het Afrikaanse continent, het Zen-Boeddhisme, maar ook naar het werk van vele geestverwanten (naast vele anderen Celan, Cioran, Goya, Lucebert, Tu Fu), in de woorden van Breytenbach “tijdgenoten” in kunst en filosofie.

Breytenbach heeft artistieke disciplines waarin hij bedreven is, poëzie, essayistisch en lyrisch proza, en schilderkunst, ooit omschreven als expressievormen die tot mislukken zijn gedoemd. Gedichten en schilderijen staan met een term ontleend aan Paul Rodenko voor de kunst van het echec. Precies in de mislukking schuilt het onvoorwaardelijk engagement, de krachtige esthetiek en het vastberaden geloof van de dichter en beeldend kunstenaar. In een brief aan de schrijver André Brink, opgenomen in de bundel Met ander woorde / Vrugte van die droom van stilte, en door mij al eerder geciteerd vat Breytenbach dat streven als volgt samen: “[D]ink aan ’n wind; dit wat ons wil vaslê, die essensiële, is die wind, maar al wat ons kan sien en beskryf is die boom – hóé die boom lyk as gevolg van die wind. En so gryp ons die wind. En so probeer ek die stilte te sê”. Zowel het brieffragment als ‘Dansen’ kunnen mijns inziens als programmatisch-metaforische uitdrukkingen van Breytenbachs artistieke streven worden beschouwd. De kunstenaar probeert de afgelopen jaren in almaar méér woorden en gedichten de stilte te zeggen en dus de wind te vangen. De wind is zoals de stilte wendbaar en ongrijpbaar, onzegbaar. Maar dat hij er is, spreekt uit alles wat ons omgeeft, waar wij om geven, waarvan wij leven. De stilte wordt zichtbaar dankzij de taal, de wind is er omdat we de bomen zien.

Een slotbeschouwing. U begrijpt dat ik hier maar vluchtig enkele facetten van de publieke figuur, denker en dichter, aanraak. Als inspirator van het Gorée-instituut in Dakar en in zijn functie van oprichter van het pan-Afrikaanse magazine Imagine Africa brengt Breytenbach vandaag kunstenaars van het Afrikaanse continent en elders in de wereld samen. Hij is vanuit die optiek een bruggenbouwer die culturen met elkaar in contact brengt en kunstenaars en intellectuelen uitnodigt tot aanhoudende reflectie, discussie en uitwisseling van ideeën. Voor mij is Breyten in alle betekenissen van het woord de naam van een dichter, het heteroniem voor hybriditeit, metamorfose, voor wat hijzelf “betekening” noemt. Onlangs nog schreef ik in Ons Erfdeel naar aanleiding van de uitgave van De zingende hand dat Breytenbach al jaren kandidaat is voor de Nobelprijs Literatuur.

Deze tekst is de voordracht die ik op uitnodiging van Mirjam van Hengel uitsprak in De Nieuwe Liefde (Amsterdam) op zondag 21 januari 2018 (16u-17.30u.). Breytenbach las alle gedichten in het Afrikaans, de Nederlandse vertalingen van Krijn Peter Hesselink en Laurens van Krevelen zijn simultaan geprojecteerd op scherm.

© Yves T’sjoen. 2018

Recensie: Nacht en Navel (Yannick Dangre)

Wednesday, January 3rd, 2018

 

De naamlozen een naam geven

Recensie: Luuk Gruwez

‘Geef me jouw naam,’ zo luidt het slotvers van Nacht en navel, de derde bundel van Yannick Dangre. Met dat vers rondt de dichter een problematiek af die al vanaf ‘Naamloos’, zijn aanvangsgedicht, aan de orde is. Het toekennen van een naam aan de naamlozen is een hele bundel lang zijn drijfveer. Dangre heeft opvallend veel aandacht voor structuur. Tussen het eerste en het laatste gedicht (‘Lolita’) zitten vijf cycli van telkens zeven gedichten. Aan het eind wordt duidelijk wie het bindmiddel van deze poëzie is: de jonge geliefde die hij Lolita noemt. Het lijkt wel of de dichter pas door het verwerven van haar naam met haar kan versmelten, waarna er amper nog verschil tussen hem en zijn muze is. Een verademing misschien. Want op het vlak van de almaar spaak lopende liefde, gematerialiseerd in een mislukt huwelijk, is het in hoofdzaak kommer en kwel. Niet alleen in de liefde overigens. Het is uitgebreid nacht in deze verzen, op twee domeinen die een voortdurende kruisbestuiving met elkaar aangaan: dat van het persoonlijke en dat van het universele. Dangre refereert met zijn titel uiteraard aan ‘Nacht und Nebel’, het genadeloze strafpeloton dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in opdracht van Adolf Hitler werd opgericht om verzetsstrijders spoorloos te laten verdwijnen. Het is zijn ambitie schrijvenderwijs in te gaan tegen het verdwijnen en wel op twee fronten: dat van de begrensde binnenwereld rondom de eigen navel en dat van de hem omringende buitenwereld, zoals die in de media op hem afkomt. Het is een van de verdiensten van deze dichter dat hij in zijn bundel ook aandacht heeft voor de maatschappelijke realiteit buiten hem. Veel dichters wagen zich niet op dit heikele terrein vanwege het heersende besef dat nobel engagement zelden altijd tot goede poëzie leidt.

Dangre dicht fraai, maar niet altijd even geslaagd zijn de gedichten uit ‘Toi tu t’appelles Lolita’, de eerste cyclus. Daarin neigt hij soms tot een flauwe woordspeling. Bovendien ontsnapt hij een enkele keer niet aan een potsierlijk beeld, bijvoorbeeld wanneer hij het over ‘hinnikende tepels’ heeft. Soms klinkt hij iets te ronkerig. Maar de toon is gezet: liefde is geen kwestie van rozengeur; zij roept associaties met moord op. De geliefde, met haar hekel aan poëzie, blijkt onontvankelijk voor de woorden waarmee zij wordt bezongen. Waarna de dichter concludeert: ‘(…) schrijf nooit / een gedicht, want het woord is een doolhof  (…).’ De dichter en zijn lief zitten nog in zichzelf gevangen.

Dat wordt heel anders in ‘Moi je m’appelle’, de volgende cyclus: een portrettengalerij waarin mensen die de recente actualiteit hebben beheerst, worden opgevoerd. Zij hebben overduidelijk wél een naam. Velen van hen kunnen aan terreur en oorlogsgruwel worden gelinkt. Omran Daqneesh, bijvoorbeeld, het vijfjarige jongetje dat van onder het puin van zijn huis in Aleppo werd gehaald en wereldberoemd werd vanwege de blik op zijn met vuil en bloed besmeurd gezicht. Of Salah Abdeslam. Of Bashar Al-Assad, in een gedicht waarin hij kapot gaat aan wat men van hem vindt. Of François Hollande, de president van de angst. Aan het eind van de cyclus komt Allah zijn zegje doen. Hij is zijn terroristen behoorlijk beu, neemt het niet dat zoveel misdaden in zijn naam worden gepleegd, voelt zich verkeerd begrepen.

Het blijft nacht. A fortiori in de cyclus ‘Stairway to hell’, een allusie op ‘Stairway to heaven’ van Led Zeppelin. ‘Hoe kun je, vragen lezers mij wel eens / met hun beide voeten in de aarde / van aanslagen, inflatie en betogingen / tegen elke illusie,’ lezen wij. En Dangre wankelt in zijn dichterschap: ‘Soms denk ik zelfs dat ze gelijk hebben (…)’. Maar hij probeert in wat hij schrijft te ontsnappen aan navelstaarderij en aan de erotische dwingelandij van zijn amourettes. Tegen het zoveel imposantere wereldgebeuren, beseft hij, is zijn persoonlijke wedervaren niet opgewassen. Hij neemt zich voor wie op zich misschien onbeduidend is, zijn lezer, groter te maken door hem een andere richting te laten uitkijken dan die van zijn navel, maar blijft sceptisch: ‘(…) ieder mens vergooit zijn leven óf zijn talent.’ Schrijven en leven zijn niet altijd verzoenbaar.

Grote aandacht schenkt de dichter aan het ritueel. Net als in de andere cycli staan ook in ‘Settimana santa’ precies zeven gedichten, één voor elke dag van de Goede Week. De vastentijd loopt op zijn eind, maar zelfs op Stille Zaterdag is de verlossing waarvoor een dag als Pasen staat, nog niet meteen in zicht, al wordt de steen voor Jezus’ graf weggerold en blijkt dat leeg te zijn. God maakt zijn opwachting pas voorgoed in ‘Cidade de Deus’, de slotcyclus waarvan de titel (‘stad van God’) aan de ijzingwekkende Braziliaanse film van Fernando Meirelles en Kátia Lund is ontleend. God is een soort burgemeester van Jeruzalem, Washington D.C., Molenbeek, Parijs, e.a. Het gedicht dat ‘Aleppo’ heet, eindigt nogal defaitistisch met deze regel: ‘Je kunt niet wegkijken van jezelf.’ En in het gedicht over de aanrandingen, handtastelijkheden en diefstallen op oudejaarsnacht in Keulen, dist Dangre de schuldige geilheid op, waaraan ook hij niet ontkomt: ‘Elke oudejaarsavond nog krabbel ik stiekem overeind / uit de pek en veren van mijn geilheid. Dan blink ik / de schaamte op en veeg almaar trager de spons / over mijn lendenen.’ Nog maar eens wordt de problematiek van de wereld met die van de eigen navel verbonden.

_______________________

YANNICK DANGRE

Nacht en navel

De Bezige Bij, 62 blz., 17,99 euro.

Luuk Gruwez

 

Willem M. Roggeman. Twee gedichten

Monday, November 20th, 2017

Willem M. Roggeman

AFVAL VAN TAAL

Het oude huis kent zijn adres niet meer.
Met onsterfelijke ogen ziet het huisdier
hoe de dagen hier ruisend voorbijglijden.
Het najaar ligt al opgeslagen in de tijd.

Een namaakwerkelijkheid ontspint zich.
Een schim vervoegt zich bij de bewoners
en veegt het cement van hun voegwoorden.
Het leven wordt voortaan anders genoemd.

En de dichter, hij ontdooit een versregel
en verraadt hem dan, nog ongeschreven.
Maar zijn beeldspraak werkt bevruchtend,
zijn metaforen smelten in de volksmond

en de rijmwoorden worden heimelijk bewaard
in de stille verlichte kelders van de dichtkunst
waar zij na vele jaren uit elkaar zullen vallen,
niet meer te spellen, niets dan afval van taal.

***

 

Willem M. Roggeman

VARIATIES OP EEN VERS VAN M. VASALIS

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
zo zag ik allen om mij heen verouderen.
De tijd raakte hierbij telkens de tel kwijt
en bespaarde mij aldus iedere aftakeling.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Zoals Villon schreef ik aan een gedicht
over sneeuw van vroeger die verdween
en hoe elk landschap steeds veranderde.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
langzamer dan mijn rusteloze schaduw
die onophoudend rondom mij draaide
terwijl de zon heel snel op en neer ging.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Seizoenen duurden langer dan een jaar,
je zoenen smaakten naar de maneschijn
die de kinderen pijnloos liet opschieten.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Een langgerekt bestaan wou ik verzinnen.
Maar ook al schrijf ik voor de eeuwigheid,
tijd verteert het weefsel van mijn woorden.

Luuk Gruwez. Recensie: als werden wij ergens ontboden (Miriam Van hee)

Sunday, November 12th, 2017

als werden wij eregns ontbodem

STILLEVENS DOEN BEWEGEN

 

Miriam Van hee heeft veel talent voor eenzaamheid. Die inspireert haar en doet haar scherper kijken, niet afgeleid door een medemens. Niet dat zij niet begaafd in samen zou zijn. Samen wandelen, bijvoorbeeld, wijn drinken, deelnemen aan een vertaalworkshop, reizen en nog zoveel meer: daar wordt net zo goed groot enthousiasme voor opgebracht. In alsof wij ergens ontboden werden, haar nieuwste, staan dan ook zowel gedichten die vanuit isolement zijn geschreven, als andere die de weerslag van een grote verbondenheid zijn. Samenkomst en afscheid zijn in gelijke mate aanwezig. Wat die eerste categorie betreft, is de slotcyclus, ‘Lente in Käsmu’, een van de hoogtepunten. Käsmu in Estland: zij verbleef er in een schrijversresidentie. Alleen. Meer van haar gedichten zijn in zo’n residentie ontstaan. Ook op de eilanden Comacina of Texel. Altijd tovert Van hee daarin erg filmische beelden op het netvlies van de lezer. Zij ontpopt zich als een bijzonder sensitief en geraffineerd waarnemer. Zo ook in het gedicht ‘de weekendtrein naar Volchovstroj’: ‘in strepen licht trekt het groen voorbij met vlekken/ van seringen, een gordijn van berkenstammen/ als in droomlandschappen, mensen stappen op met appelbomen en tomatenplanten en / (…)/ op zondagavond keren zij bezweet terug met/ rugzakken en thermosflessen (…)’ .

Kijken is al van bij het motto van Robert Walser het bindmiddel van deze poëzie: ‘Je hoeft niet veel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Het zal inderdaad gaan over de blik en over hoe die tot poëzie kan leiden. Van hee wil alles wat zij ziet, ook al dringt het zich niet erg op, redden uit de klauwen van de vergetelheid door het te beschrijven. Zij legt de dingen die haar omringen een soort verplichte democratie op, weigert ze onder te brengen in een hiërarchie waarin het ene op meer voorrechten aanspraak zou mogen maken dan het andere. Het is de kracht van haar woorden dat zij alledaagsheid minutieus weten te registreren, waardoor die alsnog heel bijzonder wordt, precies omdat de dichter die zij is die misschien vaker dan een doorsneemens als dusdanig ervaart. Het landschap bevat van zichzelf al voldoende dramatiek om zoiets te wettigen. Soms sluipt er ook tragiek in. In het gedicht ‘Koekoek’ doen de dennen haar aan de hoop en de wanhoop in concentratiekampen denken.

Wat opvalt is dat Miriam Van hee vaak indrukken collectioneert door zich te verplaatsen. Het kijken, haar leidmotief, is gelieerd aan haar immense, aan Wanderlust grenzende mobiliteit. Als vanzelf valt daardoor de nadruk op plekken van vertrek en aankomst, afscheid en bestemming, plekken in binnen- en buitenland. In ook daar valt het licht, haar vorige bundel, ging al veel aandacht naar precies dat licht dat de dingen op een speciale manier onthult. Het lijkt wel of zij zich met het zonlicht wil meten. Net als dat laatste zorgt zij ervoor dat dingen zichtbaar worden, maar dan in woorden. Poëzie is een vorm van belichting. Al dan niet bewust wordt gepleit voor een voortbestaan dat door de subtiliteit van het kijken mogelijk moet worden gemaakt. Het verleent dit werk een grotere affiniteit met de schilderkunst dan met de muziek. Maar stillevens zijn haar gedichten niet. Of misschien toch? Stillevens, die, als je maar secuur genoeg kijkt, door de dichter in beweging worden gezet.

Het gaat evenwel om meer dan enkel registratie. In een gedicht als ‘Reis en bestemming’ voegt zij interpretatie toe aan wat zij zo intensief waarneemt. Overal zoekt zij ‘aanknopingspunten’. Bijvoorbeeld als zij het over vogels heeft die op draden met elkaar aan het overleggen zijn en op een teken zitten te wachten om gezamenlijk op te vliegen. Mens en dier krijgen gelijkwaardige aandacht. Misschien benijdt zij hun bestaan omdat dit zoveel vanzelfsprekender dan dat van mensen lijkt: ‘(…) we gissen naar betekenis,/ zij niet en wij vergissen ons (…)’. Er zit in dieren een rustige vastheid die mensen doorgaans vreemd is en die hen immuun maakt voor de wind die de menselijke soort zo vaak ‘huilend doet verlangen’. Interpreteren wat zij ziet: Van hee kijkt daartoe meermalen door een raam. Zij wil de werkelijkheid namelijk omkaderen om haar beheersbaar te maken. Daardoor lijkt het wel alsof zij wil voorkomen dat alles wat zich buiten die raamlijst bevindt, haar gemoedsrust in de weg staat. Ramen zijn er om zich met uitzicht te vullen. Daarbuiten heerst de verlatenheid. Tijdens een wandeling met de geliefde, gaat er op een bepaald ogenblik dreiging uit van de natuur. In de wolken is een donkere grot te zien, mogelijk een metafoor voor de wenkende dood. ‘als werden/ wij ergens ontboden’ schrijft Van hee. Maar voorlopig slagen de ik en haar geliefde erin, solidair met elkaar, weerstand te bieden: ‘het was nog te vroeg’.

De dichter weegt het verre en het dichtbije nauwkeurig tegen elkaar af. Zij doet voortdurend aan positiebepaling, definieert als het ware haar identiteit binnen de grenzen van haar entourage. Dit staat er: ‘gebogen/ over de kaart om te zien waar we waren’. Voortdurend is zij onderweg. Wanneer zij in het gezelschap van een ander is, schept dit een band die erop gericht is de afstand te verkleinen: ‘we voelden ons verbonden/ alsof we wijn gedronken hadden (…)’. Die verbondenheid wil zij ook delen met haar lezer. In wat misschien haar beste bundel tot dusver is.

 _______________________

MIRIAM VAN HEE

als werden wij ergens ontboden

De Bezige Bij, 72 blz., 18,99 euro.

AANTAL STERREN:

****

 

Yves T’Sjoen. Hugo Claus in Stellenbosch. Korte notitie

Tuesday, September 12th, 2017

Hugo Claus

 

Over het publieke optreden van Hugo Claus (1929-2008) in Zuid-Afrika is in vergelijking met passages van andere Vlaamse schrijvers niet zo veel bekend. De meest informatieve tekst is door Daniel Hugo gepubliceerd in South African Theatre Journal (mei-september 1997). Recent stelde Hugo enkele persoonlijke herinneringen op schrift.

Claus nam in 1997 deel aan een schrijverstournee. Naast Hugo Claus en echtgenote Veerle de Wit maakten Remco Campert, Herman de Coninck, enkele maanden voor zijn overlijden in Lissabon, H.C. ten Berge, Eddy van Vliet en Simon Vinkenoog deel uit van het hoog aangeschreven Nederlandse en Vlaamse gezelschap. Breyten Breytenbach herinnert aan die heuglijke gebeurtenis ter gelegenheid van mijn bijdrage over de hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach (http://versindaba.co.za/2017/07/15/yves-tsjoen-literair-tijdsdocument-hommage-van-eddy-van-vliet-aan-breytenbach/).

Claus verbleef toen onder meer in Stellenbosch, ter gelegenheid van de Vlaamse Week die door de universiteit is georganiseerd. Het Departement Drama onder de leiding van professor Temple Hauptfleisch zorgde voor de gelegenheid voor een reprise van een theatertekst van Claus. Wat de schrijversperformance in Zuid-Afrika precies behelsde, moet ongetwijfeld te achterhalen zijn. Ook de plekken waar de schrijverskaravaan heen trok, valt te reconstrueren. Feit is, zoals door Hugo in retrospectie genoteerd, dat de Zuid-Afrikaanse dichter-journalist in 1997 tijdens het schrijversverblijf in Stellenbosch een radio-interview had met de meester. De tekst in het theaterjournaal is er de neerslag van. Het gesprek is twee decennia geleden gevoerd maar verliest niets van zijn informatieve waarde.

In de meest recente beschouwing van Hugo over Claus (pun intended!), in april 2017 gepubliceerd, wordt het briefje geciteerd dat door de ijverige beursstudent aan de Katholieke Universiteit Leuven en verwoede lezer van Het verdriet van België in 1983 naar de Vlaamse schrijver is gestuurd (http://www.netwerk24.com/Vermaak/Boeke/rubriek-hugo-claus-die-briefie-en-die-boere-van-sa-20170430). Daarin haalt hij een frase aan ontleend aan het magnum opus Het verdriet van België (eerste druk: 1983) waarin een verwijzing staat naar de Afrikaner Boer. Het is allemaal in de tekst van Hugo na te lezen.

De aandacht van Daniel Hugo voor het oeuvre van Claus, zo getuigt hij, is wellicht aangewakkerd door de collegereeks die J.C. Kannemeyer in Stellenbosch wijdde aan het toneeloeuvre. Die referentie roept een ander literatuurhistorisch feit op. In de uitgavenreeks van Human & Rousseau, Literatuur van die lae lande, is naast werk van Willem Elsschot, Marnix Gijsen, Hella Haasse, W.F. Hermans en bijvoorbeeld Harry Mulisch ook ’n Bruid in die môre van Claus opgenomen (http://www.dbnl.org/tekst/_han001198501_01/_han001198501_01_0024.php). De uitgaven waren bestemd voor schoolgebruik en academisch onderwijs. Jan Rabie verzorgde de vertaling van de toneeltekst die door Claus in 1953 is gepubliceerd en waarvoor hij de Belgische staatsprijs voor toneel ontving. Uit de overlevering, zoals de Wikipediapagina over Een bruid in de morgen, weet ik dat Wilma Stockenström in de opvoering een rol vertolkte. De Afrikaanse versie is opgevoerd in Kaapstad door The National Theatre Organisation en NTO Kamertoneel (directeur: Tone Brulin) in een regie van Athol Fugard. Claus en Fugard hebben elkaar wel vaker ontmoet en waardeerden elkaars (toneel)werk. In oktober 1959 stond de productie in Bellville geprogrammeerd. Ook later is de tekst gespeeld in Zuid-Afrikaanse schouwburgen. Toen Claus in 1997 een bezoek bracht aan Zuid-Afrika, hebben studenten van het departement Drama het stuk weer op de planken gebracht.

Wat de band tussen Claus en Zuid-Afrika verder documenteert, zijn naast de frase in Het verdriet van België passages in de kunstenaarsroman Een zachte vernieling (1988). Ook die reminiscenties verdienen zonder meer een nadere beschouwing.

Precies zoals vorig academiejaar kan ik deze week tijdens een gastlezing aan de Universiteit Stellenbosch de tweedejaarsstudenten Afrikaans en Nederlands onderhouden over de poëzie van Hugo Claus. Uit ervaring weet ik dat het jonge publiek met meer dan gewone belangstelling een uiteenzetting volgt over de hobbelige weg waarlangs Claus de modernistische literatuur is binnengetreden en zijn eigen signaturen heeft ontwikkeld. Op een manier sluit de lezing weer aan bij de colleges van Kannemeyer. Ik ben alvast nieuwsgierig naar het hoofdstuk in Mark Schaevers’ biografie over Claus, en mogelijk in de aflevering die het tijdschrift Zacht Lawijd volgend jaar besteedt aan Claus. Intussen is het uitkijken naar de Afrikaanse vertaling die Hugo thans voorbereidt van Het verdriet van België. In het Maandblad Zuid-Afrika liet hij in september 2014 door zijn ega Marlene Malan optekenen: “My groot ideaal was nog altyd om Hugo Claus se grootse Het verdriet van Belgiё te vertaal”. Een kwarteeuw na de eerste lectuur van de roman en het inmiddels gepubliceerde briefje waarin de sikkeneurige recensent van De Standaard Freddy de Schutter door Hugo is gesommeerd, wordt dat ambitieuze voornemen effectief gerealiseerd. Claus heeft, zo liet Schaevers onlangs aan Hugo weten, het velletje papier niet weggegooid. Daniel Hugo bewaarde geen kopie. Het zit opgeborgen in het imposante archief dat door het Letterenhuis in Antwerpen zorgvuldig wordt geconserveerd. Schaevers, auteur van het prachtige boek Orgelman (2014), stuurde Hugo een scan zodat de formulering van de begeesterde student in Leuven nu in de krant staat.

Vraag is hoe het Afrikaans lezende publiek zal reageren op een roman over collaboratie en de repressie na de Tweede Wereldoorlog, over fascistoïde en gewelddadige uitwassen van een fractie van de Vlaamse Beweging. Misschien moet Daniel Hugo of een van de academici voor een belangstellend publiek toelichting geven over politiek-historische achtergronden waartegen de handelingen van de protagonist Louis Seynaeve worden gesitueerd.

(c) Yves T’Sjoen / September 2017