Wisselkaarten
Monday, August 30th, 2010
Ik heb voor het eerst een boek van mezelf gelezen.
Natuurlijk lees ik wel eens vaker iets van mezelf, om precies te zijn lees ik alles wat ik schrijf hardop, tien, twintig keer voordat het af is. Of ik denk dat het af is. Maar al na de tweede keer is dat geen lezen meer, maar analyseren, uitproberen, luisteren hoe het klinkt.
Hoe anders werkt het als je je eigen werk, vermomd als Duits boek, te zien krijgt. In september verschijnt de roman Nachbarin, en mijn naam staat er op, dus ik zal het wel geschreven hebben. Maar ik kan het haast niet geschreven hebben, want ik moet er zelf af en toe om lachen. En ik zie allemaal subthema’s waarvan ik was vergeten dat ik ze er ooit in stopte. Nachbarin is best een aardig boek, terwijl Buurvrouw al lang ‘werk’ geworden was.
Ondertussen leer ik Duits. Mijn Duitse taalkennis bestaat uit zes jaar naamvallen toepassen op de middelbare school, en verderop in mijn leven nog een stapel musicologische boeken lezen. Daarmee kun je in de praktijk nog geen brood kopen. Laat staan over je eigen werk praten.
Nachbarin is het eerste Duitse fictiewerk dat ik sinds mijn 17de heb gelezen. Voor de komende week liggen klaar:
- Vielleicht nur Teilzeit van Tom Combo, een boek dat deze auteur me al in 2002 gaf, en dat sindsdien op de plank ‘nog lezen’ stond.
- Stadt der Engel van Christa Wolf, wat me vooral aantrok vanwege de ondertitel: Oder the Overcoat of Dr. Freud.
- En voor in de trein, als ik me vanwege alle plaudernde mensen niet kan concentreren, Brigitte, een glossy over mode en make-up. Zodat ik straks behalve een brood ook nog andere belangrijke zaken kan kopen.
En Nachbarin zelf dus. Want ik moet oefenen. Oefenen. Oefenen. Tot ook dat boek weer ‘werk’ is geworden.
Saturday, August 28th, 2010
Theorie
Ik ben wat mij omringd
Vrouwen begrijpen dit
Men is geen hertogin
Op honderd meter van een rijtuig
Dus dit zijn portretten:
Een zwarte vestibule
Een hoog bed beschut door gordijnen
Dit zijn slechts voorbeelden
(Wallace Stevens
Vertaling Peter Nijmeijer)
GELEGENHEIDSGEDICHTEN
Het zal ook heus geen must zijn maar nu ik in de rouw ben kan ik absoluut geen troostpoezie verdragen. Net zoals je je niet echt lekker kan inlezen waar het de dood aangaat. Be prepared dacht ik steeds. Maar dat beleden we hardop samen al zovaak dus daar had de geliefde beslist niet eerst voor dood hoeven gaan. F’k! Vóór zijn dood en aan zijn bed kon ik lezen, nu kan ik dat alleen mondjesmaat. Buiten mijn discipline en gezonde onhebbelijkheden is het trouwens alsof ik alles opnieuw moet leren. Ook wist Ik niet dat sterven zo’n bevalling was. En dat de wereld na zijn dood weer maagd werd maar dan zonder de (gecultiveerde) onschuldige uitstraling. Het enige wat ik goed snap en verdraag is een leeg beeldscherm. Het lichtend wit, doet me sterk denken aan die ene hamerende quote uit het Tibetaanse dodenboek (mijn ‘Edelgeborene’ had liever niet dat ik het las in zijn bijzijn): het van aangezicht tot aangezicht plaatsen.
Hoe vaak ik ook zei, literaire belangstelling, hij vervloekte het. De Tau mocht wel. En voor nu waarschijnlijk ook best een troostgedicht, als het aan hem lag… Nee, dán ga je pas dood! (had ik gezegd).
Je wordt er rustig van, denk ik nu, Wallace Stevens lezen, aan deze still werken. Hoe zwaar rouw ook naar zwart neigt, zonder de poëtische pleisters biedt dit me de troost. Een helder hoofd.
Praktijk
op nog geen meter van het hoge bed
vrouwen
beschut door gordijnen
(voorbeelden?)
wat mij omringd
honderd studies van een rijtuig
de hertogin begrijpt dit
in theorie dus: zwart
slechts een verlichte vestibule
(still Astrid Lampe)
Friday, August 27th, 2010
Verzoek om beweging
In de krant stond twee maanden geleden een klein artikeltje van één kolom, dat ondanks die geringe afmeting nogal in het oog sprong. Erboven stond namelijk één van de mooiste koppen in de geschiedenis van het Kleine Nieuws: ‘Naakte man stapt in politieauto voor lift naar paradijs’.
Nu moet ik wel even vertellen dat ik behoor tot het chaotische type, als het om kranten lezen gaat - ik blader wat, pluk hier en daar schaamteloos een alinea uit een zorgvuldig opgebouwd artikel en laat me bij een belangrijk interview afleiden door de foto die ernaast staat (’is dat nou een draakje, dat embleem op zijn poloshirt?’) Tenslotte verdwijn ik in nogal eens in de contactadvertenties. (Daar zoek ik al jaren naar een leuke man voor mijn moeder, die helemaal geen man wil, geloof ik, laat staan een leuke.) Zo kwam het dat ik, nog voor ik aan het genoemde bericht kon beginnen, een blik wierp op de pagina ernaast. Daar stond een beschouwing over wielrenners, waar ik doorgaans weinig interesse in heb, maar waar ik onwillekeurig een halve zin uit mee pikte: ‘….pas als alles in beweging komt’. Zoiets onthoud ik dan nog even, terwijl mijn blik al weer verspringt.
‘Naakte man stapt in politieauto voor lift naar paradijs’. In het krantenbericht staat dat de politie in het holst van de nacht een melding binnenkreeg over ‘een naaktloper op de Duindoornstraat in Nijmegen’. Een melding, denk ik, ja natuurlijk. Maar van wie? Van een vrouw die wacht op het geluid van een brommer, een sleutel in het slot, de stem van haar zoon. Ze hoort iemand zingen, ze schuift het gordijn opzij en ziet een poedelnaakte man. (Er stond weliswaar niet dat de naaktloper zong, maar in krantenberichten worden wel vaker cruciale zaken weggelaten en ik kan me zo indenken dat een naakte man reden heeft om te zingen.) Het kan ook zijn, dacht ik, dat de melding kwam van een weduwnaar met een hondje. Zo’n wat oudere heer die een laatste blokje om is geweest en dan, voor het slapengaan, op de stoel voor het raam nog een borrel drinkt. Het is gemakkelijk in te denken dat hij naar buiten kijkt en een blote, door maanlicht beschenen man ziet lopen. (Ik moet denken aan de eerste keer dat ik een kangaroe zag. Ik kampeerde in een van de National Parks van New South Wales. Het was ochtend, nog donker en nevelig. Die kangaroe stak met uiterst trage bewegingen een grasveld over, zo geruisloos dat het leek of hij zweefde. Zo’n magische verschijning zou ook de naaktloper kunnen zijn geweest.)

De patrouillewagen trof de man aan op de Muntweg. Ik citeer: ‘Zodra de wagen stopte, opende de naakte man het achterportier, stapte in en deed de gordel om. In een mengeling van Duits en Engels vroeg hij de agenten om hem naar het paradijs te brengen.’ Mijn hemel, denk ik, een gedicht zonder dichter - en het is al gepubliceerd, niet meer in te pikken, nooit meer toe te eigenen. Ik verlang te weten wat er gebeurde, vóór het bericht ontstond, vóór die politieagenten opdoken, vóór de beweging van de naaktloper de aandacht trok.
Dat is, buiten al het andere, iets dat poëzie in mijn hoofd blijkbaar doet, en wel op de meest aangename manier: het beperkt mijn zicht. Tijdens het lezen van een gedicht bekruipt me soms het gevoel door een piepklein raam naar een heel wijds landschap te moeten kijken. Ik zie een fragment, ingekaderd, afgemeten - maar ik wéét dat er meer is. Dus moet ik zelf aan de slag, desnoods de muur om het raam heen beschilderen, lijnen aanvullen, beelden tevoorschijn halen.
Zo werkt het bij het lezen over de man die naar het paradijs wilde. Ik denk aan de mogelijke melders, aan de oudere heer voor het raam, aan de moeder die op haar zoon wacht. Ik denk aan de agenten, aan de manier waarop ze de melding doorkregen (lacherig, streng, zakelijk?) Ik denk aan de naaktloper zelf, aan zijn leven vóór hij zijn kleren uittrok en door de Duindoornstraat in Nijmegen begon te lopen- aan hem denk ik nog het meest. De zin uit het naastgelegen wielrennersartikel mag dus ook nog even meedoen: pas als alles in beweging komt. En dan weet ik ineens wat de naaktloper moet hebben gedacht (en wie weet zelfs gezongen) vóór alles in beweging kwam. Wat hij moet hebben gedacht vóór het in hem opkwam om een lift te vragen. Dat was dit gedicht van Joost Baars namelijk, dat in april verscheen in poëzietijdschrift Het Liegend Konijn - en dat op de een of andere manier zoveel lijkt te verklaren.
Stilstand
alles gaat altijd vooruit zo is het nu
eenmaal denk je dat er iets valt
te kiezen voor wind
geldt wat opgaat
voor water voor auto’s voor dagen
voor taal en als je probeert
dit te zeggen zeg je
dit en je kijkt naar de straat
dit en je kijkt naar de mensen
en de mensen lopen voorbij
zelfs al lig je met pijn in de borst
langs de kant van de stoep dan
is alles wat je kan redden
kijken -
dit en je kijkt naar de straat
dit en je kijkt naar de mensen
en de mensen lopen voorbij
alles onder hun armen altijd
altijd vooruit.
P.S.
De agenten bij wie de naaktloper in de auto stapte, vonden het, zo vermeldt het bericht tot slot ‘verstandiger hem eerst mee te nemen naar het politiebureau.’ Ik moest die zin wel drie keer lezen - maar het stond er echt. Eerst. Ik weet niet precies hoe een en ander is afgelopen en of de man ooit op zijn bestemming aankwam - maar zo’n woord stemt me hoopvol.
Ester Naomi Perquin
Afbeelding: Het paradijs, Roelant Savery, 1626, Gemäldegalerie der Staatlichen Museen, Berlijn
Monday, August 9th, 2010
Ha O.,
Uit ons telefoongesprek zojuist maak ik op dat ik in mijn vorige brief niet overal even helder ben geweest. In deze brief dus een toelichting.
 Elliott Smith
Op Youtube staat een filmpje waarin singer/songwriter Elliott Smith zijn houding ten opzichte van het schrijven (van liedjes) uiteenzet. Hij zegt in dat filmpje twee interessante dingen. Het eerste is de opmerking dat hij niet zozeer is geïnteresseerd in melodieën, maar veel meer in vormen. Hij bedoelt daar (denk ik) opeenvolgende akkoorden mee, en uit het filmpje blijkt ook dat hij lang niet alle akkoorden en grepen bij naam kent. Met andere woorden: hij zoekt bij het schrijven van liedjes eenvoudigweg naar de klanken en de bewegingen van klanken die hem bevallen - en kennelijk visualiseert hij die in vormen, beelden. Dat vind ik interessant omdat veel beeldende kunstenaars, Kandinsky bijvoorbeeld, het tegenovergestelde proberen: zij proberen muziek weer te geven in hun beelden.
De tweede interessante opmerking sluit hierop aan. Dit soort kunstenaars waagt zich op onbekend terrein. Onbekend voor henzelf, in ieder geval. Daar heb je lef voor nodig. En een zekere eigenwijsheid. Elliott Smith zegt in het filmpje dat je bij het schrijven niet teveel moet letten op wat anderen ervan vinden. “You like it, don’t you? So there must be something good about it,” citeer ik hem uit het hoofd. Ik denk dat grote kunst alleen kan ontstaan als de kunstenaar uitgaat van zijn eigen smaak, zijn eigen ideeën – en die alleen. Er zullen in zijn tijd vast veel mensen zijn geweest die vonden dat Satie rare zweefmuziek maakte. Denk je eens in wat er zou zijn gebeurd als hij zich die kritiek had aangetrokken. Niets! Hij had misschien gangbare muziek geschreven, in overeenstemming met de mode van zijn tijd. En we zouden het nu niet meer over Satie hebben.
Je haalde op je kaartje Herman Gorter aan, dat vind ik ook een sterk voorbeeld. Bij het schrijven van Verzen, schreef hij eens aan een vriend, wachtte hij met schrijven tot hij de gedichten hoorde klinken. Pas dan begon hij te schrijven. En als hij ophield, was dat omdat hij ‘óp’ was. Het resultaat is een van de meest eigenzinnige en gewaagde bundels die ooit in het Nederlands zijn geschreven. Hij heeft het er in de tijd dat de bundel verscheen (1890) niet gemakkelijk mee gehad. De kritieken waren honend, en zijn leerlingen (hij was toen leraar) pestten hem bijvoorbeeld met de opmerking dat ze hun ‘pennige pen-pen’ op de grond hadden laten vallen. Maar hij bleef radicaal vertrouwen op zijn eigen smaken en voorkeuren, zijn eigen instinct, en precies dat maakt hem naar mijn mening tot een van de grootste dichters die ons land heeft gehad.
Dat bedoelde ik in mijn vorige brief met de waarde van polemiek. Grote kunst is altijd polemisch, omdat het anders is. En het is groot omdat het dat anders-zijn heeft moeten veroveren op de omgeving, op de heersende smaak, en zodoende die heersende smaak heeft veranderd. Maar die eigen smaak en die eigen opvattingen, daar word je niet mee geboren. Die moet je ontwikkelen. En je ontwikkelt je smaak alleen als je met veel kunst kennis maakt, erover nadenkt – en erover discussieert. Het gaat er m.i. in een goede polemiek niet primair om de tegenstander te overtuigen. Het gaat om het kennis maken met, en wegen van, argumenten.
Het zal je misschien gek voorkomen, mij een lans te horen breken voor eigenzinnigheid en polemiek. Je kent me, en je weet dus dat ik van mezelf niet erg polemisch ben - integendeel. Dat zie ik eerlijk gezegd ook als mijn grootste handicap, en daarom moet ik bovenstaand, dat voor anderen misschien een open deur is, mezelf voortdurend voorhouden om überhaupt iets op te kunnen schrijven.
Smaken en voorkeuren zijn (als het goed is) voortdurend aan ontwikkeling onderhevig. Dat gebeurt onder invloed van andere smaken en voorkeuren. Er zijn naar mijn idee ook veel dichters die juist teveel op hun eigen instinct vertrouwen; die hebben misschien wel talent, maar ze vergeten dat talent te ontwikkelen. Je moet volgens mij, als je ooit ‘grote’ poëzie wil schrijven, óók voortdurend je eigen smaken en voorkeuren ter discussie stellen. De vraag is dus eigenlijk: hoe kun je tegelijk onder alle omstandigheden op je eigen smaken en voorkeuren vertrouwen, als je ze ook voortdurend ter discussie stelt? Mijn voorlopige antwoord is: er moet een focus zijn. Voor Gorter was dat uiteindelijk het communisme, voor Elliott Smith was dat, stel ik me voor, het plezier in het maken van de ‘vormen’.
Maar het blijft een zoektocht, schrijven – en een worsteling, kan ik je vertellen. De ene keer vind je wat je zelf hebt geschreven prachtig, de andere keer is dezelfde tekst troep. Je kunt eigenlijk helemaal niet op je eigen oordeel vertrouwen. En al helemaal niet op het oordeel van een ander. Want je weet nooit of hij, als hij zegt dat iets ‘mooi’ is, hetzelfde bedoelt als wat jij met dat woord bedoelt. En toch heeft Elliott Smith gelijk. Als iets mooi is, wéét je het. Du Perron schreef eens: “Maar tenslotte zijn onze gevoelens wel het meest onfeilbare in ons, ontegenzeggelijk; het minst bepaalbare, het veranderlijkste en, als het er op aan komt, het zekerste.”
Hartelijks,
(Edwin Fagel)
Monday, August 9th, 2010
 Sokker
De voetbalstorm die de sportieve wereld in de ban hield en die Zuid-Afrika als een competente, kleurrijke organisator profileerde, is gaan liggen. In die voetbalmaand moest ik vaak terugdenken aan Nic van Bruggen (1938-1991), een groot Vlaams dichter die zijn passie voor sport (voetbal en zijn Antwerpse club Beerschot) en poëzie meesterlijk kon combineren. Over Nic van Bruggen wil ik het zeker nog hebben in een aparte wisselkaart. Maar ik wil nu even stilstaan bij de ingewikkelde, dubbelzinnige verhouding tussen sport en poëzie. Als ik constateer hoe groot het aandeel van de sport is in het dagelijks maatschappelijk gebeuren via actieve sport, kijksport en mediabelangstelling en ik daartegenover slechts een dun boek sportgedichten kan plaatsen, moet ik besluiten dat poëzie een wereldvreemde bezigheid is.
 Sportgedichten
Willy Verhegghe en Pascal Delheye slaagden erin na veel en grondig harken 150 sportgedichten uit Nederland en Vlaanderen te verzamelen in de bloemlezing ‘Ook wij waren winnaars’. Over ‘ook wij waren Minnaars’ zouden ze moeiteloos aan 150.000 gedichten geraken. Trekt de gemiddelde dichter zijn neus op voor het onderwerp sport? Ik weet dat niet zeker, maar de dichter kan er wel zeker van zijn dat de literaire critici dat wel doen. Een gedicht over sport stuit op vooroordelen, wordt niet ernstig genomen. Ik vermoed dus dat er een zekere vorm van zelfcensuur geldt, wegens toch geen goede respons. Een andere verklaring is ongetwijfeld dat het schrijven van zo’n gedicht véél moeilijker is, dan het plegen van een ‘gewoon’ gedicht. Het vergt een groot métier om info, technische gegevens, emoties en beeldspraak tot een gaaf geheel te kneden.
Ik vermoed ook dat bij dichters de bedenking in het achterhoofd zit dat over sport schrijven gelijk staat met de neorealistische gedachte dat jan met de pet het gedicht moet kunnen begrijpen. Wat dan zou betekenen dat de dichter zijn taalmedium tot een lager niveau moet doen dalen. Dat is een misverstand. Dat is een verkeerde houding. Hugo Claus vertelde me ooit dat hij met een probleem zat: hij moest gedichten schrijven voor het weekblad Knack. Plots zou hij 200.000 lezers hebben i.p.v. een goeie 1000. Hij was er nog niet uit in hoeverre hij daar rekening mee moest houden. Ik antwoordde hem dat ik in dat geval eerder zou gaan in de heldere richting van Elsschot dan in de experimentele richting van Faverey. Maar daarmee sprak ik toch geen waardeoordeel uit. Elsschot en Faverey zijn elk meesters in hun genre. Grotere toegankelijkheid hoeft toch niets te maken te hebben met grotere toegevingen!
Ik herinner mij een twee uur durend gesprek met Herman de Coninck, waarin hij zijn eigen poëzie schraal noemde in vergelijking met de poëzie die uitging van de gracieuze, perfecte en doeltreffende bewegingen van basketbalicoon Michael Jordan. Maar ik heb HDC niet kunnen betrappen op het schrijven van een gedicht over MJ.
 Gerrit Achterberg
De dichters die zich wel hebben ‘verlaagd’ tot het sportgedicht hebben een oeuvre bijeengeschreven dat wel een afspiegeling is van de belangstelling van jan met de pet. De kleine sporten worden, zoals door de pers, ook door de dichters stiefmoederlijk behandeld: meer dan de helft van de gedichten gaan over voetbal en wielrennen. Schaatsen komt op de derde plaats. En dat een gedicht over sport een pareltje kan zijn dat zich niet in de lage modder wentelt, kan ik moeiteloos aantonen met dit gedicht van Gerrit Achterberg.
Schaatsenrijder
Over zijn strenge cirkels heengebogen
eigent hij zich de middelpunten toe.
Hun trots bezit staat in zijn harde ogen.
Hij wordt de mathematica niet moe,
waarmee elk nieuw uitvieren zich volstrekt
om elke nieuwe inkeer op te vangen.
Zie hem in rustige beslissing hangen
boven het tijdloze, dat hij wekt
en kantelend in tegenkringen leidt
voor het een snelle, ronde dood zou vinden.
Hij heeft zich van de wereld al bevrijd;
enkel de smalle ijzers die hem binden
aan ‘t evenbeeld. Een laatste vrouw misschien?
Wat kan hij in de spiegel nog verwachten?
Of houdt een vrouwenschim, die wij niet zien,
hem vast binnen dit eenzaam veld van krachten?
Ijskoude liefde, die niet sterven wil,
omdat de dode lelies onder water
haar eenmaal droegen in hun gouden harten,
waarmee de vijver vol lag, zwaar en stil.
Tot slot moet ik bekennen dat ook ik medeplichtig ben aan het verwaarlozen van de sport in de poëzie. Ik pleegde zelf maar één gedicht, eentje over Michael Jordan, ter ere van de meester en met een knipoog naar Herman de Coninck, die het zonder zijn plotse dood misschien nog zelf had geschreven.
Sunday, August 8th, 2010
Mijn overgrootvader was zendeling. Hij reisde naar Nederlands Indië omstreeks 1865 om Soendanezen te bekeren tot het (Protestants-)Christelijke geloof. In ‘De Geschiedenis van de Nederlandse Zendingseeuw’ beschrijft hij, hoe moeizaam het werk was. Uit de zieltjesboekhouding blijkt dat menige bekeerling terugbekeerde zodra de zendeling op verlof was. De jonge Sierk besloot om de Bijbel toegankelijker te maken voor de Soendanezen. Hij vertaalde het nieuwe Testament en stelde een woordenboek Seondaneesch-Nederlands-Soendaneesch(1884) en een Soendaneesche spraakkunst (1913) samen.
In mijn jeugd was ik trots op die avontuurlijke voorvader, die het van arme boerenzoon uit Friesland toch maar tot taalkundige had gebracht en later, dankzij een legaat, tot directeur van Schoonenberg, de Nederlandsche zendingsschool. Hij had zich nuttig gemaakt voor geloof en vaderland. Hij verspreidde de zegeningen van de Christelijke waarden en in een moeite door ook die van het moderne Westen. Er was in die dagen geen twijfel aan de morele juistheid van zijn zendingsarbeid. Hij dokterde trouwens ook nog en verstrekte kinine aan de bevolking. Dat moest wel een goed mens zijn.
Hij had begrepen dat taal een belangrijke brug is naar het hart van de ander. Hij had niet begrepen dat culturele identiteit zo diep geworteld is, dat die zich uiteindelijk zal ontworstelen aan elke vorm van onderdrukking. Hij zag zichzelf helemaal niet als onderdrukker, trouwens. Hij bracht heil en zegen, beschaving en vooruitgang. Daarom moest ook de belangrijkste van alle boodschappen vertaald worden, denk ik. En daarom waren we trots op hem. Boven de werktafel van mijn grootvader hing een klein glas-in-lood raampje, met een huldigingstekst gewijd aan Sierk Coolsma. Nee, over de daden van deze voorvader bestond geen twijfel.
Het duurde tot halverwege de twintigste eeuw, voordat het heroïsche beeld van mijn overgrootvader begon te wankelen. Ongeveer in de jaren dat ik ging studeren, begon het koloniale stelsel definitief in te storten. Indonesia had zich al in 1948 terecht ontworsteld aan de Nederlandse overheersing en in de twintig jaren daarna werd de bevrijding voltooid. De kleine oorlog in Nieuw Guinea was de laatste stuiptrekking. Drie eeuwen onderdrukking en uitbuiting werden afgesloten. Met de Nederlanders verdween het Nederlands daarginds spoedig, afgezien van wat leenwoorden.
Ongeveer in dezelfde tijd dat weldenkende Nederlanders begonnen te begrijpen dat de periodes van de Verenigde Oostindische Compagnie en de Zendingseeuw niet alleen een toonbeeld van ondernemendheid en heldendom waren geweest, waren minder weldenkende afstammelingen van de Nederlanders op een ander continent bezig, zich tot steeds wredere onderdrukkers te ontpoppen. Dat ook nog met een beroep op het geloof van mijn overgrootvader. Het superioriteitsgevoel werd verder opgeblazen en de Christelijke boodschap werd geperverteerd tot onderdrukkingsideologie. Het beeld van mijn overgrootvader veranderde en ik ging de Boeren ook anders zien. Dat ging niet van harte, want ze waren in mijn jeugd onze helden geweest. Ik moet nog ergens een voor kinderen geschreven boekje hebben, waarin moedige en standvastige Boeren zich slim verzetten tegen verraderlijke Engelsen en bloeddorstige Kaffers. De lading van dat scheldwoord besefte ik nog helemaal niet.
De betekenis van Afrikaans veranderde voor mij. Eerst was het een dierbaar deel van mijn jeugd, verbonden met trots en geloof in de goedheid en dapperheid van mijn voorvaderen. Nu werd het de taal van onderdrukkers, die het woord apartheid tot het beruchtste Nederlandse woord hebben gemaakt. Afrikaans werd besmet doordat juist die taal door het apartheidsregime was gestolen om als staatstaal te dienen. Zoals de liefde voor het Duits in mijn familie na de tweede wereldoorlog enige tijd sterk bekoelde, bekoelde de liefde voor het Afrikaans nu ook.
Niet dat ik de ingewikkeldheid van de situatie in de jaren zeventig echt begreep. We boycotten Outspan, tankten niet meer bij Shell, stortten geld op de rekening van het verzet, maar beseften niet - ik niet in elk geval - hoe gehaat ook de taal van de onderdrukkers geworden was. Ik besefte nog veel meer niet. Dat Afrikaans vaak de taal van de bruinmense is, naast die van de witmense. Dat Afrikaans ontstond als lingua franca, omdat het stijfkoppig plechtstatige Nederlands zo moeilijk was. Dat taal in het nieuwe beleid van de nieuwe regering zo’n belangrijke rol zou gaan spelen. Dat de oude wonden na de geweldloze ommekeer niet zomaar zouden genezen. Dat het ANC niet uit louter Mandela’s bestaat, alleen al omdat Mandela een uniek mens is, met een zelden voorkomende wijsheid. Dat mensen zich vastklampen aan hun welvaart en zekerheden en niet zomaar bereid zijn, solidair te zijn met de voormalige vijand. Dat onderdrukte mensen, die stelselmatig waardeloos zijn verklaard, niet van de ene dag op de andere in staat zijn om zich weer waardig te voelen en te gedragen. Zodat de kloof tussen wit/rijk en zwart/arm niet kleiner is geworden, en bruin nog steeds in die kloof ligt. Dat daar de kloof tussen zwart/rijk en zwart/arm nog bij zou komen.
Afrikaans was enige tijd besmet geraakt, maar erg diep zat de afkeer niet. Het is moeilijk om afscheid te nemen van je identiteit (wat ook omvat: diegenen met wie je je identificeert). Afrikaans is bovendien een levende taal van levende mensen. De taal zelf is even schuldeloos als het landschap waarin een bloedbad werd aangericht. De mensen die een taal spreken, die in het verleden misbruikt is door onderdrukkers, zijn niet opeens verachtelijk of schuldig omdat het hun taal is. Alleen als ze die taal nog steeds op dezelfde manier gebruiken, inclusief de verderfelijke begrippen en betekenissen van destijds en zonder te begrijpen wat dat gebruik heeft aangericht. Alleen als ze de taal gebruiken om zichzelf hoger te plaatsen, om anderen buiten te sluiten. Maar voor degenen die onderdrukt werden, zijn dat landschap waar het concentratiekamp stond, of dat gebouw waar de geheime politie martelde en moordde, of de taal die de onderdrukker sprak, nog heel lang schuldig. Zeker twee, misschien wel drie generaties kan het duren, voordat de wonden geheeld zijn, de schuld terugbetaald of vergeven is. Althans, zo luidt een algemeen verkondigd inzicht. Het kan nog veel langer duren, als de oude haat levend wordt gehouden door mensen die daar hun macht of hun identiteit aan ontlenen. Zo werd in voormalig Joegoslavië een atavistische wrok uit lang vervlogen tijden uitgevochten in een afschuwelijke burgeroorlog. En nog is het niet voorbij, wat de jeugd ook wil. Zo steekt antisemitisme steeds weer de walgelijke kop op. En zo zijn er vele diep met de ziel van miljoenen vergroeide xenofobische wortels van uit de hand lopende conflicten. De lijst is lang.
Ik ontleende noch macht, noch identiteitsversterking aan het nog langer verafschuwen van Afrikaans. Ik had geen last van xenofobie op afstand. Ik zie niet dagelijks de etterende wonden van een nog niet werkelijk opgelost conflict om me heen. Ik hoef niet elke dag bang te zijn dat ik wordt vermoord voor een selfoon. Ik zit niet in een te klein huis zonder water en elektriciteit te midden van een stadsoorlog werkeloos te wachten tot mijn regering doet wat ik dacht dat me beloofd was. Woning, water, werk, elektriciteit, gezondheidszorg, veiligheid. Ik zit niet gevangen tussen mijn wil om geduld te hebben met een democratisch gekozen maar niet democratisch werkende regering en mijn dagelijkse woede over een falend beleid en de daarmee gepaard gaande angst voor Zimbabwaanse toestanden en alledaags geweld. Ja, ik voel plaatsvervangende schaamte voor mijn kolonialistische voorouders met hun misplaatste superioriteitsgevoel en ethnische hoogmoed, maar wie ben ik om ze te veroordelen? Ik kan beter naar mijn eigen falen kijken en naar wat er in mijn eigen samenleving aan het gebeuren is. Wat zou ik dan tegen Afrikaans hebben en tegen de mensen wiens taal het is?
Het ging toch de goede kant op? Er was een nieuw begin gemaakt in Zuid Afrika. Een burgeroorlog was voorkomen. In het nieuwe land zouden de verschillen worden overbrugd. Er was een grondwet die moderner en democratischer was dan de onze. Daarmee was Afrikaans sinds 1994 voor mij een taal geworden als alle andere, zelfs een beetje meer, want toch ook een afstammeling van Nederlands. De mensen daarginds waren zich aan het verzoenen. Engels was de officiële taal geworden (diep in mij roerde zich de worm van de gekwetste trots). De andere volkstalen werden erkend.
Op een dag las ik bij toeval een gedicht in het Afrikaans.
Thursday, August 5th, 2010
Paul Snoek en Maurice Gilliams
Zielsverwantschap of zelfprofilering van een ouder wordend dichter (deel 2)
Eenmondig gedicht
Gedronken uit besneeuwde glazen,
koel is de wijn van de vriendschap.
Aan onze lippen morrelt wel de dorst
maar de dood deinst terug in een rolsteen.
Zoals de zee eens zeewaarts zal verdwijnen,
zo nemen onze monden hun woorden terug.
In het rijk van de droogte, ik kalfater het water
en in het duister ik betover de klaarte.
Al mijn zwarte woorden heb ik kwijtgeschreven.
Er liggen nog veel sterren in je bed.
Hun lichtjaren flikkeren onophoudelijk,
als de bevroren lampen uit de verte. Slaap,
als bij nacht. Als je droomt ben je veilig.
In 1978 heeft in de poëzie van Paul Snoek (1933-1981) de waterwereld, met het water als symbool voor de vruchtbaarheid en het oerbegin waaraan de mens (en de kunstenaar) zich laaft, plaats geruimd voor de onderwereld. Talrijk zijn de metaforen die we kunnen verbinden met nacht en koude. Het lyrisch subject is een eenzaat die de bewoonde wereld achter zich laat en zich vermeit in een besloten droomwereld. Snoeks ‘onderwereld’ heeft niet alleen negatieve connotaties. Immers, ‘[a]l mijn zwarte woorden heb ik kwijtgeschreven”, met wellicht een allusie op Zwarte Muze, en “[e]r liggen nog veel sterren in je bed”. De illusie, zo niet het profetisch idealisme, van de bouwer van een luchtkasteel mag dan wel opgeborgen zijn, hij vindt uiteindelijk soelaas in zijn eigen fantasiewereld. In interviews heeft de schrijver de poëzie in Welkom in mijn onderwereld, in het licht van privéproblemen en zakelijke rampspoed, een therapeutische functie toegeschreven. Relevanter voor deze casus is de ambivalentie die de gedichten bepaalt. Het lyrisch ik vindt rust in de poëzie die tegelijk een bron van vereenzaming is.
Na de poëticale escapade van de Gedrichten, met een perspectief dat sardonisch op de buitenwereld en de actualiteit was gericht, keert de blik zich weer naar binnen. Het ik sluit zich af van de wereld om zich heen. Deze autistische reflex leidt tot een dichterlijke exploratie van het innerlijke gemoedsleven. De verkenning geschiedt op een sobere, althans minder exuberante wijze dan in vroeger werk. Precies in die combinatie van zelfanalyse en een gepolijst taalgebruik, maar evenzeer in het geloof in de helende kracht van het woord en het verlangen naar een autonome taalwereld, kunnen we een verbintenis ontwaren met de literaire persoonlijkheid van Maurice Gilliams (1900-1982). 
In de periode van de publicatie van ‘Eenmondig gedicht’ in Dietsche Warande en Belfort (zomer 1977) heeft de Vlaamse criticus Paul de Vree gewezen op de plaats van Maurice Gilliams in de literaire genealogie van Snoek. In zijn monografie van Snoek wees hij, nogal enigmatisch, op het gemeenschappelijke streven naar “de wrede eenheid van gedachten”. Wellicht alludeerde De Vree op de zelfinkeer en het terugplooien op een eigen verbeeldingswereld. Of we “[e]enmondig” in de titel vanuit het perspectief van de zelfverklaarde literaire verwantschap kunnen duiden – het gedicht dat een expressievorm is van het diepste van de ziel van beide dichters – is misschien ver gezocht. In ieder geval kan de formulering als romantiserend worden gelezen. Toch valt in het gedicht de verschuiving van het vertelperspectief op. In de eerste strofe, tot halverwege de tweede strofe, wordt de eerste persoon meervoud gebruikt (in casu het bezittelijk voornaamwoord “onze”). In de slotstrofe wordt dan een je-figuur geïntroduceerd. Mogelijk is de apostrof (‘je’) gericht op de schrijver aan wie het gedicht ad hominem is opgedragen, en niet zozeer aan de lezer (zoals in andere gedichten van Snoek). Verder valt de verwijzing naar “de vriendschap” op. Beider afkeer van de werkelijkheid buiten het gedicht is de dominante in Snoeks verwoorde gevoel van verwantschap. De vriendschap wordt echter “[g]edronken uit besneeuwde glazen” en “de wijn van de vriendschap” wordt nadrukkelijk “[k]oel” genoemd. De gelijkgestemdheid, de basis van de (literaire) verbondenheid, is gegrondvest op gevoelens van wanhoop, eenzaamheid en verbittering. Beiden ontvluchten de realiteit om in hun taaluniversum een eigen wereld te creëren. De onoverbrugbare kloof tussen werkelijkheid en verbeelding was eerder ook al een existentieel thema in Gilliams’ klassieke roman Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936/1943). In hoeverre Snoek teksten van Gilliams heeft gelezen, heb ik niet kunnen achterhalen. Paul de Vree formuleerde Snoeks aanhankelijkheid aan de onderwereld/droomwereld (met een verwijzing naar Gilliams’ Oefentocht in het luchtledige) als volgt:
“[Snoek] beleeft zijn scheppend vermogen, dat tevens een zelfschepping is, dermate dat hij in het volledig luchtledige vertoeft, de droom, waar geen bedreiging meer bestaat en het wonder der schoonheid gebeurt. Dit droomleven gaat Snoek in een roes nu zover opdrijven, dat hij zijn verlangens, voorstellingen en verwachtingen voor werkelijkheid neemt.”
Schrijven kan inderdaad worden opgevat als een obsessief zoeken naar de noodzakelijke en enige expressievorm die tot dieper inzicht (in het zelf) leidt. In dat opzicht is er onmiskenbaar een thematische liaison tussen bijvoorbeeld Gilliams’ gedicht ‘Tristitia Ante’ (uit Het verleden van Columbus, 1933) – met de slotregels ‘Er is niets dan hevig wit/In mij, en ik raak dat licht niet kwijt;/En er is niets zo smal en nauw/Als het eigen lijf” – en Welkom in mijn onderwereld. Beide dichters bedienen zich van een traditionele compositiemethode (met strofen die – min of meer − kwatrijnen zijn) en een klassieke beeldentaal. Snoek heeft met Ik heb vannacht de liefde uitgevonden en Welkom in mijn onderwereld definitief en zelfbewust het formele experiment en het barokke taalgebruik achter zich gelaten. De keuze voor een neoklassieke vorm en een weinig opzienbarende metaforiek (dit zijn de ‘minder esthetiserende beelden’) kunnen worden beschouwd als indicaties van een terugkeer naar de literaire traditie. In zoverre we Gilliams als onderdeel van deze traditie kunnen zien. De existentiële thematiek, de berusting en het zoeken naar geborgenheid, vinden we ook in de roman Winter te Antwerpen (1953) van Gilliams. Een karakteristiek fragment zou het volgende kunnen zijn, helemaal aan het eind van de roman:
“Ik doe mijn best om in die wetenschap te berusten. Want in het middelpunt van mijn herinneringen en belijdenissen sta en besta ik eenzaam zelf. Op die plaats zal ik spijts alle liefde leven en geheel opbranden, tot er geen spoor meer van asse overblijft. Met beide handen hield ik de ijzeren brugleuning omklemd. De vijver lag toegevroren; geen vloeibaar iets viel er in de verte of dichtbij te bespeuren. Levende wezens werd ik nergens gewaar. Het haar begint te vergrijzen aan mijn slapen.”
Opmerkelijk zijn de beeldovereenkomsten tussen Welkom in mijn onderwereld en dit citaat. De woorden ‘koud’, ‘besneeuwd’, ‘ijs’, ‘winter’ en ‘dichtgevroren’ komen in Snoeks bundel voortdurend terug. De afdelingstitel luidt overigens ‘Overwintering in de verkeerde iglo’. De metaforen worden verbonden met gevoelens van onbehagen en vereenzaming. In de ‘iglo’ heeft het ik zich teruggetrokken, in een koude onderwereld (het betreft een “verkeerde iglo”, en dus niet de iglo zoals die door Eskimo’s wordt aangewend), maar hij ervaart in die besloten ervarings- en verbeeldingswereld toch geborgenheid. In het verlengde hiervan kan ook op de ambivalentie van andere tekstelementen worden gewezen. De slaap refereert aan de dood, zoals in de bijbels gerelateerde regel “de dood deinst terug in een rolsteen”. In dat licht kan “Zoals de zee eens zeewaarts zal verdwijnen” als een beeld voor het stervensproces worden gelezen, met een intratekstuele verwijzing naar de openingscyclus ‘Zeewaarts gezegd’ van de euforische bundel Hercules, en “het rijk van de droogte” is dan een metafoor voor het dodenrijk. Het water, als vruchtbaarheidssymbool, is hier opgedroogd. Tegelijk is de slaap een beeld voor de droom en vor de geborgenheid biedende verbeeldingswereld. De slotstrofe is vanuit die betekenislaag gezien zelfs expliciet: ‘Slaap,/Als bij nacht. Als je droomt ben je veilig”. Bij de dood kan een mens zich finaal veilig voelen, zonder angst, zonder verbittering of wanhoop.
Dat Snoek grossiert in antropomorfe natuurbeelden en suggestieve woordcombinaties, met tal van betekenissen beladen, is bekend. In ‘Eenmondig gedicht’ is dat niet anders. Het water is opgedroogd in een vriestoestand. Dat betekent dat het nog steeds aanwezig is, weliswaar in een vaste vorm. Er is sprake van ‘besneeuwde glazen’, ‘koele wijn’ en ‘bevroren lampen’ (zelfs het licht is kil en wit). De vitale waterwereld, op te vatten als het scheppend vermogen van de dichter, is een “onderwereld” geworden. Wat eerst als levenschenkende oermaterie, als een van de natuurelementen, is opgevoerd, heeft in de laatste bundel die tijdens Snoeks leven is verschenen een vaste vorm aangenomen. Het ik zit gevangen, in zichzelf besloten, in het eigen ik geconsolideerd. Hij is niet langer wendbaar, in tegenstelling tot het water dat de vorm aanneemt van wat het omgeeft. Water wordt in Snoeks poëzie overigens niet alleen voorzien van een existentiële betekenislaag. Het refereert in het vermelde drieluik ook als beeld voor de erotische liefde. Zelfs de relatie met de vrouw lijkt hier versteend. De dynamiek (van de schepping, van de passie) heeft plaats geruimd voor een statische toestand. Alleen veronderstelt die gewijzigde zijnstoestand geen levensmoeheid of alleen maar neerslachtigheid. Een beeld voor het statische in Welkom in mijn onderwereld, en dus een antipode van het water, is de steen. Het ik heeft zich afgesloten van de wereld in een onbeweeglijk universum. De rolsteen is – met de vermelde bijbelse referentie – de ronde steen waarmee Christus’ graf is afgesloten. Isolement en verlatenheid, maar dus ook de dood, zijn bepalende elementen van Snoeks ‘Eenmondig gedicht’. Zoals voor alle opgelijste metaforen kunnen we ook in het beeld van de rolsteen dezelfde ambivalentie ontwaren. Rolsteen is een zeldzaam soort edelsteen: zijn “lichtjaren flikkeren onophoudelijk”. De steen staat vanuit dit opzicht niet enkel symbool voor dood of beslotenheid (ik verwijs naar de kei-metaforiek van Gilliams), maar dus evenzeer voor schoonheid (eventueel voor de poëzie) waarin het ik zich schuilhoudt. Het ik bestaat in taal, in zijn gedichten, en ziet aldus een kans om de dood te tarten. “Slaap”. “Als je droomt ben je veilig.”
Enkele jaren na het overlijden van Paul Snoek publiceerde Willem M. Roggeman in de bundel Een leegte die verdwijnt (1985) ‘Het vertraagde verdriet’. Het gedicht is opgedragen aan Paul Snoek. Een vluchtige verkenning leverde nog enkele analoge opdrachtgedichten op: hommagegedichten die gericht zijn tot of opgedragen aan de overleden schrijver. Telkens weer fungeren de poëzie en de literaire persoonlijkheid van de adressaat, of althans het beeld van Snoek dat de schrijver van het gedicht naar voren schuift, op een andere manier. Bij uitbreiding kunnen alle gelegenheidsgedichten, waarin al dan niet met behulp van de apostrof de collega-schrijver wordt toegesproken (“aan” of “voor” een dichter), in een vergelijkend onderzoek worden betrokken. Snoek bracht in zijn verzamelde poëzie een betekenisvolle tribute aan het adres van Gilliams, zoals ook zijn eigen literaire werk of persoonlijkheid weer door dichters van een volgende generatie is gememoreerd. De lijnen die op die manier kunnen worden gereconstrueerd en generaties, dichterlijke oeuvre en individuen met elkaar verbinden, werpen weer een ander licht op de poëziegeschiedenis.
 Portret Gilliams
De keuze voor een opdracht aan Maurice Gilliams, als peritekst bij ‘Eenmondig gedicht’, doet haast vanzelf speuren naar poëticale, thematische, formele en andere verwantschappen. In elk geval stuurt Snoeks paratekstueel element de lezersblik. Het is vervolgens raden naar het effect van deze auteursintentionele handeling. Aandacht voor de thematiek en vormkenmerken van Gilliams’ ‘versteende’ en eindeloos ‘gepolijste’ literaire werk kan een licht werpen op de concieze en precieuze constructie van Snoeks ‘onderwereld’. Een mogelijke interpretatie van de peritekstuele boodschap is dat de onderwerelddichter een zielsverwant heeft gevonden tijdens zijn lectuur van Gilliams en die liaison met nadruk voor het lezerspubliek wilde bekend stellen. Snoek, die in interviews maar al te graag uitpakte met zijn artistieke gelijkgestemden, gebruikt de naam van de Antwerpse dichter wellicht ook strategisch. In Maurice Gilliams, zo lijkt hij te willen aangeven, heeft hij zijn gelijke gevonden. Van allerlei (zelf)legtimerende strategieën kan de ouder wordende dichter Snoek niet worden vrijgepleit. Speel ik advocaat van de duivel dan is ‘Eenmondig gedicht’ alleen al op basis van een weinig bescheiden peritekstueel element een gebaar van dichterlijke hybris.
Een papieren (en bewerkte) versie van het essay over Snoek en Gilliams is vanaf eind oktober te lezen in de bundel ‘Dingenzoeken in Taka-Tukaland. Periteksten in de moderne Nederlandstalige poëzie’ (Academia Press, Gent).
Literatuur
Herwig Leus, Paul Snoek. Dichters van nu 2. Poëziecentrum, Gent, 1991, p.5-64.
Liesbeth van Melle (ed.), “Die Onvinbare heb ik bij u gezocht, Maurice…”. De briefwisseling tussen Maurice Gilliams en Maurice Roelants. Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2006, p.211.
Anne Marie Musschoot, ‘Paul Snoek’, in Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige auteurs na 1945, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1981.
Willem M. Roggeman, ‘Paul Snoek’. In Beroepsgeheim 3, Soethoudt, Antwerpen, 1980, p. - .
Paul Snoek, Gedichten. Y. T’Sjoen en C. Van der Vorst (ed.), Lannoo/Atlas, Tielt/Amsterdam, 2006.
Paul de Vree, Paul Snoek. De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1977.
 Paul de Vree
Tuesday, August 3rd, 2010
[fragment]
Toevallig, terwijl ik mijn papieren aan een bepaalde orde wou beginnen onderwerpen,
stuitte ik op de kleurenprent uit mijn kinderjaren.
Het idyllisch ruraal tafereel
Het eenvoudige idyllisch ruraal tafereel zelfs
waarin ik avond na avond nieuwe details ontdekte.
(Het overzichtelijke biedt het voordeel dat het een onvermoede schat aan verrassingen herbergt.)
En nu ik de prent bekijk
met de oude ogen van een andere man
merk ik op dat het herderinnetje op de landweg
haar wit kapje verloren heeft
en vanaf nu met wapperende haren door het leven gaat.
En de knecht die het hooi op de riek neemt
denkt: “Ik ben geboren in een tijd dat de meeste jongeren het geloof in God hadden verloren, om dezelfde reden als de ouderen het hadden gehad - zonder te weten waarom.”
Een witte zon staat in de rechter bovenhoek
Een stralend blauwe hemel bestrijkt bescheiden de horizont.
Het stereotiepe plaatje zoals het opgeslagen ligt
in de herinnering van kinderen en ouders,
Zoals het al vorm krijgt in ongeboren leven, verder leeft in dode vormen.
Kijk daar, volg mijn vinger, leunt George Oppen uit de boerenkar.
De geur van het hooi maakt hem dronken
van nostalgie naar een tijd die voorgoed voorbij is.
Nooit zou hij kunnen geloven dat hij over veertig jaar zal schrijven:
Of being Numerous
I
There are things
We live among ‘and to see them
Is to know ourselves’.
Occurence, a part
Of an infinite series,
The sad marvels;
Of this was told
A tale of our wickedness.
It is not our wickedness.
‘You remember that old town we went to, and we sat in the
ruined window, and we tried to imagine that we belonged to
those times - It is dead and it is not dead, and you cannot
imagine either its life or its death; the earth speaks and the sala-
mander speaks, the Spring comes and only obscures it -’
De toekomst zou de toekomst niet zijn als hij zich niet reeds
in deze kleurenprent had verstopt.
Meer zelfs: het echte leven heeft bezit genomen van deze afbeelding
die uit een stille droom geschapen is.
Ach wat doet het er toe.
De droom is de jas van het echte leven.
De toekomst is de paraplu boven de regen
die gisteren de straten van de stad schoonveegde.
En mijn lichaam is de envelop
die dit gedicht naar zijn bestemming brengt
De nachtwinkel waar iedereen vroeg of laat komt.
Niemand weet wanneer.
Zelfs niet ongeveer.
(Geregeld zal ik in deze experimentele reeks nieuwe dichters-typetjes brengen. Deze typetjes zijn tot mislukken gedoemde pogingen om het poëticale bolwerk van een geliefd en bewonderd dichter binnen te dringen. De methodiek is het paard van Troje. Als het lezen van de gedichten niet meer volstaat, blijft er weinig anders over dan de dichterskern binnen te glippen en van daaruit verborgen zonnestralen te ontdekken. Kans op slagen is nihil, en dat is maar goed ook. Wie te dicht bij de zon rondhangt, et cetera. Dit zijn zeker geen pastiches zoals Paul Claes destijds pleegde op Richard Minne, Guido Gezelle, …. Ze neigen eerder naar de typetjes die Van Kooten en De Bie in de jaren 80 neerzetten maar dan zonder karikatuur of parodie in de buurt.)
Monday, August 2nd, 2010
DE SIRENE
In deze rubriek, eerder verschenen in De Standaard der Letteren, bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken.
ALS JE MOEDER EEN PRUIK DRAAGT
 Tsead Bruinja
Tsead Bruinja is de dichter van het geluk dat nooit helemaal wil lukken. Hij lijkt in zijn werk vooral uit op het beperken van de ramp en streeft naar wat hij ‘een te verdragen aantal tegenslagen’ noemt. Meer is niet mogelijk. Volledig en zuiver kan geluk namelijk nooit zijn: ‘wat valt er te overwinnen in deze hinderlaag die we lichaam noemen’. Nog een treffend voorbeeld van de onmogelijkheid van volmaakt geluk lezen wij in het gedicht ‘HEMD EN TRUI’. De dichter trekt ’s ochtends de luxaflex omhoog en staat samen met zijn vrouw de sneeuwval te bewonderen. Het tafereel is bepaald innemend. Maar tegen het eind van het gedicht aan plaatst de dichter deze regels: ‘terwijl ik me afvraag op welke plek/ het dak morgen als de sneeuw smelt/ zal gaan lekken’.
In zijn geluksperceptie speelt het perspectief bovendien een belangrijke rol: wat heeft een klein menselijk ongemak nog te betekenen wanneer je het hele wereldleed in aanmerking neemt? Niet alleen is Bruinja de dichter van het bedreigde geluk, maar eveneens van het ongemak dat zich soms geneert een ongemak te zijn. Vanaf wanneer verwerft een mens het recht op zelfbeklag? Bruinja zit gevangen in het etische besef dat je dwingt je mond te houden over een maag- of darmkramp als tegelijk ergens elders een wereldbrand woedt en een willekeurige vrouw door een man of tien serieel wordt verkracht. Hij confronteert zijn lezers voortdurend met de spanning tussen het tragische en het futiele: ‘en je voelt je als een terminale patiënt/ die voor een loslatende vulling/ (…) naar de tandarts gaat’.
Sterfelijkheid speelt een belangrijke rol in deze bundel. De dichter legt een opvallende belangstelling aan de dag voor de mankementen van het lijf. Zijn waarneming daarvan is rauw en naturalistisch te noemen en zijn kijk op het lijk verraadt, bijvoorbeeld in het gedicht ‘MAN GEVONDEN GEEN WORMEN WEL MADEN’, veel oog voor de biologie van de ontbinding. Het komt er, zoals bij zoveel dichters, weer eens op neer dat in elk lijf een lijk gevangen zit dat zich bevrijden wil. Alleen: heeft dat lijf wel recht van spreken over zijn kleinzerigheden en zijn pietluttigheden terwijl zoveel wreedheden en baldadigheden de wereld domineren? Ook met betrekking tot thema’s als onbinding en crematie bedient de dichter zich wel vaker van tegenstellingen: het verschil tussen een pas gecremeerd lijk (iets meer dan drie kilogram) en een pasgeborene (om en nabij de drie-en-een halve kilogram) is verwaarloosbaar.
Tsead Bruinja tekent niet alleen voor zulke persoonlijke bespiegelingen, hij is ook iemand met een onmiskenbaar, bijna oudmodisch sociaal gevoel. Hij weegt in een mooi gedicht als ‘SNEEUW’ zijn kleine fysieke klachten af tegen wat onmiskenbaar erger is. Zijn horizon bevindt zich daarbij ver buiten de grenzen van Nederland. Of van Friesland, waar hij ook zijn literaire roots heeft: in 2000 is hij in het Fries gedebuteerd met de bundel ‘De wizers yn it read’. Soweto, eens de habitat van Hector Pieterson, het vermoorde en tot icoon uitgegroeide dertienjarige jongetje, bevindt zich als het ware in Bruinja’s achtertuin. Bij nadere overweging ligt alles daar. De dichter is namelijk getalenteerd in het samplen van taferelen uit heel diverse werelden die hij de zijne maakt. Evenmin heeft hij er moeite mee een grote variëteit aan stijlen te gebruiken. Er zit een hoge dosis fusion in zijn verzen, maar dat doet vreemd genoeg niets af aan hun eigenheid. In het ene gedicht ontwikkelt hij een haast klassiek idioom, terwijl hij zich elders, par excellence in een gedicht over een tot bewegingloosheid veroordeelde lamme, als een overtuigde rapper met een nerveus, elektrisch taalgebruik ontpopt:
‘je moet pompe met je hompe
slope met je blote pote
zompe
stompe met je rompe
zompe
(…)’.
Dit zijn hoe dan ook gekke gedichten. Precies door hun hang naar absurditeit en schijnbare nonsensikaliteit ben je bij een eerste lezing geneigd ze niet helemaal ernstig te nemen. Niet dat de ventilatie van een tragisch levensgevoel een voorwaarde voor literaire kwaliteit is – jammer genoeg is het tegendeel vaak waar, maar er zit achter vele van deze verzen wel degelijk iets wat ik zou willen omschrijven met een cliché als ‘innerlijke noodzaak’. Zelfs in het kortste gedicht van de bundel, het zeer meerduidige slotgedicht. Dat gaat als volgt:
‘je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen
als je moeder een pruik draagt’.
Dit gedicht is zowel typisch als atypisch voor Bruinja. Atypisch omdat het wel erg kort is. Typisch omdat hij ook hier weer tegelijk veel en weinig zegt. Maar helemaal Bruinja is het vanwege het feit dat het zowel tragisch als ironisch is. De lezer heeft het gevoel hem te kunnen volgen, maar wordt in verwarring gebracht. Want waarom draagt die moeder een pruik? Het wordt niet expliciet gesteld, maar misschien vanwege een chemotherapiekuur. Vanuit de geluksperceptie van deze dichter is dit dan een zoveelste element dat bijdraagt aan zijn overtuiging dat geen geluk ooit puur en onbedreigd kan zijn: het haar van jonge vrouwen mag er voorlopig al betoverend uitzien, er is de wetenschap dat het misschien net als met het haar van de moeder wel eens verkeerd zou kunnen lopen. Niet naar de stijl (want die is ironisch op het hilarische af), maar naar de inhoud is dit een elegische vaststelling. Tsead Bruinja beschikt over een van de dankbaarste poëtische kwaliteiten: de melancholie van de clown.
Eveneens clownesk is het feit dat hij er niet voor schroomt zichzelf een paar keer met naam en toenaam ten tonele te voeren. Hij blaast zichzelf op tot iemand met het machismo van een ‘volleerd dictator’, dicht zich met de nodige humor haast bovenmenselijke capaciteiten toe, demonstreert puberale branie, maar naar het einde toe brokkelt zijn succes af en wordt er een wig in zijn absolutistische verlangens gedreven. Het gedicht eindigt laconiek: ‘Niet wij maar Tsead leidt een waarlijk diep en tragisch leven.’ Bruinja is, om het met de titel van zijn slotcyclus te zeggen, ‘verkeerd verbonden’. Veel gedichten in deze bundel gaan over spaak lopende communicatie, over misverstanden die soms tot wreedheid leiden, zoals in het prachtige gedicht ‘UW PLAATS IN ONS MEEDOGENLOZE ARCHIEF’: ‘ soldaten sloegen haar kinderen zo hard/ dat ze wel de kamer uit moest komen’. Dat meedogenloze archief: het is de wereld. Bruinja wordt erdoor ‘overwoekerd’, beseft dat er niet uit te ontsnappen valt.
____________________
TSEAD BRUINJA
Overwoekerd
Cossee, 79 blz., 19,90 euro
AANTAL STERREN:
***
Wednesday, July 28th, 2010
Omdat het de laatste weken veel warmer is geweest dan het hoofd aan kan, ligt de werkkamer er tamelijk veronachtzaamd bij. Ik zet er overdag nauwelijks een voet over de drempel. Hooguit kom ik er ’s avonds laat, om een sigaret te roken en na te denken over wat ik had willen schrijven, als ik het zou kunnen. Er ligt één boek (is dat wel een boek?) dat eigenlijk af moet. Een ander boek (zeker geen boek) dat nog moet beginnen. De stapel aantekeningen en briefjes en kassabonnetjes met mogelijke dichtregels probeer ik niet te zien. In de oude veilingkisten die zijwaarts tegen de muur staan opgestapeld bij wijze van dossierkast, liggen vergeelde kranten, oude én nieuwe exemplaren van literaire tijdschriften en dichtbundels die ik ergens voor nodig dacht te hebben en die ik niet heb teruggezet. Er staan ook wat lege flessen, een kruikje sterk ruikend spul dat ik niet lust en een strijkplank waar ik al maanden een essay over wil schrijven.
Vorige week dinsdag kwam er ondanks de tropische temperatuur een aardige meneer met een camera langs om te filmen hoe ik werk. Dus deed ik alsof ik werkte, keek naar een willekeurig geopend bestand (een gedicht dat ik nauwelijks herkende) en verplaatste wat letters. Het is altijd een beetje komisch en ongemakkelijk, zo’n toneelstukje dat twee mensen, die elkaar nauwelijks kennen, samen staan op te voeren. (“Dan deed jij of je schreef en dan deed ik alsof ik een onzichtbaar oog was.”) Er zijn mensen die hun werkkamer van te voren opruimen als er gefilmd zal worden. Mensen die de werkkamer niet opruimen of die de werkkamer wel opruimen maar daar spijt van krijgen. Een aantal mensen dat de werkkamer ontdoet van al te persoonlijke zaken óf de werkkamer juist aanvult met attributen die er normaalgesproken helemaal niet staan. (‘Ja, dit beeldje van de Heilige Antonio kwam ik onlangs tegen en het toeval wil dat ik net begonnen ben aan een cyclus over…’)
Ik ben, geloof ik, iemand die eígenlijk op wil ruimen om een beetje georganiseerd over te komen maar het uiteindelijk niet doet en zichzelf dan eerlijker vindt – maar ook wat lui. Dat is erg oninteressant, erg veelzeggend. Bij uitstek iets om over na te denken wanneer je doet alsof je werkt. Dus tikte ik ‘we doen alsof we niet worden bekeken’ op het scherm en verwijderde dat weer. De aardige meneer filmde in stilte. Na een minuut of wat zei hij dat hij klaar was. Er rolden zweetdruppels van zijn voorhoofd. Ik ging hem voor naar boven en we dronken een glas water op het dakterras, waar het tenminste nog af en toe waait. We keken naar het water, achter mijn huis, waar halfnaakte tieners met dubbele namen in dure sloepen lagen te zonnen. Af en toe vloog er een meeuw over, je ziet ze hier steeds vaker.
Pas ’s avonds, toen het af begon te koelen, bedacht ik dat ik op reis zou moeten, ergens heen, weg van die werkkamer, weg van de bijgedachten, het huis uit. Gewoon een tafel, dacht ik, in het gras. En wat mensen. Een flesje wijn erbij. Duidelijker dan dat werd het niet – het leidde ook niet tot iets concreets. Wel schoot me een gedicht te binnen. Of liever gezegd een beeld waarvan ik dácht dat het uit een gedicht kwam: gerommel met papieren, in de rij voor een loket – en dus moest ik die verdraaide werkkamer toch nog in, op zoek naar de bundel waar dat gedicht uit kwam. Onder een opengeslagen Bijbel en twee stripboeken, na een half uur zoeken: Een vrouw op het zuiden van Kees van Domselaar. Met daarin het gedicht dat ik me meende te herinneren, hoewel er in letterlijke zin natuurlijk helemaal geen rij te bekennen viel. Wat past er toch altijd een boel taal en leven in slechts een regel of wat. Het hele gedicht is zo klein dat je het tot postzegelformaat op kunt vouwen en bij je kunt dragen. Gemakkelijk kwijt te raken ook, per ongeluk natuurlijk of omdat je mensen over de vloer krijgt – maar dat is niet erg. Je onthoudt het wel. Dat vind ik mooi aan dit gedicht: het past precies in één van die talloze kieren in je hoofd. Bijvoorbeeld in de ruimte tussen de vraag waar je heen moet en het vermogen daar geen antwoord op te hebben. Praktischer dan een paspoort.
Op reis
Bij lange na niet de wakkere, ik ben vaak
zijdelings als ik vertrek en waar ik aankom
met mijn koffer mis ik soms mijn hoofd
en dan red ik het met mijn papieren
en krijg het stempel, dat ik volg
zo ben ik nergens en daartoe
zeer bereid.
|
|