Wisselkaarten

Luuk Gruwez. Gedig van Anton Korteweg

Friday, March 12th, 2010

ERG

 

Starters, twaalfjarige meisjes,

cultuurbaasjes, wethouders,

laten graag zich mobiel bespringen

bereikbaarheid is een uitkomst

voor ieder die arm is van geest.

 

Wat me ook mateloos ergert,

zijn mannen die eerste klas

hun jasje een zitplaats geven

als had het een kaartje gekocht.

 

Nu we toch bezig zijn:

die hordes gepensioneerden

die het nooit zo druk hadden als nu!

Gaven ze zich maar over

aan ouderengolf of –bridge,

had ik tenminste geen last

van hun postuum gestreef.

 

En dan die oudere vrouwen,

vooral die robuuste die haar

hebben bijgekocht voor een knotje!

 

Kon ik maar lekker haten,

schoot het misschien wat op.

 

© Anton Korteweg (Uit: Ouderen zijn het gelukkigst, 2010: Uitgeverij J.M. Meulenhoff)

Edwin Fagel. Dit is geen pijp

Thursday, March 11th, 2010

Kunstenares Marte Röling begon uit een allesoverheersend verlangen naar zijn aanwezigheid aan een serie van 55 portretten van haar in 2005 overleden partner Henk Jurriaans. Hij was zowel haar man als haar ‘partner in crime’ in de beeldende kunst, en gezamenlijk hebben ze in de loop der tijd enkele onconventionele werken gemaakt.

Marte Röling - Portretten van een liefde

Marte Röling - Portretten van een liefde

Het tastbare resultaat van dat verlangen hangt momenteel in Museum de Fundatie in Zwolle, ik heb de tentoonstelling vorige week bezocht. De portretten tonen Jurriaans in verschillende stemmingen, in verschillende gedaantes ook: meestal met baard, soms ook helemaal kaal en met alleen een snor. Het zijn ingetogen portretten in uitbundige kleuren, waarop we Jurriaans zien met een olijke blik, of in gedachten verzonken, of met een koptelefoon op, etc. Röling heeft naar eigen zeggen gebruik gemaakt van foto’s, maar enkel voor de technische details – de portretten zijn dus geen nageschilderde foto’s.

Aan de aanwezigheid van Henk Jurriaans is tijdens de tentoonstelling niet te ontkomen. Van alle kanten kijkt hij ons vijf keer ‘larger than life’ glimlachend, nadenkend, guitig of bedrukt aan. Hij was, zou je kunnen zeggen, aanweziger dan als hij werkelijk in de ruimte had gestaan en er landschapjes aan de muur hadden gehangen. Röling is dus in haar opzet geslaagd: ze verlangde naar zijn aanwezigheid en ze tekende hem ‘aanwezig’. Zelf noemt ze het resultaat een ‘surrogaat’ en daar heeft ze natuurlijk gelijk in. Maar over wat voor ‘aanwezigheid’ hebben we het hier dan wel, als het geen ‘echte’ is? 

René Magritte - Ceci n'est pas une pipe

René Magritte - Ceci n

Ik moest denken aan het bekende schilderij van Magritte: een schilderij van een pijp, met daaronder de tekst Ceci n’est pas une pipe, ‘Dit is geen pijp’. Inderdaad: je kunt de pijp van Magritte niet opsteken, niet in je jaszak stoppen, kortom: de afbeelding van de pijp bezit, behalve de uiterlijke overeenkomst, geen van de eigenschappen die van een pijp een pijp maakt. Maar als het geen pijp is, wat is het dan wel? Antwoord: de afbeelding van een pijp. Volgende vraag: waarom zou ik kijken naar de afbeelding van een pijp als ik ook naar de winkel kan om een pijp te kopen, een pijp die ik op kan steken? Waarom hangt men de afbeelding van een pijp, die dus zelf geen pijp is, op in een museum om er decennialang naar te kijken? Wat heeft de afbeelding van een pijp te maken met mijn leven?

 

 De relatie tussen kunst en werkelijkheid is problematisch. In de beeldende kunst, maar ook in de poëzie. En het is wat mij betreft een wezenlijke vraag, voor mijn houding ten opzichte van zowel de kunst als de werkelijkheid.  En voor de beantwoording van die andere vraag, die telkens bij de confrontatie met een kunstwerk beantwoord moet worden, namelijk: wat zegt mij dit? Of, algemener: wat is kunst en waarom houd ik mij daarmee bezig?

Ik heb gezocht naar een manier om deze ruimte, die mij door Versindaba wordt geboden, op een zinnige manier in te vullen. Wie schrijft, vind ik, zou zich tenminste moeten afvragen waar hij mee bezig is. Ik was er al een beetje mee begonnen, maar ik zal op deze plek proberen me wat gerichter op deze vraag te concentreren.

 (Edwin Fagel)

Luuk Gruwez. Anton Korteweg en de kortstondigheid

Thursday, March 11th, 2010

 

 

Luuk Gruwez bespreekt elke maand de Nederlandstalige dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

ANTON KORTEWEG EN DE KORTSTONDIGHEID

 

Anton Korteweg is de pleitbezorger, om niet te zeggen de kampioen van de kortstondigheid. Hij schrijft poëzie die je volgens sommigen niet meer hoort te schrijven: poëzie die meteen bevalt. Het is allicht een flauwe woordspeling, maar meer dan bij wie ook is zijn nomen een omen. Zijn  verraderlijk prettige poëzie doet vermoeden dat hij een verre achterneef van Heinrich Heine is. Nog een flauwe woordspeling: Korteweg is via de kortste weg altijd onderweg, maar nooit vér weg. In zijn jongste bundel, ‘Ouderen zijn het gelukkigst’ (titel van een artikel uit het NRC Handelsblad), mijdt hij opnieuw het grote gebaar en de wereldreis. Zijn eindbestemming is niettemin dezelfde als die van iedereen.

Van wie de pen voeren zijn er maar weinigen die zo verliefd zijn op het moment, op het achteloos voorbijgaande. In principe interesseert kortstondigheid ijdeltuiten als dichters pas wanneer zij denken ze te kunnen opheffen. En ach ja, zoals ieder door vanitas aangedreven scribent geldt dit misschien ook wel voor deze dichter. Maar er is een nuance: hij heft de kortstondigheid niet echt op, hij is er zo verliefd op dat hij wou dat zij misschien wel voorgoed kon duren. Niet dat dit hem gelukkig zou maken. Wie haalt het in godsnaam in zijn hoofd het absolute geluk na te streven? Dat soort geluk is voor dwazen, niet voor wie er in gedachten bij stilstaat. Korteweg is dan ook ‘comfortabel ongelukkig’, naar de titel van een van zijn vorige bundels. Of zoals hij het hier omschrijft: ‘behoorlijk wanhopig’. Waarbij ‘behoorlijk’ niet alleen een synoniem van tamelijk is, maar tevens aan welgemanierdheid refereert. Hij heeft er geen enkele moeite mee zijn burgerlijkheid te avoueren. Zij het op een lucide en voor een dichter vruchtbare manier. Hij doorprikt de eigen benepenheid die, juist door het feit dat hij ze zich realiseert, ophoudt benepen te zijn. Er steekt in zijn poëzie een spanning tussen enerzijds de pietluttige buurman van wiens wagen de verchroomde wieldoppen maar een van de vele uitingen van statussymboliek zijn, en anderzijds diegene die worstelt met een allesomvademende, ironieloze oneindigheidswens. Die laatste treedt bijvoorbeeld naar voor in een gedicht voor de dichter Jellema, kampioen van het sérieux, maar intussen toch maar mooi dood. Nee, dan sympathiseert Korteweg liever met een dichter als Remco Campert, die de eeuwigheid niet per se wil kolonizeren. Met discreet leedvermaak blaast hij de pretenties op van auteurs die deelnemen aan een literair congres in Toscane en die voortdurend pendelen ‘tussen lust en onmacht’.

‘Misschien wel’: dat zijn allicht woorden die passen bij een dichter als Korteweg die zichzelf ononderbroken ironiseert en relativeert. Hij is wat hij is, nergens zeker van, ook niet van de waarde van zijn eigen status. Dat hij niet echt gelukkig is: so what? Je moet in het leven niet het onderste uit de kan willen. Hij is integendeel best bereid het op een akkoordje te gooien. En hij is tot zijn spijt niet in staat tot haat, enkel tot ergernis, zoals die in het gedicht ‘Erg’ geestig verwoord wordt.

Van zo’n dichter verwacht je dan ook helemaal niet dat hij bij een goeroe te rade gaat. Daarvoor is de aarde hem liever dan het bovenaardse. Toch heeft hij zich, zoals hij zelf tongue in cheek verklaart in het Nederlandse poëzieblad Awater, een spirituele levensgids aangeworven. Hoewel: spiritueel? Het gaat hem om Prof. Dr. H. C. Rümke, een wetenschapper uit het interbellum en auteur van Levenstijdperken van een man. Korteweg ordent zijn leven aan de hand van de levensfasen die de professor in zijn boek onderscheidt: de juventus, de virilitas, het praesenium en het senectus. Hij voelt zich met zijn ruim vijfenzestig jaren inmiddels een lid van het praesenium. En hij lijkt ervan overtuigd dat het best geruststellend is wanneer een kwaal of de menselijke aftakeling in het algemeen ook een naam heeft. Het is overigens de vraag of al die stadia in een mannenleven er iets toe doen. Al in het aanvangsgedicht van de bundel suggereert de dichter dat alleen het begin en het einde werkelijk van belang zijn.

Het eerste gebod dat Rümke een man in zijn praesenium wil opleggen, voorwaarde tot een minimaal geluk, is ‘Entsagung’. ‘Ontzegging’ dus, ‘intoming van de eros’. (‘Entsagung.’ Tiens, is dit geen Zen-idee?) Eros verwondt. En daar afstand van te kunnen doen, maakt een mens gezond, lijkt de professor te beweren. De dichter versmelt diens wijsheid met wat in de krant heeft gestaan: ‘Ouderen zijn het gelukkigst.’ Maar uiteraard zou Korteweg Korteweg niet zijn indien hij ook nu zijn tongue niet in cheek hield. ‘Gedraag je, lees Rümke, buig mee,’ schrijft hij, ‘ga je wandelen, zet dan een hoed op/ die je voor elke vrouw afneemt.’ De aandacht die hij hier schenkt aan de vrouwen die, jong of een ietjes ouder, zijn blikveld dwarsen, heeft vooral betrekking op hun onverkrijgbaarheid. Betreurenswaardig? Korteweg weet het niet. Hij stelt verwonderd vast.

Waarvan hij wel weet heeft is de betekenis van de oude dag. Er is in de Nederlandse poëzie haast niemand die daarop zo frequent anticipeert. Korteweg, met zijn vijfenzestig jaren woonachtig in het praesenium, houdt zich dag in dag uit zo intensief met ogenblikken bezig, dat hij ze naar het voorbeeld van Rümke perfect kan ordenen binnen die levensfase. Natuurlijk blijft hij er enigszins melancholiek onder. Maar anderzijds is daar altijd, als een soort tweede natuur, de ironie, het middel dat voor een evenwicht zorgt tussen zijn levenslust en zijn doodsangst. Ik weet wel dat ik moet ophoepelen, lijkt hij te denken, maar laat ik schrijvenderwijs maar de scherpe uitsteeksels van mijn weemoed afsnijden, zodat ik mij er niet aan verwond. Op zijn meest cynische momenten formuleert hij het als volgt: ‘Waarom is iets niet wat het is/ maar moet het zo nodig verwijzen/ en dan nog als’t kan naar de dood? (…) Het antwoord weet je best ––/ je bent een ouwe lul.’

Er zijn dichters waarmee je liever de kroeg induikt en een boom opzet over al het verrukkelijke of al het degoutante dat de wereld te bieden heeft. Met hogergestemde anderen ga je de kosmos in, waar je je in hoofdzaak met zwijgen bezighoudt. Absolute waarheid is allicht net zo min in de kosmos als in de kroeg te vinden. Niettemin prefereer ik kroegwijsheden waarvan een zekere poëzie uitgaat boven luchtledige kosmische dogma’s. In de kroeg van de juiste woorden (als die al bestaan) wil ik graag naast Korteweg zitten en desnoods een glas heffen op de zalige schijn. Want – om hem een laatste keer te citeren – ‘het is juist het masker’ (dat) ‘ons verraadt, niet het gezicht.’ 

 

______________________________________

ANTON KORTEWEG

Ouderen zijn het gelukkigst

Uitgeverij J.M. Meulenhoff, 60 blz., 17,95 euro

Chris Coolsma. A poets work is never done

Wednesday, March 10th, 2010

In het Amsterdam van de jaren zeventig zinderde het van de bevrijde verbeeldingskracht. De gevestigde schrijvers, componisten, toneelspelers en musici werden openlijk aangevallen als ze niet meebewogen met de drang naar nieuwe vormen. Ik was een braaf en conservatief jongetje uit de provincie, maar gelukkig sleepte mijn veel avontuurlijkere broer me mee naar het Concertgebouw, sprak vol vuur over de spannende beelden en installaties in het Stedelijk Museum en nam gedichtenbundels van Hans Verhagen en Hanlo mee naar huis. Er sloeg een vonk over van de pioniers op een hele generatie, die vaak vurig aanhanger werd van het ongewone, verrassende en absurde. Ik besefte dat er meer werkelijkheden zijn dan de direct zichtbare, alledaagse werkelijkheid. Ik besefte dat twijfel noodzakelijk is voor vernieuwing van de veilige, maar uiteindelijk afstervende status quo. Dat geldt niet alleen voor de scheppende kunsten, maar ook voor de uitvoerende, leerde ik wat later. De uitvoerende kunstenaar moet beslist zoeken naar vernieuwing, naar voortdurende verbetering van zijn instrument en naar telkens opnieuw interpreteren van de composities die hij vertolkt, zelfs al zijn ze talloze malen uitgevoerd. Hij inspireert bouwers van instrumenten om mee te ontwikkelen en kan zo zelf ook weer verder onderzoeken. Ik heb het van dichtbij meegemaakt. In 1958 stopte er een Porsche voor ons huis in een burgerlijke laan in Zeist. Een man als een rietstengel betrad onze voorkamer om met mijn vader te praten. Spoedig daarna zag ik tekeningen op ruitjespapier van een nieuwe blokfluit. De bezoeker had de blokfluitbouwer overtuigd dat hij een instrument voor de concertzaal kon en moest ontwikkelen. Weer wat later zaten wij met z’n allen met het oor tegen de krakerige luidspreker van de radio – een Philips met zwart bakelieten voorkant - om Frans Brüggen in een Engelse concertzaal een blokfluitconcert van Vivaldi te horen spelen. Dat was ongehoord voor die tijd.

Ik schreef dit op na het bijwonen van een recital door Kristian Bezuidenhout. Hij vertolkt muziek op (kopieën van) historische fortepiano’s. De muzikale beweging die destijds onder andere in Amsterdam begon, is nooit tot stilstand gekomen. Telkens weer blijken er jonge kunstenaars in staat tot vernieuwen van de vernieuwing. Zo hoorde ik nu overbekende sonates van Beethoven alsof ze ter plekke werden gecomponeerd. Je hoort wel vaker dat dit gezegd wordt, maar het is een zeldzaamheid. Het maakt een concert tot een onvergetelijke gebeurtenis. Teruggrijpend op mijn eerdere gedachten over bevroren momenten: Bezuidenhout is in staat om telkens weer emoties in de luisteraars op te roepen, die ze niet meer zullen vergeten. Ik zal vanaf nu, als ik een sonate van Beethoven hoor, even in de Lutherse Kerk in Groningen zijn en Bezuidenhout zien kijken naar een plek ergens in de ruimte, waar hij de klanken vandaan lijkt te halen. Het is echt waar: mijn eerste commentaar op zijn optreden was: ‘hij is een dichter!’ Vanwaar die vergelijking? Eerlijk gezegd misschien wel allereerst omdat hij speelt alsof hij een verhaal vertelt, dat hij ter plekke verzint. Maar ook omdat hij door gebruik van stiltes (rusten) en ritme met klanken aan het dichten is. In beide gevallen ‘vertolkt’ hij het verhaal van de componist met de stiltes en ritmes die in de muziek zijn gegeven, maar toch klinkt het alsof het nieuw is. En dat is het ook, want hij voegt er zijn eigen unieke interpretatie aan toe.

Vandaag worden deze drie dagen geleden neergeschreven gedachten schitterend onderstreept. Veertig jaar na die opwindende jaren in Amsterdam is de interpretatie van de oude muziek verder ontwikkeld. De instrumenten zijn aangepast aan nieuwe inzichten, maar de speelwijze ook. Naar analogie van de singer-songwriter horen we een bouwer-speler die de blokfluitbouwer Hans Coolsma en het genie Frans Brüggen voorbij is. Losgesprongen van the shoulders of giants. Heiko ter Schegget verrukt en verbaast. Ik geloof mijn oren niet. Zelfs die ouwe blokfluit, een van de weerbarstigste en primitiefste instrumenten, kan door gepassioneerd, aandachtig en intelligent doorploeteren worden geperfectioneerd. Kan? Moet!

An artists work is never done.

Chris Coolsma. Bevroren momenten

Saturday, February 27th, 2010

Bevroren momenten

Dikwijls verbaas ik me over de hardnekkigheid van ingeslepen beelden bij herinneringen aan plekken en personen. Het eerste beeld dat bovenkomt als ik aan een pianostuk van Bartok begin, is een grijs stenen gebouw in Utrecht, waarvan ik vroeger dacht dat het Utrechts Conservatorium er gevestigd was. Als ik aan mijn ouderlijk huis denk, zie ik eerst de zanderige bostuin voor me, met klimbomen en een schommel. Onmiddellijk klinkt in mijn hoofd het geluid van het stemwijsje van mijn vader uit de werkplaats waar blokfluiten werden gebouwd. De plaatsnaam Zeist (mijn geboorteplaats) start de film van een blauwe tram die het treinstation uitrijdt. Amsterdam werpt licht op de van Baerlestraat voor het Concertgebouw, waar een toevallige ontmoeting de loop van mijn leven voorgoed veranderde. Herinner mij aan Zuid Afrika en ik zie een dreigende massa van okergele rotsen boven me, een rondawel en een weg die voor en achter ons als bij toverslag verdwenen is.

Twee van deze bevroren momenten zijn vals. Het Conservatorium was niet in dat gebouw gevestigd en na de Tweede Wereldoorlog reed er geen tram meer door Zeist. Toch verschijnen de beelden telkens weer als eerste en, sterker nog, ik geloof meer in hun waarheid dan de waarheid die waar is. Nu is dat wel bekend, we construeren ons eigen verleden en die constructies vervangen de werkelijkheid. Dat gaat nogal willekeurig in zijn werk. Zoals Cees Nooteboom schreef: het geheugen is een luie hond, die gaat liggen waar hij wil.

Al deze eerste beelden worden direct weggevaagd door tal van andere. Ze zijn indringend maar vluchtig en er aan blijven denken wist ze uit. Er zijn maar een paar beelden die zo krachtig zijn, dat ze het altijd winnen van alle andere. En dat ze los blijven staan als een monument van een moment. De eerste keer dat ik mijn latere vrouw zag. Ze droeg haar donkere haar in vlechten en gluurde vanaf een balkon naar mij, zoals ik naar haar gluurde. We waren 14 jaar oud. De eerste keer dat ik het klaslokaal van de lagere school binnenstapte (maar dat is vooral de herinnering aan een geur van lijm en inkt). Het moment waarop ik hoorde dat ik geslaagd was voor mijn eindexamen (ik stond aan een langgatboormachine in een stofwolk onderstukken van blokfluiten uit te boren).

Swartbergpas

De werking van zo’n eerste beeld doet mij erg denken aan de eerste zin van een nieuw gedicht. Ook die dient zich aan als eerste gedachte en wordt, als ik hem niet snel noteer, onmiddellijk overspoeld door andere. Ook die heeft een intensiteit die alleen de eerste ervaring van een bijzondere gebeurtenis heeft. Waarschijnlijk is het juist die intensiteit die er voor zorgt dat zulke openingsbeelden voordringen in ons geheugen. Ze zijn verbonden met een heftige emotie. Zonder er nu studies op na te slaan (Douwe Draaisma schreef er fascinerend over) geloof ik erg in wat ik hier schrijf. En ik geloof ook dat schrijven van dichten heel veel te maken heeft met het zoeken naar beelden met die intensiteit. Wat onherroepelijk effecten heeft op de lezer. Als een gedicht geslaagd is, roept het emoties bij de lezer op, die de schrijver wilde oproepen en die aanvankelijk tot het schrijven van het gedicht leidden. Als die eerste zin een bevroren moment was, wordt de zin op zich dat voor de lezer.

Heb ik nu erg veel woorden gebruikt om het amandelkoekjeseffect van Marcel Proust uit te leggen? Misschien, misschien. Daarom weer snel terug naar die avontuurlijke reis over de Swartbergpas. Wie de weg vervolgt naar het Noorden, raakt al snel verward in grillige ravijnen tussen hoge bergen. Tijdens onze rit stopten we ergens bij een rondawel. Rond ons rezen overhellende rotswanden op. Mijn echtgenote verzuchtte: ‘Hier is God wel erg kwaad geweest’. Die zin en de beelden van die plek bleven haken in mijn geheugen en een maand later ontstond dit gedichtje:

Na de Swartbergpas voor Prins Abert

In de kloof met de verwrongen wanden

zei je dat Hij hier wel erg kwaad was geweest

 

Ik dacht aan miljoenen jaren stuwing

van magma, aan miljoenen jaren kabbelen

en slijpen van een rivier

 

Maar ik zweeg

want ik wist niet zeker

of Zijn woede wel over is.

**

Is dit eigenlijk wel een gedicht? Of beter gezegd: behoort dit gedicht niet tot de 99% terecht niet gepubliceerde gedichten van de 1 miljoen rijmelende Nederlanders waar Robert Anker op doelt in zijn artikel in De Groene Amsterdammer van 21 januari 2010 (‘Het schandaal van de poëzie’)? Daarover een volgende keer. Als ik durf.

 

(Chris Coolsma)

 

 

Luuk Gruwez. Poëzie in Dubbeltijd.

Friday, February 26th, 2010

POËZIE IN DUBBELTIJD

 

Onder het motto ‘een kleine ritselende revolutie’ loopt van 23 januari tot 23 mei 2010 in Brugge het festival ‘Poëzie in dubbeltijd’. Luuk Gruwez heeft de lezer van De Standaard der Letteren vier weken langs zijn favorieten in het parcours gegidst: Kopland,Jansma,Van hee en Claus. 

 

ONEINDIG VEEL PROBLEMEN

 

 

Men zou het woord probleem moeten vermijden

om twee simpele redenen:

 

er zijn oneindig veel voorbeelden van problemen

die er niet zijn – ik kom hier op terug

 

er zijn even oneindig veel voorbeelden van problemen

die er wel zijn, maar niet zo worden genoemd –

ook hierop kom ik terug.

 

Alle gebeurtenissen bijvoorbeeld, ja alle, 

om ons heen en in ons, ze zijn gebeurd

en men vraagt waarom.

 

Vergeef mij mijn enige antwoord: waarom niet?

 

Want alle gebeurtenissen zijn uitzonderingen op

al die regels volgens welke ze niet gebeuren.

 

Het is dus beter het woord probleem niet te gebruiken

want de problemen die er zijn en er niet zijn

zijn dezelfde.

 

Zo zou ik kunnen doorgaan tot ik ophoud.

 

Daar is veel voor te zeggen, niets daarna.

 

Rutger Kopland

 

(Uit: Tot het ons loslaat, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1997)

 

 

 

SPREKEN EN ZWIJGEN

 

Er zitten veel retorische kunstgrepen in dit gedicht van Rutger Kopland. Alleen al doordat hij zich op een gespeeld didactische toon tot de lezer richt. De kwansuis lapidaire  mededeling Ik kom hierop terug is hiervan de duidelijkste illustratie. De dichter ontkent het bestaan van problemen niet, maar stelt vast dat er daar oneindig veel van bestaan die dit pas echt worden doordat men ze zo noemt. Omgekeerd zijn er veel problemen die er eigenlijk helemaal geen zijn. Maar ook die worden het door hun benoeming.

Wat wij te lezen krijgen is de ludieke denkoefening van een psychiater. Onder zijn echte naam, Rudi van den Hoofdakker, is Rutger Kopland dit namelijk ook. Soms zorgt juist het uitgesprokene voor een probleem, terwijl nagenoeg iedereen in de geestelijke gezondheidszorg mensen aanbeveelt hun hart te luchten. Wat de dichter, misschien anders dan de psychiater, in essentie beweert is dit: zelfs het meest voor de hand liggende weet ik niet.

Het is de kruisbestuiving van diverse toonaarden (de overredingskracht enerzijds en de twijfel anderzijds) die dit gedicht zo prachtig maakt. Het pendelt voortdurend tussen zekerheid en onzekerheid. Het is dan wel een poging om tot een waarheid te komen, maar aan het eind blijkt eigenlijk dat de convictie van een geoefend denker niet bewijskrachtiger is dan die van een gemiddeld kroegloper.

Misschien is dit wel een antipsychiatrisch gedicht: van het niet benoemen van problemen, zeg maar van het ontkennen ervan, gaat een zekere heilzaamheid uit. Uiteraard staat zoiets haaks op de gangbare therapeutische overtuiging dat je problemen het best kunt oplossen door ze uit te spreken. Hier lijkt het er daarentegen even of Kopland het onuitgesprokene minder problematisch acht dan het uitgesprokene. Misschien gaat de dichter met de psychiater in de clinch. In de laatste strofes ondermijnt hij zijn eigen stelling dan weer met een zekere ironie: ‘Zo zou ik kunnen doorgaan tot ik ophoud.’

Van de eerste tot de laatste regel weigert de dichter, balorige dwarsligger, denkpatronen te valideren. Hij is not convinced. Hij trekt dan wel op zoek naar iets als een waarheid, maar heeft daarvoor hulpstukken nodig: paradoxen, zoals iedereen weet de meest weifelmoedige, maar misschien ook de meest geloofwaardige onder de overtuigingen. In de ontkenning van de waarheid, zeg maar van de gebeurtenissen in een mensenhoofd, zit precies evenveel waarheid als in de bevestiging ervan.

Wat nog het dichtst de zekerheid benadert zijn de dooddoeners zoals die aan het eind worden geformuleerd. De laatste regel klinkt zelfs bepaald dubbel: dan zit je altijd goed. Opnieuw is daar dat antagonisme. ‘Daar is veel voor te zeggen’ kan betekenen dat er iets uit te spreken is, waardoor elke redenering als het ware van vooraf aan kan beginnen. Maar tegelijk kan de dichter bedoelen dat het ventileren van een probleem er de oplossing van is. Getuige de tweede helft van het vers: ‘daarna niets’. Wat is nu eigenlijk beter, spreken of zwijgen?  In eerste instantie krijg je de indruk: niet spreken. Maar de ironie insinueert dat er, nadat men iets gezegd heeft, niets meer te zeggen valt. Het is de vraag of dit een zegen of een vloek is.

 

ARCHEOLOGIE

 

Als we ons dan toch moeten kleden

tegen kou bijvoorbeeld of in naam van iets

in resten van dit of dat verleden

verhalen en geheugensteuntjes die niets

 

vertellen dan dat we er al waren

in de tijd die bestond voor dit heden –

als wij onszelf alleen in het nu kunnen bewaren

door onszelf voortdurend uit te vinden in het nu

 

dan liefst eenvoudig, aan de hand van kleding.

Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand

ijs overstak, hoe hem de kou beving

 

of een ander einde en je zegt: kijk,

hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten.

‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’

 

                                  

                              Esther Jansma

 

(uit: Altijd vandaag, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2006.)

 

 

ALTIJD VANDAAG

 

Net als archeologie is poëzie onder meer een poging om van het verleden opnieuw een heden te maken. Of om het uitgeklede verleden weer met een soort heden aan te kleden. Ziedaar de essentie van dit sonnet, een bepaald vormvast te noemen versvorm die allicht niet gratuit is in een tekst die zozeer het ongeordende wil catalogeren. De dichteres, Esther Jansma, is dendrologe van beroep. Uit hoofde daarvan kan zij, ijverig jaarringen tellend, vrij precies bepalen hoe oud bijvoorbeeld een boom is. Op een vergelijkbare manier gaat zij met onderzoeksmethodes die uit de archeologie stammen, op zoek naar datgene wat van een mens nog overblijft wanneer die er niet meer is. Eigenlijk is dit niet veel meer dan datgene waarmee hij zijn lichaam inpakt. Door daarvan een inventaris op te maken wekt de dichteres, gelegenheidsarcheologe, de schijn voor even weer dode mensen te kunnen bezielen. Zij bevrijdt hen uit de kooi van de tijd, zodat hun vroeger weer een nu wordt. Natuurlijk gaat het ook om meer dan dit. Specifieke attributen als schoenen, leren mantel en wanten vertellen haar en ons mogelijk iets over de barre omstandigheden waarin iemand overleden is. Jansma reconstrueert daardoor ook de menselijke entourage. 

Toch valt het op dat haar archeologische studieobject in de eerste plaats de mens zelf is. Kleren zijn eigenlijk niet veel meer dan een noodzakelijk kwaad, lijkt zij te beweren: ‘Als wij ons dan toch moeten kleden (…).’ Niettemin zijn zij ook taaluitingen die communicatie d’outre tombe mogelijk maken: wat verwijst er meer naar een overledene dan diens kleding? In dit gedicht, bijvoorbeeld, doen de aangetroffen kleren vermoeden hoe iemand omgekomen is.  Kleren definiëren. Kleren verschaffen de mens een zekere identiteit, staan hem toe zichzelf van anderen te onderscheiden, een gave die zijn collega-zoogdieren vreemd is. Meer dan wij denken zijn wij opgetrokken uit verpakking die vaak minder vergankelijk is dan het vlees, het bloed en de knoken waaruit wij eveneens bestaan of hebben bestaan. Misschien is het wel die verpakking van de toekomstige dode in ieder van ons die ervoor zorgt dat wij na ons overlijden voor een poosje minder overleden zullen zijn, althans in de ogen van onze nabestaanden. Of om het met enig plechtstatig overstatement uit te drukken: archeologie bewerkstelligt voor de mens een tijdelijke verrijzenis, maakt van een lijk weer een poosje een lijf. Ook al heeft een mens daar zelf geen weet meer van en heeft hij er zeker geen zeggenschap over. 

Een vraag die hier heel erg voor de hand ligt, is deze: in welke mate vallen archeologie en poëzie in hun primordiale bedoelingen samen? Los van het feit dat beide disciplines actualisering nastreven, gaat het hem ook om de middelen die zij daartoe aanwenden. De dichteres verklaart zich een adept van de eenvoud. Zij is zich ervan bewust dat er geen efficiënter bestaansbewijs is. Haar opzet is er niet minder ambitieus om: het moet altijd vandaag zijn. Waarom, in hemelsnaam, moeten wij voortdurend afscheid nemen? Als zoveel dichters trekt Esther Jansma, met de bescheiden middelen waarover zij beschikt, ten strijde tegen alle verdwijntrucs van het bestaan.

 

 

beklimming van de mont aigoual

 

I

 

ja, wij hielden van dat langzame

klimmen omhoog uit het dal

tussen slapende bergen en achterom,

naar de dorpen te kijken, zoals

ze daar lagen, nog in de schaduw,

achtergebleven

 

wij hielden ervan om een steen op te rapen

hem in het licht van augustus te houden

en hem weer neer te leggen

tussen de andere stenen

 

wij klommen traag, in gedachten

verzonken, wij brachten de tijd door,

intens als de dieren, de oren gespitst,

de neus in de wind, het heden

was ons vergund

 

 

                    Miriam Van hee

 

(Uit: Buitenland, De Bezige Bij, Amsterdam, 2008)

 

TUSSEN SLAPENDE BERGEN

 

In de poëzie van Miriam Van hee is er altijd een pendelbeweging tussen buitenland en binnenkamers geweest. Zij heeft ontzag voor wat groter is. Daartegenover staat dat ook dit grotere vaker fluistert dan buldert. Dat grotere: daartoe behoren bijvoorbeeld de bergen. Veel verzen en veel titels, zowel van bundels als van gedichten, liegen er niet om. Eén bundel heet ‘Achter de bergen’, maar al in 1984, in een wintergedicht uit ‘Ingesneeuwd’, heeft zij het over ‘een stilte/ onoverkomelijk/ als tussen heel oude bergen.’

Het toeval wil dat ik een soort facsimile van het hier besproken gedicht heb mogen meemaken in de late zomer van vorig jaar: dan hebben de dichteres en ik namelijk de Mont Aigoual beklommen, in het gezelschap van onze geliefden die de top sneller wisten te bereiken dan wij. Precies als in geschrifte zijn dichters soms ook in de realiteit minder snel. ‘Wij klommen traag, in gedachten verzonken,’ staat er. Inderdaad.

Is dit gedicht dan niets meer dan een toevallig tafereel dat zich afspeelt onderweg naar een van de hoogste bergtoppen van de Cevennen? Toch wel. Het gaat hem in de eerste plaats om de manier waarop de klimmers zichzelf proberen te toetsen aan parameters als tijd en ruimte. Om daartoe te komen maakt Van hee gebruik van tegenstellingen: licht en schaduw, berg en dal, vooruit en achterom. En daartussen wordt zij, net als haar klimmende partner, bevangen door iets dat nog het meest in de buurt van geluk komt. Niet in de eerste plaats een nostalgisch geluk of een dat ontstaat door de gedachte dat straks een bergtop wordt bereikt, maar een emotie die duidelijk ook aan het heden, het moment van het klimmen, is gelieerd. 

In de eerste strofe domineert het verleden. Het is nog ochtend, de dorpen liggen nog in de schaduw en de wandelaars kijken nog meer achterom dan dat ze al vooruitblikken. In de tweede strofe krijgt het tijdsbesef er een belangrijke dimensie bij. De klimmers houden even halt, beseffen de duurzaamheid van een steen die er altijd geweest lijkt te zijn, ook nu, in het licht van augustus. Niet één ogenblik wordt de harmonie verstoord. Weldra wordt de steen teruggelegd. Het belangrijkste is hier dat de personages opgaan in de realisatie van wat groter is dan zijzelf.  Het is geen besef van nietigheid dat hen overweldigt. Van hee schrijft namelijk: ‘Wij hielden ervan (…)’. Hier spreekt een dichteres die meer dan vroeger in staat is tot geluk en niet enkel tot de gelukzaligheid van de melancholie.  

Er is blijkens de derde strofe in elk geval een vage en – letterlijk – ook hogere macht die de klimmers toestaat van het heden te genieten. Hun genot heeft een haast dierlijke intensiteit, vertoont een scherpere zintuigelijke prikkeling. De eindconclusie (‘het heden was ons vergund’) betekent: ons hic-et-nunc is een voldoende bron van genot; wij zijn er voor minstens even in geslaagd te ontsnappen aan verleden en toekomst, wij zijn de tijd te slim af. 

In al haar bundels zoekt Miriam Van hee een plek die zij de hare mag noemen en altijd is die gelegen in het buitenland: het is de poëzie die moet maken dat zij daar thuis is, dat haar buitenland binnenskamers wordt. Of dit haar altijd lukt? In de laatste strofe van ‘Buitenland’ staan  deze regels:

‘de bergen houden zich groots: tot ziens

zeggen ze, tot ziens, maar weten ze niet

dat je nooit meer terugkeert (…).’

Bergen die ‘tot ziens’ kunnen zeggen: Miriam Van hee heeft er een patent op en groet ze beleefd terug.

 

BROER

 

‘Het is hard,’ zei hij, ‘godverdomme hard.

En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.’

 

Nog de herfst buiten, een maïsveld tot de einder,

het woord valt, einder, eindig.

Dan geen woord meer van hem.

 

In zijn slokdarm de plastic slang.

Hij hikt uren lang. Kan niet slikken.

 

Nog beweging in de rechterhand

die de linker draagt als een vette lelie.

De hand steekt zijn duim omhoog.

Hij blijft seinen tot zijn laatste verval.

 

Hij heeft wit kindervel gekregen.

Hij knijpt in mijn angstige hand.

 

Ik zoek nog naar een gelijkenis, de onze,

de onrust van haar,

het ongeduld van hem (geen tijd voor tijd),

beider wantrouwen en goedgelovigheid

en ik beland in ons eerste verleden,

dat van een wereld als een weide met kikkers,

als een sloot met paling

en later weddenschappen, tafeltennis

huishoudelijke wetten, de 52 kaarten,

de drie dobbelstenen

en aldoor de tomeloze honger.

(Ik word oud in plaats van jou.

Ik eet fazant en ruik het bos.)

 

Nu is zijn behuizing afgemeten.

De machine ademt voor hem.

Slijm wordt weggezogen.

Een ratel uit zijn middenrif,

en dan zijn laatste beweging, een lome knipoog.

 

Zielsverhuizing. Een ordening. Een portie afgesneden.

Het lijf nog verminderend

en dan plots in zijn gezicht dat dood was

een frons en een kramp

en dan een gesperde, woeste blik,

ondraaglijk helder, de woede en schrik

van een tiran. Wat ziet hij? Mij, een man

die zich afwendt, laf verbaasd over zijn tranen?

Dan is het morgen en maakt men de riemen los.

En hij dan voorgoed

 

 

Hugo Claus

 

(Uit: Gedichten 1948-1993, De Bezige Bij, Amsterdam, 1994)

 

RIEN NE VA PLUS

 

Zelden heeft een leesteken functioneler ontbroken dan na ‘voorgoed’, het slotwoord van dit gedicht: het duidt op een onvermogen om definitief afscheid te nemen. Zelden ook hebben  onbeholpen woorden als ‘nu’, ‘nog’ en ‘dan’, woorden die door hun stuntelige herhaling onkunde suggereren, zo’n impact gehad. Wat Claus hier sympathiek maakt, is het feit dat hij uit zijn rol valt, iets wat wij van hem niet gewoon zijn. Hij wekt hoogstens de indruk een faux naïf te zijn of een slechte spreker, een stotteraar die geen geschikte poëtische vorm vindt voor zijn ontreddering. En dat maakt van dit gedicht net heel bijzondere poëzie. Hij staat maar wat te stuntelen bij het bed van zijn evenzeer stuntelende en stervende broer. Geen van beiden heeft zichzelf nog in de hand: hun lichaam commandeert hen. Misschien gaan deze woorden nog het meest over het verlies van gezag. De broer is enkel tot een lome knipoog in staat, een laatste verzet tegen het lijfelijke verval, maar de kilo’s die hij bij leven vraatzuchtig bijeengespaard heeft, is hij voorgoed kwijt. En dat vindt hij ‘onrechtvaardig’. Hij fulmineert nog wel tegen de condition humaine, maar zijn poging tot ironie (de omhooggestoken duim) verraadt machteloosheid. Ook de dichter moet zich aan het eind gewonnen geven. Hij laat tot zijn eigen verbazing zijn tranen de vrije loop, waarna hij zich (naar eigen zeggen) lafhartig afwendt van het stervenstafereel.

Het is bekend dat Claus dit gedicht, emotieschuw als hij was, zelden of nooit voorlas. Daar had hij een goede reden voor: in weinig gedichten treedt hij zo ongecamoufleerd en zo ongepantserd naar voor. Ik ken nogal wat mensen die, allicht mede daardoor, juist dit gedicht tot zijn absolute top rekenen. Het is wat men met een hemelhoog cliché aangrijpend noemt. Je hoort zowel Claus als zijn broer vloeken, doordrongen van alles wat voor het laatst is. Maar het verdriet dat hem overmant, ontstaat mede doordat hij niet alleen afscheid van een stervende neemt, maar net zo goed van zichzelf en van wat hij zijn ‘eerste verleden’ noemt. Een verleden, overigens, dat hij heeft mogen delen met zijn broer die hij hier ‘wit kindervel’ toeschrijft. Hij raakt kwijt wat hem lief is: de kwajongensstreken, het bohémienbestaan, de jeunesse dorée, het van lijfelijkheid en aardsheid doortrokken genot dat ons uit zijn biografie bekend is. Ook de aard van de doodsstrijd maakt het gedicht indrukwekkend: niks geen zachtaardig ontslapen, maar een brutaal gevecht tussen titanen. De broer lijkt onvervaard. Tegenover zijn dood gedraagt hij zich woest, woedend en tiranniek. De dichter is daarentegen bang: hij heeft het over zijn ‘angstige hand’.

Die confrontatie van twee tijden die in de loop van het gedicht worden beschreven, maakt alles des te prangender. Claus mag ons dan al het beeld van een lastige, hikkende doodsstrijd ophangen, hij schetst ook een vrij idyllische kindertijd, een domein van vrijheid en ongebondenheid in een onproblematische omgeving waarin het spel centraal mag staan als een vorm van rebellie tegen een plichtmatig en conformistisch bestaan. In zijn gunstigste definitie is leven voor hem altijd spelen geweest. Maar hier worden de kaarten niet langer geschud. The game is over. Rien ne va plus.

 

Luuk Gruwez 

 

 

 

 

Edwin Fagel. Gekke gedachten

Sunday, February 21st, 2010

Een paar dagen geleden stond op mijn dagkalender het volgende gedicht van K. Michel:

 

Ook de vissen

 

Zou je de Haagse Hofvijver overeind zetten

rechtstandig als een majestueuze wand van water

om het licht de diepte te laten doorstralen

om de stad een doorzichtige spiegel te bieden

 

een oudgouden glans zou over de huizen strijken

en iemand roept als eerste ‘kijk’ en wijst

toeterend komt het hele verkeer tot stilstand

abrupt worden alle vergaderingen opgeschort

en de straten vullen zich met ogen en geroezemoes

 

een vorstelijk banket, jagers in een herfstbos

zegels en paperassen, gesluierde naakte vrouwen

iedereen ziet in de vijverwand iets anders

maar allemaal blikken ze diep in de tijd terug

 

en eindelijk kunnen de hofvissen ook eens

over de schubbenhuid van de daken uitkijken

naar de glinsterende torens en ijspaleizen

de bomen bij de duinen, het gele strandzand

 

‘kijk’, stoten de vissen elkaar aan, ‘dat zilvergrijze

dat schitterende schuimende, woelende weidse

dat zich daar uitstrekt tot aan de einder en verder

dat is nou de zee, ja dat daar is de zee’.

 

Een klassieker, wat mij betreft, en het was een plezierig weerzien. Ik vind dit echt een heel mooi gedicht. Ik woon in de regio Den Haag en telkens als ik de Hofvijver passeer moet ik denken aan die vissen die elkaar aanstoten en naar de zee wijzen. Toch, bedacht ik me terwijl ik het gedicht herlas, is het een gedicht dat ik zelf nooit zo zou kunnen en willen schrijven.

Het hele gedicht gaat uit van één gedachte, namelijk de gedachte wat er zou gebeuren als je de Haagse Hofvijver overeind zet. Een gekke gedachte. Dat had zomaar mis kunnen gaan. Er bestaat namelijk veel poëzie waarbij de dichter een ‘gekke’, of ‘slimme’ gedachte kreeg, en bij het krijgen van die gedachte het gedicht al als half geschreven beschouwde. Dat resulteert niet zelden in weinig interessante overwegingen, bijvoorbeeld over dat het voetbalspel veel weg heeft van het leven zelf, of over wat een koe in een weiland denkt.

Zelf verlang ik van poëzie iets anders. Leuke, gekke, grappige of mooie gedachten kun je namelijk ook kwijt in een column, op een blog of op Facebook. Poëzie is veel méér dan dat. Of misschien heeft het er ook wel mee te maken dat ik zelden of nooit een gedachte heb die ik zonder aarzelen als ‘interessant’ zou bestempelen. Als ik bijvoorbeeld een voor mijn doen filosofische of gekke gedachte heb, is er altijd wel iemand (een filosoof bijvoorbeeld) die de gedachte eerder en beter heeft gehad, en scherper heeft verwoord. En mijn gekke gedachten wil ik niemand aandoen.

Het leven heeft mijn gedachten niet nodig om interessant te zijn. Ik zoek in mijn eigen gedichten dan ook geen woorden om mee te beschrijven wat ik denk, ik probeer te beschrijven wat ik waarneem. Ik interesseer me voor het leven zelf: de dingen, de mensen, de gebeurtenissen, de mysterieuze verbanden ertussen - en hoe dit alles in de taal kan worden vormgegeven.

Ik ben van weinig werkelijk overtuigd, maar van bovenstaand ben ik, vrees ik, niet meer af te brengen. Behalve af en toe door een geweldig gedicht van bijvoorbeeld K. Michel. Een gedicht dat een ‘gekke’ gedachte als vanzelf heel ver doorvoert, en er prachtige beelden uit haalt. En ik geniet telkens van de soepele en subtiele formuleringen. Het gedicht maakt zodoende mijn poëticale opvattingen – in ieder geval voor de duur van het gedicht – irrelevant. Dat is altijd fijn.

 

 (Edwin Fagel)

 

 

 

 

 

Ester Naomi Perquin. Waterbestendig

Monday, February 15th, 2010

Waterbestendig

 

Tijdens een wandeling langs het water van de Rotte lag ‘ie ineens voor mijn voeten op het asfalt: een vis van een centimeter of tien. Glinsterend in de zon en nog zo levend als wat. Hij kromde zijn lijf, opende en sloot zijn mond, klapte met zijn staart. “Een voorntje,” wist een meneer met een hoed, die was blijven staan. Dat is natuurlijk leuk en aardig, bedacht ik me geërgerd, dat zon man de naam van de vis kent, maar het raadsel wordt er heus niet kleiner door. Want wat deed dit dier boven water, in de verkeerde wereld, midden op de doorgaande weg? Een visje van dat formaat springt toch niet zomaar de wal op, drie meter ver? Terloops keek ik even naar boven. Ik geloof al jaren niet meer - maar ik moet toegeven dat het nét iets voor Hem zou zijn om mij een vis voor de voeten te werpen.

 

 

030307voorntje
Een voorntje dat te laat gevonden werd, dood tussen het speenkruid - foto Krijn Dijkema

 

 

In de directe omgeving waren twee potentiële daders aanwezig: op een meerpaal aan de overkant, vlak bij het riet, zat een aalscholver. Zijn vleugels tilde hij wat omhoog, zoals aalscholvers dikwijls doen, tegen de wind in. Hij zag eruit alsof hij zijn regenjas stond te drogen. Maar aalscholvers nuttigen hun maaltijd graag ín het water, voor zover ik weet. Ze zijn er erg handig in. Een waarschijnlijke kandidaat was hij dus niet. Een eind verderop stond een reiger en hield ons (de vis, de meneer met de hoed en mijzelf) met zijn geniepige ouwe-mannetjes-ogen scherp in de gaten. Die zou er wel meer van weten. Hoe gaat zoiets? Eerst staat de vogel op wacht. Verdekt opgesteld. Langdurig gluren. Dan: een prooi. Volgen. Wachten. Volgen. Wachten. Dan: pijlsnel toeslaan. Hebbes! Triomfantelijk opstijgen met de buit in de bek. En dan? Het moet gebeurd zijn in een flits. Het draaien van de kop, een kreet van verbijstering: de prooi is ontglipt. De vis belandt met de klets van een natte washand op het wegdek. Of was dat deel van het plan? Vissers slaan hun slachtoffers graag met een steen naar de andere wereld - vogels zullen dat trucje dus wel hebben uitgevonden (mensen kijken veel van vogels af). Vis loslaten en te pletter laten vallen op het asfalt. Een rondje vliegen nog. Dan: landen en eten.

Er zijn maar weinig dingen waar een mens het zo benauwd van krijgt als van het kijken naar een vis op het droge. Je herkent het gezicht zoals je het nooit eerder herkende (je wist niet eens zeker of een vis wel een gezicht had). De paniek in die wijdopen ogen, die zinnelijke lippen, dat wanhopige stuiptrekken. Hij hapt naar adem zoals je zelf zou doen. Sterker nog: zoals je doet. Want herkenning slaat op je longen. De meneer met de hoed en ik hadden er allebei last van. We hapten onhoorbaar in koor, terwijl we daar stonden. Nu is het altijd prettig om een mooie gedicht paraat te hebben in dit soort situaties: één die je achteloos uit je mouw schudt en die het hele tafereel samenvat, verplaatst of verandert. Maar er kwam zo gauw niets in me op en haast was natuurlijk geboden. Ik raapte de vis dus van het asfalt en wierp hem met een boog de lucht in. Hij verdween heel sierlijk, neus vooruit, het water van de Rotte in. We zagen hem even aarzelen maar toen zwom hij zonder haperen weg en verdween in de diepte. De meneer met de hoed en ik bleven staan. Op mijn handen waren wat zilveren schubben achtergebleven. ‘Kijk’, zei ik blij: ‘losgeld!’ 

Niet lang na deze gebeurtenis werd mij een bundel aangeraden door een vriend die graag poëzie leest in bad (ja, zulke mensen bestaan, de wereld is nog niet verloren). De schuur in heet de bundel en de dichter heet Marije Langelaar. Het zijn opgewekte, grimmige gedichten. Beweeglijk ook en vol lichamelijkheid: ‘Deze herinnering kwam / op als een drenkeling / ik reanimeerde hard als een / wilde verpleegster /  raakte in de war met stengels en knopen’.  Op pagina 16 vond ik een gedicht dat ik graag eerder zou hebben gelezen. Het zou een mooie ondertiteling geweest zijn, bij het verdwaalde voorntje. Gelukkig kun je later, (oh handige systeemwerkset van het eigen hoofd) nog heel wat knippen en plakken. Dus draai ik zo nu en dan vertraagde zwart-wit-opnamen van mijn voorntje af (staart die in slow-motion op het asfalt kletst en weer omhoog komt) en lees er dan het gedicht van Langelaar bij. Het is een mooie film geworden. En: je kunt er gewoon mee in bad.

 

 

Vis

 

Liet de reling van mijn lichaam los, liet mijzelf vallen als

een steen

zo viel ik in de vis

 

Ik beweeg mijn voormalige nek maar niets -

tot zover zit ik in de vis vast het is tamelijk hardnekkig

Ik ben een roerloos stille vis, afgezien van mijn staart

ongecontroleerd op de grond links rechts links rechts pats pats

 

Dan kapseist de vis -

de benen gestrekt en de man houdt mij vast pats pats

 

Ester Naomi Perquin

Luuk Gruwez. Grappen met God

Wednesday, February 10th, 2010

DE SIRENE

 

In deze rubriek, waarvan onderstaande aflevering recent in de Standaard der Letteren verscheen, bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken.

 

GRAPPEN MET GOD

 

Nachoem M. Wijnberg

Nachoem M. Wijnberg

De nieuwste bundel van de in 2008 nog met de VSB-poëzieprijs bekroonde Nachoem M. Wijnberg heet Divan van Ghalib. ‘Divan’ betekent zoveel als ‘liedboek’. Wie was of is die Mirza Ghalib? Hij leefde van 1797 tot 1869, woonde tijdens de Britse overheersing in Dehli, was bekend van zijn brieven en zijn liefdesgedichten die hij in het Urdu en het Perzisch schreef en werd in zijn tijd als een van de  populairste dichters in Zuid-Oost-Azië beschouwd. Maar voor wie staat Ghalib in deze bundel? Wat stelt hij allemaal voor? Hoe is zijn verhouding tot Nachoem M. Wijnberg en waarom heeft deze laatste hem tot hoofdpersonage van een bundel van 162 blz. overwegend lange gedichten gemaakt? De lezer krijgt het antwoord op die vragen (gelukkig) niet zomaar in de schoot geworpen.

 

Men zal het mij misschien kwalijk nemen dat ik deze bundel aanbeveel. Hij balanceert voortdurend op de rand van de realiteit en de irrealiteit, het weten en het niet weten, het beginnen dat verwisselbaar is met het eindigen. Hij intrigeert vanwege zijn volgehouden parafilosofische overwegingen en tegelijk overdondert hij de lezer met zijn heldere onhelderheid, met de vreemde logica van het onlogische en de kennis van het onkenbare. De dichter, die de lezer voortdurend op het verkeerde been zet, noemt Ghalib dan ook diverse keren een grapjas. Hij is wat dit betreft in voornaam gezelschap, want ook God maakt grapjes. (God en Ghalib lijken hier twee concurrerende scheppers.) Eén gedicht heet overigens ‘Een grap van God’. Is deze kwalificatie (‘grapjas’) misschien ook op Wijnberg zelf van toepassing?

Sommigen zullen zijn poëzie gebakken lucht vinden, gratuite drukdoenerij, ellenlang uitgesponnen gewichtigheid: langdradige fabricages in een te volumineuze band. Maar misschien heeft veel hier met de leeshouding te maken. Je kunt deze verzen het best in een lichte roes lezen, tussen nuchterheid en dronkenschap, met de nog net verdedigbare logica die tussen die twee in ligt. Aan de orde is de vanzelfsprekendheid van het ongewone en het afwijkende. Op mij had de bundel op de lange duur een licht hypnotisch effect. In elk geval is hier een dichter aan het woord die met niemand in ons taalgebied vergelijkbaar is. Een maker van betekenissen die hij heeft losgekoppeld van hun conventionele wereld. Soms heeft de dichter het heft niet in eigen handen en legt de poëzie haar eigen semantiek op. Het is niet altijd even duidelijk wie het voor het zeggen heeft, de dichter of zijn gedicht. Meer dan eens krijg je, al dan niet verkeerdelijk, de indruk dat het in eerste instantie het lot is dat dit bepaalt. In deze verzen is er namelijk niet één mens die dit in eigen handen heeft. De poëzie heeft zoveel autonomie weten te verwerven dat zij de indruk wekt zelf aan het denken te slaan en door de dichter alleen maar neergepend te worden. De schrijver lijkt daardoor soms gereduceerd tot opschrijver. Wijnberg is dan ook een spreekbuis. Hij laat zich redelijk gewillig meedeinen op de golven van zijn verbeelding. Dat maakt van hem ook een democraat: hij gunt zijn woorden recht van spreken. Gestrengheid, beteugeling en Beschränkung liggen nu eenmaal niet in zijn aard.

Divan van Ghalib

Divan van Ghalib

Alle gedichten in Divan van Ghalib hebben een epische inslag. Er worden voortdurend verhalen opgedist en tegelijk gebeurt hier alles en niets. Er is een vertelling die je min of meer kunt volgen, maar je hebt zelden de indruk dat het de dichter om een pointe te doen is. De gedichten staan vol anekdotes en taferelen die gefascineerd weergegeven worden, maar die de lezer opschepen met de vraag wat er nu eigenlijk achter steekt. Wijnberg schrijft over de wereld in de traditie van Ghalib, de dichter met wie hij zich tegelijk vereenzelvigt en van wie hij zich vaak ook distantieert, bijvoorbeeld door het feit dat hij hem aanspreekt. Je kunt met gemak stellen dat hier een onteigend ik aan het woord is, opererend in een kader dat een soort mythische tijdeloosheid uitstraalt (ook al wordt een enkele keer vaag gerefereerd aan het conflict in het Midden-Oosten).

 

Dat ik is allang niet meer zichzelf of toch niet uitsluitend. Een bonte kliek religieuze personages (God, Mohammed, Abraham, Isaak, Jozef, Jezus e.a.) bevolkt deze bundel. De ene keer gaat het om figuren uit de judeo-christelijke cultuur en de andere keer uit de islam: de vaagheid die heerst inzake de situering in de tijd, geldt in beperktere mate ook voor de ruimtelijke situering, al is het waar dat de woestijn een prominente rol speelt en dat er al eens  een keertje sprake is van mensen die op platte daken slapen, waardoor ik mag aannemen dat een en ander zich niet in Lapland afspeelt. Het enige wat duidelijk wordt, is dat allen, inclusief Ghalib en Wijnberg, onderweg zijn. Waar naartoe? Misschien wel naar elkaar, in het aanzien van de dood. Eén gedicht eindigt met deze regels:

‘Ghalib, ik denk dat ik nu zie hoe wij bij de dood kunnen komen;

jij en ik, als we vroeg zijn kunnen we er een tijd lang naar

 kijken.’

Niet alleen individueel, maar ook collectief, zeg maar als volk, lijkt iedereen weg te willen. De Egyptenaren bijvoorbeeld uit Egypte, om de joden voor te zijn. Alleen de ikpersoon blijft ter plekke: ‘Ik blijf in Egypte, weet dat ik wie vannacht weggaan nooit meer zal terugzien (…).’

Hoe kun je Ghalib en mutatis mutandis de dichter van deze bundel verder nog omschrijven? Hij is iemand die voortdurend iets moet doen om voor zichzelf een bestaansrecht af te dwingen. Hij is iemand die kleren moet dragen, een slaapplaats moet hebben, op geld uit is: geregeld opduikende motieven die allemaal als bewijsstukken van zijn aanwezigheid gelden. Hij lijkt daarbij al van bij de aanvang gehandicapt. Er is in veel gedichten sprake van een onderhuidse competitie waarbij het erop aankomt sneller dan de ander te zijn, soms ook sneller dan God, die andere schepper, de schepper die excelleert in dat soms veel te snelle scheppen. Wil Wijnberg God evenaren? In elk geval schrijft hij: ‘Poëzie is het maken van betekenis, niet van iets anders,/ elke keer dat Ghalib een nieuwe betekenis bedenkt wil God/ die met hem ruilen voor iets anders.’ Krijgen en geven zijn hier belangrijke werkwoorden. Je geeft om te krijgen. De relatie tussen mensen is bepaald mercantiel van aard. 

De dichter van deze bundel verkeert in een moeilijke positie. Hij kan maar niet beginnen. Zelfs in het eerste gedicht dat ‘Begin’ heet, heeft hij hierdoor al een achterstand opgelopen op een ongedefinieerde andere die kennelijk vroeger van start is kunnen gaan. Het lijkt of hij aan dadeloosheid lijdt en gebukt gaat onder een manco aan kennis. Kennis is hier echt een sleutelbegrip. Het hoofdpersonage moet voortdurend een oplossing zien te vinden voor een probleem dat zich aan hem voordoet en er is kennis vereist om dit tot een goed eind te brengen. Hij moet zijn eigen betekenis ontwerpen. Hij moet leren kunnen. Pas dan zal hij in staat zijn de anderen te ontmoeten. Pas dan zal hij ook kunnen eindigen. Pas dan zal hij weten naar welke oplossing hij al die tijd op zoek is geweest.

__________________________

NACHOEM M. WIJNBERG

Divan van Ghalib

Uitgeverij Contact, 162 blz., 24,95 euro.

 

Alfred Schaffer. Mank

Tuesday, February 9th, 2010

Dichters zijn net vampiers. Niet zelden leven ze van andermans poëzie, poëzie die hen raakt of irriteert, en inspireert tot het schrijven van een eigen tekst, als in een antwoord. Poëzie die de dichter laat zien wat al gezegd is, en wat er nog te zeggen valt zonder in herhaling te vallen.

Zelf ben ik eind jaren negentig op het spoor gezet door het werk van de Amerikaan John Ashbery en de Nederlander Nachoem Wijnberg, die vorig jaar nog te gast was op Die Woordfees in Stellenbosch. Daarna kwam daar de Nederlander Kees Ouwens bij. En het Afrikaanse trio Antjie Krog, Charl-Pierre Naudé en Peter Blum. De laatste grote invloeden zijn voorlopig de Australiër Les Murray, de Canadese Anne Carson en de Rus Joseph Brodsky.

Maar je hoeft de verrassing niet altijd ver van huis te zoeken. Laatst had ik dan eindelijk weer eens tijd om wat te grasduinen in nieuwe poëzie, buiten mijn werk als redacteur om. Een goede manier om de schrijfspieren, die nagenoeg verlamd zijn na mijn laatste bundel, wat op te warmen. Ik merk dat ik op dit moment blijf hangen bij poëzie die op het oog direct welsprekend is, zonder eenduidig of clichématig te zijn. Een week of twee terug las ik een nummer van tijdschrift Het Liegend Konijn, van oktober 2009. Een mooie aflevering. Het Liegend Konijn verzamelt uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, en ook is er ruimte voor enkele debuten. Je vindt altijd iets verrassends. De nieuwe gedichten van Alexis de Roode (geb. 1970) bijvoorbeeld. Een reeks van 10 gedichten, getiteld ‘Dierkunde’. Sprekend werk vond ik het, en ook grappig, voor een Afrikaanse lezer waarschijnlijk niet al te ingewikkeld om te volgen:

 

De jacht

 

Ik had een vriendin

haar vader was jager

hij had een eland geschoten

en nu was hij wereldberoemd in Canada

de mensen in het vliegtuig klapten voor hem

 

Zij hield een keer een spreekbeurt over de jacht

iedereen op school was tegen

maar na afloop was iedereen voor de jacht zei ze

iedereen wilde haar vader ontmoeten

 

Haar hele huis hing vol hertenkoppen

ik denk wel een stuk of 300 koppen

als ik naar de wc ging ’s nachts

kwam ik zeker vijf herten tegen

de ene nog mooier dan de andere

 

Ik was gek op herten

niet op een sentimentele manier

ik had wel een hert willen schieten

als je van de natuur houdt hou je ook van jagen

maar ik zou geen hertenvlees eten

dat is een grens die je niet overschrijdt

 

Als je een gazelle bent op de savanne

heb je genoeg leeuwen om je op te eten

maar hier heb je als hert geen vijanden

je moet het wild een beetje scherp houden

anders gaan ze in de steden wonen

 

 

De (gespeelde) naïviteit, de bewust onhandige herhalingen, het geeft het gedicht vaart en beeldende kracht. En het is erg fijn als je ook om poëzie kunt lachen.

 

Jagen

Jagen

 

 

Heel anders is het korte maar uiterst krachtige gedicht van Mustafa Stitou (geb. 1974), in hetzelfde nummer:

 

Houd mijn hand vast.

Ik mis een pink. Ik ging,

 

kind was ik, een dag

uit moorden. Een kleine

 

eeuw geleden. Een zomerdag.

Zonder reden

 

herinner ik mij. Hommels.

Mussen. En toen

 

een zwaan. Aan de rand

van de vijver zag ik

 

de duivel staan. Grienend

sloeg hij mij gade.

 

Dit is zo’n gedicht dat ik zelf geschreven zou willen hebben.

 

Poëzie werkt dikwijls het sterkst als je niet te hard zoekt naar betovering – daarom is het mooi om door een literair tijdschrift van achter naar voren te bladeren. Zo kom je eerst de gedichten tegen, pas daarna de naam die erbij hoort.

Vorige week bladerde ik in een boekhandel door Digitale hemelvaart, de nieuwe bundel van de Irakese dichter Rodaan Al Galidi. Hij woont sinds 1998 in Nederland en schrijft poëzie en proza in het Nederlands. Ik las het volgende:

 

Het wonderei van Rodaan Al Galidi

 

Normaal gesproken

leg ik mijn gedachten op papier,

maar twee weken geleden

legde ik een ei.

 

Uit respect voor mijn gedachten

en wat eruit kon komen,

bouwde ik een nest in de hoek van de kamer

en zat op het ei.

 

Vrienden en collega’s

geloofden niet dat ik een ei uitbroedde.

Ze dachten dat ik

mijn wereld niet wilde verlaten.

 

Hoe lang zal mijn broeden nog duren?

Hopelijk niet een leven lang.

 

Wat komt eruit?

Hopelijk geen mens.

 

Je moet na het lezen van zo’n gedicht niet wanhopig op zoek naar nog meer moois, maar de bundel dichtslaan, aanschaffen, en rustig de winkel uit lopen. Mensen kijken, een eindje fietsen, een broodje eten, beetje staren naar de boten. Zoiets.

Of nee, misschien toch nog één gedicht dan, ’s nachts voor het slapen. Maar dan een gedicht dat minstens even sterk is. Dus pak ik Kaplyn erbij, van die fenomenale Afrikaanse dichter Gilbert Gibson, die maar gauw eens naar Poetry International moet komen:

 

hink

 

in omtrent die jaar van onse

negentien vyf

en sewentig of so het

 

op ’n reënerige vrydagmiddag

’n melktenker van die

middevrystaatsuiwelkoöperasie wat in die

spruit vasgesit het

oor my pa se bene gery

 

schalk die lorriebestuurder was angstigrig

vir my ma: tannie

moet nou nie skrik nie,

 

sê hy, en het hulle twee

met die kar en die handdoeke

en bloedbene winburg

toe gery en toe per ambulans

rooilig gesnel tot die

 

nasionale hospitaal in

bloemfontein. dieselfde aand

het ek in ’n kinderkrans-

 

konsert gespeel onder blindes

eenoog die saaier, onder leiding van ’n

paar tannies. en het ek

my voor dit alles verbeel en

geoefen ’n man uit gelykenisse

 

hy

loop

mank

 

Maar dan is het genoeg. In een paar dagen tijd een handvol goud, daar moet je zuinig mee zijn. Niet te veel ineens willen. Eerst eens kijken of deze gedichten mijn spieren een beetje hebben kunnen opwarmen.