Posts Tagged ‘Afrikaans-Nederlands’

Marlise Joubert - vertaling in Nederlands

Wednesday, January 25th, 2012

Marlise Joubert - vertaal deur Chris Coolsma

 

Vertaling van 4 gedichten uit Splintervlerk (Marlise Joubert); Protea Boekhuis, 2011:

 

mos

 

zachter glijden

wij nu over elkaar

 

zachter onze handen

over het mos

 

op het lijf schrijven wij 

weer al ons verleden af

 

aan de overkant

van de oever

 

waar vogels als kleine

letters wapperen in de wind

 

zachter lopen onze sporen

in elkaar grafisch afgedrukt

in elke overbekende lijn

 

zachter glijden

wij in elkaar

 

zachter van hart

over het mos van ons vel

 

om later te slapen in ons nest

als een brief in een zwart couvert

niet geopend niet gepost -

 

ons heenkomen

zonder adres

 

 

in de koele lucht

en wat van het lijf de hunkering van het lijf

het ineenvouwen het grijpen de toedekpalmen van je handen

als de vleugels van een duif

 

in de koele lucht  van de kamer

worden onze handen droog,

 

worden wij dorstig naar elkaar

maak jij mijn vingers weer vochtig.

 

een voor een in je mond,

room jij ze af met de tong.

 

in de koele lucht van de kamer

vliegen wij de oerleegte in, ontstaan

 

er vreemde ritmes in het lijf.

wij zullen hier geen kinderen van maken.

 

dat is ook van minder belang -

we planten een boom in het graf

 

in plaats van een kraaiend kind.  in

de koele lucht befluisteren wij elkaar

 

jaar in jaar uit

met de schroeiende wind van de nacht.

 

 

kamerjas

 

aan de knop van de kastdeur

hangt de slappe kamerjas

in verschimmelde vouwschaduwen

 

ik staar ernaar

verlang naar het omhulsel

dat de binnenste huid suggereert

hier onder de rooie deken

hier tussen kussens en slaapsokken

en de rustige deining van mijn man tegen mijn nek

staar ik er plotsklaps woedend naar

 

zie ik mijn telgen

op een dag de jas uitharken

hoog ophouden tegen een vensterlicht

voordat zij in de vuilnisbak valt

 

zich een ogenblik hun moeder herinnerend

zoals zij de gang af danst met zoiets als

oh what a beautiful morning

oh what a beautiful day

 

in dit gewaad hier

de ketel opzet in de keuken met

sugar in the morning

sugar in the evening

sugar at supper time

 

de havermoutpap roert met honing en melk

hen uitzwaait naar school

 

stilwit wordt zij weer

en alleen

 

totdat later de duiven haar ogen

komen wakkerschudden

 

 

expat. voor M

 

je bent al zo lang geleden vertrokken.

 

ik heb je als fijnhout verzameld

om ergens vlam te vatten,

en overal ben je achtergebleven.

 

in je hangkast vreten motten aan kinderkleren.

de planken stromen over van leggers en brieven.

 

aan de muren hangen je gedachten

als blauwe vlinders.

 

jij bent reeds vertrokken,

al had je je hier nog aangekleed.

 

had je maar alles kunnen meenemen

om elders nieuwe havens te bouwen,

en het dek van je schip te versieren,

 

maar de reis was ver

en je koffers klein.

 

als jij nooit zult terugkeren,

wat moet ik dan doen

met de antieke kast van opa,

die met de laatjes van glas

waardoor je sokken of sjaals kunt zien?

 

wat gaat er van de wasmeubels worden,

van de vracht schilderijen,

grootjes gehekelde tafelkleden

als jij steeds woont in een dorp

in de oude ganzenschuur?

 

voedervakken en hokken huisvesten je jaren

van sneeuw en regen, jas en laarzen,

archeologische data en gedichten,

twee splinternieuwe katten

en je krullenkopman.

 

de bladeren van de sierwingerd

vallen als pruimen, rood van het huilen, naar beneden.

 

toch rank ik voort, kleef verbeten vast

aan dit huis waar wisselwerking

tussen samen beleefde seizoenen verwelkt

en tastbaar onder vingertoppen schroeit.

 

jij bent al zo lang geleden vertrokken.

 

 

(Vert. Chris Coolsma, 2012)

 

                                *

 

Vertalings uit: passies en passasies, Protea Boekhuis, 2007:

 

In memoriam:Lisbé

 

That’s when she stopped, she turned her face to the wind, shut her eyes -

-Jorie Graham, “Self-portrait as Apollo and Daphne”

 

het was niet nodig dat staal haar schrale lijf verscheurde

het was niet nodig dat zoveel geweld herhaaldelijk

op haar inhamerde -

zij heeft al gegroet voordat zij het inferno van bloed betreedt

voordat de geschroefde hand van een indringer

haar in het water gooit en vlucht

 

zij heeft reeds afscheid genomen vóór de aankomst bij haar huis

zij heeft haar kinderen voor school al gegroet

de kleur van het hemd van de zoon en de kleur

van zijn wakend oog

de schooljurk van haar dochter - de dunne

weerloze schoudertjes -  gestreeld

reeds in haarzelf een stap achteruit gezet

terug in het broze skelet van een droom

een stem die zou roepen

aan deze zijde van het aardse kleed van de ochtendzon

 

zij is al gestorven

toen zij haar man op een station vaarwel kuste

hij vertrok met niets behalve

het gewicht van herinnering

aan hen

en háár vooral

het geluk zo naaldpuntdun gebalanceerd

op elke horizon die in het treinvenster schittert

de berg die groter wordt en met haar hart

in zijn geheugen zo onverklaarbaar licht

als adem op de tong komt liggen

 

reeds was het afscheid daar

toen zij omdraaide en huiswaarts keerde

verdonkerd in de laatste stilte van rust

die zonder woorden zonder tijding zonder enig vermoeden

voortijdig

het kleine avondmaal

van haar lichaam

schrikwekkend doorboorde

 

 

 

[winter is niet]

 

winter is niet de beste tijd om te schrijven

want gedachten snuffelen in je kasten naar truien

ze sluipen rond in je laarzen hangen sjaals

om kelen en wasemen tegen ruiten

 

de verzen schuilen vlak onder de huid

en geven me kippenvel

elke toon krimpt weg met de kou

elk woord pijnigt als sneeuw op de tong

 

mijn rechteroog ziet niet meer goed

ziet nog net de schreeuwstilte van Munch

ergens op een brug die ik niet ken

 

winter is niet de beste tijd om te schrijven

 

 

 

straatkind

 

kind

de wereld ontgaat je

in al zijn onderdelen

al zwellen je ogen als twee manen

terwijl je door steden reist

soms in steegjes overnacht

langs de brug van vrede

in de sloot van karton

in de laan van de dood

 

kind

de wereld sluit je buiten

want je leest nooit kranten

luistert niet naar het nieuws

je weet weinig van het weer van morgen

en niks van hofzaken

niks van corrupte ambtenaren

nog minder van onlusten

kapingen of moord

 

kind

de wereld ontgaat je waar je opstaat

maar nergens anders worden  vingers

zo gespannen met de klacht van straatgitaren

of verwond als de jouwe

 

 

Eva

 

daar is de vrouw-

ik zie haar langs

het grindpad gaan,

voorzichtig, ze is tachtig

ze valt en breekt haar been

zit dagelijks tussen hen die vergeten

hen die de ziekenboeg verfraaien met frutselwerk

met herhalende prevelingen

die vergeefs trommelen tegen een gipsgeheugen

 

zij leest haar biografieën

die over Picasso en Lawrence en Callas

ze wacht geduldig op het eenzaam eten

welwillende handen die haar ’s avonds

van bad naar bed rollen

 

daar is de vrouw die de weg kwijt raakt

haar identiteit en haar beursje verliest

haar man in haar verbeelding ontmant

daar is de vrouw die dronken van verdriet haar grenzen

verschuift haar man bedriegt ‘n opmars door wijn en sex begint

de vrouw die haar hand aan het fornuis brandt

die haar vingers snijdt met een groentenmes

die boetes krijgt voor woeste spoed

die gevangen zit voor diefstal

haar trouwring in de branding verliest

haar kind in de maalstroom van een zomerstad

voor altijd verliest

 

daar is de vrouw wiens vorige lover haar enige kind vermoordt

die drie jaar later met borsten die nog druipen

het kind desperaat terug in het leven wil voeden

 

hoeveel vrouwen zijn daar die waren en wachtten

en weer waren en wachtten alsof dit alles is

dat bij droogtes past

of geweld de nek om kan draaien

hoeveel vrouwen stromen leeg

in lakens van vergetelheid sterven verminkt

in stralend bloed sterven in vodden van verdoving

in een graf uiteindelijk glazig geel

in een uitgezogen korf van gebeente

 

hoeveel vrouwen sterven onder verstikkende mantels van de nacht

en hoeveel van hen ben ik en ben ik niet

 

hoeveel van hen verzamelen zich onzichtbaar

smekend of schreeuwend buiten mijn huis

mijn omsingelde huis

tussen sculpturen van wankelende bomen

tussen muren van glas -

 

mijn enige  verweer tegen de

slijtende hekken van de tijd

 

 

Hartenberg

 

muren kaatsen het kalkachtig winterlicht

tot bij de dichters rond een karafje wijn

Willem van T. en K. Michel kijken

verwonderd naar de tuin

ontroerd door die ene koraalboom

waarachter bergen strofen mist door de takken voeren

 

de vogels razen opeens en K.Michel

klinkt daarop: ‘misschien ook een werkplaats

voor vertalers?’

 

ons maal is opgesierd met  kippensoep

patat en wortelmoes vetkoek en paté -

vergeet ook niet het honingwit van wijn

alles afgerond met los gevlochten woorden -

de stroop van koeksisters als nagerecht

versneden met filterkoffiegeur

 

later staan we ingekelderd bij elkaar

de vaten wijn bollend als onze kloeke buiken

klamheid ruikt er naar mos en vreemde taal

 

en zoals de schilder in de wijnkelder

zijn prenten aandachtig in elke flessenkamer

brandschilderde

kunnen ook wij ons slechts terloopse samenzijn

hier naar elkaar kaatsen -

huiswaarts keren

en ons verwonderd afvragen

of we eerdaags weer

al kwetterend rode koralen

zullen oproepen

uit het winterlicht van vervreemding

 

 

 

 

middernacht, een brief aan Marcelle

 

hoe kan het anders

dan dat mijn brief geen brood is

maar een doffe kaart die nooit

volmaakt kan verbeelden

nachten kunnen stukvallen als glas weet je

en de ochtend blijft koud

 

dáár blinkt de maan in een blokje ruit

dáár snijden de sterren

een donkere berg uit de nacht

en dáár borrelt een vogel onder zijn vleugels uit

 

hoe kan het anders

dan dat je slaapt kind

tussen klokken en okeren klepels van licht

tegen oude muren of zuchtend tussen pilaren

waar gargoyles van vermaarde

Oxford-colleges over je waken

 

ik weet, je taal is brood

en kantelt samen met de Cherwill

spanen tot diep in de maagwanden

van amberen kastelen en kamers van rotsen

villages en grafstenen

die zedig in de eeuwen hurken

 

hoe kan het anders

dan dat mijn brief niet eens

een tekening zal zijn

met al de contouren en lijnen afgerond

al de uitgesleten treden

die ik wil beklimmen

tot dáár

 

want hier

is het middernacht

hier kruimelen de klanken als schilferdeeg

zacht in mijn keel

 

hier is de klok stil blijven staan

omdat ik zo verlang

 

 

 

 

waarschuwingen

 

ik moet je waarschuwen tegen de wind die zich roert

de wind die haren van gordijnen beroert

ik moet je waarschuwen tegen de veren

die de tarentalen op ons erf komen strooien

ik moet je waarschuwen tegen de mollen die sappige wortels

komen vreten de mollen die stekeblind rondwoelen

in de tunnels van ambrosia o ik moet je waarschuwen

tegen de schelpen van sterren die in bomen komen hangen

want ze blinken voor niets

ik moet je waarschuwen

tegen het mistige maanoog

de roomwang van de zon tegen je gezicht

ik moet je waarschuwen tegen het lam

met zijn rug naar ons gekeerd

met zijn gebroken poot en wolkop naar het fornuis gedraaid

ik moet je waarschuwen

tegen het lam dat met zijn oren flappert in de waaier van lucht

tegen de honden die schetterend straten afdraven op jacht naar asemmers

tegen de zwarte lappen van vogels op de wasgoeddraad

ik moet je waarschuwen

tegen mijn kistje van rozenpapier

waarin al mijn juwelen broches hangers  

en ringen van topaas

 

ik moet je waarschuwen dat alles niets betekent voor de liefde

minder dan woorden minder dan water minder dan brood

want de liefde heeft slechts ogen voor elkaar

liefde is ogen vastgewaaid in elkaar

liefde is afzondering van de wereld

liefde is een dennenwoud

liefde is een verlokkelijk dennenwoud     

waar de houthakker

onophoudelijk kapt 

 

ik moet je waarschuwen

 

 

nachtvluchten

 

om nachtvluchten te schilderen

na afloop van de liefde

moet de punt van de kwast zacht zijn

moet de punt van de kwast meebuigen

en dansen als het weerlicht hoog

in de bundeling van wolken

 

om nachtvluchten te schilderen

moeten de noten kunnen zingen

als een nocturne in jouw handen

losgelaten in de stormwind

tegen de verliezen van de wereld

tegen de struiken van een duister

uitgedunde tuin

 

om nachtvluchten te schilderen

moet de kleur zoet zijn

als rood

ruimschoots geel

en middernachtblauw

 

om nachtvluchten te schilderen

moet de punt van de kwast

zacht zijn voor malkander

 

 

(Vert. Chris Coolsma, 2008)

Johann Lodewyk Marais – vertaling in Nederlands

Wednesday, December 30th, 2009

Johann Lodewyk Marais – vertaal deur Herman Leenders

 

 
Monk’s Cowl
 

II   Vrou

Jy
het voor my
uitgestap,
Artemis,
met die name
van voëls,
plante
en diere
op jou tong
en met jou oë
wakker:

sal jy
vir my
vannag,
as die lamp
dood is
en die saliehout
drup,
jou Back Packer-
slaapsak
oop-
rits?

 

Uit: Verweerde aardbol, Human & Rousseau, Kaapstad, 1992

 

*

 

Monk’s Cowl
 

II   Vrouw

Jij
liep voor mij
uit,
Artemis,
met de namen
van vogels,
planten
en dieren
op je tong
en met je ogen
spiedend:

zul jij
voor mij
vannacht,
als de lamp
gedoofd is
en het saliehout
drupt,
je High Peak
slaapzak
open-
ritsen?

Louis Esterhuizen - vertaling in Nederlands

Monday, November 16th, 2009

Louis Esterhuizen - vertalings deur Chris Coolsma

Gedichten van Louis Esterhuizen, vertaald door Chris Coolsma

{Soos ook verskyn in Meanderkrant}

 

I. Uit: Sloper, Protea Boekhuis, Pretoria, 2007, ISBN 978-1-86919-186-3

 

Lament

 

geen oomblik is meer weerloos

as dié oomblik, soggens, wanneer jy

deur die eerste skrefie lig

 

na jou vrou kyk wat hier langs jou

 

in droomstreke dwaal waar jy

haar nooit kan volg nie-

nogtans, vir ’n wyle hou jy haar

vas, en dan: die opstaan,

die agterlaat

 

terwyl haar hand

afwesig om jou duim bly stulp, want

 

niks is meer blywend

as dié afskeid nie

 

 

Klaagzang

 

geen ogenblik is zo weerloos

als dat ene, ‘s ochtends, wanneer je

in het eerste streepje licht

 

naar je vrouw kijkt die hier naast je

 

in droomstreken dwaalt waar je

haar nooit kunt volgen -

maar toch, je houdt haar een tijdje

vast, en dan: het opstaan,

het achterlaten

 

terwijl haar hand

nog even afwezig om je duim stulpt, want

 

niets is zo blijvend 

als dit afscheid

 

 

 

Lyfkaart

 

Jy ken die geure van haar lyf,

die reuk van perskes

onder borste. Die gewig daarvan

 

in jou hande. Jy ken die klam lower

van nat hare teen jou gesig.

So ook donkertyd se vreugdes

Wat sy oor jou lê.

 

En wanneer jy jou oë toemaak,

vind jy haar telkens weer

in al die voue terug: van agter die knie,

 

tot in die elmboog se waai;

van die voet se spoor, tot die kurwes

om oogbank en neus. Van wimper

tot sool ken jy immers

 

die geluide, die kreun van ‘n lyfkaart

wat behoue, dog bykans

verlore is.

 

 

Lijfkaart

 

Jij kent de geuren van haar lijf,

de reuk van perziken

onder borsten. Het gewicht daarvan

 

in je handen. Jij kent het klamme lover

van natte haren tegen je gezicht.

Zo ook de vreugden van de donkerte

die zij over je legt.

 

En wanneer je je ogen sluit,

vind je haar telkens weer

in al de vouwen terug: van achter de knie,

 

tot de knik van de elleboog; 

van de holte van de voet, tot de kurven 

rond oogkas en neus. Van wimper

tot zool ken jij immers

 

de geluiden, de kreun van een lijfkaart 

die behouden, maar bijkans

verloren is. 

 

 

 

II. Uit: die geduld van water, cyclus van 9 gedichten in ‘wat die water onthou’, 

ongepubliceerd.

 

 

(3) skoling

 

om ’n akwarel te maak moet jy 

water kan beheer, sê sy en plaas 

’n spatsel groen presies

 

waar sy ’n boom vermoed –

ook mag jy nie huiwer nie, want 

anders as met olie 

 

laat waterverf jou nie toe

om te plooi of skik nie: jy moet 

klaar wees vóór 

 

die papier moeg word 

 

en meteens sien jy 

die druppeltjie bruin tussen 

al die groen –

 

verbaas oor hoe vinnig 

die papier dit alles

absorbeer

 

 

(3) scholing

 

om een aquarel te maken moet je

water kunnen beheersen, zegt ze en plaatst 

een spetter groen precies

 

waar zij een boom vermoedt – 

ook mag je niet beven of dralen, want

anders dan met olie

 

staat waterverf geen plooien

of schikken toe: je moet

klaar zijn voordat

 

het papier moe wordt

 

en meteen zie je

het druppeltje bruin tussen

al het groen – 

 

verbaasd hoe snel

het papier dit alles

absorbeert

 

 

(4) oop en bloot

 

ywerig vertel sy jou van verberg 

en vind as verftegniek: die gedeeltes

van ’n muur wat nie geteken

 

word nie, en skielik verskyn daar uit

al die ferm en verbeelde lyne

die suggestie van ’n huis: letterlik

 

oop en bloot, lag sy, maar 

om die oog nie met detail gevange 

te hou nie, word die oordaad 

 

by die agtergrond 

ingesmelt soos in ’n gedig 

 

dit die geval is 

met liefde en ook 

die dood

 

 

(4) open en bloot

 

ijverig vertelt zij je van verbergen

en vinden als verftechniek: de gedeelten

van een muur die niet getekend

 

wordt, en schielijk verschijnt daar uit

al de ferme en verbeelde lijnen

de suggestie van een huis: letterlijk

 

open en bloot, lacht ze, maar

om het oog niet in details gevangen

te houden, wordt de overdaad

 

bij de achtergrond

ingesmolten zoals in een gedicht

 

het geval is met liefde en ook

met de dood 

 

 

 

III. Uit: Amper elders, ’n Reisjoernaal, ongepubliceerd. 

Praag, 28 maart- 2 april 2008 

 

dodestad

 

1

 

diep onder die strate van praag

is daar nóg ’n stad: ’n doolhof van stegies

en geplaveide strate, gange en kamers

van verspoelde lewens

 

toe die vltava nog magtig was

en wild: stom, die ingekelderde stemme 

wat klank verloor het, afgegee aan

die rommel en slik 

 

toe hulle stilweg die nuwe stad

gebou het in barokstyl

bo-oor die verdronke stiltes

ondergronds –

 

intussen is die rivier opgedam,

met sewe brûe bekroon en vele aanslae 

op die stad afgeweer,

intussen is begraafplase ver en wyd gevestig,

monumente gebou en weer

afgebreek, want hoe lank kan ’n grafsteen

staande bly 

 

voor dit gewoon klip word 

met inskripsies wat niemand 

meer wil glo nie

 

 

 

dodenstad (1)

 

diep onder de straten van Praag

ligt nog een stad: een doolhof van steegjes

en geplaveide straten, gangen en kamers

van weggespoelde levens

 

toen de vltava nog machtig was

en wild: verstomd de ingekelderde stemmen

die hun klank verloren, afgegeven

aan rommel en slik

 

toen zij stilaan de nieuwe stad

bouwden in barokstijl

bovenop de verdronken stiltes

ondergronds – 

 

intussen is de rivier ingedamd,

met zeven bruggen bekroond, en zijn vele

aanslagen op de stad afgeweerd,

intussen zijn heinde en ver begraafplaatsen gevestigd,

monumenten gebouwd en weer

afgebroken, want hoe lang kan een grafsteen

staande blijven

 

voor hij gewoon weer steen wordt

met inscripties die niemand

meer wil geloven

 

 

 

Eenmansteeg

 

Verlange is ’n eenmansteeg in die stad

se oudste deel met ’n robot weerskant

om die deurloop te reguleer.

 

En kyk jy terug deur die smal gang,

weet jy: vanoggend is die lug

poeierblou 

bo Jonkershoek.

 

Dit is immers die aard van verlange.

Om só iets te weet. En dié wete

is ‘n straat

 

breed genoeg

 

vir die één voetganger

op ’n keer

 

 

 

Eenmanssteeg

 

Verlangen is een eenmanssteeg

in het oudste stadsdeel met een automaat

aan weerskanten om de doorloop te regelen.

 

En kijk je terug door de smalle gang,

dan weet je: de lucht is vanochtend

poeierblauw

boven Jonkershoek.

 

Het is immers de aard van verlangen

om zoiets te weten. En dát weten

is een straat

 

breed genoeg

 

voor één voetganger

per keer.

 

 

 

Amsterdam, 23-28 maart 2008

 

 

 

Sirkelgang

 

Party sê dié stad is die duimafdruk van God

wat konsentries ingegroef lê teen die stinkende Ij.

Ander reken weer dis eerder Dante se simbool

 

vir die hel wat jou deur etlike dwaalstrate heen

lei na waar die hoop kniediep in flou water staan.

Party sê dié stad is die duimafdruk van God

 

met ’n ingedykte vervlegting van waterkanale

wat kapsie maak teen die tyd se ontydige verloop.

Ander reken weer dis eerder Dante se sirkels 

 

wat jou verlei om dieper in te dwaal na waar

aanwysing en verbod iets is wat nouliks bestaan.

Party sê dié stad is die duimafdruk van God

 

wat deurstraal is met lig en die elegansie

van verdraagsaamheid te midde van oude gang.

Ander reken weer dis eerder Dante se tekens

 

waarmee die mot ingereken word by die vlam –

’n heuningpot van selftevredenheid en eigenwaan

wanneer daar gesê word

dié stad is die duimafdruk van God, rygdrade

 

waarmee jy rigting vind 

en verloor

 

 

 

Cirkelgang

 

Sommigen zeggen dat deze stad een duimafdruk van God is

concentrisch ingegroefd tegen het stinkende IJ.

Anderen vermoeden eerder het symbool van Dante

 

voor de hel die je door ettelijke dwaalstraten

leidt naar waar de hoop kniediep in brak water staat.

Sommigen zeggen dat deze stad een duimafdruk van God is

 

met z’n ingedijkte vlechtwerk van waterkanalen

die protesteren tegen het ontijdige verloop van de tijd.

Anderen vermoeden eerder de cirkels van Dante

 

die je verleiden om dieper te dwalen naar waar

gebod en verbod nauwelijks bestaan.

Sommigen zeggen dat deze stad de duimafdruk van God is

 

die doorstraald is van licht en de elegantie

van verdraagzaamheid waar alles bij het oude blijft.

Anderen vermoeden eerder tekens van Dante

 

waarmee de mot naar de vlam wordt geleid – 

een honingpot van zelfgenoegzaamheid en eigenwaan

wanneer er gezegd wordt

dat deze stad de duimafdruk van God is, rijgdraden

 

waarmee je richting vindt

en verliest