Posts Tagged ‘Antjie Krog’

Alfred Schaffer. Mank

Tuesday, February 9th, 2010

Dichters zijn net vampiers. Niet zelden leven ze van andermans poëzie, poëzie die hen raakt of irriteert, en inspireert tot het schrijven van een eigen tekst, als in een antwoord. Poëzie die de dichter laat zien wat al gezegd is, en wat er nog te zeggen valt zonder in herhaling te vallen.

Zelf ben ik eind jaren negentig op het spoor gezet door het werk van de Amerikaan John Ashbery en de Nederlander Nachoem Wijnberg, die vorig jaar nog te gast was op Die Woordfees in Stellenbosch. Daarna kwam daar de Nederlander Kees Ouwens bij. En het Afrikaanse trio Antjie Krog, Charl-Pierre Naudé en Peter Blum. De laatste grote invloeden zijn voorlopig de Australiër Les Murray, de Canadese Anne Carson en de Rus Joseph Brodsky.

Maar je hoeft de verrassing niet altijd ver van huis te zoeken. Laatst had ik dan eindelijk weer eens tijd om wat te grasduinen in nieuwe poëzie, buiten mijn werk als redacteur om. Een goede manier om de schrijfspieren, die nagenoeg verlamd zijn na mijn laatste bundel, wat op te warmen. Ik merk dat ik op dit moment blijf hangen bij poëzie die op het oog direct welsprekend is, zonder eenduidig of clichématig te zijn. Een week of twee terug las ik een nummer van tijdschrift Het Liegend Konijn, van oktober 2009. Een mooie aflevering. Het Liegend Konijn verzamelt uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, en ook is er ruimte voor enkele debuten. Je vindt altijd iets verrassends. De nieuwe gedichten van Alexis de Roode (geb. 1970) bijvoorbeeld. Een reeks van 10 gedichten, getiteld ‘Dierkunde’. Sprekend werk vond ik het, en ook grappig, voor een Afrikaanse lezer waarschijnlijk niet al te ingewikkeld om te volgen:

 

De jacht

 

Ik had een vriendin

haar vader was jager

hij had een eland geschoten

en nu was hij wereldberoemd in Canada

de mensen in het vliegtuig klapten voor hem

 

Zij hield een keer een spreekbeurt over de jacht

iedereen op school was tegen

maar na afloop was iedereen voor de jacht zei ze

iedereen wilde haar vader ontmoeten

 

Haar hele huis hing vol hertenkoppen

ik denk wel een stuk of 300 koppen

als ik naar de wc ging ’s nachts

kwam ik zeker vijf herten tegen

de ene nog mooier dan de andere

 

Ik was gek op herten

niet op een sentimentele manier

ik had wel een hert willen schieten

als je van de natuur houdt hou je ook van jagen

maar ik zou geen hertenvlees eten

dat is een grens die je niet overschrijdt

 

Als je een gazelle bent op de savanne

heb je genoeg leeuwen om je op te eten

maar hier heb je als hert geen vijanden

je moet het wild een beetje scherp houden

anders gaan ze in de steden wonen

 

 

De (gespeelde) naïviteit, de bewust onhandige herhalingen, het geeft het gedicht vaart en beeldende kracht. En het is erg fijn als je ook om poëzie kunt lachen.

 

Jagen

Jagen

 

 

Heel anders is het korte maar uiterst krachtige gedicht van Mustafa Stitou (geb. 1974), in hetzelfde nummer:

 

Houd mijn hand vast.

Ik mis een pink. Ik ging,

 

kind was ik, een dag

uit moorden. Een kleine

 

eeuw geleden. Een zomerdag.

Zonder reden

 

herinner ik mij. Hommels.

Mussen. En toen

 

een zwaan. Aan de rand

van de vijver zag ik

 

de duivel staan. Grienend

sloeg hij mij gade.

 

Dit is zo’n gedicht dat ik zelf geschreven zou willen hebben.

 

Poëzie werkt dikwijls het sterkst als je niet te hard zoekt naar betovering – daarom is het mooi om door een literair tijdschrift van achter naar voren te bladeren. Zo kom je eerst de gedichten tegen, pas daarna de naam die erbij hoort.

Vorige week bladerde ik in een boekhandel door Digitale hemelvaart, de nieuwe bundel van de Irakese dichter Rodaan Al Galidi. Hij woont sinds 1998 in Nederland en schrijft poëzie en proza in het Nederlands. Ik las het volgende:

 

Het wonderei van Rodaan Al Galidi

 

Normaal gesproken

leg ik mijn gedachten op papier,

maar twee weken geleden

legde ik een ei.

 

Uit respect voor mijn gedachten

en wat eruit kon komen,

bouwde ik een nest in de hoek van de kamer

en zat op het ei.

 

Vrienden en collega’s

geloofden niet dat ik een ei uitbroedde.

Ze dachten dat ik

mijn wereld niet wilde verlaten.

 

Hoe lang zal mijn broeden nog duren?

Hopelijk niet een leven lang.

 

Wat komt eruit?

Hopelijk geen mens.

 

Je moet na het lezen van zo’n gedicht niet wanhopig op zoek naar nog meer moois, maar de bundel dichtslaan, aanschaffen, en rustig de winkel uit lopen. Mensen kijken, een eindje fietsen, een broodje eten, beetje staren naar de boten. Zoiets.

Of nee, misschien toch nog één gedicht dan, ’s nachts voor het slapen. Maar dan een gedicht dat minstens even sterk is. Dus pak ik Kaplyn erbij, van die fenomenale Afrikaanse dichter Gilbert Gibson, die maar gauw eens naar Poetry International moet komen:

 

hink

 

in omtrent die jaar van onse

negentien vyf

en sewentig of so het

 

op ’n reënerige vrydagmiddag

’n melktenker van die

middevrystaatsuiwelkoöperasie wat in die

spruit vasgesit het

oor my pa se bene gery

 

schalk die lorriebestuurder was angstigrig

vir my ma: tannie

moet nou nie skrik nie,

 

sê hy, en het hulle twee

met die kar en die handdoeke

en bloedbene winburg

toe gery en toe per ambulans

rooilig gesnel tot die

 

nasionale hospitaal in

bloemfontein. dieselfde aand

het ek in ’n kinderkrans-

 

konsert gespeel onder blindes

eenoog die saaier, onder leiding van ’n

paar tannies. en het ek

my voor dit alles verbeel en

geoefen ’n man uit gelykenisse

 

hy

loop

mank

 

Maar dan is het genoeg. In een paar dagen tijd een handvol goud, daar moet je zuinig mee zijn. Niet te veel ineens willen. Eerst eens kijken of deze gedichten mijn spieren een beetje hebben kunnen opwarmen.

 

 

Hoe ek tot die digkuns verlei is…

Monday, February 1st, 2010

Ernst van Heerden

Ernst van Heerden

Ek het nie besef, toe dit begin gebeur het, dat ek tot die digkuns verlei word nie… As ek het, het ek dalk beter weerstand gebied!

Maar nee, ek was jonk, ek was weerloos, en ek het nie van beter geweet nie.

Dit het alles met musiek begin – eers (in chronologies orde) Anton Goosen, David Kramer, en Bruce Springsteen; en toe, deur hulle toedoen, Bob Dylan, Jim Morrison, Leonard Cohen en ‘n rits ander troebadoere – en al te gou het dit gelei tot gesteelde uurtjies in die dorpsbiblioteek, ‘n stadig groeiende persoonlike versameling digbundels, en, natuurlik, die skryf van selfbewuste gediggies op bladsye wat ek versigtig uit my skool-skryfboeke geskeur het…

Oor hierdie klas vergrype het ek natuurlik aanvanklik maar by die skool en op rugbytoere geswyg – ‘n mens kon spog dat jy U2 se nogals poëtiese The Joshua Tree besit het, maar nie juis dat jy Ernst van Heerden se Amulet teen die vuur op uitverkoping by die CNA aangeskaf het nie… ongeag hoe bitter gelukkig daardie aanwins jou ook al gemaak het!

Toe ek David Kramer, Anton Goosen en daarna Bruce Springsteen ontdek het (tydens my laaste jaar of twee op laerskool), was dit van meet af aan die lirieke, wat hierdie kunstenaars met blote Afrikaanse en Engelse woorde kon vermag, wat hulle vir my onderskei het van die popgroepe wat ek aanvanklik saam met die kudde na geluister het: Wham!, Duran Duran, Modern Talking, A-ha – ja-ja, wat kan ek sê, ek is ‘n kind van die 1980s!

Maar dat dit poësie was wat hierdie kunstenaars gepleeg het – dít het ek glad nie besef nie. Ek was ‘n niksvermoedende slagoffer! Popmusiek was toe wél gevaarlik, soos hulle op skool soms gewaarsku het, maar vir geheel en al ander redes: dit was ‘n soort Trojaanse Perd wat die poësie losgelaat het in my binnekamer; wat my verbeelding aangetas het en woorde vreemd gaan staan en maak het!

Dus, al ek het dit nie geweet nie, dit was ‘n klomp folksangers en rock ‘n rollers wat my verlei het tot die digkuns, nog lank voordat ek besef het gedigte, soos hokkie, klavierlesse en die debatsvereniging, is nie net vir bleeksiele nie. (Wel, ek moet bieg, ek is nou nog nie seker oor die debatsvereniging nie.)

Die saadjie was dus geplant, en al wat dit gekos het om dit te laat ontkiem, was daardie onafwendbare, onthutsende eerste ontmoeting met Breyten Breytenbach in Opperman se geel (as ek reg onthou) Verseboek in Standerd 6.

Ja, my storie begin ook, soos so baie Afrikaanse lesers van ‘n sekere ouderdom s’n, by BB en ‘n bietjie Krog; trouens, die eerste digbundels wat ek ooit vir myself gekoop het, was Breytenbach se Katastrofes (ja, dit is ‘n digbundel!) en Die huis van die dowe.

En tog was dit nie Breytenbach wat my die spreekwoordelike doodskoot gegee het nie. Dit was ‘n ander, miskien minder vanselfsprekende Afrikaanse digter wat seker gemaak het dat my aanvanklike belangstelling in die digkuns nie beperk sou bly tot ‘n tydelike kultus van persoonlikheid nie, maar sou lei tot ‘n langdurige belangstelling en liefde: die reeds genoemde Ernst van Heerden.

Ek weet nie meer presies hoe dit gebeur het nie, maar ek het ‘n versameling van sy eerste ses bundels in een band, Die kleur van donkerte, in die hande gekry en obsessief begin gelees. Ek weet nie presies wat die aantrekkingskrag was nie, maar Die kleur van donkerte het my as 14-jarige heeltemal onkant betrap. Skielik was ek nie net gefassineerd deur ‘n digter nie, maar deur gedigte en die skryfproses self. Skielik het ek besef woorde kan sing; en dat ek hulle dalk ook kan laat sing.

‘n Jaar of twee later het ek Amulet teen die vuur (ja, op uitverkoping) in die hande gekry… Ek het daardie bundel seker meer as enige ander bundel gelees, en probeer om daardie uitgesponne, filosofiese vrye vers-gedigte na te doen. Met min sukses, ongelukkig!

Ek lees nie juis meer die gedigte in Kleur van donkerte nie. Baie van hulle neig na die sentimentele, is dalk ietwat selfbewus verestetiseerd, of vertoon gewoon swak teen die beste verse wat Opperman, Van Wyk Louw, Eybers en ander op daardie stadium geproduseer het. Van Heerden het sy blywende bydrae (en dit is nie ‘n geringe bydrae nie) tot die Afrikaanse poësie, myns insiens, met sy latere bundels gelewer – rofweg, die bundels vanaf Tyd van verhuising.  

Hoe ook al, Ernst van Heerden is steeds disproporsioneel verteenwoordig op my boekrak; sy digbundels en ook sy outobiografiese werke en reisverhale, was ‘n konstante teenwoordigheid gedurende my skooljare. En of ek dit nou lees of nie, Die kleur van donkerte, met sy nou reeds gebleikte blou omslag, staan trots tussen al die ander bundels wat ek sedertdien gekoop en gelees het.

Dit herinner my aan ‘n vroeë verleiding.

‘Zou de wereldbol een beetje aan het leeglopen zijn?’

Wednesday, January 20th, 2010

Herman de Coninck aan de Kaap over taal en cultuur

Yves T’sjoen

 

Herman de Coninck

Herman de Coninck

Naar de expliciete opvattingen van Herman de Coninck (1944-1997) over Afrikaanse taal en politiek, en meer specifiek over maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in Zuid-Afrika na de democratische verkiezingen van 27 april 1994, is nog maar weinig onderzoek verricht. Nochtans heeft De Coninck in enkele autobiografische prozafragmenten, gebundeld in De cowboybroek van Maria Magdalena en andere reisverhalen,[i] zijn zienswijze geformuleerd op de levensvatbaarheid van de zogeheten Regenboognatie, en de perspectieven van het Afrikaans als een van de elf officiële ambtelijke talen van Zuid-Afrika. De Conincks beeld van het land is een constructie die tot stand is gekomen naar aanleiding van vier bezoeken en die gebaseerd is op gesprekken en een confrontatie met de hedendaagse Afrikaanse poëzie. Uiteindelijk hebben de contacten met Afrikaanstalige schrijvers, wat we vandaag interculturele networking noemen, geleid tot een vertaling van een bloemlezing uit De Conincks poëzie in het Afrikaans. En ook andersom heeft de Vlaamse schrijver, in zijn rubriek ‘De vliegende keeper’ in de krant De Morgen en in het Nieuw Wereldtijdschrift, waarvan hij stichtend redacteur was, aandacht gevraagd voor het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika.

De eerste aanblik van Zuid-Afrika geschiedde voor Herman de Coninck uit ‘het oog’ van een vliegtuigraampje.[ii] Hij schreef, na de belevenis van de spectaculaire bocht die het vliegtuig over de Atlantische oceaan bij het naderen van Kaapstad maakt: ‘Het eerste wat je vanuit het vliegtuig ziet is de Tafelberg, een altaar voor de goden. Het eerste wat ik denk is: het land is alvast mooi. Helemaal een klootzak kan die Jan van Riebeeck niet geweest zijn, dat hij uitgerekend hier aan land kwam. Vaak hangt er een wolk boven de berg. Die heet: tafelkleed. Het tweede wat ik dus denk is: ook de taal is alvast mooi. Maar mag je dat wel denken?’[iii] Aan de ethisch gefundeerde bedenkingen van De Coninck zal ik in dit opstel enkele beschouwingen wijden.

Kristien Hemmerechts

Kristien Hemmerechts

In het voetspoor van Herman de Coninck, en terloops in deze bijdrage ook van zijn toenmalige echtgenote Kristien Hemmerechts,[iv] tracht ik op basis van de verspreid gepubliceerde en gebundelde opstellen over Zuid-Afrika te achterhalen welke uitspraken De Coninck heeft gedaan over het land en meer specifiek over het Afrikaans. Ik volg een traject dat zal leiden naar enkele Afrikaanse dichters en naar de linguïstische smeltkroes die het Afrikaans is. De Coninck heeft van zijn dominante institutionele positie in het literaire veld van Vlaanderen (en Nederland) gebruik gemaakt om het werk van dichters in Zuid-Afrika ook in het Nederlandse taalgebied onder de aandacht te brengen en/of te promoten. Vroeger dan Gerrit Komrij, met de ruime bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie,[v] heeft de Vlaamse schrijver en criticus een lans gebroken voor de Afrikaanstalige literatuur van Zuid-Afrika. Mede op zijn instigatie is Afrikaanse poëzie naar het Nederlands vertaald en ontstond in de post-apartheidperiode belangstelling voor ontwikkelingen in het literaire landschap van Zuid-Afrika.

Reisimpressies van Zuid-Afrika

De Coninck heeft zijn herinneringen aan twee verblijven in Zuid-Afrika, in oktober 1994 (een half jaar na de verkiezingen van 27 april) en in 1995, te boek gesteld in de bundel De cowboybroek van Maria Magdalena (1996). De uitgave is een van de laatste boekpublicaties van De Coninck. Een jaar later overleed hij in Lissabon. Ik voeg er nog aan toe dat hij ook in oktober 1996 in het land was, zoals verderop nog zal blijken uit enkele overgeleverde brieven aan zijn toenmalige echtgenote Kristien Hemmerechts.

Hemmerechts heeft op haar beurt reisherinneringen in een tekst verwerkt, getiteld ‘Stemmen van Zuid-Afrika’ en een jaar eerder opgenomen in de bundel Amsterdam retour (1995). Een vergelijkende lectuur van beide bundels levert weinig spectaculairs op. Herman en Kristien reisden samen en doen in hun beschrijvend proza verslag van hun gedeelde reiservaring. Anekdoten en beschouwingen, gesprekken, herinneringen aan personen en gebeurtenissen echoën in beider egogeschriften. Zo lees ik bij Hemmerechts over een bezoek aan Witsand, het idyllische dorpje geborgen in een oogverblindende witte duinenmassa in de branding van de Indische Oceaan.[vi] Hemmerechts zelf schreef trouwens een roman Wit zand, genoemd naar het toponiem Wissant in Frans-Vlaanderen. Daar verwijst ze ook nadrukkelijk naar in haar ‘Stemmen van Zuid-Afrika’. Ook het autobiografische verhaal van De Coninck over hun gezamenlijk verblijf in de buurt van het natuurreservaat De Hoop, in het Oosten van de West-Kaapse provincie, heet ‘Wit zand’. In dit prozafragment stelt de verteller drie plekken centraal die luisteren naar diezelfde naam.

De anekdote over ‘Lawaaiwater’ (of dus Witsand) aan de ‘zuidkust van Zuid-Afrika’, op weg naar Grahamstad en Port Elisabeth in de Oost-Kaap, is gedeeltelijk ook mijn verhaal. Ik had in augustus 1996, naar aanleiding van een gastdocentschap aan de universiteit van Stellenbosch en op weg naar de Rhodes University in Grahamstown, de gelegenheid in het Godverlaten Witsand te verblijven. Achteraf bekeken, na lectuur van De cowboybroek, was dat ruim een jaar nadat De Coninck en Hemmerechts in hetzelfde huisje van de familie Van Zyl hebben verbleven. Als ik me niet vergis, verbleef de moeder van Wium van Zyl in het andere gedeelte van het pand. Ik citeer het verhaalfragment van De Coninck, dat niet toevallig begint met een aftelrijmpje van de hand van de dichter Van Zyl:

[...] Op reis in Zuid-Afrika ontmoetten we de dichter Wium van Zyl en zijn vrouw Dorothea. Wium is de auteur van het in Zuid-Afrika zeer beroemde versje ‘Sout-en-peperpotjies’:

Ons twee is maatjies

presies eenders

buiten ons gaatjies.

Witsand

Witsand

Ze hadden een buitenhuisje in Witsand, zuidkust Zuid-Afrika, waar de Brede Rivier uitmondt in zee. Ze zouden zeer verguld zijn als we daar een lang weekend wilden doorbrengen, de enige tegenprestatie die ze vroegen was dat Kristien voor de wegwijzer naar Witsand zou poseren met haar boek Wit Zand. Het werd het heuglijkste weekend van de hele reis. Het huisje bleek ‘Lawaaiwater’ te heten: dat moest wel een vondst van Wium zijn. Of van het water zelf, want de Brede Rivier komt hier aangestormd om terecht te komen in de remstrook van haar zeemonding: zee die de rivier in wil, rivier die de zee in wil, het zorgt voor een luidruchtige stilstand. Onze slaapkamer heeft een balkon, en dat balkon een schommelstoel, en daarin bezit ik ten zeerste mezelf. Zo hoort de wereld te zijn, er bestaan plekken waar de wereld dat gesnapt heeft. Het is september, walvissenseizoen. En jawel, zelfs vanaf het balkon zie je ze, nog geen vijftig meter zee-inwaarts, eerst een fonteintje, dan een vin of een staart: walvissen, kleine, drie à vier meter, ontroerende speelvogels, speelvissen, van een groot geslacht. De zee is roestkleurig, vanwege ijzermineralen vermoed ik, pas veel verder probeert ze haar blauwen uit. Het zand is zo wit als beloofd. Duinen met rillerige ruggengraatruggen. Daarachter hard-groen kleinhout. Het strand wemelt van de strandpipers en de witgatspreeuwen. De namen van de dingen zijn hier bijna zo mooi als de dingen zelf. Tegen de avond zie ik op het strand een man met een soort fietspomp bezig. Het lijkt alsof hij de aarde aan het oppompen is. Hij zwoegt er bij. Nu je het zegt, het loopt hier zo zacht, zou de wereldbol inderdaad een beetje aan het leeglopen zijn? Nee, zegt de man, hij is op zoek naar mud prawns, moddergarnalen als aas om morgen mee te vissen.

Later het Zuiderkruis tegen de achtergrond van de helderste melkweg ooit gezien, een hemel met een soort roodvonk, lijkt het wel, geelvonk. Het te grote en het te kleine en hoe dat hetzelfde is: kijken naar schelpen, kijken naar de melkweg. Ik ben een zandkorrel in het diepst van mijn gedachten.[vii]

Het verhaal, waaruit ik dit fragment putte, is gelardeerd met poëtisch geformuleerde anekdotische beschrijvingen zoals wel meer voorkomen in reisimpressies van deze romantische schrijver. De verteller vergaapt zich aan ‘ontroerende speelvogels’ en ‘duinen met rillerige ruggengraatruggen’. Hij staat in bewondering voor de ‘helderste melkweg’ en mijmert vanuit een eurocentrisch perspectief over de wonderen van de Zuid-Afrikaanse natuur.

Een onbestaand gedicht van Breytenbach

Interessanter dan een beschouwing te wijden aan dergelijke reisreportageachtige fragmenten, of het autobiografische gehalte van De Conincks verhalend proza te onderzoeken,  is te peilen naar diens meer geïmpliceerde of uitgesproken standpunten over Zuid-Afrika. ‘Charisma in de uitverkoop’ en ‘Cultuur als besmetting’ zijn wat dat betreft revelerende teksten waarin de schrijver zijn bedenkingen over de tragiek van het politieke systeem en over de schoonheid van de mensen en de landschappen heeft verwerkt, maar ook zijn visie op het Afrikaans.

Het eerste verhaal van De Coninck in De cowboybroek begint als volgt: ‘Ik ben twee keer in Zuid-Afrika geweest, in 1994, volop in de euforie van Mandela, en in 1995, toen een verbitterde blanke taxichauffeur me vertelde dat er spoedig een burgeroorlog zou losbarsten tussen Zoeloes en Xhosa’s, en na enig bloedvergieten zou men opnieuw de blanken nodig hebben als strenge opzichters, hoopte hij. In mijn kop en in dit verslag waaien 1994 en 1995 door elkaar’.[viii] De eerste reis waaraan de schrijver hier refereert, had zoals gezegd plaats in oktober 1994. De aanleiding voor een tweede verblijf, begin augustus 1995, was een lezingentournee die De Coninck bracht op een neerlandistiekcongres in Bloemfontein en in Potchefstroom (‘het ergste van het ergste, of het witste van het witste’[ix]). Aansluitend, na zijn publieke optreden aan de universiteiten en in culturele centra van beide steden, ondernam hij naar eigen zeggen in opdracht van een Belgisch radioprogramma een autotocht naar de Drakensbergen. Over deze tweede reis, die hem toen niet naar de Kaap bracht, schreef hij een brief aan de Afrikaanse dichter, bloemlezer en vertaler van zijn poëzie Daniel Hugo.

Daniel Hugo

Daniel Hugo

Hugo heeft met Liefde, miskien (1996) een voor het Afrikaanse publiek beeldbepalende bloemlezing uit De Conincks poëzie naar het Afrikaans samengesteld.[x] Dat De Coninck überhaupt een tweede reis naar het zuidelijk halfrond heeft ondernomen, was blijkens onderstaande brief helemaal niet zo evident.

[...] Ik zie daar zeer tegenop. 1/ Kristien gaat niet mee. 2/ Zonder haar ben ik helemaal geen dapper reiziger. 3/ Ik heb gisteren mijn rib gebroken: gewoon thuis van de trap gevallen, uitgegleden op mijn kousen. Alles wat ik met mijn linkerarm doe, doet pijn. In Zuid-Afrika moet ik met die arm schakelen met de auto. 4/ Ik moet ten laatste 13 augustus terug in België zijn, dus ik heb geen tijd om jullie in Kaapstad te bezoeken. Vooral dat laatste vind ik jammer. [...][xi]

Nog vóór beide excursies waarover hij rapporteert en fictionaliseert in De cowboybroek, toen hij naast Bloemfontein en ‘Potch’ ook het ‘Britse’ Durban heeft bezocht, had De Coninck zijn belangstelling voor Zuid-Afrika al meermaals laten blijken. Meer bepaald op het moment dat het verscheurde land de nadagen van het apartheidsregime doormaakte en de toekomst bijzonder onzeker oogde. De Coninck heeft ook enkele keren zijn waardering, zo niet zijn fascinatie, voor het literaire werk van schrijvers als J.M. Coetzee, Nadine Gordimer, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach uitgesproken. Aan die laatste ‘verzetsfiguur’, schrijver in de diaspora, heeft hij overigens ook een gedicht gewijd. De genese van het gedicht moet worden gedateerd nadat Breytenbach in 1992 mee het Gorée Institute. Centre for democracy, development and culture heeft opgericht (met een verwijzing naar het slaveneiland Gorée voor de kust van Dakar, Senegal). Het instituut streefde ernaar het contact tussen intellectuelen en democratische instellingen in Afrika te bevorderen, en de democratie op het continent te stimuleren.[xii] De bemiddelaarsrol die Breytenbach vervulde, en zich dus ook institutioneel aantrok, zit mee verwerkt in het gedicht. De tekst van De Coninck is niet opgenomen in een dichtbundel, maar kan wel worden teruggevonden in het essayboek De vliegende keeper (1995). Het gedicht bestaat uit door De Coninck vertaalde (en tussen aanhalingstekens geplaatste) regels uit (eigen en vertaalde) poëzie van Breytenbach.

 

‘Wanneer een oude man sterft in Afrika,

brandt er een bibliotheek af.’

 

Ik kom uit het niets en zal tot niets komen,

maar ik neem er wel de tijd voor.

De wereld waarin ik thuis ben is Afrika.

Het is de enige uitweg die ik heb om gebruik

te maken van al mijn zintuigen en vermogens.

Deze aarde was de eerste die sprak.

Zij heeft mij voor eens en altijd uitgesproken.

 

De zuidooster stuift door de straten van de stad,

verandert het geslacht van honden.

De zon valt als een koffiezakje in de ketel

en al spoedig is de nacht zwart doorgelopen.

Heiligen storten in de leegte, niets achterlatend

dan een kreet als een serpentine in de lucht.

 

‘Liefde is niet maken, maar vergezellen’.[xiii]

 

Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach

Over dit romantisch getoonzette maar evenzeer politiek-ideologisch geladen gedicht (Breytenbach als ‘alerte politieke verslaggever’), dat tegelijk ook als programmatisch voor De Conincks eigen poëticale opvattingen at that time kan worden gelezen (met als sleutelbegrippen ontregeling en troost),[xiv] tekende hij nog het volgende op:

[Dit] gedicht is een onbestaand gedicht van Breytenbach. Zijn poëzie vind ik moeilijk, maar ik zou er eens beter mijn best op moeten doen. Zijn verslag Terugkeer naar het paradijs vind ik gedreven, soms zijn het overhaaste kladnotities, meestal is het buitengewoon knap. Het voordeel van Breytenbach is dat hij ook veel weet, en dat je tussen zijn erudiete verslaggeverij ineens een zin pure poëzie aantreft, waarna hij gelukkig weer tot de orde van de dag overgaat. Zo hoort poëzie te functioneren, in een prozatekst: ontregelend. Het proza regelt het dan wel verder. Zo lees je het verslag van de dood van iemands vader, heel accuraat, waarna de regels: ‘Wanneer een oude vrouw sterft is de wereld vol vlinders, wanneer de ogen van een oude man breken, worden de bomen donker.’ Waarna nieuwe alinea, andere levens, want er zijn er genoeg. De scrupuleloze commerçant bijvoorbeeld: ‘een vogel die schijt in alle bomen’. Breytenbach heeft het oog van de alerte politieke verslaggever, gecombineerd met de taalwijsheid van de Toearegs. In zijn inleiding schrijft hij in elk geval dat hij troost vindt bij gezegden als: ‘De dood is niet iets als thee-drinken.’

Ik heb een gedicht gemaakt, uitsluitend bestaande uit regels van Breytenbach - en van anderen  die hij citeert [...]. Ik vind het een erg mooi Breytenbach-gedicht. Alleen heeft hij het nooit zo onder elkaar opgeschreven. En als je Afrika vervangt door Vlaanderen, zou ik er zelf wel voor willen tekenen [...].[xv]

De Coninck blijkt gecharmeerd door de ‘scrupuleloze’ versregels van Breytenbach die onder meer ontleend zijn aan ‘de taalwijsheid van de Toearegs’.[xvi] Het is met name de combinatie van erudiete en politiek geladen passages én ‘de wijsheid’ van primitieve volkeren die voor De Coninck de overtuigingskracht van deze schriftuur bepaalt. Het is evenwel niet de poëzie an sich (‘de pure poëzie’) die de Vlaamse schrijver in de ban hield. Hij heeft het expliciet over ‘de verslaggeverij’. Versregels fungeren als deraillerende elementen in een prozatekst; ze zorgen voor verdieping, voor een brok levenswijsheid die je op dat moment in de verslaggeving niet verwacht. Dat is wat hij noemt de registerwisseling tussen het proza van Breytenbach en het taaleigen van het Noord-Afrikaanse nomadische Berbervolk.

De Coninck mag dan wel zijn eigen Breytenbach-gedicht hebben gecreëerd met vertaalde regels die de Zuid-Afrikaanse schrijver zelf zou hebben ontworpen of die hij in vertalingen ontleende aan andere schrijvers (de Toearegs). Hij noemt het eclectisch samengestelde gedicht vooral ‘erg mooi’, en hij besluit veelzeggend: ‘als je Afrika vervangt door Vlaanderen, zou ik er zelf wel voor willen tekenen‘ (mijn cursivering). Het is ongetwijfeld de wijze waarop Breytenbach zijn liefde voor Afrika belijdt (‘De wereld waarin ik thuis ben is Afrika’), door gebruik te maken van beelden ontleend aan teksten van inheemse Afrikaans volkeren, die De Coninck weet aan te spreken. De transparantie van het taalgebruik, de parlandistische toon, de van ‘levenswijsheid’ vervulde beeldentaal zijn de ingrediënten van een poëzie die ook hij in het eigen scheppende oeuvre voorstond.    

Overigens, naast deze poëticaal te lezen Breytenbach-compilatie - Breytenbach à la manière de De Coninck - heeft hij in hetzelfde opstel in De vliegende keeper ook een gedicht voor Czesław Milosz geconcipieerd, met regels ontleend aan het dichtwerk van de Poolse Nobelprijswinnaar.

Politieke stellingname in Nieuw Wereldtijdschrift

Nieuw Wereldtijdschrift

Nieuw Wereldtijdschrift

Herman de Coninck was niet alleen dichter en poëziecriticus. Hij was ook tijdschriftredacteur. In 1984 is in Vlaanderen uit de erfenis van het vrijzinnige Nieuw Vlaams Tijdschrift (1944-1983) het glossy, op glanzend papier gedrukte Nieuw Wereldtijdschrift opgericht. In dit literair-journalistieke magazine vroeg hoofdredacteur De Coninck meermaals aandacht voor markante teksten uit de Zuid-Afrikaanse literatuur. In het jaar van zijn Breytenbach-gedicht verscheen een speciaal aan Zuid-Afrika gewijde aflevering van het NWT (mei-juni 1995), met bijdragen van (in volgorde van verschijnen) Etienne van Heerden, Henk van Woerden, André Brink, Stephen Watson (in een vertaling van Eva Gerlach), Antjie Krog, Riana Scheepers, Damon Galgut, J.M. Coetzee en Chris van Wyk; van Koen Wessing is een portfolio met foto’s in de townships opgenomen. De Coninck, samensteller van de aflevering, leidde ook in, en was wellicht verantwoordelijk voor de leads bij de respectieve bijdragen. In het woord vooraf benadrukte hij, als het ware om het initiatief in de lage landen te legitimeren, de ommezwaai die zich na de vrijlating van Mandela en daarna na de verkiezingen van 1994 in het land had voltrokken. De Coninck formuleert zijn kritische kanttekeningen bij de manier waarop de culturele boycot ten tijde van de alleenheerschappij van de Nasionale Party is gevoerd. Uiteindelijk hebben die drastische maatregelen zich gekeerd tegen de Afrikaanse literatuur en ‘de progressieve Afrikaanse schrijvers’, zo stelt De Coninck, en niet diegenen getroffen die in hun handelen en mentaliteit gruwelijke feiten hebben gepleegd.

De tijd is voorbij dat wij Zuid-Afrika op z’n nummer wilden zetten. Dat ging soms hard. Ik herinner me een “Nacht van de Poëzie” in Utrecht waarop Willem Frederik Hermans was uitgenodigd, die toen pas naar Zuid-Afrika was geweest. De zwarte dichter Julian With dreigde toen met een rel. Waarop Hermans bedankte.

Wium van Zyl

Wium van Zyl

Andersom vertelde de Afrikaanse dichter Wyum [sic] van Zyl me hoe hij begin jaren tachtig in Nederland aan zijn doctoraal over Hermans zat te werken en hoe hij zich voortdurend opgejaagd voelde: men had hem eens op heterdaad moeten betrappen, dan was hij meteen het land uit gezet.

Nee, een economische boycot is uitstekend, maar niemand houdt zich eraan. Maar met een culturele boycot ontzeg je juist de progressieve Afrikaanse schrijvers de solidariteit die ze in hun eenzaam geschrijf zo nodig hebben. En de voorstanders van de apartheid? Juist hen hadden we onze geschriften niet moeten onthouden. We hadden hen ermee moeten bombarderen. Cultuur is een wapen.

Kortom, dit Zuid-Afrikanummer komt tien jaar te laat. Het kan geen aanspraak meer maken op moed.

Maar misschien kan het nog interesse wekken, want Zuid-Afrika heeft een knappe literatuur.

We hebben geen enkele poging gedaan om een politieke status questionis te maken. Maar in zijn totaliteit, in de samenstelling van zijn tekorten, geeft het nummer toch een goed beeld, hopen wij, van een onoplosbaar land, dat zichzelf, althans in dit nummer, op een inspirerende manier tegenspreekt en aanvult.[xvii]

Gelijkaardige passages over de functies van cultuur en de betekenis van de Afrikaanse literatuur heeft De Coninck ook verwerkt in ‘Cultuur als besmetting’ (in De cowboybroek). Taal en politiek: ze grijpen volgens onze auteur in een land als Zuid-Afrika immer en altijd in elkaar. Taal heeft er per definitie een ideologische laag die niet los kan worden gezien van maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. In het volgende fragment worden de schoonheid en de disparaatheid van het Afrikaans bezongen. De taxatie van het Afrikaans, die trouwens aansluit bij vaker geregistreerde uitspraken van Nederlandssprekenden over de speelsheid en zangerigheid van het Afrikaans, nog vóór De Coninck in 1994 een eerste keer de Zuid-Afrikaanse bodem betrad en het Afrikaans van native speakers aanhoorde, is klaarblijkelijk louter en alleen gebaseerd op jeugdsentimenten. Meer bepaald op zijn eerste kennismaking op de schoolbanken met de Afrikaanse literatuur. De herinneringen gaan terug op schoolbloemlezingen, zoals Zuid en Noord, die op de lectuurlijst stonden van het katholiek middelbaar onderwijs in België. Daarover schreef hij: ‘[deze schoolboeken] eindigden altijd met een sectie Afrikaanse poëzie. Van W[y]k Louw stond er nog in, en een enkele keer ging men zelfs tot Elisabeth Eybers. Ik vond het een buitengewoon poëtische, licht amusante taal’.[xviii] Overigens, in later verschenen anthologische schoolboeken als De dubbelfluit, samengesteld door de Vlaamse priester-dichter en Groot-Nederlands denkende Anton van Wilderode, komen nog Afrikaanse schrijvers als Eybers en Opperman voor. Aan de taal van deze dichters, het Afrikaans, betuigt De Coninck zijn liefde. Ik citeer het fragment in extenso, ook al gezien de politieke relevantie van de uitspraken die de schrijver doet en de visie die hij in de openingsalinea op het ontstaan en de eigenheid van het Afrikaans naar voren schuift.

[...] Uit [een] ingewikkelde haat-liefde moet het Afrikaans ontstaan zijn. Zal ik eens iets gedurfds proberen? Haat-liefde: zou het dan kunnen dat de apartheid uit haat is ontstaan en het Afrikaans uit liefde? Zou het kunnen dat deze taal, het Afrikaans, mee van het beste is wat dit land te bieden heeft? Al wat de Afrikaners in hun apartheidspolitiek niet konden gedogen, rassenvermenging, hebben ze in hun taal wel toegelaten. Met zijn dubbele ontkenning is het een soort oud West-Vlaams dat zich met alle graagte heeft vermengd met Engels en Zoeloe en Xhosa, dat zijn calvinisme heeft doorspekt met zwarte lekkerheden, dat zijn reglementen mee heeft laten genieten van zonde. Het is taalkundig gezien de meest overspelige taal die ik ken. Pas nu begrijp ik waarom Breyten Breytenbach er nog altijd niet in slaagt zich Europeaan te noemen. Hij is een zoon van de landschappen van de Karoo, van schraalte en onmetelijkheid en dubbele wolkenvelden: lagere wolken waardoorheen je de hogere ziet. (Niet het proza is hier gelaagd, maar de hemel.) En bovenal: hij spreekt de zeer besmette taal die het Afrikaans is. Hij bepleit zelfs die besmettelijkheid, het kan niet besmet genoeg, cultuur is besmetting.

‘De taal is gansch het volk’: was dat hier maar waar geweest.

Taalmonument

Taalmonument

Er is voor deze taal zelfs een monument opgericht, in Paarl. Het enige taalmonument ter wereld. Volgens Tom Lanoye is het een geërecteerde fallus met drie ballen - maar de fallus is hol, je kunt er onderaan in, en dan merk je bovendien dat hij bovenaan besneden is, je kijkt naar een topje blauwe lucht, zodat je je helemaal een spermatozoön voelt, onder de indruk van de lange weg die het Afrikaans nog te gaan heeft. Maar het is wel bereid zich het zwerk in te schieten. Mandela heeft het monument laten staan. Waarschijnlijk tot de dag dat de tien andere talen ook hun monument eisen. Ik voel me een beetje IJzerbedevaartachtig. Maar ik lees ook bij de entree een versteend citaat van de dichter Van Wijk Louw, die de hoop uitspreekt dat deze verbasterde taal, net dankzij haar verbastering, iets van Europa én van Afrika zal kunnen huisvesten. Het is niet deze taal waar iets mis mee is.

Zal het Afrikaans overleven? Ja, denkt J.M. Coetzee, maar niet het deftige Afrikaans van de blanken, maar het nog veel verbasterder dialect dat de bruinmense spreken. In André Brinks boekje 27 april.[xix] Een jaar later staan een paar voorbeelden van dit taaltje. Helaas ook een paar voorbeelden van verbittering na één jaar Mandela [citaten van Jan Rabie en Adam Small, yt] [...] In een stuk in de NRC van vorige zomer maakt Henk van Woerden zich vrolijk over de pogingen die zowat alle Afrikaanse neerlandici nu doen om hun taal, met subsidie van de Nederlandse Taalunie, met rugdekking van het prestigieuzere Nederlands, van de vergetelheid te redden. Maar het gaat niet om een taalstrijd, maar om een klassenstrijd binnen die taal, zegt hij.

Ik heb zelf aan zo’n congres voor neerlandici meegedaan, in Bloemfontein. Ik wil daar graag iets op terugzeggen. Dat de Taalunie het Afrikaans steunt: beter laat dan nooit. Het is meer Wiedergutmachung dan steun. De economische boycot was zeer terecht, en die heeft gewerkt ook. Maar juist de culturele boycot van Nederland heeft het prestige van zowel het Nederlands als het Afrikaans ondermijnd. Aan de universiteiten werd dat zo verschrikkelijk gelijkhebberige Nederlands gehaat. Die afkeer heeft bijgedragen tot de snelheid waarmee het Afrikaans verbasterde. (Ik lees in een hotelkamer in een bijbel van het begin van de eeuw. Dat Afrikaans is voor mij woord voor woord verstaanbaar. Bij één alinea van Adam Small heb ik vijftig voetnoten nodig.)

Het was vooral grotesk. Dichter en hoogleraar Wium van Zyl, die in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek kwam werken aan zijn doctoraal over W.F. Hermans, zat daar in de voortdurende vrees dat hij ontmaskerd zou worden en over de grens gezet. Francis Galloway, die eind jaren tachtig doctoreerde over Breyten Breytenbach, werd de toegang tot het huis van de Anne Frank-stichting ontzegd. Tegelijkertijd zou W.F. Hermans - die toen pas was ingegaan op een uitnodiging om Zuid-Afrika te bezoeken, ondanks het feit dat hij met een kleurlinge was getrouwd - komen voorlezen op de Nacht van de Poëzie in Utrecht. De zeer donkerzwarte dichter Julian S. With, die niet alleen zijn naam tegen heeft maar helaas ook zowat al zijn poëzie, dreigde toen met een rel. Waarop Hermans bedankte.

Het meest absurde was dat het blanke protest in Zuid-Afrika zich juist in die culturele sector afspeelde: door de boycot werd uitgerekend aan het progressieve blanke protest onze solidariteit ontzegd. En de voorstanders van de apartheid? Juist hun hadden we onze geschriften niet moeten onthouden, zegt André Brink, we hadden hen ermee moeten bombarderen.

Verder ben ik als Vlaming, weet hebbende van taal- en klassenstrijd, geneigd te denken dat taal zijn dialecten mag hebben, want daar heerst nogal wat vindingrijkheid - maar dat het toch goed is dat de dikke Van Dale het een beetje bij elkaar houdt, anders gaan die dialecten al te gauw hun eigen leven leiden. Zuid-Afrika zit al opgescheept met elf officiële talen. Ik zie er het nut niet van in dat ook het Afrikaans zich nog eens zou opsplitsen in een dialect of drie. Het blank en bruin en het zwart Afrikaans (want ook dat laatste bestaat) hebben elkaar nodig. Taalpolitiek is geven en nemen. Tot er - ik zeg maar wat - een bruinmens-Multatuli opduikt. En dan is taal krijgen. [...][xx]

Opmerkelijk is dat De Coninck in deze uitvoerige passage de courant gemaakte associatie tussen de rassenpolitiek van de Nasionale Party (1948-1994) en het Afrikaans niet legt. De officiële taal zelf is in de tijd van het verwerpelijke apartheidssysteem en de segregatiepolitiek van de blanke minoriteit in verband gebracht met deze politieke ideologie. Afrikaans, zo was de mening in landen die het regime boycotten, stond gelijk aan (de taal van) de verdrukker, van het fascistoïde en door etnische presupposities gedomineerde gedachtegoed. De Coninck, die cultuur als wapen zag, vereenzelvigt de taal net niét of onproblematisch met een ideologische stellingname. Het Afrikaans is een smeltkroes, een kruispunt van diverse talen, en wordt gesproken door meer mensen dan alleen de conservatieve ‘witmense’. Breytenbach, zo stelt onze schrijver, adoreerde deze ‘overspelige taal’, die invloeden van het Engels, Hollands, Frans, Zoeloe, Xhosa en nog enkele andere talen heeft ondergaan. In die zin is Afrikaans voor Herman de Coninck een ‘zeer besmette taal’. Waar hij Breytenbach om benijdt, is precies diens beheersing van het Afrikaans (en meer in het bijzonder voor de keuze voor een literair oeuvre in het Afrikaans en in het Engels). Het Afrikaans wordt voorgesteld als een slagader van een literair oeuvre dat Breytenbachs roots in de Karoo verbindt met ‘Afrika’.[xxi] In Paarl, in de buurt van Stellenbosch en Franschhoek, staat het enige monument in de wereld dat specifiek voor een taal is opgericht. Beeldend is De Conincks beschrijving van het monument dat als een signaal van de verdere dynamische ontwikkeling van het Afrikaans wordt verzinnebeeld. Zijn besluit is taalpolitiek te lezen: het Afrikaans verenigt in zich Europa en Afrika. Het is net die verstrengeling van beide continenten die hij in zijn Breytenbach-gedicht probeerde scherp te stellen. Breytenbachs fascinatie voor de taal van de nomadische Toearegs, ‘de wereld waarin ik thuis ben is Afrika’, maar dus ook voor het Afrikaans van de Karoo (en zijn landelijke geboortegrond), maar ook diens onverzettelijkheid, is wat De Coninck zo aantrekt in de literaire persoonlijkheid en de cultuurpolitieke houding van de auteur van Terug naar het paradijs. Een Afrikaans journaal (1993).[xxii]

In de tweede alinea van bovenstaand citaat reflecteert De Coninck over de toekomst van het Afrikaans in een post-apartheid era. Hij lijkt Coetzee’s visie te onderschrijven dat alleen het verbasterde Afrikaans, niet de taal van de blanke eurocentrische elite maar die van ‘de bruinmense’, zal overleven. Hij put daarvoor uit zijn eigen beperkte ondervinding op een neerlandistiekcongres in Bloemfontein. De culturele boycot van Zuid-Afrika, vooral in Nederland (ook door de Nederlandse Taalunie), wordt - zoals al eerder bleek uit een voorwoord in Nieuw Wereldtijdschrift - betreurd. Precies deze boycotmaatregelen noemt hij als een van de redenen waarom het Afrikaans in ijltempo verbastert. Het Nederlands was door de politieke houding van menig regeringsleider voor vele Afrikaanssprekenden de taal van de moreel superieure betweters in Den Haag en Amsterdam. Hij schetst enkele concrete voorbeelden van aanvaringen, van een sfeer van achterdocht en geestelijke terreur die in Nederland ten aanzien van Afrikaners bestond. Het was vooral in de culturele sector dat de onmogelijkheid nog samen te werken tussen Zuid-Afrika en Nederland/Vlaanderen, tussen academici en schrijvers, is gecontesteerd. In casu op een moment dat, volgens De Coninck, vooral de steun vanuit Nederland en Vlaanderen cruciaal was. Die afwijzende houding heeft zich tegen het Afrikaans gekeerd, luidt zijn conclusie. Net op het ogenblik dat de blanke progressieven in Zuid-Afrika, die het systeem met protestacties en literaire teksten ondermijnden, alle steun konden gebruiken, bleven zij door een algemeen uitgevaardigde boycot in de kou staan en verkeerden zij in een volstrekt isolement. Op het moment dat het democratisch denken alle Europese steun kon gebruiken, is een dam rond het Afrikaner nationalisme gebouwd. Een cocon waarin het nationalisme op zichzelf terugplooide ten koste van al wie in het land vooruitstrevende denkbeelden had en open minded was. De Coninck bepleit een gestandaardiseerde Afrikaanse taal, waarin ruimte is voor taalvariatie, maar waarbij ook moet worden gedacht over de taalpolitieke functie van een sterke eenheidstaal. Hij stapt in zijn conclusie uiteraard voorbij aan een Afrikaanse literatuur die ook door ‘bruinmense’ en door ‘swartmense’ wordt geschreven. De ‘bruinmens-Multatuli’ is misschien al opgestaan; uit de ‘Multatuli’ in de woordsamenstelling spreekt tegelijk een paternalistische houding die de Nederlandse literatuur hoger aanschrijft dan wat ‘bruinmense’ zouden vermogen. Herman de Conincks apologie voor het Afrikaans is mede ingegeven, behalve door de Vlaamse ‘taal- en klassenstrijd’, door een reductionistisch beeld van de literatuur die in het Afrikaans wordt geschreven en de bonte mengeling van taalgebruikers. Dat de ‘bruinmens-Multatuli’ opstaat, lijkt voor hem nog ver in de toekomst te liggen. Vandaar dat de Afrikaanssprekenden er goed aan doen de rangen te sluiten, zo decreteert de taalpoliticus in De Coninck. Zij zouden er beter aan doen voor een doelgerichte taalpolitieke strategie te opteren waarbij standaardisering hoog op de agenda moet staan. De realiteit heeft een dergelijke zienswijze intussen achterhaald.

Eybers, Krog en het Nieuw Wereldtijdschrift

Omslag

Omslag

Uit de nagelaten brieven, zeven jaar na zijn dood onder de titel Een aangename postumiteit verschenen, blijkt dat Herman de Coninck als hoofdredacteur van het NWT in de beginjaren van het tijdschrift (de jaren tachtig dus) verscheidene keren heeft geprobeerd Elisabeth Eybers (1915-2007) te vermurwen mee te werken aan het blad. Hij wou graag een interview met de in Amsterdam gedomicilieerde Eybers, een genre waarvoor zij zich nog niet eerder had laten strikken. Het is de enige brief aan Eybers die in het brievenboek voorkomt. Er spreekt een opmerkelijk bewonderende, bijna adorerende, maar ook wel een zeer nederige houding uit. Tegelijk spreekt De Coninck, op dat ogenblik de auteur van vier dichtbundels (De lenige liefde, Zolang er sneeuw ligt, Met een klank van hobo en De hectaren van het geheugen) en van de verzamelbundel Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982 (1985), en dus niet gehinderd door enige bescheidenheid, van niet minder dan ‘gevoelsverwantschap’.

 

11.6.85

Geachte Mevrouw,

Separaat stuur ik u het laatste nummer van het NWT, hopend dat u het mooi genoeg vindt om er ooit eens gedichten aan af te staan.

Bovendien zou ik graag, ter gelegenheid van het verschijnen van uw nieuwe bundel [Drijfsand of Gedigte 1962-1982, yt], een interview met u maken.

Ik weet dat u dat gewoonlijk weigert. Ik heb althans nog nooit een vraaggesprek met u gelezen. Maar misschien juist daarom vraag ik het: het zou des te unieker zijn voor ons.

Ik weet verder niet goed wat daaraan toe te voegen.

Helpt het u als ik u ook een dichtbundel van mezelf toestuur, zodat u enige gevoelsverwantschap kunt constateren? Of is dat juist opdringerig? Ik doe het dan toch maar, je weet nooit.

Met hartelijke, bewonderende groet,

Herman De Coninck[xxiii]

 

Er is geen interview met de door de Vlaamse dichter bewonderde Elisabeth Eybers in het NWT verschenen.

Een andere, aanzienlijk jongere maar al even spraakmakende journaliste/dichter die De Coninck bijzonder hoog inschatte, is Antjie Krog. In het voorwoord van het NWT-nummer, dat integraal is gewijd aan Zuid-Afrika, had De Coninck al de lof gezongen van de politiek actieve en maatschappelijk geëngageerde Krog en van het periodiek Die Suid-Afrikaan. Hij zou daar later in een persoonlijke brief, gedateerd op 20 mei 1996, nog verder op ingaan. In NWT, mei 1995, lees ik onder meer:

Antjie Krog

Antjie Krog

Antjie Krog is dichteres, een paar jaar geleden nog te gast op Poetry International, en ‘uitvoerend redakteur’ van Die Suid-Afrikaan, een blad dat misschien wel graag een soort Nieuw Wereldtijdschrift zou willen zijn, maar het daar politiek te druk voor heeft. Die Suid-Afrikaan is een tweeëneenhalf-talig blad: Afrikaans en Engels door elkaar, een enkele keer mag ook Xhosa. Literatuur is de bedoeling, maar politieke pamfletten zijn dringender. Antjie Krog schrijft daar gedreven voorwoorden bij, die meestal eindigen met de formule ‘groetnis en genade’. Dat laatste smeekt ze de gekleurde bevolking af, omdat ze zo haar best doet. Dat klopt ook. Welke filosoof was het ook weer, die, gewezen op zijn ijzeren inconsequentie, zei dat hij dan wel als een wegwijzer de juiste richting aanwees, maar gezien zijn functie toch maar beter zelf ter plaatse kon blijven? Zo niet Antjie Krog. Ze legt zelf alle kilometers af die ze aanwijst, in alle richtingen.[xxiv]

De brief die De Coninck haar stuurde voorjaar 1996, over het functioneren en de maatschappelijke impact van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, waar Krog korte tijd later het getuigenisboek De kleur van je hart (oorspronkelijk Country of my skull) aan heeft gewijd, kan ik hier gezien de lengte niet integraal citeren.[xxv] Het is voor beide auteurs in menig opzicht een belangrijke brief. De Coninck had Krog gevraagd over de confronterende hoorzittingen van de door aartsbisschop Desmond Tutu voorgezeten Truth and Reconciliation Commission verslag uit te brengen in het NWT. Aldus kondigde De Coninck de reeks aan:

Vanaf dit nummer begint Antjie Krog, dichteres en journaliste, met een tweemaandelijkse brief uit Kaapstad. Daar gebeuren buitengewoon boeiende dingen die hier nauwelijks het nieuws halen omdat er niet genoeg doden bij vallen. Die zijn al gevallen en het gaat er nu juist om hoe Zuid-Afrika daarmee probeert om te gaan. Sinds kort is er een waarheidscommissie bezig met het onderzoek naar ‘oorlogsmisdrijven’ tijdens de apartheid. Die misdrijven kunnen aangeklaagd worden en bestraft - maar ook vergeven. Dat geldt met name voor ideologische misdaden. Het gevolg is alvast dat Eugène Terre’Blanche zich nu probeert te profileren als ideoloog: hij heeft nooit tegen de zwarten gevochten maar tegen het communisme. Ant[j]ie Krog is hoofd van het clubje radiojournalisten dat hierover rapporteert, met verontwaardiging en woede en schaamte en slapeloze nachten.[xxvi]

In totaal schreef Krog voor het NWT zes afleveringen in de rubriek ‘Brief uit Kaapstad’ (in 1996, afl.4, 5 en 6; in 1997, afl. 1, 2 en in het dubbelnummer dat aan de kort tevoren overleden De Coninck is gewijd: 5/6).[xxvii] De ‘Brief uit Kaapstad’ was trouwens de concrete aanzet voor het schrijven van De kleur van je hart (2001). Het spreekt voor zich dat zowel De Conincks invitatiebrief als de zes bijdragen van Krog in NWT nader onderzoek verdienen.

Twee late gedichten

Voor de epiloog van deze verkennende beschouwing over de relaties tussen Herman de Coninck en Zuid-Afrika keer ik terug naar de poëzie. Een derde verblijf in Zuid-Afrika, na de bezoeken in 1994 en in 1995, had plaats in oktober 1996. Mogelijk was het echtpaar De Coninck er ook al in april van dat jaar geweest. We lezen over die Kaapse reis, toen de dichter onder meer te gast was bij Riana Scheepers en Daniel Hugo, in twee brieven die hij richtte aan zijn vrouw op het thuisfront in Berchem (Antwerpen). De reis was opgezet als een promotietoer, ter gelegenheid van de uitgave van Daniël Hugo’s vertaling van gedichten van De Coninck. Hij ontmoette tijdens dat verblijf ook de Vlaamse collega-schrijver Tom Lanoye, die al sinds enkele jaren een eigen appartement bezat in Kaapstad (en de buurman is van Antjie Krog).[xxviii] Op 13 oktober 1996 had een ontmoeting plaats met de Afrikaanse dichter en arts Phil du Plessis. Aldus hangt De Coninck een hilarisch maar ook tragisch portret van Du Plessis op:

Hij is 52, homo, arts, en een soort renaissance-mens, uomo universale. Weet alles van artsenij, psychoanalyse, architectuur, schilderkunst, poëzie. Drinkt vanaf ’s ochtends witte wijn. Rookt als een Turk, zelfs terwijl hij eet. Gaat nooit op invitaties in van mensen bij wie hij niet mag roken. Heeft een prachtig huis aan zee, zijn veranda lijkt wel een badhuisje, zo vlakbij. Heeft een kunstcollectie van 10 miljoen BF [250.000 euro, yt], en een platencollectie van 1 miljoen, waaronder nog 78-toerenplaten, en twee zelf aan te zwengelen 78-pick-ups. Daarop laat hij dan zowel jiddische jazz horen, als de eerste opname van King Creole, van Elvis Presley. Hij is vroeger al eens in een droogdok van 10 meter diep gegooid door een recalcitrante gigolo (5 breuken). Nu is hij smoor op een macho-fotomodel van 26, maar platonisch, want zodra hij naar hem een vinger uitsteekt, krijgt hij op zijn smoel. [...].[xxix]

Du Plessis duikt vervolgens ook op in een brief van De Coninck aan Daniel Hugo. In de verzamelde opstellen heb ik geen verwijzingen naar de poëzie van Du Plessis aangetroffen. In diezelfde brief aan Hugo polst De Coninck naar de receptie van Liefde, miskien in de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek. Met de kritische ontvangst bleek het nogal mee te vallen. Op 9 januari 1997 voegt hij in een volgende brief aan Hugo een net geschreven gedicht toe, dat later (postuum) is gebundeld in Vingerafdrukken (1997). De anekdotische laag (‘Zo schrijft de werkelijkheid soms/een strofe of twee voor me op’) verwijst naar de al eerder vermelde schrijverstournee die De Coninck, op instigatie van Van Zyl en onder meer in aanwezigheid van Simon Vinkenoog, naar de Atlantische kust bij Kaapstad heeft gebracht. Het gedicht refereert expliciet aan het reisproza in De cowboybroek. In de verantwoording van de dichtbundel noteerde De Coninck:

Enkele reisgedichten uit de afdeling “Ginder” zijn oorspronkelijk als proza gepubliceerd, o.a. in De cowboybroek van Maria Magdalena, maar waren daar niet tevreden mee, wilden uit hun context, wilden regels kwijt en er andere bij. (Zo werkt poëzie: sommige regels zijn vragende partij).[xxx]

 

Ewewig

 

Simon Vinkenoog over de zee nabij Kaapstad:

‘Ongelofelijk hoe waterpas, hè!’

‘En zo weinig scheepjes!’

‘Jamaar, ‘t is zondag!’

 

Later vertelt Phil du Plessis hoe zijn grootvader

metselaar was, viool speelde, en een glazen oog had.

Om te zien of een muur waterpas stond, legde hij zijn glazen

oog erop, begon viool te spelen, en als het oog bleef liggen

 

was de muur waterpas. Zo schrijft de werkelijkheid soms

een strofe of twee voor me op en begint viool te spelen,

omdat het zondag is.[xxxi]

 

In dezelfde afdeling in Vingerafdrukken, ‘Ginder’, komt ook een tweede gedicht voor waarin Zuid-Afrika de setting is, met name ‘Hotel in Durban’.

 

Hotel in Durban

 

Rond halfzes gaat zon onder, komt zee boven.

Gooit haar zilverigheid in het rond, komt aanrollen

op haar breedste alexandrijnen van schuim,

op haar twaalfkilometers.

 

Mijn balkon is een groot televisiescherm waarop zee.

Overdag zijn er honderd soorten lawaai. ’s Nachts twee: zee

die zich luidruchtig opgraaft uit de mijnwerkerij van zichzelf,

en krekels. Wat krekels doen is zoiets als vioolspelen op die ene

 

zenuw waaraan je tandpijn hebt. Tuinman spuit ’s ochtends

voor het hotel de struiken schoon: uit één plant schieten er

miljoenen weg. Ik heb maar honderd woorden.

 

Daarin ontstaat een groot zeggen

waarin de zee zich één voor één voor één voor één

wil nederleggen.[xxxii]

 

Slot: ‘Zonder de townships was er een oplossing’

Over de plaats van Zuid-Afrika in De Conincks leven en werk is het laatste woord niet gezegd. Deze bijdrage is het resultaat van een poging een eerste overzicht van tekstplaatsen in poëzie, reisproza, poëziekritieken en in brieven te geven. De beschouwing besluit ik met een laatste fragment uit een brief, die in april 1995 moet worden gesitueerd. Na de eerste reis naar Zuid-Afrika, in oktober van het vorige jaar, schreef De Coninck aan zijn vriend Jan van Bilsen:

Ik ben [...] vorig jaar oktober [in Zuid-Afrika] geweest, en er is een goede kans dat ik er binnenkort opnieuw naartoe ga. Ook daar is de hele situatie hachelijk, en zelf ben ik uitermate pessimistisch, maar de mensen die ik ginder ontmoet heb, zijn allemaal buitensporig bereid tot political correctness. Alleen zegt iedereen erbij: ik hoop dat Nelson Mandela nog lang mag leven. Want het ANC heeft nu wel de macht, maar ze moeten nog gaan ontdekken dat ze niet meer geld hebben dan de vorige regering. Het geld is opgesoepeerd [sic] in de oorlog met Angola. Ik heb de townships bezocht. Ik had dat beter niet gedaan. Zonder de townships was er een oplossing. Maar met de townships, nee. Miljoenen mensen die daar in gods natuur zitten te kakken en die dat wonen noemen. Wat moet je eerst subsidiëren, een put onder hun gat of een dak boven hun kop?

En toch heerst daar momenteel wereldoptimisme. De onwaarschijnlijkheid van verdraagzaamheid. Zo lang het duurt. En het duurt nooit lang. [...][xxxiii]

Khayelitsha

Khayelitsha

Over het ontnuchterende bezoek aan de townships, ‘de nieuwste en grootste township Khayelitsha’ in de omgeving van Kaapstad, en hoe taal en politiek in Zuid-Afrika altijd weer verankerd zijn, heeft De Coninck in ‘Charisma in de uitverkoop’ geschreven. Het kan het fundament zijn voor een meer uitgewerkte studie van De Conincks beeldvorming van Zuid-Afrika en het Afrikaans.[xxxiv]

 

 


[i] H. de Coninck, ‘Het niets tussen twee plekken’, in De cowboybroek van Maria Magdalena en andere reisverhalen, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 107-134. Ook opgenomen in: H. de Coninck, Het proza (deel 2). P. de Wispelaere en J. de Preter (ed.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2000, p. 541-682, i.h.b. p. 649-682. In totaal betreft het vijf genummerde prozateksten. De citaten in deze bijdrage zijn ontleend aan de oorspronkelijke bundelpublicatie.

[ii] De matefoor is ontleend aan een gedicht van Breyten Breytenbach.

[iii] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 111.

[iv] K. Hemmerechts, ‘De stemmen van Zuid-Afrika’, in Amsterdam retour, Atlas, Amsterdam/Antwerpen 1995, p. 45-66.

[v] G. Komrij, De Afrikaanse poëzie in duizend en enige gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 1999.

[vi] K. Hemmerechts, Amsterdam retour, p. 61.

[vii] H. de Coninck, ‘Wit zand’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 118-122, citaat op p. 118-119.

[viii] H. de Coninck, ‘’Charisma in de uitverkoop’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 107-110, citaat op p. 107.

[ix] Het citaat komt uit een brief van De Coninck aan Daniël Hugo (dd. 27 juli 1995). Zie H. de Coninck, Een aangename postumiteit. Brieven 1965-1997. B. Barnard, K. Hemmerechts, P. Piryns en A. Schreuder (red.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2004, p. 614.

[x] H. de Coninck, Liefde, miskien. Daniel Hugo (samenstelling en vertaling). Queillerie-Uitgewers, Kaapstad 1996. Daniel Hugo selecteerde de gedichten uit H. de Coninck, Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982, Manteau, Antwerpen 1984 [vierde druk, 1992]. Op het achterplat staat vermeld dat uitsluitend uit De lenige liefde (1969), Zolang er sneeuw ligt (1975) en Met een klank van hobo (1980) is gekozen. Ook de volgende typering, vermoedelijk geschreven door samensteller Hugo, van De Conincks poëzie komt daarop voor: ‘Kenmerke van sy werk is die alledaagse tema, die verrassende gesigshoek, die praatstyl, die oorspronklike beeldspraak en die versagtende ironie’. In 2009 vertaalde Daniel Hugo ook De Conincks debuut De lenige liefde naar het Afrikaans (Protea Boekhuis, Pretoria).

[xi] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p. 614.

[xii] [Auteurscollectief], Breyten Breytenbach uit de eerste hand. Schilderijen, tekeningen en essays, Frans Hals Museum/Meulenhoff, Haarlem/Amsterdam 1995, , p. 75. Het boek verscheen ter gelegenheid van de uitreiking van de Jacobus van Looyprijs aan Breytenbach (16 september 1995).

[xiii] H. de Coninck, ‘Twee gedichten’, in De vliegende keeper, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1995, p. 32-35, citaat op p. 34-35.

[xiv] Herman de Coninck publiceerde in totaal vier essaybundels die integraal aan literatuur zijn gewijd. De eerste boekpublicatie is getiteld Over de troost van pessimisme (1983).

[xv] Ibidem, p. 34.

[xvi] Ik wist na uitvoerig speurwerk in de gebundelde poëzie niet te achterhalen aan welke gedichten de regels zijn ontleend die aan Breytenbach worden toegeschreven.

[xvii] [H. de Coninck], ‘Voorwoord’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1995/3 (mei-juni), p. 3.

[xviii] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 112.

[xix] André Brink (samenst.), 27 April. One year later/Een jaar later, Queillerie, Pretoria/Kaapstad1995.

[xx] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 114-117.

[xxi] Breytenbachs poëzaie is doorspekt met dergelijke verwijzingen. In Die Huis van die Dowe (Human & Rousseau, Kaapstad/Pretoria 1967) streepte ik onder meer deze regels in het gedicht ‘In julle hoede’ aan: ‘Jy is my taal, die saad/van my bevrugting, jy is die woord/waarin ek drome kan stort’ (de jij kan hier refereren aan een vrouw maar ook aan de taal en het land).

[xxii] Voor een beschouwing over onder meer Terug naar het paradijs. Een Afrikaans journaal, zie H.C. ten Berge, ‘De grillige lijn. Een verkenning van Breyten Breytenbachs geschreven werk’, www.litnet.co.za (25 november 2009).

[xxiii] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p.214.

[xxiv] A. Krog, ‘Fragmenten van een lafaard’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1995/3 (mei-juni), p.30-35. In een vertaling van Robert Dorsman.

[xxv] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p. 672-675.

[xxvi] [H. de Coninck], ‘Voorwoord’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1996/4 (juli-augustus), p. 3.

[xxvii] De afleveringen verschenen onder de volgende titels: ‘Ubuntu en amnestie’ (NWT 1996/4, p. 38-41), ‘Zwart tegen zwart, blank tegen blank’ (NWT 1996/5, p. 42-45), ‘Nog een pakkend stukje’ (NWT 1996/6, p. 48-51), ‘Biecht zonder vergeving’ (NWT 1997/1, p. 62-65), ‘Ruzie over de verzoening’ (NWT 1997/2, p. 56-57) en ‘Een oneindige, vijandige nacht…’ (NWT 1997/5-6, p. 116-120). Robert Dorsman maakte de vertalingen.

[xxviii] Tom Lanoye heeft enkele columns gewijd aan de politieke omwentelingen in Zuid-Afrika in 1994. De teksten zijn gebundeld in T. Lanoye, ‘Kaap de Goede Hoop’, Maten en gewichten, Prometheus, Amsterdam 1994, p. 162-208.  Ook opgenomen in T. Lanoye, Vitriool voor gevorderden 1994-2003, Prometheus, Amsterdam 2004, p. 92-142.

[xxix] Ibidem, p. 727-729, citaat op p. 727-728.

[xxx] H. de Coninck, ‘Nawoord’, in Vingerafdrukken, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1997, p. 65-66. Vingerafdrukken is opgenomen in H. de Coninck, De gedichten (deel 1). H. Brems (ed.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2000, p. 391-444.

[xxxi] H. de Coninck, Vingerafdrukken, p. 41. In het ‘Nawoord’ achterin de bundel legt de dichter uit ‘[v]oor wie dat niet zou hebben beseft’ dat ‘ewewig’ Afrikaans is voor ‘evenwicht’.

[xxxii] Ibidem, p. 42.

[xxxiii] Ibidem, p. 590-593, citaat op p. 591-592.

[xxxiv] Voor dat onderzoek moet onder meer rekening worden gehouden met enkele publicaties van De Coninck die in deze beschouwing niet zijn meegenomen. Zie o.a. ‘Een vredig gangsterisme’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1997/2, p. 46-53. De bijdrage is een recensie van de foto’s van Jürgen Schadeberg, Sof’town Blues. Images from the black ‘50’s en ‘de zwarte journalistiek’ van het blad Drum.

Politieke opportunisme

Wednesday, January 20th, 2010
W.E. Henley

W.E. Henley

In gister se Nuuswekker het ek melding gemaak van die prominensie wat W.E. Henley (1849 - 1903) se gedig “Invictus” tans vanweë die gelyknamige film oor die Springbokke se wêreldbekersege in 1995 in die gemoed van onwaarskynlike poësieliefhebbers geniet. En getrou aan hul opportunistiese aard is dit veral politici wat munt hieruit probeer slaan.

Voor in die koor is dit hoeka Gordon Brown wat die reëls “In the fell clutch of circumstance / I have not winced nor cried aloud./ Under the bludgeonings of chance / My head is bloody, but unbowed.” as bron tot sy lewensinspirasie voorhou. “It is about determination. It summarises my view [of being prime minister],” het hy aan die London Times se verslaggewer gesê.

Maar, soos Daisy Goodwin in haar berig heel tereg opmerk: miskien moes hy eers die ontstaansgeskiedenis van dié gedig nagevors het alvorens hy dit in navolging van oud-president Nelson Mandela as harts-inspirasie voorgehou het.

Henley het dié gedig naamlik geskryf terwyl hy in 1870 gehospitaliseer was vir bykans twee jaar na die amputasie van sy een been en die stryd om sy oorblywende been te probeer red. Hy het tuberkulose onder lede gehad. Verdermeer is dieselfde gedig deur die bomplanter van Oklahoma, Timothy McVeigh, voorgedra enkele minute voor sy teregstelling in 2001. Selfs Jeffery Archer kon nie die versoeking weerstaan om sy eie tronk-memoirs met ‘n aanhaling uit dié gedig as motto te publiseer nie.

Alhoewel politici al te gretig is om die digkuns by te sleep wanneer hulle indruk probeer maak, geld dieselfde gode sy dank nie vir die digters wanneer hulle oor politici dig nie. Ter illustrasie plaas ek vanoggend ‘n paar aanhalings onder aan die Nuuswekker vir jou leesplesier.

***

Dan is die vreugde vandag dat dit Hennie Aucamp se verjaarsdag is … Veels geluk, Hennie. Mag daar sommer nog heelwat skryfsels voortvloei uit daai kranige pen van jou! (En onthou ook om Hennie se nuwe verse te lees indien jy dit nog nie raakgesien het nie.)

***

Op die webblad is daar wonderlike nuwe inskrywings geplaas deur Carina Stander en Ilse van Staden, terwyl Melt Myburgh op sy blog begin het met ‘n reeks besprekings oor poësie-items tydens die komende Woordfees. (Onthou: die volledige program kan hier beskou word.)

Nog ‘n vreugde vanoggend is nuwe gedigte deur Cas Vos en Marlise Joubert. En dan het ons sommer ‘n hele klomp Afrikaanse gedigte in Engelse vertaling van Tony Ullyatt ontvang. Dié vertalings sal later vanoggend hier te lese wees. Digters wie se verse geplaas gaan word, is: Jeanne Goosen, Antjie Krog, George Weideman, Wilma Stockenström, Phil du Plessis, Wilhelm Knobel, Boerneef, Breyten Breytenbach, Rosa Keet, EWS Hammond en Gisela Weingartz.

Wat ‘n ryke oes! Lekker lees aan alles en hê pret vandag.

Mooi bly.

LE

 

“Rulers who neither see, nor feel, nor know,
But leech-like to their fainting country cling
Till they drop, blind in blood, without a blow.

(Shelley, 1819)

“All I have is a voice
To undo the folded lie,
The romantic lie in the brain
Of the sensual man-in-the-street
And the lie of Authority
Whose buildings grope the sky

(WH Auden, 1920)

“… How it takes the breath away, the piss, makes of your kiss a dropped pound coin,
makes of your promises latin, gibberish, feedback, static,
of your hair a wig, of your gait a plankwalk.
How it says this - politics - to your education education education; shouts this -
Politics! - to your health and wealth; how it roars, to your
conscience moral compass truth, POLITICS POLITICS POLITICS.

(Carol Ann Duffy, 2009)

“A talented young chimpanzee
Was keen to appear on tv
He wrote to Brooke Bond
But they didn’t respond
So he had to become an MP.

(Wendy Cope)

“I wanna be the leader
I wanna be the leader
Can I be the leader?
Can I? I can?
Promise? Promise?
Yippee, I’m the leader
I’m the leader

OK what shall we do?”

(Roger McGough)

 

 

 

Wat kan jy doen met ‘n $200 miljoen skenking?

Monday, January 11th, 2010
Ruth Lilly (1916-2009)

Ruth Lilly (1916-2009)

Kom ons droom so bietjie vanoggend. Dit is die jaar 2002 en jy bedryf etlike jare reeds ‘n klein, esoteriese tydskriffie in - kom ons sê maar Chicago - met die naam Poetry. Jy sukkel jou ook maar disnis om die tydskrif van uitgawe tot uitgawe te laat oorleef. Die meeste van die materiaal wat jy ontvang, kan jy nie plaas nie; enersyds vanweë beperkte fondse, maar andersyds ook as gevolg van die benede-standaard gehalte daarvan.

Veral een vrou - sê maar ene Katherine Blackstone - dryf jou teen die mure uit. Week na week lê die ligblou koevertjie met twee of drie gedigte in jou brieweboks en week na week stuur jy dit terug.

En toe, op ‘n dag ontvang jy besoek van haar prokureur.

Katherine Blackstone se regte naam is Ruth Lilly en sy is die enigste oorlewende erfgenaam van rykdom wat deur haar pa in die farmasetiese bedryf vergader is, vertel die prokureur jou …

En sy wil graag ‘n bedrag skenk ten gunste van jou sukkelende tydskrif.

Verbaas kyk jy na die prokureur. Hoeveel, vra jy ongemaklik. Die prokureur stoot die dokumentasie oor jou lessenaar na jou toe. Jou oog vang die bedrag wat in rooi, vetgedrukte letters na jou toe spring. Jy besef dit nog nie heeltemal nie, maar jou lewe sal nooit weer dieselfde wees nie, want die bedrag is $200 miljoen.

Feit of fiksie?

Inderdaad “feit”, liewe leser. Elke woord. (Behalwe die naam “Katherine Blackstone”. Dit is nie bekend onder watter naam Ruth Lilly haar gedigte ingestuur het nie …)

Maar, hemel, wat dóén jy met soveel geld?! Wel, jy ontwikkel jou beskeie tydskrif tot die mees gesaghebbende in die VSA, want jy kan top dollar betaal vir bydraes. En jy begin ‘n organisasie met die naam The Poetry Foundation wat nie net die vernaamste digters betrek nie, maar ook bykans alle poësie-produksie in die VSA koördineer; gerugsteun deur een van die mees indrukwekkende webtuistes van enige letterkunde ter wêreld. Jy bring ’n instituut vir poësie-navorsing tot stand. Jy stel die Ruth Lilly Poetry Prize in met $100,000 as prysgeld, asook vyf Ruth Lilly Fellowships wat jaarliks aan 5 aspirant digters toegeken word ten einde hulle in staat te stel om in ‘n geluksalige staat van finansiële onafhanklikheid hul kuns te kan bedryf. En ja, jy verduur maar die kritiek, want te midde van soveel ander afgunstiges, weet jy dat niks wat jy met dié nalatenskap verrig óóit algemene byval sal vind nie.

Tragies genoeg is Ruth Lilly op Woensdag, 30 Desember 2009, in die ouderdom van 94 oorlede. In haar leeftyd kon dit haar nie geluk om haar gedigte vir publikasie in Poetry aanvaar te kry nie. Maar dit was immers ook nooit haar oogmerk nie. “Poetry has no greater friend than Ruth Lilly,” het John Barr, hoofdirekteur van die Poetry Foundation in sy huldeblyk gesê. “Her historic gift is notable not only for its size-that part of her largesse is known to every corner of the poetry world-but also because it was made with no conditions or restrictions of any kind as to how it should be used for the benefit of poetry. In that, it was the purest expression of her love for the art that meant so much to her as poet herself, and as benefactor.”

Ja, liewe leser. So is dit. Droomwerke gebeur wel nog steeds vandag.

*

Dan wil dit voorkom asof ons Blogfokus vir Januarie nou op dreef begin kom. Drie van ons bloggers het hul fokusstukke geplaas, te wete Andries Bezuidenhout, Philip de Vos en Carina Stander. Plus nog drie briewe in die Brieweboks deur lesers wat vertel waar hul entoesiasme jeens die poësie vandaan kom. Baie dankie daarvoor, julle!

Ten slotte - Antjie Krog en Ronelda Kamfer vertrek hierdie week noordwaarts ten einde aan die Winternachten-fees in Den Haag deel te neem eerskomende naweek. Uiteraard wens ons hul ‘n aangename ervaring toe. Ter ondersteuning hiervan is ‘n onderhoud met Ronelda Kamfer gevoer en gister geplaas.

Lekker lees aan alles en voorspoed met die week wat op hande is.

Mooi bly.

LE

 

 

 

 

Krog & Kamfer by “Winternachten”

Monday, December 28th, 2009
Antjie Krog & Ronelda Kamfer

Antjie Krog & Ronelda Kamfer

Fantastiese nuus hier aan die einde van die jaar is dat twee van ons voorste digters op 14 Januarie aan volgende jaar se Winternachten-fees in Den Haag gaan deelneem, te wete Antjie Krog en Ronelda S. Kamfer.

Dit is vanjaar die vyftiende Winternachten en die program betrek tagtig skrywers, kunstenaars en musici uit vyftien lande. Op die amptelike webblad word die tema vir vanjaar se fees soos volg verwoord: “Het thema van dit jaar is ‘Het spel van de regels‘. U hebt het wereldleiders vast wel horen zeggen: de wereld verkeert in crisis, en daarom is het tijd voor nieuwe regels. Fatsoensregels, omgangsregels, regels voor burgers, bankiers en politici. Een ideaal onderwerp om met schrijvers te bespreken. Schrijvers zijn de wereldbeeldslopers, taboebrekers en universumbouwers van onze cultuur.”

Boonop gaan Antjie Krog die gebruiklike Winternachtenlezing lewer. Haar opdrag vir die lesing is om oor Die Universele Verklaring van Menseregte te praat. Die lokteks op die webblad lees soos volg: “In haar lezing wordt meteen duidelijk dat in de nieuwe tekst de oorspronkelijke regels van de verklaring niet meer echt te herkennen zijn. Sterker nog: er zijn zelfs helemaal geen regels meer in opgenomen. Waarom? Omdat, volgens Krog, de derde wereld nooit met regels op de proppen komt. Regels zijn iets voor de eerste wereld. De derde wereld doet suggesties. Of ze brandt. Want de eerste wereld luistert altijd naar vuur.”

Die paneel wat op haar lesing repliek sal lewer, bestaan uit die Indiese skrywer Tarun Tejpal en die Chinese skrywer Xue Xinran.

Sjoe, wat ‘n prestasie! Alle voorspoed aan dié twee vir die besonderse rol wat hulle het om te speel op daardie uitsonderlike breë verhoog. Vir jou leesplesier vanoggend, Antjie Krog se pragtige “Abecedarium vir Afrika” wat onlangs in haar gedigtekamer geplaas is.

***

Op die webblad is dinge maar aan die stillerige kant. Carina Stander het wel ‘n Kersfeesvers op haar blog geplaas, terwyl Daniel Hugo weer vertalings van twee haikoe deur Matsuo Bashö vir plasing ingestuur het. Maar, om jou besoek darem die moeite werd te maak, het ek die Klikbord met heelwat nuwe berigte en skakels gelaai. So, wees vrypostig en snuffel na hartelus rond.

En geniet darem die lae intensiteit van die week wat op hande is, hoor.

Mooi bly.

LE

 

Abecedarium vir Afrika

 

Aardvark Armadil Alikreukel Akkedis

Buffel Bradysourus Bokmakierie Blaasopvis

Cape Cobra Cactoblastis Camembert Codlingmot

Damaralandse Dik-dik Diederik Duif Dikkop

Eekhoring Engelvis Elsie Eland

Feniks Fiskaal Flamink Fisant

Gapermossel Giraffa Gaboenadder Gemsbok

Hartebees Hiëna Hadida Hotnotsgod

Ietermago Impala iMpevu Ibis

Jakkals Janfrederik Jagluiperd Jellievis

Klaasneus Kakelaar Kwena Korhaan

Lelietrapper Leeu Lystrosaurus Likkewaan

Muskeljaatkat Mahem Manatee Maraboe

Nagmuis Nonaap Njala Ghnoe

Ouvolk Oorbietjie Otterjasie Otterjou

Pylstert Pietjoutjou Pofadder Pou

Quagga Quil snuif op Engels aan die lot

Ratel Roerdomp Rinkhals Rot

Speg Selekant Songololo Saagvlerkswael

Tiptol Tsetsevlieg Troupand Tarentaal

Uil Ungulungu Unicorn (Kalahariduin sy huis)

Vlakvark Vlindervis Vader-langbeen Volstruis

Wildebees Waaierstert Wulk Wildehond

Xhama laat in Xhosa spore op die grond

Yellowtail Yellowfinch en Yslike Ystervark

Zambesi-haai Zambenenje Zoeloelandse kruipmol met baard

 

Ja alles van hier van huis en van haard

Alles wat kruip volgens suidelike kaart

Alles wat fladder, doodle of dool

Wag reikhalsend op die koms

     van die Amazi-voël

 

 (c) Antjie Krog (uit: Versindaba 2009, Protea Boekhuis)

 

 

Hul laaste dae in Johannesburg, skets 5c

Friday, December 4th, 2009

1
Hy sit gister in ʼn vergadering met Suid-Koreaanse vakbondamptenare. Hy verduidelik hoe COSATU van Thabo Mbeki ontslae geraak het, deur by die ANC se takke aan te sluit en hul eie kandidaat in te stem. Hy verduidelik COSATU se posisie oor Mbeki se makro-ekonomiese beleid, hoe honderde duisende werksgeleenthede in die vervaardigingsektor daarmee heen is. Ook hoe hulle alliansies met ander groeperinge moes sluit om Mbeki uit te skop, mense wat nie noodwendig hul sienings deel nie. Hy vertel oor die teorie van die National Democratic Revolution, oor hoe daar nog altyd spanning tussen nasionaliste en sosialiste in die ANC was. Ook oor die feit dat Jacob Zuma se ondersteuners eerder ʼn alliansie teen iemand is, as wat dit ʼn alliansie vir iets is. COSATU hoop vir ʼn skuif links, na ʼn meer pragmatiese makro-ekonomiese beleid, ʼn monitêre beleid wat ons fabrieke weer mededingend sal maak. Ebrahim Patel en Rob Davies, onderskeidelik Ministers van Ekonomiese Beplanning en Handel en Nywerheid ondersteun hulle. Trevor Manuel is hul teenstander. Die vraag is wat Pravin Gordhan en Gill Marcus, Minister van Finansies en die baas van die Reserwebank gaan doen. Die feit dat COSATU ʼn beleidskwessie verpersoonlik, deur Trevor Manuel persoonlik aan te val, vervreem hulle van die ANC. As hulle nie versigtig is nie, gaan Ebrahim Patel word soos Jay Naidoo destyds was, wat nie eers van die nuwe makro-ekonomiese beleid bewus was toe dit aangekondig is nie. Ensovoorts…

2
Kom vlug met my uit hierdie bedreigde stad waar die heersers hul ondergang afwag, terwyl die inwoners dit lankal reeds ontruim het. Ons sal vir ons ‘n pad vind tussen die bouvalle en die ontreddering waarin daar geen landmerke oorgebly het om ons rigting te gee nie, waar die strate uitgewis is, die pleine gevul met puin, die brûe gebreek. Die leërs het hulle teruggetrek, die laaste sluipskutters het hul stellings verlaat, die gedreun van die lug het stil geword …
- Karel Schoeman, Afskeid en vertrek

3
Hy weet nie wat die Koreane hiervan maak nie, maar dit lyk of hulle verstaan. Hulle was ook ʼn kolonie, van Japan. En dan is daar die Noord-Suid-kwessie wat ook soos ʼn San Andreasfout deur die left loop.

4
Na die tyd gaan laai hy ʼn Suid-Afrikaanse vakbondamptenaar, wat die vergadering bygewoon het, af. ʼn Metropolisieman keer hulle voor. Sy kar se lisensie het verval. Die polisieman gaan tekere, maar maak nie aanstaltes om ʼn kaartjie uit te skryf nie. Die vakbondamptenaar praat met die metropolisieman, sê vir watter vakbond sy werk. “Gee vir hom iets,” sê sy. “Nee,” sê hy, “hy moet ʼn kaartjie uitskryf.” Verdere onderhandelings. “Hy’s ʼn comrade,” sê sy. Die polisieman gaan praat met nog ʼn offisier. Hulle laat hulle gaan.

5
Tog interessant, die toenemende openbare rol wat Afrikaanse digters speel. Daar is die brief-inisiatief na Chris Louw se selfmoord wat deur Breyten Breytenbach begin is. Tim du Plessis haal vanoggend vir Antjie Krog aan in ʼn argument vir ʼn ander benadering.

5
Hy dink aan die Kanadese film “Barbarian Invasions” - spesifiek die tonele oor die rol van die vakbond in die hospitaal.

6
Bron: Karel Schoeman. Afskeid en vertrek (Human & Rousseau, 1990).

Neil Astley. Staying Alive

Friday, December 4th, 2009
Omslag

Omslag

Die beste manier om blootstelling aan internasionale digkuns te kry, is uiteraard deur middel van ‘n bloemlesing. Die frustrasie is egter dat die meeste bloemlesings (in Engels) meestal ‘n onbeskaamde Anglo-Saksiese voorkeur het. Naas J.D. McClatchy se The Vintage Book of Contemporary World Poetry” (Random House) wat ek twee weke gelede bespreek het, is my gunsteling bloemlesing sekerlik Neil Astley se “Staying alive - real poems for unreal times” (Miramax Books). Die rede hiervoor is die indrukwekkende reikwydte van sy seleksie wat tematies ingedeel is en terselfdertyd heelwat internasionale digters betrek.

Neil Astley was naamlik die stigter van Bloodaxe Books, ‘n onafhanklike uitgewer wat uitsluitlik poësie in vertaling gepubliseer het.  Sy seleksie vir dié bloemlesing is dus gebaseer op 35 jaar ervaring met internasionale poësie. Volgens die voorwoord was Astley se riglyn die volgende: “Staying alive is quite unlike any other anthology. It doesn’t just give you 500 exceptional poems by many different kinds of poets from around the world; it’s a book with a particular vision of what poetry should be about - drawn from the poems themselves, not the critical reputations of the poets. It doesn’t offer representative selections of the writers included, nor does it follow the edicts of any groups of poetic factions: it cuts across them all. My aim has been to select strong lucid poems by a wide range of poets which will speak to intelligent readers everywhere.”

En hiermee kan ek nie anders as om akkoord te gaan nie; ‘n kragtoer, inderdaad. Selfs Anne Michaels (soos aangehaal op die agterplat) stem hiermee saam: “Staying Alive is a blessing of a book. The title says it all. I have long waited  for just this kind of setting down of poems. Has there ever been such a passionate anthology? These are poems that hunt you down with the solace of recognition.”

Die besonderhede van die boek is soos volg:

TITEL:                   Staying alive - Real poems for unreal times

SAMESTELLER:      Neil Astley

UITGEWER:           Miramax Books / Hyperion

ISBN:                    978 1 4013 5926 3

PRYS:                    R320.00

FORMAAT:            A5, 496 bladsye

***

Vanoggend wemel die webblad van nuwe inhoud. So het ons Antjie Krog se manjifieke pleidooi vir die poësie, My ontnugtering tot die poësie, ontvang en geplaas. Net so is die Brieweboks boordensvol terugvoer oor verlede naweek se fees. Bernard Odendaal bespreek Elisabeth Eybers se gedig “Satelliet” in sy reeks gedigbesprekings; ook het Bernard sy resensie van die Versindaba-gedenkbundel geplaas. Johann Lodewyk Marais fokus weer op Marthinus Versfeld, een van die legendariese denkers in ons kultuurgeskiedenis. (Terloops, bykans al Marthinus Versfeld se boeke is tans weer in druk beskikbaar …) Dan is daar ook vertalings deur Daniel Hugo van Dorothy Parker en Omar Khayyám se gedigte in die vertaalkamers geplaas. Goeie nuus is dat daar selfs nog méér nuwe stukke gedurende die naweek geplaas sal word. Moet dit dus nie mis nie! En, indien jy na nog foto’s van Versindaba 2009 wil kyk, kan jy gerus ‘n draai maak by die fotoblad wat by LitNet gelaai is.

Ten slotte - ek beoog om ons webmeester van volgende week af te verlok na een (of meer) plekke aan die Suid-Afrikaanse kuslyn. Vanweë onsekere (of selfs onmoontlike) internet-toegang sal Nuuswekker en ook ander plasings van volgende week af met verrassende onreëlmatigheid verskyn.

Amptelik is dit dus nou komkommertyd; so, bly op die uitkyk vir jou slaaitjie rus. Waar jy dit ook al kan kry.

Nuuswekker hervat weer wanneer die geleentheid hom voordoen.

Mooi bly.

LE

My ontnugtering tot die poësie

Thursday, December 3rd, 2009

Antjie Krog     

 

(’n Pleidooi met vrye vertalings van gedigte uit Nederlands, Duits en Zulu, gelewer tydens Versindaba 2009)

 

Antjie Krog lewer haar praatjie oor die digkuns

Antjie Krog tydens Versindaba 2009

 

Ek neem die volle wapenrusting van die gedig op, sodat ek staande kan bly teen die liste van vervlakking en dwaasheid in hierdie dae van weeklagery en onheil.

Ek staan dan vas, my lendene met metrum omgord, met die borswapen van beeldspraak. En as skoene aan my voete die bereidheid van die versreël met sy grenskuiwende enjambement. Behalwe dit alles neem ek die skild van gefokuswees op waarmee ek al die vurige pyle van die te-lui-om-te-dinkers sal kan blus. Ek laat sak die helm van klank oor my kop en neem in my regterhand die swaard van die metafoor.

 

 

 

(lucebert)

ek trag op poëtiese wyse

dit wil sê

eenvoud se verligte waters

die ruimte van die volledige lewe

tot uitdrukking te bring

 

was ek geen mens gewees nie

soos baie ander mense

dan was ek wat ek was

klippe of vloeibare engel

geboorte en ontbinding het my dan nie aangeraak nie

of die weg van verlatenheid na gemeenskap

die klippe klippe diere diere voëls voëls pad

sou nie so bevuil gewees het

soos hulle nou in my gedigte is nie

die momentopname van die pad

 

in hierdie tyd het wat mense altyd genoem het

skoonheid skoonheid het haar gesig verbrand

sy troos nie meer die mense

sy troos die larwes die reptiele die rotte

maar die mens verskrik sy

en tref hom met die besef

‘n broodkrummel te wees op die rok van die universum

 

nie meer alleen die kwade

of die doodsteek maak ons opstandig of deemoedig nie

maar ook die goeie

die omarming laat ons wanhopig aan die ruimte

morrel

 

ek het daarom die taal

in haar skoonheid opgesoek

hoor daar dat sy niks meer mensliks het

as die spraakgebreke van die skadu

as die van die oorverdowende sonlig

 

Hoe meer ‘n mens daaroor dink, hoe minder kan jy jou ‘n vyand van die poësie voorstel. Valse vriende ja, verraaiers, misbruikers, uitbuiters miskien, maar iemand wat poësie aanval as ‘n vyand wat uit die weg geruim moet word? Om ‘n saak uit te maak vir poësie, is soos om my ruggraat te verdedig, dink ek, maar ouderdom is besig om my ruggraat aan te val; dis soos om suurstof te verdedig, dink ek, maar besoedeling is besig om suurstof aan te val. Dit is soos om ‘n Godheid te verdedig, maar nouja, alle godhede het fanatiese vyande. Dus is poësie daardie unieke entiteit, op ‘n bepaalde manier selfs unieker as die persepsie van God. Omdat niemand haar kan meet of bepaal nie, kan niemand ‘n slagorde teen haar opstel nie. Ideoloë vryf hulle hande, politici lek hulle lippe, sentimentaliste oefen hulle traankliere, maar voordat jy kan sê rymelary, het poësie haar hieruit losgewriemel en skud sy haar hare vry in die wind.

 

(C.T. Msimang)

ek sal opstaan met die Môrester

en ‘n liefdesdrank meng

ek sal katdoring en palmwyn inroer

totdat jy vir my ja sê

ek sal uitgaan as die son sy eerste blink blink

wanneer die dag die dou breek

en ek sien hoe jy uitgelei word

deur die geur van die oggend

ek sal vir jou wag by die fontein

en vir jou wag en wag en aanhou wag, ek sal op jou wag

 

jou siel sal ek sien

as dit verrys saam met die digte oggendmis

wanneer die seekoeie kom lê

my hoop sal saam daarmee rys

as ek sien dat jy die bierpot dra

donker en rond

op die sierlike ronding van jou kop

die rondings van jou wenkbroue

laat my duisel

sodat ek jou aanhou pla

jou aanhou pla totdat jy my van jou water laat drink

 

geduldig sal ek die bult op loop

sorgvuldig die skuinste uit sny

en met my zuluviool die tradisionele lied van verwagting sing

langs die berge loop ek en sing

die berge bring my dig by jou

my lied hoor jy in die tydelike skuiling langs die tuine waar jy werk

dit hamer teen jou bors

maak oop sodat ek kan ingaan

 

jy wat bokant die wolke is

my siel sal uitbars in bloeisels

my siel sal vlerke groei soos ‘n arend

sodat ek vinnig oor die uitspansel wiek

sodat ek die golwe van die wind sny

my siel sal ek span soos vlot

jy wat my lewe is

laat my van jou water drink

                              

Poësie gebruik die prag van taalspanning om iets te sê. Poësie gebruik estetika as etiese bril. Hoe skerper en skoner die estetiese lens, hoe skerper en skoner die lem. En omdat poësie inhoud en medium so intiem omvat, lê die vertwyfeling oor wat presies die betekenis van poësie in jou lewe is of behoort te wees, ook dikwels in jouself. Soms staan jy op die kruispad: jou verweefdheid met poësie word deursny met jou geweefdheid as mens binne taal en tyd. Soms kan jy gewoon induik, soms is daar ‘n tyd wat aandring dat jy nie langer vanuit die integriteit van die stamelende voornaam ‘ek’ kan praat nie, maar die ‘ons’ moet word van die gemarginaliseerdes. 

 

(Hugo Claus)

Ek sou vir jou ‘n lied in die landskap van woede wil sing

Livia, wat jou sou indring, jou bereik deur al nege jou openinge

Blond en rekbaar, en hard

 

Dit sou ‘n vrugteboordlied wees en ‘n gesing van die vlakte

‘n eenmanskoor van skande

Asof my stembande my losbind, ontspring en jou roep

Asof

In die landskap wat my verneder, in die verblyf wat my skaad

(waarin ek op vier voete dwaal) ons nie meer ongelyk verskyn

En ons stemme sluit nie.

Nader my wat nie te naby is nie

Wees nie vreemd vir my soos die aarde nie

 

Vlug nie vir my nie (al die mankes)

Ontmoet my, voel my

Plooi, breek, breek

 

Ons is die weerwind, die reën van dae

Sê my wolkloos

Vloei oop woordeloos, word water

 

Ag die lig is koud en druk sy horingrige hande

In ons gesig wat haper en op en oopvou

 

Ek sou ‘n vrugteboordlied wou sing Livia

Maar die nag word voleind en gevul

 

My vlakte steeds digterend aan die dig - jou bereik kan ek

Maar nooit onvervuld nie

Want die keel van die manlike herte groei tot by die daeraad.

 

In Wes-Afrika ontmoet ek ‘n digter uit die Saharah. ‘n Berber. Hy dra sy gedigte voor en dis asof jy die geluide van wind en kamele daarin kan hoor. In my kultuur, sê ek, word ‘n digter gemeet aan hoe nuut hy dinge kan sê. In my kultuur sê die Berber word ‘n digter gemeet aan hoe jy dinge kan bewaar. Poësie is ons liriese siel, jy leer wie jy is en waar jy vandaan kom uit ons oral poësie. En jy mag dit nie verander nie want dan verskeur jy die geskiedenis van die siel.

 

Dit is aand op die rand van die woestyn. Die hoof van Tuareg gemeenskap druk sy vuis tussen die swaar plompe sterre in en roep uit oor die mikrofoon:

 

‘Selfs al breek hulle my pen, my woorde vat vlam;

selfs al vernietig hulle my perde en kamele,

my tande hang van hulle gewrigte.

Selfs al roof hulle my laaste asem, skroei ek in hulle nek.

Ek is die rewolusie.

Die woestyn maak my vry.

 

Die Egiptiese digter sê:

 

Jy slaap in die tent, nie ‘n enkele roos nie, maar jou geopende hart

en sy beloftes.

Ek buig oor om jou toe te maak met geur

en vind hom daar tussen ons met sy swart tulband.

Hy deel ons kussing. Ek sien hom op die rand van ons slaapmat.

Hy het tone.’

 

Hier veg jy nie vir poësie nie. Hier veg poësie saam met jou. Hier help die oeroue onverwoesbaarheid van poësie jou om te oorleef in plekke waar water, honger en ‘n gewelddadige dood die grootste vyande is. Hier kom lê ‘n gedig soos die skoon snit van ‘n duin in jou keel. Jy kan nêrens so diep asemhaal as in ‘n gedig nie.

 

Ek dink nie, ek sing. Ek is die digter van stilte,

 

Ek slenter met die woord saam. Ek is die swerwer van die woord.

Ek swendel met die stilte van woorde want ek leef daarin.

Dit is my tent en my watergat. Ek hoort in die woord.’

 

Bambara: ‘Poësie het altyd te make met lig.

Poësie gloei vanuit die binnekant.

Poësie is die ritueel om klank oor lig te span.

Sodat jy geopend kan leef.

Sodat jou siel sigbaar geskrynwerk word

 

Anders as Amerika, of God, of Islam, benodig poësie nie dat mense vir haar veg nie.  In daardie opsig is poësie magtiger as God omdat sy niemand benodig om haar te verdedig nie. Sy verwag nie dat iemand haar blindelings dien nie. Dié wat haar liefhet doen so uit eie lyf en onmiddellik maak sy jou vry.

 

Poësie is die groot Ongekontamineerde. Dit is seëvierend anderkant oppermagtig omdat dit die mens in ‘n verhoogde staat van bewussyn plaas altyd met verhelderende gevolge. Dis asof jy vir ‘n moment deur ‘n spieël  tot ‘n raaisel breek. Asof jy op die drumpel van asem staan. Asof jy suurstof uit koel bome kry en skielik vorentoe gaan. Dis waarom digters skryf, om te kan lewe. Dis waarom lesers lees, om te kan lewe. Verhelderend. Om iets van die sterflike lewe te ontruk. En daar is niks magtigs genoeg wat poësie hiervan kan beroof nie.

 

(NP Van Wyk Louw)

Kom, aand. Kom, nag. Dan is ek weer alleen.

Ek eers in jou, my half-silwer aand:

half van die wereld, ek, en half van jou;

iets soos April: lente en hongerig, want

 

ervaring van oop-maak, van die groot-

en blinker-word in die kastanjeboom,

en half nog: trug-van-hunkering,

in Desember en die donker en die sneeu.

 

En dan: my nag, my nag: vervulling

volmaakter as die wereld wat ek weet:

kinderlose, vreugdelose en ondroewige

getyelose maat van my, my nag.   

 

Mense kan stry oor of poësie relevant of persoonlik moet wees, of praisepoetry, rap en poetry-slam werklik poësie is. Daar is digters wie se werk geweldig gewild was, selfs die Nobel prys gekry het maar kort na hulle dood vergete is, daar is ander wat onbekend in hulle leeftyd was, maar wie se werk ewig bekend sal wees. Daar is aangrypende werk wat in ander tale gedoen word, daar is gedigte wat vir vyf minute iemand in die allergrootste nood of verdriet gehelp het, daar is lang indrukwekkende gedigte wat deur niemand gelees word nie,  daar is gedigte wat net deur musiek onthou word, daar is geskiedenisse wat net in gedigte bewaar gebly het, daar is gedigte wat onder orale tonge of in lessenaar-laaie lê en nooit gepubliseer gaan word nie maar gesorg het dat die vingers om die digter se keel hulle greep vir ‘n moment verslap het. Hieroor kan ‘n mens debateer en wonder, maar die suurstofgewende eienskap van poësie kan nooit van haar weg geneem word nie. Want poësie is fundamenteel ‘n selfverhelderende vindingrykheid, iets wat met louter vreugde taal gebruik om iets onbegrypliks van die wêreld vas te vang.

 

Poësie verwissel nog altyd triomfantlik van gedaante na gelang van getye, modes en node, maar sy is onvernietigbaar. Lank nadat ek en u verby gegaan het, lank nadat die beskawings en tale waaraan ons deel was tot niet gegaan het, sal poësie voortgaan. Want die woord wat in die begin was, was natuurlik die skeppende woord, die woord van oorlewing.

 

Poësie is die eerste aankondiger dat ‘n kreoolse mengsel ‘n waaragtige taal aan’t word is. Mens sou dus kon aflei dat indien die digkuns verdwyn in ‘n taal, dan sterf daardie taal. ‘n Mens is dus bly vir elke gedig in Afrikaans, maar moet ook waak om ‘n tuisnywerheid letterkunde te kweek waar anything goes terwyl die ou bekende weer eens opgedis word maar nou met kitsmagarine en foproom. ‘n Taal moet ‘n slagaar hê en poësie moet kan skreeu uit haar gut.

 

(Paul Celan)

Naby is ons, Here

naby en grypbaar.

 

Reeds gegryp Here

inmekaar in verklou, asof

elk van ons liggame

jou liggaam is, Here

 

Bid Here

Bid tot ons

Ons is naby

 

Windskeef slinger ons vorentoe

slinger ons vorentoe, ons buk

oor krater en massagraf

 

Om te drink gaan ons Here

 

Daar was bloed, dit is

wat jy gegiet het, Here

 

Dit glans.

 

So groei jou beeld in ons oë, Here.

Oë en mond staan so oop en leeg Heer.

Ons het gedrink, Heer

Die bloed en die beeld wat in die bloed was, Heer.

 

Bid Here

ons is naby

 

 

(Paul Celan)

Tel die amandels

tel, wat bitter was en jou wakkerhou

tel my daarby

 

Ek soek jou oog, toe jy uitgekyk het en niemand jou oog gesien het nie

ek span die geheime garing

wat jy verbind het met die dou toe dit waaraan jy gedink het

teruggeglip het in die kruike

vergesel van spraak wat niemand se hart kon aantref nie

 

Eers daar tree jy die naam binne wat jy is

met vaste tred stap jy na jouself toe

swaai jy die hamer vry in die kloktoring van stiltes

styg die afgeluisterde na jou toe op

daar lê die dode nou sy arm ook om jou

en julle drie stap deur die aand

 

Maak my bitter, tel my

Tel my saam met die amandels   

 

 (C) Antjie Krog

Opperman se seriti loop

Monday, November 23rd, 2009

Afrikaanse digters en skrywers maak gereeld hul opwagting in my drome. Meestal is dit nagmerries, maar so af en toe word ek begenadig met ʼn rustige besoek uit die onderwêreld.

 

Gisteraand droom ek D.J. Opperman maak sy opwagting by die Woordfeeskantoor hier by Maties se Departement Afrikaans en Nederlands. In die droom is dit my taak om Dirk der Duisend te begelei na die Departement se teekamer waar dosente en oud-studente op hom wag.

 

Opperman is oud en verswak en hy moet op my steun. Ek voel onbeholpe. Wanneer hy homself stut op die arm wat ek vir hom uithou, raak sy hand vlugtig aan myne. Die digter trek dit onmiddellik en selfbewus terug. So asof hy bang is iemand het dié intieme gebaar dalk raakgesien.

 

Met ʼn groot gesukkel en geskuifel kry ek hom in die teekamer tot voor die tafel met die koppies en ketels. Sy bene begewe hom en hy is sy balans skielik kwyt.

 

Voordat hy val, vang Joan Hambidge hom in haar arms.

 

Nou lees ek op bl. 106 van Antjie Krog se Begging to Be Black die Sotho’s glo mens is saamgestel uit liggaam en twee siele: moya (siel) en seriti (gees). Wanneer jy iemand in ʼn droom sien, is dit sy gees (seriti).

 

Sal dit nou wragtig D.J. Opperman se seriti wees wat my laasnag kom pla het?