Posts Tagged ‘Anton Korteweg resensie’

Recensie: Het leven deugt. Althans op onderdelen (Anton Korteweg)

Wednesday, June 6th, 2018

 

Interview met de dood

Recensie: Luuk Gruwez

In Ouderen zijn het gelukkigst, zijn verzamelbundel uit 2015, probeerde Anton Korteweg zich nog vast te klampen aan de conclusie van een studie die pretendeert dat menselijk geluk het sterkst bij zeventigers aanwezig is. In zijn nieuwe bundel, Het leven deugt. Althans op onderdelen, lijkt hij afstand te nemen van dat dubieuze optimisme. Deugt het wel echt, het leven? Hier en daar misschien, maar − eerlijk − hoofdzakelijk niet: vanaf de aanvang wordt het een toenemende cluster van mankementen. Korteweg maakt, zoals zoveel oudere dichters, de balans op. ‘Ich lebe nicht mehr gerne,’ zegt hij op zijn oude dag Hölderlin na en hij blikt ook vooruit op wat hem mogelijk nog te wachten staat. Zijn bundel biedt, drie cycli lang, inzicht in de achtereenvolgende levensfases. In de eerste cyclus liegt hij zichzelf voor dat het ergste aan het begin komt: ‘Je moeder heeft zich achter je gesloten./ Het huis is dicht. Je komt er nooit meer in.’ Korteweg, nog meer dan vroeger de domeinbeheerder van de kortstondigheid, corrigeert vervolgens een bundel lang de consequenties van deze verstoting en komt daarbij tot de conclusie dat het, beetje bij beetje, alleen maar erger wordt. Het leven is een aaneenschakelijking van onfortuinlijkheden en je komt pas tot bedaren door je eigen lot te vergelijken met dat van wie het nog minder getroffen heeft. Want de dichter is een vergelijker, is het eens met Blaise Pascal dat te kunnen vergelijken aan de basis van alle geluk of ongeluk ligt.

Wat is nu eigenlijk de conclusie van deze verzen? Zij klinken heel licht, lijken soms op light verse, kunnen op hun best ergens tussen Heinrich Heine en Piet Paaltjens worden gesitueerd. Maar het is niet te ontkennen: de ellende begint al vanaf de geboorte. En toch: allemaal kommer en kwel is het niet geweest. Alleen is het helaas zo dat wat daaraan is kunnen ontsnappen, zich hoe langer hoe meer in het verleden bevindt. Korteweg raakt zijn moederschoot niet meer in, niet eens de alternatieve schoot van een geliefde. Eigenlijk beweert hij tongue in cheek  zoals hij dit al een dichtersbestaan lang doet, dat hij, verstoppertje spelend, streeft naar een soort onbestaan. De kunst van het missen zo koninklijk mogelijk beheersen, dat vindt hij interessant: ‘Ik heb er nooit veel moeite mee gehad/ de schaduwzij te zien van wie ik hield,/ en nu er rijkelijk bezweken wordt,/ komt me die vaardigheid prima van pas.’ De dichter probeert te minimaliseren wat hij hoe langer hoe meer mist, om aan dat gemis zoveel mogelijk te ontkomen, vanuit het idee dat het in het leven toch allemaal niet zoveel voorstelt. Bij Emily Dickinson heet het ‘the art of losing is not hard to master’.

Er is in deze bundel met de ons zo vertrouwde ironie van Korteweg iets aan de hand. Zij wordt harder, gaat vaker aan de geestige waarneming voorbij, kan niet optornen tegen de wrangheid die soms van de waarheid uitgaat. Al in de eerste cyclus heet het dat het demasqué van twee notoire leugeniconen, Sinterklaas en God, de dichter niet bepaald gelukkiger stemt. Nee, het leven is al bij al nog het prettigst, wanneer je onderdak in de leugen wordt vergund. Beter is het dus daar halsstarrig in te geloven, overtuiging die ook in ‘Over de waarheid’, het slotgedicht van de bundel wordt beaamd: wat je onthoudt van het leven is helaas niet wat je hebt kunnen realiseren, maar datgene waarin je niet geslaagd bent. In de optiek van de dichter blijft men zich beter zijn nederlagen dan zijn overwinningen herinneren, een ontmoedigende vaststelling die vooral in een mens met het einde in zicht hoe langer hoe meer infiltreert: ‘Toch blijven van je als man/ slechts dwanggedachten over:/ aan wie je nooit hebt gehad,/ aan wat je nooit hebt bereikt.’

Hoe dat zo komt? Doordat de dood vanaf de geboorte een ‘meegroeier’ is, doordat er geen beter verweer tegen hem is dan het besef daarmee te moeten leren omgaan. Deze vaststelling is zwartgalliger dan het luchthartige parlando van deze poëzie laat vermoeden: zelfs met de billen bloot probeert de dichter nog een glimlach uit. Niettemin lijkt hij hier meer dan ooit doordrongen te zijn van het besef van zijn eindigheid. Intussen blijft hij als vanouds meer waarnemer dan deelnemer. Door zo vaak zowel zijn medemens als zichzelf te portretteren, schetst hij, misschien met minder mededogen dan in zijn vroegere werk, een beeld van de hele kwakkelende mensheid die het, bijvoorbeeld middels oorlogen of voortplanting, nog erger maakt dan het initieel al was.

Eigenlijk heeft Korteweg, in deze gedichten vaak op het verhoog van een fietszadel gezeten, geen al te hoge verwachtingen met betrekking tot de efficiëntie van iets als de dichtkunst. Geen woord kan uiteindelijk een vuist tegen de dood maken. En wanneer deze laatste toestemt in een interview, geeft hij toe dat ook hij vaak in gebreke moet blijven. Hij verontschuldigt zich voor de stunteligheid en de onrechtvaardigheid wanneer hij wel eens iemand uit het leven weggraait die eigenlijk nog niet aan de beurt was. Te veel werk: jammer! In Het leven deugt. Althans op onderdelen voel je voortdurend dat daar een dichter aan het woord is die niet kan verhullen dat zijn sterfelijkheid hem kwelt.

*

Het ergst

Het ergst komt aan ‘t begin. Gelukkig maar.

Dan heb je dat tenminste gauw gehad.

Je moeder heeft zich achter je gesloten.

Het huis is dicht. Je komt er nooit meer in.

 

Het een na ergst komt met het eind in zicht:

niets moois van vroeger raakt nog in je hoofd.

Geen aai over je bol, geen fluweelzacht konijn,

geen knuist in vaderhand, geen lange afscheidszwaai.

 

Als je daarmee je laatste adem vergelijkt,

is dat een overkoombare kleinigheid.

 

Anton Korteweg

 

_________________________

ANTON KORTEWEG

Het leven deugt. Althans op onderdelen

Meulenhoff, 76 blz., 18,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

Luuk Gruwez

 

 

 

Luuk Gruwez. Schoon is de jeugd, Agnes Althans

Tuesday, July 5th, 2016

Luuk Gruwez. SCHOON IS DE JEUGD, AGNES ALTHANS

 

Er is misschien een gradueel verschil tussen een kijker en een toeschouwer. Legt de eerste niet een grotere ijver aan de dag dan de laatste, inspecteert hij niet gretiger wat hem omringt?  Een toeschouwer laat zijn aandacht wel eens verslappen. Anton Korteweg is in de allereerste plaats een kijker. Hij trekt als een jager op pad om zijn prooi te beloeren. Niet om hem te doden, maar om hem juist door middel van een zo uitgebreid mogelijke reeks snapshots te beschermen tegen het verdwijnen. Meer dan een jager, maakt dit van hem een fotograaf. De verzamelbundel Ouderen zijn het gelukkigst, met alle gedichten van 1971 tot nu, is niet alleen een collectie impressies, maar geeft ook weer hoe een blik op de dingen in de loop van de jaren gegarandeerd verandert, zelfs als er veel hetzelfde blijft. Korteweg stelt verwonderd vast hoe voor ouder wordende ogen de werkelijkheid andere nuances krijgt. Hij beschrijft de spanning tussen wat hij ziet en wat hij heeft gezien. En, om alweer een titel van een van zijn dichtbundels te citeren: Eeuwig heimwee drijft hem voort. Of toch niet helemaal. Hij staat het zichzelf namelijk niet echt toe; hij corrigeert zich voortdurend, zoals een impressionistisch schilder dit doet in confrontatie met de schakeringen van het licht. Er hangt een bedrieglijke luchtigheid over deze poëzie, een antidotum tegen de zwaarte van het bestaan. Kortewegs ironie is een soort preutsheid waarmee hij voorkomt op zijn naaktste zelf te worden betrapt. Maar die lichtheid is bedrieglijk. ‘Schoon is de jeugd, Agnes althans.’ Natuurlijk weet hij: straks niet meer.

Deprimeert deze instelling hem? Ook hier is het weer dubbel. Als geen ander kan hij glimlachen om zijn nederlagen. Zijn eindbalans is nooit gespeend van zelfcorrigerende geestigheid, alsof hij zich geen pure wanhoop toestaat. Natuurlijk is het rijk van de ouderdom, ondanks de titel, niet het meest paradijselijke. Behalve, alla, blijkens sommige statistieken in Nederland. Maar Korteweg blijft op zijn hoede. Meestal middels de truc van de anticipatie. Hij bestrijdt de ouderdom en het almaar naderende afscheid door er uitgebreid zijn zegje over te doen. Ik ken geen dichter die zich zozeer uitslooft om zijn jeugd te behouden door over zijn ouderdom te schrijven. Al lang voor zijn oude dag was deze strategie hem eigen, nam hij afscheid van wat hem al dan niet lief was. Eerst om op eigen benen te leren staan zoals in zijn debuut Niks geen romantic agony, waar hij zich met een zekere minzaamheid distantieert van zijn old time religion, later toch vooral om te voorkomen dat hij straks geen tijd voor afscheid meer overheeft, hij die de dood voor wil zijn.

‘Op weg van niets naar niets’: zo heet een cyclus. Voor een andere bundel, een van zijn somberste, ontleent hij zijn titel aan zijn soulmate J.C Bloem: Tussen twee stilten. Tussen niets en niets probeert hij toch nog iets te vinden dat groter dan niets is. En dus ook groter dan niemand. Daartoe moet hij de dagelijksheid liefdevol genoeg bejegenen. Nu is nu, weet hij. Wij hebben niets anders. Het ongeluk van sommigen, misschien ook hun geluk, is dat zij hun hoop vestigen op enig daarna. Al keurt Korteweg dit niet af. Misschien vermijden zij daarmee kommer en kwel. Je kunt niet lijden aan wat er niet is. En bovendien: ‘Men moet, zei Sartre al, / maat houden in het lijden.’ Kun je met zo’n instelling ook gelukkig zijn? Alleen met mate dus. Er wordt geweldig veel gefietst in deze poëzie. Zo’n vehikel dat grote opmerkzaamheid toestaat, kan ook veel zintuigelijk genot en een zekere monterheid opleveren. Maar wat deze poëzie niet enkel monter maakt, is het melancholische besef dat de dichter op zeker moment zijn pedalen niet meer rond krijgt. Misschien legt hij zich daar maar met moeite bij neer. Nog zoveel had hij willen zien. Zien is zijn belangrijkste activiteit. Zien als vorm van zijn.

Want het gaat Korteweg om meer dan enkel kijken. Alles wat hij ziet krijgt een bespiegelende lading mee en moet de leegte opvullen. Het is niet waar dat hij alleen maar de frivole Frans wil uithangen. Hij probeert een dichtersleven lang uit te vinden wat geluk is. En of je het wel moet nastreven. Daarin is een ontwikkeling merkbaar. De queeste naar een ideaal geluk wordt langzamerhand vervangen door die naar een geluk dat meer behapbaar is. En eigenlijk zit er ook een evolutie in de belangstelling voor seksualiteit. Het gaat van seks of wat daarvoor moet doorgaan naar liefde of wat daarvoor moet doorgaan. Op een bepaald moment wordt de wang belangrijker dan het geslachtsorgaan of de lippen.

Zijn ouderen werkelijk het gelukkigst? Het is de uitspraak van iemand die al in zijn debuut strijd voert tegen het te machtige verloop der jaren. Een van ‘s dichters dominantste vragen luidt ook decennia hierna nog als volgt: ‘Gaat het wel goed met me?’ Korteweg probeert met Hollandse nuchterheid te achterhalen of het beter is dat hij blijft of dat hij weggaat. Net als Kopland, die andere soulmate van hem, heeft hij een gedicht geschreven dat ‘Weggaan’ heet. Voor Kopland was weggaan eigenlijk altijd een vorm van blijven, vanwege de sporen die iemand nog een poosje achterlaat. Bij Korteweg, die ‘comfortabel ongelukkig’ is, klinkt het amper anders. Het is niet mogelijk om te blijven. Maar laten wij zo elegant, zo zorgvuldig mogelijk verdwijnen.

____________________

ANTON KORTEWEG

Ouderen zijn het gelukkigst en alle andere gedichten van 1971 tot nu

Meulenhoff, 671 blz., 39,99 euro.