Posts Tagged ‘Bert Bevers’

Recensie: Zo meteen gaat deze kogel een hoop rotzooi aanrichten (Jess De Gruyter)

Wednesday, January 27th, 2016

Jess De Gruyter-tile 

Periscopen in de vijver

(Zo meteen gaat deze kogel een hoop rotzooi aanrichten, Jess De Gruyter)

door Bert Bevers

Het is al elf jaar geleden dat I Thought We Just Left That Party verscheen, het poëziedebuut van Jess De Gruyter (° 1973). Twee jaar later verscheen de opvolger, It Was A Boring Conversation Anyway. Het was de bedoeling dat een derde bundel bij het Poëziecentrum een trilogie zou voltooien, maar die is er nooit gekomen. Op de valreep van 2015 zag nu Zo meteen gaat deze kogel een hoop rotzooi aanrichten het licht, opnieuw een fascinerende zwerftocht door van alles en nog wat. Waarbij oorlog en film constanten zijn. Dat mag geen verwondering wekken vermits De Gruyter van opleiding cineast is. Hij is niet alleen als dichter actief, maar ook als videast. Dat ook in deze discipline film zelf een inspiratiebron voor hem is moge blijken uit Telefon!. Tik die titel en zijn naam maar eens in op YouTube. Smullen voor filmliefhebbers, want het filmpje is ook een soort quiz. Wie smijt die telefoon op de haak, en in welke film?

In zijn debuut, opgedragen aan Sylvia Kristel, duiken reeds Steve McQueen, Cary Grant en Laura Gemser op, terwijl in de tweede bundel (de naar de bescheiden mening van steller dezes oogverblindende) Liv Tyler en Grace Kelly, Natalie Wood, Humphrey Bogart, Lauren Bacall, Richard Burton, Elisabeth Taylor, Jean-Paul Belmondo en Jean Gabin figureren.

In het eerste gedicht van deze nieuwe bundel duikt in het eerste gedicht al een scene uit From Russia With Love op, met Robert Shaw. Voorts zijn Gudrun Ensslin (zelfs deze medeoprichter van de Rote Armee Fraktion blijkt een klein filmisch verleden te hebben: ze speelde in 1967 mee in het experimentele filmpje Das Abonnement), Kim Novak, Clint Eastwood, Lou Ferrigno, Bela Lugosi, Marlon Brando en weer Bogart filmiconen van dienst.

Maar er duiken ook een scenarist (Raymond Chandler), een componist van filmmuziek (John Barry) en een regisseur (Sam Peckinpah) op.

En dat allemaal in litanieachtige verzen waarin kinderen worden gered uit een weeshuis dat in lichterlaaie staat, messentrekkende desperado’s in het deurgat verschijnen, pijlgifkikkerurine gedronken wordt, walnoten worden verbrand om lijkgeur te verdrijven, met braamstruiken gesproken wordt, in de soep van een Taiwanese kok gerocheld wordt en in vijvers periscopen worden waargenomen.

De in de afdelingen I. tot en met V. verdeelde bundel is als een roetsjbaan die je in een rotvaart langs citaten, droombeelden, flarden geschiedenis en scènes uit films voert. Het mag dan ook niet verbazen dat Zo meteen gaat deze kogel een hoop rotzooi aanrichten uitermate filmisch overkomt.

Dat de film een van de leitmotiven is blijkt ook uit het feit dat de hoofdpersoon (de dichter zelf?) graag gastoptredens zou hebben gehad in Columbo, Murder She Wrote en Loveboat. Wanneer Jess De Gruyter op bladzijde 20 een engel laat zeggen John Barry dood Lou Ferrigno dood Bela Lugosi dood moet ik natuurlijk even de encyclopedieën in om bevestigd te zien dat Lou Ferrigno wel degelijk nog tot de levenden behoort. Is het om te testen hoe alert zijn lezers zijn?

Deze poëzie heeft afwisselend een documentair en een fantastisch karakter, en staat bomvol beklijvende strofen als we knielden niet / we vielen // voor het kindmeisje / dat blasfemisch sprak / in dode talen // we kregen gratie / maar smeekten om de strop en wij vervloeken de goden / bidden als ketters / weten dat als hij nu / de eeuwige jachtvelden betreedt / er morgen weer een onweer losbarst / dat zijn gelijke niet kent.

De Gruyters fascinatie voor oorlog duikt herhaaldelijk op in allerhande heftige beelden (het gekrijs van een aan flarden / geschoten kameraad in niemandsland), waarbij vooral de Tweede Wereldoorlog herkenbaar in beeld is (middels bijvoorbeeld Omaha Beach, het terras van de Berghof en generaal Gerd von Rundstedt).

Ook Lee Harvey Oswald (van wie de Amerikaanse geheime diensten graag hebben dat we geloven dat hij de moordenaar van John Fitzgerald Kennedy was), reeds in de vorige bundel aanwezig (waarin hij hooguit in zijn achtertuin op wat lege colaflesjes heeft geschoten) duikt weer op als de dichter/de hoofdpersoon (doorhalen wat niet van toepassing is) droomt van Oswalds laatste minuut en de schaduw van / zijn gezwollen wenkbrauw (bladzijde 6). Dat veel in dit boekje naar veel verwijst blijkt uit de schim op de Grassy Knoll (waar de échte Kennedymoordenaars hebben gestaan) die op pagina 36 verschijnt.

Wat mij betreft duurt het niet nóg eens acht jaar vooraleer Jess De Gruyter met een nieuwe bundel komt. Ik lees zijn werk, waarbij je nooit echt goed weet aan welke kant van de lens je je bevindt, erg graag.

Zo meteen gaat deze kogel een hoop rotzooi aanrichten, Jess De Gruyter, het balanseer, Gent, 2015, ISBN 9 789079 202317

 

Bert Bevers. Resensie: En als je dan (Nicole Teunissen)

Saturday, October 10th, 2015

En als je dan

En als je dan

En als je dan

En als je dan, Nicole Teunissen, Uitgeverij Voetnoot, Antwerpen, 2015, ISBN 9789491738 234

Recensie door Bert Bevers

Het lijkt of uitgevers van poëzie de enigen zijn die er ernstig werk van maken meer kansen aan vrouwen te geven. Een kleine greep uit de golf van nieuwe dichteressen die de laatste jaren mochten debuteren: Frouke Arns, Josien van Barlo, Anne Broeksma, Annelie David, Ellen Deckwitz, Annemarie Estor, Lies Van Gasse, Laura van der Haar, Liesbeth Lagemaat, Lieke Marsman, Els Moors, Ester Porcelijn, Pauline Pisa, Runa Svetlikova, Maud Vanhauwaert en Kira Wuck. En weer verschijnt er een frisse, jonge blom in het voetlicht: Nicole Teunissen (28), met haar eerste bundel En als je dan.

Ik val maar met de deur in huis: ik heb En als je dan in één ruk uitgelezen, en wat mij betreft telt dat als compliment. Vooral omdat ik het boekje nadien nog meerdere keren ter hand heb genomen. Teunissen heeft nog wat moeite om haar vorm te vinden, maar ze kan schríjven. Het gebeurt vaak dat ik een dichtbundel tot me neem waarin ik slechts met heel veel moeite iets poëtisch kan ontdekken, al is het maar een strofe, of een enkele regel. Welnu: in En als je dan struikel je erover.

Letterlijk niet een tekst heeft eenzelfde uiterlijk. Het is vaak zelfs niet eens duidelijk of het om poëzie of proza gaat. Deze serie bestaat uit de volgende delen en Waar Tove woonde en waarom bijvoorbeeld ogen eerder als verhaaltjes. Dat mag. Teunissen zegt van zichzelf immers dat ze ‘poëzie, proza en alles daartussen’ schrijft.

Feit is dat ze telkens weer een originele draai aan ogenschijnlijk dagdagelijkse dingen weet te geven. Het eerste gedicht, In volgorde van belangrijkheid, begint al met een stevige regel: Ik ben de hardste luisteraar. Prima binnenkomer. Het sluit af met Naïviteit is een jas, ik sla hem om je schouders, / het later komt in wolkjes uit je mond. Dit vind ik wonderschoon. Dergelijke regels prikkelen, doen luikjes in je denken open. Dat is wat poëzie vermag. Wij blijven de lucht met lucht vullen. / Als niemand kijkt tuiten we onze lippen / met andere bedoelingen. Wunderbar! Teunissen grossiert in ijzersterke begin- (Je had een orchidee en die deed het niet meer uit Luchtwortels bijvoorbeeld, of In een stad waar ik niet gewend ben / een dochter te zijn uit Plantsoen) en slotbeelden (Voor het eten maak ik / vuisten in de ovenwanten, / giet mijn waarheid op je af. uit Het schort aan bijvoorbeeld, of In een leeg lokaal schoof ze de tafels terzijde. / Ze lag op de koude vloer te bedenken dat / het antwoordmodel iets zou moeten bevatten over / de onmogelijkheid jezelf vanuit die positie / om te trekken met een krijtje. uit Compositietekening).

In een van diens boeken, ik weet nu even niet meer welk, zegt Vladimir Nabokov van een van zijn personages niet zomaar dat hij machteloos van woede is, neen hij schrijft Zijn hand omklemde een kleine onzichtbare meloen. Ik herinner me nog goed dat ik toen ook een kleine onzichtbare meloen ben gaan omklemmen. Teunissen weet me hier en daar ook een dergelijke fysieke reactie te ontlokken. Al lezend in En als je dan heb ik de lippen getuit, ben ik buiten op het terras gaan kijken of er al wolkjes uit mijn mond kwamen en heb ik een ovenwant aangedaan om te voelen of je daar een vuist in kunt maken. Ook heb ik zitten piekeren of het mogelijk is jezelf om te trekken met een krijtje.

Ook haar mijmeringen over hoe het geweest zou zijn op een kostschool (naar aanleiding van boekjes die ze als meisje las over de avonturen van Pitty en De dolle tweeling op een internaat) heb ik met plezier gelezen. Die sluiten ook al met zo’n nazinderende regel af: Wat nooit gebeurde gaat voorgoed zoals ik wil. Ook de ‘belevenissen’ van Tove in Waar Tove woonde en waarom maakten indruk.

Nicole Teunissen heeft haar intrede in het literaire wereldje wat mij betreft niet gemist: ik vind En als je dan een uitmuntend debuut, van een gevoelige, intelligente en oorspronkelijke dichteres.

 

© Bert Bevers / 2015

Bert Bevers. “Gesprekken onder de hemel”

Tuesday, April 7th, 2015

Gesprekken onder de hemel

 

Vrij naar Wim Wenders’ Der Himmel über Berlin

 

I

 

Struikel niet zo over je kleuren,

en: waarom ben je nooit op tijd?

 

Ik moet je iets bekennen.

 

Geen tranen, toch? Misschien

komen die. Heb nog geen spijt.

 

Wees blij dat ze je vergeten zijn,

je bent eindelijk vrij.

 

 

II

 

Waarom ben ik ik en waarom niet jij?

Waarom ben ik hier en niet daar?

 

Tja….

 

Hoe kan het dat ik die ik ben,

niet daar was voor ik daar was?

En dat eens ik, die ik ben,

niet langer degene ben die ik ben?

 

Tja….

 

 

III

 

Zie je: die man vermindert vaart

en kijkt over zijn schouder de leegte in.

 

Dat kind knippert met de ogen.

 

Bedenk hoe een varen uit de grond

groeit. Je moet bij iedere windstoot

Nu en nu en nu willen zeggen.

 

Een halslijn vermoeden in plaats

van die te weten, bedoel je?

 

Dat bedoel ik!

 

 

IV

 

Niemand die iets van de ander weet.

 

Maar dat is toch een liturgie waarvoor

geen mens hoeft ingewijd te worden?

 

Wanneer bid je dan in je eigen woorden

en niet voor het eeuwige leven?

 

Doe of je een zwerm mussen bent.

 

Waar denk je dat ik mee bezig ben?

 

 

V

 

Momenten als deze zijn over

tien jaar een mooie herinnering.

 

Alsof pijn geen verleden heeft.

Het houdt altijd op als het net begint.

 

Als kind wilde ik op een eiland wonen.

Als een diertje dat verdwaald raakte.

 

Niet huilen. Zo gaan de dingen nu eenmaal.

Het gebeurt. Niet altijd zoals je wilt.

 

Dat is waar, maar wees manhaftig:

vergeet het huppelsprongetje niet.

 

 

©  Bert Bevers / April 2015

 

Bert Bevers. Drie gedichten (Sluitingstijd, e.a.)

Monday, November 3rd, 2014

Sluitingstijd

 

De kastelein grinnikt als de laatste klant

de deur uit wankelt. Zelfs nu nog, zijn ogen

 

zien er uit als pisgaatjes in de sneeuw, is

diens huig droog van welhaast besmettelijke

 

onwetendheid. Eigenlijk zou hij graag uit

openslaande ramen willen schreeuwen,

 

maar hij spoelt braaf glazen. Eigenlijk zou

hij zich graag een boot kopen. Liefst met

 

koperen relingen. En op verre reizen willen.

 

 

De modelbouwer doet het licht uit

 

Aan de overkant zie ik in dit Märklinstadje

dagelijks een man bezig met het nabouwen,

 

op de tafel in zijn woonkamer, van een schip.

Aanschouw hem. Zie hem perspectief verkleinen

 

tot kanonnetjes van nagellengte, masten zo

hoog als een laars. Mooi vormbehoud. Hij wil

 

eigenlijk de punt van zijn kwastje nog de boeg

op draaien, maar die trilt omdat hij geeuwt.

 

Hij zwaait vriendelijk als hij de gordijnen sluit.

 

 

 

De dichter peinst

 

Hij voelt een handvol woorden in zich zieden

in de avondstond. Wie heeft er nooit gezondigd

 

tegen zonlicht? Hij weet: hier was ik eerder.

Er wordt een nieuw straatnaambordje op

 

een lantaarnpaal geschroefd. Een man passeert

met een kruiwagen. Een vrouw laadt boodschappen

 

in. Een kind sabbelt aan een ijsje. Het huis dat

gebouwd wordt zal over acht jaar en drie maanden

 

worden verkocht. Hij weet het. Hij verlaat de tijd.

 

© Bert Bevers

uit de cyclus in wording Gedichten uit een stadje in de heuvels

 

 

Bert Bevers. Twijfelaars in bloei

Monday, October 6th, 2014
Frank De Vos (foto Bert Bevers)

Twijfelaars in bloei

51. Zo ‘jong’ was Frank De Vos (° Hoboken, 1956) toen hij met Infiniti debuteerde als dichter. Daarna liet hij er geen gras over groeien en volgden In omstandigheden (2008), Trek de wind niet van de wieken (2009), Excisa (2010) en Naamvallen in het ontheemde (2012). En nu is er een vijfde bundel: Twijfelaars in bloei.

Twijfelaars in bloei

“Het weglaten, het niet schrijven is voor Frank De Vos essentieel. Wat tussen de woorden staat, wat nog een invulling moet krijgen bepaalt in hoge mate wat er wel geschreven staat en tilt dat geschrevene op naar een universeel menselijk niveau,” noteerde Richard Foqué (in  De Boekhouding, de recensierubriek in De Auteur – het tijdschrift van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen –) over Excisa. En, ook daarin, over Naamvallen in het onbekende: “Deze bundel is niet alleen inhoudelijk beklijvend maar getuigt zeker ook van een taalkundig meesterschap. Frank De Vos is een taalsmid. Hij dompelt zich onder in een vaak barokke woordenzee, laat zich schijnbaar meedrijven om dan trefzeker de woorden te laten uitspatten in het vers: confronterend en bezwerend tezelfdertijd. Lijfelijke poëzie die  blijft kleven.”       

Zo, dat hoef ik dan niet meer te schrijven. Maar ik had het kunnen schrijven. Met Twijfelaars in bloei plaatst De Vos (van opleiding historicus, in het dagelijks leven behalve dichter ook zakenman en troubadour) naar mijn smaak een waar orgelpunt op zijn zesde decennium, de tijdspanne waarin hij artistiek openbloeide. Het is een kleine maar fijne bundel, die 22 verzen omvat.

Frank De Vos weigert in zijn expressie schroomvallig te zijn. De afdelingen La mélancolie c’est le bonheur d’être triste (een citaat uit het oeuvre van Victor Hugo) en Descripta bestaan uit ‘losse’ verzen, waaronder gedichten die hij schreef bij een lied van Leo Ferré, het gehucht Doel (waarvan hij DorpsDichter was), een beeld van Hubert Minnebo of een foto van Hartmut De Maertelaere. Graag gelezen, niks op aan te merken, petje af. Maar, de gustibus non est disputandem, mijn lezershart ligt bij de eerste afdeling Om het afscheid dat afscheid neuriet. In dit hoofdstuk maakt hij weemoed haast fysiek voelbaar. Prachtig: Tussen jou en ooit viel niet te kiezen. / Ik weet het: ooit is zoals uiteindelijk, / een loper die altijd past. Ook schoon: Ik laat nu je geur die zwijgen zal, / die ik in kleur herdenken moet: // mosgroen dat je aarde dekt, / oker voor je adem, / blauw voor je gemis, een eenzame scheur. Ter vollediger illustratie citeer ik Ostinato integraal:

Met ons was ik begroeid, even.

 

Zoals die koffiekoek tussen de geur van koffie en kaneel geweven,

op die zondagmorgen, en op wat je bracht.

 

Het palmtakje dat je kruisigde, dat ik vergat, steeds weer vergeet.

Naar dat onze blijf ik kijken, naar al dat samen eten.

 

Je bent zo fier in vieren en ook zo moedig zonder taal.

Ik beadem elke tafel met dit weten, met nog een zoen zoals het past.

 

Voor jou dus ma. Je afgeketste kei die nat blijft van je water,

na het vlies dat brak.

Frank De Vos heeft zich een geheel eigen plaatsje op de poëziekaart afgebakend. Hij heeft (zoals de door hem en trouwens evenzeer door mij bewonderde Maurice Gilliams) van de echte dichter de onbepaalbare bekoring, van de echte lyricus het accent.

Slechts één inhoudelijke bemerking, betreffende het ‘vadergedicht’ Preludio: Het ukje dat ik werd, in vichyblauw geruit / op je arm, loslippig op de trap. // Waar ging het heen en al die zomers zonder leugen? / Waar zal het blijven? Mooi, maar hier blijf ik toch even ‘haken’. Had hij niet beter Waar ging het heen al die zomers zonder leugen? kunnen schrijven? Want zoals het er nu staat is er naar mijn bescheiden mening sprake van een foutieve samentrekking van singularis en pluralis. Ik zou geopteerd hebben voor Waar ging het heen, en bleven al die zomers zonder leugen? Maar dit is, ik geef het grif toe, een slak op laag water.

Voor het overige grijpen de mijmeringen over zijn jeugd, zijn vader, zijn schone broer en vooral de herinneringen aan zijn dierbare overleden moeder absoluut naar de keel van de aandachtige lezer. Frank De Vos is behalve een reeds rijp man, met deze Parlando con intima voce voortaan tevens een rijp dichter!

Overigens mag ik beslist niet vergeten te vermelden dat het boekje smaakvol geïllustreerd  is met intrigerende collages van Frank Castelyns.

Twijfelaars in bloei, Frank De Vos, Uitgeverij P, Leuven 2014, ISBN 978-94-91455-49-0

© Bert Bevers/ 2014

 

Bert Bevers. De harige vingers van Charissa Koek

Saturday, September 21st, 2013

 

 

Ik schrijf niet makkelijk over een uitgave die me niet bevalt (liever beveel ik anderen aan wat ik de moeite van het lezen waard acht), maar soms moet het. Harige Vingers, de debuutbundel van Charissa Koek deed me twee keer wat flauwtjes glimlachen. Bij KLACHTENBUS NS: ik vind / het / veel / te / druk. En bij STRENG ANNO 2013: nog één keer / en / ik / sta / bijna / op het punt / om / je / eventueel / te / waarschuwen.

En allez, bij COMA: hallo / hallo / attentie / attentie / HOORT U MIJ / test / test. Het is zeker niet zo dat ik geen gevoel voor humor heb, en die mag best absurd zijn. Maar de humor van Charissa Koek is over de hele lijn genomen in mijn ogen niet leuk, hetgeen ik een ernstige tekortkoming van het genre acht.

In deze debuutbundel ‘heerst de humor van het ongemak. Herkenbare situaties uit het dagelijks leven worden gevat in een paar rake regels, die benoemen wat iedereen liever zou verzwijgen,’ zo luidt het verkooppraatje van de uitgever. En Koek zelf: “Het moet wel je humor zijn. Bij sommige mensen kan ik niet overbrengen wat ik bedoel.”

En zij wil niet zomaar iets bedoelen, nee nee: “Ik werk vanuit de wens om een moment exact over te brengen zoals ik het ervaar met alle gedachten die ik er bij heb en met alle referentiekaders en bagage. Dat vind ik interessant.”

Denk daar aan als je OPENHARTIG BIJ DE FIETSENMAKER leest: nee / toch / liever / dat andere zadel / anders / flubberen / mijn schaamlippen zo / tijdens / het / fietsen. Of MARKTPLAATS: met spoed / gratis op te halen / zeikwijf / graag even bellen / voor een afspraak. Ook erg representatief voor Koeks stijl is de RELATIETEST: lieverd / kun je / de pus / die ik proef / van mijn / ontstoken kies / ook ruiken / als / ik / jouw / kant / op / blaas?

Ik citeer de titels in kapitalen omdat ze in de bundel ook zo staan. De teksten zelf staan in hoofdletterloze onderkast. Het boek is, dat zijn we van Barends & Pijnappel gewend, mooi vormgegeven al begrijp ik niet waarom op het omslag de titel Harige Vingers (mét hoofdletters dus) luidt. Persoonlijk krijg ik de zenuwen van gecentreerde teksten, maar de gustibus non est disputandem. Het is echter vooral de inhoud, of vooral het gebrek daaraan, die me ergert. DECORUMVERLIES: opa / volgens mij / hangt / er nog wat / sperma / aan uw kin.

Wellicht werkt zoiets in een studentenkroeg, in bepaalde cabarets of op een zogenaamde poetry slam, maar in een bundel onder de leeslamp? Neen, driewerf neen. Harige Vingers bevat wellicht een bepaald soort humor, maar naar mijn smaak toch eerst en vooral géén poëzie.

 

Harige vingers, Charissa Koek, Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam/Antwerpen, 2013, ISBN 978 94 91738 04 3