Posts Tagged ‘Bert Bevers’

Bert Bevers. De grote rokade

Monday, October 22nd, 2012

De grote rokade

 

‘s Mans meest lijvige boeken heten Ontwerpsystemen: een inleiding tot de ontwerptheorie en Building Knowledge in Architecture, respectievelijk in 1973 en 2010 verschenen. De auteur: Richard Karel Valère Foqué (° 1943). Die studeerde architectuur, en was een van de oprichters van het architectenbureau FDA, een bureau gespecialiseerd in complexe ontwerpopdrachten. Ook was hij hoogleraar in de architectuur- en ontwerpwetenschappen aan het Hoger Instituut voor Architectuurwetenschappen Henry van de Velde in Antwerpen, alsmede gastprofessor aan diverse buitenlandse universiteiten. Voordien was Richard Foqué echter eerst en vooral dichter. In 1967 verscheen van hem Alleen kringen (bij De Bladen voor de Poëzie in Lier). Twee jaar later verscheen bij dezelfde uitgever De dieren komen, waarna de Gentse uitgeverij Yang in 1972 nog Drie millivolt van oneindig op de markt bracht. Dat was het, tot dan toe. Zijn otium bleek hij namelijk al rap te benutten voor het teruggrijpen naar zijn eerste passie, de poëzie. Vorig jaren verschenen (bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer te Bergen op Zoom) Te laat het landschap en Equinox. Twéé bundels in één jaar tijd. Alsof hij als dichter nooit weg was geweest.

Over Te laat het landschap schreef ik onder meer: ‘Foqué gaat uitermate economisch met de taal om. Zijn poëzie is verstoken van onnodige tierelantijntjes, en gaat in strakke bewoordingen recht op haar doel af. Dat was al zo in zijn vroege werk, dat is nog steeds het geval in zijn jongste. Wel is er een verschil in benadering. Was Foqué aanvankeljk een naar binnen turende buitenstaander, nu is hij de ingewijde die juist naar buiten kijkt. Zijn werk neigt eerder naar het hermetische, maar is open genoeg om je binnen de kortste keren naar binnen te trekken. Het is aardig om te constateren dat hij nooit zijn andere passie, de architectuur, weg heeft gestopt. Al in zijn debuut duiken allerhande elementen op die zijn latere werk doen vermoeden: groet de deuren van mijn huis; deze zetel zal onze kamer zijn; dit is waar / deze raaklijn bestaat; mijn deur is getekend. Te laat het landschap lijkt op bepaalde momenten haast organisch op de oude bundels aan te sluiten. De dichter tekent zijn taal nog steeds als een architect (Ik teken een landschap / een landing langs de banen), en ziet nog steeds kaders en lijnen alom (Maar kwetsbaar de lijn / die het beeld verdeelt bijvoorbeeld, en Wat rest is een schilderij / het raam zorgvuldig ingelijst / in een landschap getekend). Foque’s gedichten hebben een merkwaardige ondertoon van een onloochenbare vanzelfsprekendheid. Deze poëzie met pregnante zegging is onmiskenbaar van de hand van iemand die zich bewust is van het feit dat wij hier niet alles zijn, dat er eerder mensen sporen nalieten, dat er generaties zullen volgen: Verdwijn in het landschap / kras een dier in de rots.’

Dat besef blijkt ook uit het onlangs verschenen De grote rokade, alwéér een dichtbundel van zijn hand. Daarmee is de stand pro- en post-architectuur 3-3! Bij de presentatie van het boek zei inleider Guy Commerman, bezieler van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift: “De grote rokade is tegelijk rationeel opgebouwd en emotioneel in balans. Foqué wil ons wijzen op een mogelijke teloorgang. Maar het gevaar omschrijven en onderscheiden is al een bescheiden begin in de richting van een eventuele kans om deze teloorgang te ontlopen of te vermijden. Als architect ziet hij rondom zich het menselijke bouwwerk langzaamaan in elkaar storten. Alleen een kakelende toren van babel houdt zich overeind. De architect verzamelt de brokstukken, hij werpt ze niet op een willekeurige hoop, maar kiest zorgzaam de meest waardevolle en gave stenen uit en plant al een nieuw bouwwerk, dat alle vorige zal overtreffen. Hij houdt ons geweten wakker, hij houdt ons alert, hij wil niet beleren en beweert nooit dat poëzie de wereld zal kunnen redden.” Daarmee kan ik het alleen maar eens zijn.

Foqué’s nieuwe bundel omvat 4 cycli: De dingen die komen, Wrakhout, De grote rokade en De nadagen. Stilistisch blijft hij consistent. Zijn verzen meanderen ritmisch, en staan vol beklijvende beelden. Geheugens moeten leren / dat niet alles blijven kan / dat waar je gaat / de voetstap blijft. Op dergelijke strofen kan ik lang kauwen. De fascinatie voor de vergankelijkheid aller dingen is nooit veraf: Het is de tijd die verschuift schrijft hij hier, en Dwalend door de tijd daar. Het woord tijd duikt sowieso geregeld op in deze bundel. Nou is vergankelijkheid een thema waarmee wel meer dichters zich bezighouden, maar Foqué gaat het op een geheel eigen manier te lijf. Enerzijds vanuit een persoonlijke beleving (Mezelf zal ik niet herschrijven / geen woorden zijn aan mij besteed / uit het landschap weggesneden / ben ik van mezelf vervreemd), anderzijds vanuit een eerder afstandelijke, die regelmatig filosofische pareltjes oplevert als De wereld kan niet zijn / waar niemand is / zijn er geen vragen. en Wat niet kan zijn / komt nooit terug / het is machteloos. De grote rokade is een sterke bundel zonder zwakke momenten. Krachtige, vitale poëzie!

  

De grote rokade, Richard Foqué, Uitgeverij P, Leuven, 2012, ISBN 978 94 91455 04 9

Bert Bevers. Voor de luchtaanval

Tuesday, August 7th, 2012

Voor de luchtaanval

 

In de nacht van 30 op 31 mei

1942 lost de Royal Air Force

1500 ton bommen op Keulen

 

Vrienden die andere getuigenissen

af gaan leggen, maar ze weten dat

nog niet, aan een terrastafeltje:

“Wat een prachtige avond was het!”

“Lang geleden dat we nog eens zo

rustig hebben kunnen babbelen.”

 

Ze zuchten, steken een sigaartje op.

“En wat smaakt het bier weer zalig.

Laten we afspreken dit weldra nog

eens te doen. Het moet nu toch niet

al te lang meer duren dat de oorlog

is gedaan, en dat we opnieuw vrijuit.”

 

Het is warm. Een venster opent. Daar

begiet iemand liefdevol nog begonia’s.

“Las je onze kameraad zijn bundel al?”

“Ligt op mijn nachtkastje. Straks?”

“Wat bromt daar toch in de verte?”

“Het lijken wel vliegtuigen…..”

Glazen trillen.

 

                        © Bert Bevers

Bert Bevers. Petite histoire

Friday, June 1st, 2012

Petite histoire

Het is op 10 juni al weer vier jaar geleden dat er een veel te vroeg einde kwam aan het leven van de creatieve duizendpoot (redacteur van De Bezige Bij, columnist, romanschrijver, dichter en trombonist om maar wat te noemen) Adriaan Jaeggi. Hij stierf aan darmkanker, op amper 45-jarige leeftijd. Onlangs nam ik zijn dichtbundel Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten weer eens ter hand. Toen ik die uit de kast haalde viel er een uitdraai van een mailtje uit. Het was me opgevallen dat hij een motto (een stukje tekst uit de strip De valstrik, zoals te zien op bijgaand plaatje) abusievelijk aan een voetballer toe had geschreven in plaats van aan de grote Edgar P. Jacobs. Ik had hem ergens anders voor nodig, maar ik kon het niet laten in een ps’je te schrijven: “Waarschijnlijk maakte iemand u daar reeds op attent, maar mag ik er u voor een volgende druk (die ik u van harte gun) van Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten op attenderen dat het bovenste van de motto’s in die bundel uit De valstrik van Edgar P. Jacobs komt? Edgar Davids is een voetballer met een rare bril op.” Zijn antwoord: “U was de eerste. U komt dus de eer toe mij een onaangenaam, zinkend gevoel in mijn maag bezorgd te hebben. Wat een blunder! En een herdruk van Het paard & de Hond zit er vooralsnog niet in. Ik hoop ooit de kans te krijgen om Edgar P. Jacobs recht te doen. De enige troost is dat Edgar Davids niet meegaat naar het WK.” Hetgeen ik nog steeds een grappig slot vind. De kans om Edgar P. Jacobs recht te doen, heeft hij jammer genoeg niet meer gekregen. Het ga je goed ginder, Adriaan….

Bert Bevers. Kreunende tijd

Saturday, April 14th, 2012

Kreunende tijd

                       

 

I

 

Als mensen iets vertellen weten ze, meestal,

waar ze zijn. Toch blijft het soms bij stamelen.

Dan vervagen grenzen. Dan ruisen geruchten,

 

veel meer niet echt. Maar ze zeggen wel iets.

Over klaarte, vreemde klaarte. Over fonteinen

die pas bestaan als water. Over ferme zerken

 

die later langzaam bezwijken gelijk lui verdriet.

 

 

II

 

Vastbesloten als handen voor ogen zicht. Dat

duister. Het valt niet mee om te willen wachten

op de schaduw van weggegleden woorden. Wees

 

geen wees, blijf verkleefde groeten zenden naar

aflijvigen. In hun oren sluimert nog de hoop op

de edelmoedigste wraak die bestaat: vergiffenis.

 

In het voordeel van de dood speelt leven.

 

 

III

 

Vergis u niet van gevecht: natuurlijk zijn er

mannen zonder vrouwen, en vrouwen zonder

mannen. Maar geen dochters zijn er die geen

 

vader hebben. Nergens. Geen zonen zonder

moeder heb je. Dat besef je zelfs wanneer je

stilstaat bij verzakte graven. Kreunende tijd.

 

Ook als niemand luistert zingt er de merel.

 

 

IV

 

Toen je hier ter aarde werd besteld met die

gedoofde blik naar de ontelbare sterren van het

noorden gericht sneeuwde het. Toen wel. Om te

 

sterven volstond het om met ademen te stoppen.

Dat wel. Maar dat allengs muller zwijgen van alle

geliefden valt heel wat zwaarder. O hemel toch,

 

een heel leven lang vergat je dit te schrijven.

 

 

V

 

Hier, op de grens tussen verlangen en weemoed,

kijken geen ogen meer die gezien hebben hoe deze

plaat over dit graf geschoven werd. Wat rest is

 

een stenen treurzang. Toch vermoed ik nog die

rondgang met wierook, met wijwater, echo’s van

In paradisum, ijl als stengels van de vroegeling.

 

Lang geleden hergeboorte. Jaren vol geduldig gras.

 

 

VI

 

In hora mortis nostrae vergeten we toch zeker niet

al die kruisjes op het voorhoofd? Want dan zouden

die nergens goed voor zijn geweest. Vertrouwen is het

 

immers dat nimmer mag verdwijnen. Dat straks achter

de lome poort van de dageraad huldeliederen na zullen

zinderen geloven we wel, maar hier liggen we voorlopig

 

mooi alleen, met tegen onze zin verdwijnende verbeelding.

 

 

VII

 

Een kindergraf is kleiner. Lijkt op het korte leven dat

niet tot ontplooiing kwam, op een veulen dat nooit heeft

leren galopperen. In het donker denken van de zomer

 

dolf men hier ooit zand dat zich inmiddels om u heen

veranderde in zware klei. Hoe herinnering verdort, rauwe

rouw tot vermoeden verwordt. Ach, hoe gij elkander

 

verlaten moest. En moet. Nacht na nacht na nacht na nacht.

 

 

VIII

 

Verloochen verleden nooit. Het is er voor altijd. Het gaat

gewoon niet weg. Het zingt lang na. Zinder maar. Doe maar.

Keer maar rustig eeuwig weer, aarzelende treurengel en

 

maak alles maar mooier dan het is. Ik zie mensen rondlopen

met een donker gemoed, met de koele zekerheid van een profeet.

Of ze aan galgen zijn gehangen slaan achter hen schaduwen

 

neder. In de verte blaft een hond een brandweerwagen na.

 

 

IX

 

Kijken maakt amper geluid, maar als de regens komen

blijven wij hier langer weg. We weten dan in onze warme

kamers wel dat eeuwige rust geruislozer is dan wat we

 

onlangs nog september noemden, uiteenzettingen schuiven

we echter voor ons uit. We hopen dat straks azalea’s weer

gonzen, proberen het droge kraken van altaren te vergeten.

 

Iedere fout vindt wel iemand die haar maken wil.

 

 

X

 

De spiegel der waarheid, zo zegt men, krijgt altijd gelijk.

Maar soms is hij wat te vroeg, of te laat. Natuurlijk weet ik

wat ik niet vergeet, maar niet wat jíj niet vergat. Tegen

 

regen zei ik vuur bijvoorbeeld, maar dat wist je niet meer.

Al die nachten slapen waren de generale repetities voor

dit latere noodgedwongen lange zwijgen. Vertel ik je. Voor

 

respijt geen tijd. Ik hoop dat je me hier hebt voelen staan.

 

 

            © Bert Bevers 2012, geschreven bij foto’s van Joep Eijkens

            zie: www.kreunendetijd.blogspot.com

Bert Bevers. Redukt

Monday, December 12th, 2011

REDUKT

BEELDEN BERT TIMMERMANS / GEDICHTEN BERT BEVERS

In 2009 stelde kunstenaar Bert Timmermans in de Antwerpse Galerie Zuid zijn reeks Redukt tentoon. Die inspireerde dichter Bert Bevers, die eerder Timmermans’ werk al opmerkte toen die in 2007 Nieselregen/Acts without words bracht in Tramway Anversois te Antwerpen, tot een gelijknamige cyclus: 8 gedichten bij elk van de even zo vele beelden.

Du glaubst zu schieben
und du wirst geschoben

(Mephistoteles, Goethe)

 

I

Tijd om bestek op te maken:
er marcheren vrijscharen vol
vragers van niets. Of het sneeuwt
in hun denken is niet de kwestie.

De wissels van het lot zijn niet

te herkennen. Hij vermoedt handen
die de lucht aftasten van gezanten
die met grote zwarte paarden
naar water kuieren. Dat wel.

 

II

Sterven is slechts een stap doorheen
de tijd. Beklaag het niet. Rustig
waaien winden. De meeste dieren
hebben geen afscheid nodig. Want

schoonheid is geen leugen, al stinkt

zelfs zonlicht soms. Soms moeten we
onze stem verheffen. Al is het maar
in brieven, in de langzame omslagen
waar we ooit zegels op plakten.

 

III

Schaduwloos ontvouwt zich stilte voor
een man die zijn gedachten amper houden
kan. Ondraaglijk als broodloos leven
is de nood tot uitzichtloze ommuring.

De wake van de droom duurt dagenlang

soms. Van wie komt beweging? Koudbloeden?
Borstwarme meisjes? Jongens met het heelal
in het hart? Duistere afspraken blijven
ongeweten. Weet: kadavers waken niet.

 

IV

Achter gesloten deuren beschermt hij
met waarachtige handen, de spieren
strak gespannen, zijn schrift. Dwars
staat de zonderlinge maker, eenzaat,

midden in deze wereld. Met de ogen

toe hoort hij in wat anderen verstaan
als vreugde het geloei van verdwaalde
schepen maar slaat hij beelden immer op.
Ooit betoverde gehinnik van moren hem.

 

V

De dag dat de ruiters vertrokken dacht hij
lang: “Wie het onbekende vreest wordt nog
eens bang van zijn eigen rug, wie alle loten
koopt wint.” Maar hij kent geen taal meer.

Woorden smeulen met niet te stillen

verwondering, op altaren vol sneeuw.
Onontgonnen als dood ontplooit zich
de avond als een gebed. Als omstanders
konden spreken zouden ze zwijgen.

 

VI

Hij grijnst wenend naar het donker,
naar ijzeren dromen. Neemt geen besluiten
om middernacht. Wrakke souvenirs zijn
herinneringen aan wat nog komen moet.

Woordloze leugens lachen hoogmoedig

om ongevangen daders. Zolang wijsheid
woede weet te bekoelen, zolang verraad
veracht wordt mogen hetere vuren.
In armere kleuren rilt april.

 

VII

Veulens zijn dieren die simpel herbeginnen.
Wie weinig onthouden kan vindt steeds iets
nieuws, want zonder wonden leeft niets.
Krakend helder is het zwijgen, het zwijgen

over de ballingschap van het draven, van

de opgang van de wil. Van de neerkomst.
Ach, mein Körper, mein Kopf. Laat me hier
zoals ik rest. Van alle laatste rustplaatsen
bevalt deze hier me toch het best.

 

VIII

Ik vergeet de teugels waaraan ik ooit moest
wennen, en laat alle angst nu achterwege.
Die moest ik kennen omdat ze altijd de
weg naar het doel voor me verzwegen.

Ook onze ziel heeft vele vleugels.

Mijn zwart kent vele schakeringen, heus.
Overblijfselen mag je laten waar ze liggen,
maar vergeet hun wezen niet. Laat je nog
van je horen als je verloren bent gelopen?

 

(Beelden van Redukt hier te sien van beeldend kunstenaar Bert Timmermans: www.timmervers.blogspot.com )

 

 

Bert Bevers. Afdwalend bij een refrein….

Tuesday, August 2nd, 2011

Natuurlijk weet ik al lang dat poëzie méér is dan ríjmen. Maar de eerste ‘herkenning’ kwam wel degelijk van gelijkklanken. Ik weet nog zeer goed dat ik als jongetje werkelijk verrukt raakte door een liedje van, godbetert, Ria Valk. Ik kon al lezen, maar had nog geen idee van de effecten die je met taal kon bereiken. Als ik de golven aan het strand zie kwam uit de radio. Als ik de golven aan het strand en de duinen en ‘t zand zie / Denk ik aan die vakantie, vakantie, vakantie. Ik vond het gewéldig dat ‘t zand zie, toch gans anders geschreven, rijmde op vakantie.

Ik heb lang gedacht dat dié regels mijn eerste ‘kennismaking’ waren met de mogelijkheden van wat letterplaatsing vermag, maar ineens werd ik nog iets verder terug in de tijd geworpen toen ik in een familiealbum een foto terugzag. Daarop is te zien hoe ik mijn broertje zit voor te lezen. Dat was in januari 1961. Dat weet ik omdat mijn vader beatae memoriae dat erbij schreef. Ineens vroeg ik mij af wat er destijds uit de radio waarvoor wij op die opname zitten zou hebben geklonken. Er wat naslagwerken bij gepakt. Dat had Apache van The Shadows kunnen zijn. Of Ramona van The Blue Diamonds. Of Marina van die sympathieke Rocco Granata. Of Zeeman van Caterina Valente. Daarbij viel me op dat veel hits uit die tijd een titel van slechts één woord hadden. Maar vooral werd ik toch getroffen door de herinnering aan de melodie en het refrein van die Zeeman

 

Jouw verlangen is de zee

en je vrienden zijn de sterren

boven Rio en Shanghai

boven Bali en Hawaii

 

Zo luidde het refrein. Plotsklaps was ik weer dat knaapje dat Shanghai en Hawaii zo fantastisch vond rijmen. Wat een exotische namen! Ik was daar nog nooit geweest. In die situatie is overigens nimmer verandering gekomen. Dankzij Moderne Verworvenheden als Google en YouTube kon ik me weer eens in dat nummer van La Valente onderdompelen. Waarna ik uiteraard ook wat verder klikte, en ontdekte dat het liedje een vertaling was van Seemann (Deine Heimat ist das Meer), dat in 1960 een voltreffer was voor de Oostenrijkse zangeres Lolita. Die natuurlijk niet echt zo heette, maar Ditta Zusa Einzinger (1931-2010), hetgeen ik eigenlijk een veel mooiere naam vind. Het liedje werd geschreven door Werner Scharfenberger en Fini Busch en was tot in 1984 Nena opdook met haar 99 Luftballons de grootste Duitstalige hit (nummer 5 in de Billboard Hot 100!) in de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Op YouTube het origineel dan maar even opgezocht. Daarin klinkt het refrein:

 

Deine Heimat ist das Meer
Deine Freunde sind die Sterne
Über Rio und Shanghai
Über Bali und Hawaii

 

De taalverwantschap tussen het Duits en het Nederlands moge evident zijn.

Toen ik Seemann hoorde moest ik aan Petula Clark denken. Aan haar Sailor met name. En toen realiseerde ik me dat Sailor geen origineel was, maar óók een bewerking van de Scharfenberger-Busch-compositie. Dan ook het refrein dáárvan maar eens onder de loep genomen:

As you sail across the sea
All my love is there beside you
In Capri or Amsterdam
Honolulu or Siam

 

Wonderlijk om te zien hoe Rio und Shanghai en Bali und Hawaii veranderen in Capri or Amsterdam en Honolulu or Siam. Allez, Amsterdam telt wat mij betreft niet mee maar voor de rest klinkt het toch net zo uitheems. Die mooie Clark nam van het liedje tevens een Franstalige versie op, Marin (Enfant du voyage). Daarvan is het refrein: 

Ta maison c’est l’océan
Tes amis sont les étoiles
Tu n’as qu’une fleur au coeur
Et c’est la rose des vents

Daarin dan weer geen énkele topografische verwijzing! Rare jongens, die Fransen. Ze hebben gewoon te veel woorden nodig. Als de originele tekst gevolgd zou zijn had Petula Clark haar tong gebroken over de derde en vierde regel want daar zouden dan simpelweg te veel lettergrepen in gezeten hebben:

Ta maison c’est locéan

Tes amis sont les étoiles

Au-dessus de Rio et Shanghai

Au dessus de Bali et Hawaii

Ik ben dol op Parijs hoor, maar met de Franse taal heb ik absoluut niets. Daar ben ik te veel een Germaan voor. Sluiten Duits-, Engels- en Nederlandstaligen een brief compact af met respectievelijk Hochachtungsvoll, Yours sincerely en Hoogachtend, bij francofonen moet dan weer onmiddellijk Veuillez agréer Madame, Monsieur, l’assurance de ma haute considération zijn.

Franstaligen presteren het vaak om met veel omhaal van woorden amper iets te zeggen. Hier in België vertaalt dat zich momenteel politiek in de zoveelste slopende onderhandelingsronde over een nieuwe staatshervorming. De Brusselse en Waalse politici maken er een sport van hun Vlaamse collegae tijdens urenlange vergaderingen zowat bewusteloos te kletsen, zonder er op uit te zijn ook maar iets concreets te zéggen.

Ik ben een liefhebber van de bioloog Midas Dekkers. Die ook nog eens goed kan schrijven, en boeiend over zijn werk kan vertellen. Las zojuist een interview met hem, over zijn jongste boek Rood, een bekoring (dat gaat over de haarkleur, niet over socialisten): “We hebben een fantastisch verfijnd spraakorgaan, we hebben zo’n 61 spiertjes om het te bewegen, en we kunnen zo’n 250 lettergrepen per minuut uitspreken. De Fransen zelfs 350.” Dat zegt iets. En Cees Nooteboom noteerde in zijn Voorbije passages al: “Fransen praten zoals ze autorijden, dat valt bij alle televisiedebatten op: doorrijden en door blijven rijden tot je 100% zeker weet dat de ander niet opzij gaat – dan pas remmen.”

Ik denk dat ik binnenkort maar weer eens op de Thalys naar de Franse hoofdstad stap….

 

Voor de volledigheid voeg ik nog graag de link naar Lolita’s Seemann toe:

http://www.youtube.com/watch?v=jrXlwd5LFPU

 

 

 

Bert Bevers. Een blik in de keuken

Thursday, June 30th, 2011

Vermoedelijk hebben alle dichters een opschrijfboekje. Dat is voor hen net zo essentieel als een taperecordertje voor een muzikant, een schetsboek voor een beeldend kunstenaar, of een handycam voor een cineast. Het dient om snelle invallen vast te leggen. Op basis waarvan je later misschien iets kúnt. Aanvankelijk kocht ik mijn notitieboekjes bij de HEMA. Heb er daarvan een hele reeks volgekriebeld. Op zeker moment echter nam de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij (waarvan HEMA een afkorting is) ‘mijn’ modelletje uit de handel. Toen schakelde ik over op de Bur-O-Class Aurora, die ik sindsdien (bestelnummer 4324) afneem bij kantoorboekhandel Kockx (Anno 1878) in de Korte Gasthuisstraat hier om de hoek in Antwerpen. Op 22 november vorig jaar nam ik nummer 26 in gebruik, en ik ben bijna aan nummer 27 toe. Wat noteerde ik daarin zoal? Woorden of zinnen die ik tegenkom in dagbladen en tijdschriften. Of zelf bedenk. Of ontleen aan bestaande teksten. Zo lees ik, al bladerend, een eenvoudig zinnetje als “Wat heb je onderweg gezien?” Daarbij schreef ik dat het een vrije vertaling is van “Dic nobis, Maria, quid vidisti in via?” (uit de Sequentia van de Paasdag die ik toen onder ogen had). Of “Het is een kunst elkaar te missen. Waar jij gisteren was ben ik morgen.” (gehoord op een Brussels terrasje, van mensen aan het tafeltje naast het mijne). Of “Breng licht wat zwaar op het hart ligt” (aantekening: cf. blz. 142 van Dada! Dada?, het boek dat ik op dat ogenblik aan het lezen was). Er staan ook ‘gewoon’ woorden in die me op het moment van het trekken van de vulpen aantrekkelijk leken. Als gelp, als grensverkeer, als vogelmelk. En soms inspireren stukjes ondertitels van films me. Zo bekeek ik deze week Tideland van Terry Gilliam. Ik kon niet ophouden met noteren! Tot ik besloot daarmee op te houden, en de film rustig af te kijken. Die was immers toch opgenomen. Geweldige rolprent! Een dag later ben ik met de laptop voor het scherm gaan zitten, en tikte ik er – vooruit en achteruit spoelend, de pauzeknop vaker gebruikend dan ooit – naarstig op los. Het leverde een fiks bestand op. En daarmee ben ik vervolgens kopiërend, knippend en plakkend aan de slag gegaan. Een blik in de poëtische keuken! Of er verder ooit iets mee gaat gebeuren weet ik niet maar dit hield ik aan het aanschouwen van Tideland over: www.turfland.blogspot.com

 

 

Bert Bevers. Landbouwwerkkundig tuig

Thursday, June 23rd, 2011

Toen het vroeger was, en Duitsers Moffen heetten, kregen wij in Nederland nog Vaderlandse Geschiedenis. Hetgeen zo’n beetje inhield dat al wat er buiten de landsgrenzen plaats had gevonden vaag bleef, om niet te zeggen nooit gebeurd was. Hetzelfde gold de cartografie. In de klassen van onze lagere school (de Pius X-school, aan de Populierlaan) hingen kaarten van Het Vaderland, waarin de Rijn pas bij Lobith leek te beginnen met stromen. Grenzen waren nog grenzen. Omdat ik in mijn geboorteplaats Bergen op Zoom de Schelde, die prachtige rivier die vanuit het noorden van Frankrijk langs mijn huidige woonplaats Antwerpen helemaal naar mijn vaders geboorteplaats Vlissingen vloeit, nabij wist verbaasde me die stringente afbakening van het land in hoge mate. Het was alsof er een muur om Nederland stond. Alsof De Wereld ophield bij Putte, bij Vaals, bij Winschoten en bij Winterswijk.

 

Natuurlijk dacht men in Den Haag toen ook al dat ze daar ‘t centrum van De Wereld vormden. En Amsterdam en Rotterdam deden net zo min als nu veel moeite om aan die navelstaarderij iets te veranderen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat knaapjes als ik meenden te moeten denken dat Winterswijk zoiets als het einde van de Bewoonde Wereld was. Zó ver van de zelfgenoegzaamheid van de kaasstolp die nu gemeenzaam De Randstad wordt genoemd, het leek Siberië wel. Maar Winterswijk bleek (toegegeven: ook niet veel méér dan dat) een charmant stadje, en De Achterhoek tout court een prachtige streek. Ik kom er graag. En die grens? De politie opereert er in de buurt van Dinxperlo zelfs al overheen! Er rijden wagens met daarop Politie/Polizei. En vanuit Achterhoeks perspectief is De Randstad dan misschien wel ver weg, maar vlak over de grens ligt het metropoolgebied Rijn-Ruhr, met meer dan 10 miljoen inwoners bepaald toch geen achterlijk gebied.

 

De eerste keer dat ik op poëtische wijze kennis maakte met de Achterhoek was in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw, via de bundels Boerengedichten (1969) en Uier van t oosten (1970) van Habakuk II de Balker. De naam van deze dichter prikkelde de fantasie van deze stadsjongen net zo hard als woorden als bekermos, dorsmessen, gierpomp, karabies, wolfstong en zwartveen dat deden. Habakuk II de Balker, die ondertussen al jaren H.H. ter Balkt heet, was niet de eerste dichter die de liefde voor zijn geboortegrond bezong. “Waer iemant duisent vreugden soek. Mijn vreugt is in dees’ achterhoek” noteerde de Eibergse dichter-dominee Willem Sluyter al in de 17de eeuw. Die vreugde vinden ook Hans Mellendijk, Louis Radstaak en Bert Scheuter in hun geboortestreek de Achterhoek. De dichters, die allen het levenslicht zagen in de gemeente Wisch, vormen gedrieën Het instituut Praktische Poëzie (HiPP). In de bijzonder smaakvol vormgegeven bundel TractorTracks en ander

landbouwwerkkundig tuig bezingen zij liefdevol de herinneringen die zij koesteren aan hun jeugd in de Achterhoek, en de schoonheid van wat er in de Achterhoek zoal aan agrarisch materiaal bestaat. Dat doen ze in het Nederlands, maar ook in dat prachtig zangerige Nedersaksisch.

 

Ik heb nog helder voor de geest hoe Hans Mellendijk, die ik had uitgenodigd voor een poëzieavond in het Antwerpse literair café Den Hopsack, het in die ouderwetsche bruine kroeg op zeker moment aandurfde over te gaan op zijn ‘moedertaal’. De daar toen ook aanwezige Antwerpse dichter Richard Foqué kon het redelijk volgen, maar die had dan ook een aantal jaren in de buurt gewoond. De rest van het publiek wist niet waarover het ging, maar vond wel dat het klónk als een klok. Ook in TractorTracks gebruikt Mellendijk het Nedersaksisch:

 

Wat hei’j ow nów weer bi-j de vore ehaald

Is’t ‘n stoomfoekepot? Nea, ‘t is ‘n Hanomag.

R420. Tweecylinder, diesel, 1959, 19 PK

bouwen vore an vore, de Achterhoek in cultuur

 

bijvoorbeeld. En

 

Kiek de trekker krig vleugels,

trök ‘n mooie spräönevlóg

 

(Kijk de trekker krijgt vleugels,

trekt een mooie spreeuwenvlucht).

 

Dat gedicht is trouwens in de streektaal én in het Algemeen Nederlands opgenomen.

Ook Bert Scheuter bedient zich in een vers van zijn streektaal:

 

Dat is de plakhakke,

die olde plakhakke, met wörme in de stelle

en een eeuweg stille nakke.

 

Maor kump de snal aan ‘t krallen

zóllen zuukt de hänsken neer!

Dan heur i-j luude snallen: waor zol den hiet dan heer?

 

Ook al begrijp je misschien niet alles meteen, deze strofen klinken als een klok. Denk er de stem van Bennie Jolink van de Achterhoekse rockgroep Normaal bij, dat helpt!

Louis Radstaak herinnert zich de komst van ‘een mechanisch wereldwonder’ van de firma Hoopman Landbouwwerktuigen:

 

nooit meer hoefde je knollen te plukken

met koude blote handen:

altijd in november,

altijd in de regen,

altijd in Aalten.

 

Mooie regels alom, zoals deze van Bert Scheuter: Dit oude land bevliegt de havik traag. Het boekje is verlucht met onder meer Massey Ferguson met ‘kouzak’, een knappe ets van Louis Radstaak. De invloed van Habakuk II de Balker is niet ver weg. Bert Scheuter knipoogt met Onzinnige feestelegie op old gereedschap, den arbeid muu naar diens bundel Oud gereedschap mensheid moe. Waarin woorden staan als slijpsteen, stervenshonk, vlashekel en wan. Je rúikt bij het lezen van zijn werk het platteland. TractorTracks heeft eenzelfde effect, al mengen Mellendijk, Radstaak en Scheuter de geur van aarde en bos met die van benzine en olie. In totaal bevat TractorTracks vijftien gedichten, die elk op zich staan maar als rode draad die mooie gouw in het oosten van Nederland hebben. Een Bolinder-Munktell, een Hanomag, de heidesmid uit Halle-Heide, de hoefsmid uit Kasselder op Sinderen, plakhakke, schrapers en sikkels figureren in deze wonderlijke verzameling poëzie. Achterhoekers houden van hun land, zoveel is duidelijk. Om met Scheuter te spreken:

 

Dit land was as van vurig vorig leven,

dit land leeft: het is niet bang voor de dood.

 

Hans Mellendijk, Louis Radstaak en Bert Scheuter (die als HiPP in hun streek ook regelmatig het podium betreden) mogen wat mij betreft hun fraaie geboortegrond nog dikwijls bewieroken!

 

 

Tractortracks en ander landbouwwerkkundig tuig, Hans Mellendijk, Louis Radstaak en Bert Scheuter, Uitgeverij HiPP, Varsseveld, 2011, ISBN 978-90-817464-0-3

 

 ( Biografie van Bert Bevers hier te lees )

Bert Bevers. Glasscherven op een muur, e.a. gedichten

Thursday, June 2nd, 2011

Glasscherven op een muur

 

Eens zaten jullie om jenever heen en wijn maar

jullie moesten kapot, van fles naar gruzelementen.

Iemand heeft jullie ooit fluitend in cement gestoken. 

Gedacht: ‘Wat ben jij mooi stuk, glas, ik zal jou naar

het westen laten wijzen. Het beste lijkt me dat voor

 

jou, doorzichtig groen.’ Daar steek je nu van noen tot noen,

van winter tot winter. In oude handschoenen uw splinters.

 

 

Raid

 

Achter de scherven van een keukenraam tuimelt

op de vensterbank een buitelpoppetje na. Brood

bleef ongebroken. In de geurige boomgaard hijgen

verdoolde verkenners tegen een jonge laurier

uit. Ze schrikken hevig op van het ochtendlijk

 

genadeschot. IJlbodes talmen met de vlag

in top. Wachten op het runnen van het bloed.

 

 

Knetterende vlaggen

 

Heiliger dan het bloed van martelaren was

voor de profeet de inkt van geleerden. Dat

we dat weten, in koelen bloede weten. Geen

keuze. Veel oorlogen moeten nog beginnen, met

staal en holle leuzen. Aangewaaid komen langs

 

alle kanten woorden (het ene oor in, het andere

ook): kinderhanden moedertalen vaderlanden.

 

 

Aubade met geheven vuisten

 

Dit schamel verweer op krakende podia mag

de ochtend niet verontrusten. Terstond herzien

dan ook de dauw op krekels, dit houten gevoel,

deze verleden zonden. Oliehandelaren sturen

jonge soldaten met lege helmen ongekende landen

 

in. Zij kennen letters slechts van televisieschermen.

Straks zijn ze verder van huis. Verder zijn ze dan.

           

 

Trucage

 

Het is wat: een tijd waarin nog geloofd wordt,

een tijd waarin matrassen streepjes hebben,

uit kussens veertjes steken. Messen met

paarlemoeren heft trillen in geurig wildgebraad,

en van gezuiverde zinnen slaan vlammetjes.

 

Wij werden wie we zijn. Vermoed: achter

doorkijkspiegels worden kushandjes geblazen.

 

 

Pal

 

Achter stamelende ruiten laten mensen zich

groeten, zonder ongeduld. Het knispert van

woorden als zwerfvuur. Hoe kinderen overal

hetzelfde woord voor moeder kennen. Langer

thuis, bang er niet. En zeker niet van kleine

 

lettertjes. Vertrouw ze. Lees ze. Vrees ze niet.

Schrijf ze groot: KLEINE LETTERTJES!

 

 

IJzerhard

 

Stalen glans op paars blad. Op hoge stelen wiegt

de ijzerhard. Middaguur in onze hortus botanicus

liegt niet: het land van gisteren is toe. Alles bloeit.

Ik hoor kinderen op een nabijgelegen schoolplein

driewerf hoera roepen. Er wordt traag gesproeid

door een man die graag bezorgd lijkt. Soms wil hij

 

de tuin uit hollen en het op een gillen zetten, maar

zijn bladeren houden niet van geluid. Het ruikt naar

zoethout. Een koolwitje laveert tegen wind in, en zand

wijkt zachtjes voor zaad. Wolkjes zijn licht en de goden

nabij. Laat alle mensen maar weten waar de verhalen

over gaan. Wie een grens trekt heeft een huis.

 

 

                        (verschenen in de bloemlezing Smeedwerk,

                        Poëziecentrum Nederland, Bredevoort, 2007)

 

 

 

© Bert Bevers, 2011

 

Bert Bevers (º 1954, Bergen op Zoom, Nederland) is dichter en beeldend kunstenaar. Hij werkt en woont reeds sedert de vorige eeuw in Antwerpen (België). In 1997 verscheen Afglans, een bloemlezing uit zijn eerste uitgaven. Sindsdien verschenen de bundels In de buurt van de wereld (2002), de viertalige editie Reservoir (2004), Uit de herinneringen van een souffleur (2005), Onaangepaste tijden (2006), Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld (2007) en Andere taal (2010). Later dit jaar verschijnt Arrondissementen, met twintig gedichten bij de arrondissementen van Parijs. Hij schrijft geregeld poëzie bij het werk van beeldende kunstenaars als Ron Scherpenisse en Bert Timmermans. Bert Bevers is lid van de raad van bestuur van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. Hij onderhoudt verschillende blogs, die te ontsluiten zijn via zijn website www.bertbevers.com