Posts Tagged ‘Breyten Breytenbach’

Breyten Breytenbach en Yves T’Sjoen. De moord op een dichter

Monday, July 30th, 2018

Tom Gouws

De moord op een dichter

Breyten Breytenbach en Yves T’Sjoen

Gepubliceerd in De Standaard, 30 juli 2018

Hoop vervliegt. De kleuren van de Zuid-Afrikaanse regenboognatie worden vaal. Anderhalf jaar geleden schreef Ignaas Devisch (http://idevisch.blogspot.com/2017/01/mijn-kerststukje-in-de-standaard-over.html, De Standaard, 3/1/2017) een indringend stuk over de gruwelijke moord op de schrijfster Winnie Rust. Zij is thuis door een zwarte tiener en een dertigjarige oom om het leven gebracht. Een van hen was geen onbekende. Voor sport en school ontving de jongeman van de familie Rust in Wellington geregeld geld en de nodige steun.

Enkele dagen geleden, op woensdag 25 juli, is in de buurt van Pretoria Tom Gouws (1961-2018) doodgeschoten. Vader van zes kinderen en landelijk een bekend dichter. Enkele jaren geleden ontving hij nog een gerenommeerde poëzieprijs. In Zuid-Afrika staat Gouws geboekstaafd als belangrijk literair auteur. Na thuiskomst verschansten zich volgens persberichten zeven jonge mannen in het huis. Nadat Tom Gouws’ echtgenote en ook de enige aanwezige zoon zijn gekneveld, is de schrijver in de borst geschoten. De indringers, van wie drie of vier gewapend waren, stalen een mobile telefoon en een laptop. De Afrikaanse literaire wereld is ontsteld. Het is de zoveelste moordpartij op blanke Afrikaners.

Ignaas Devisch sprak begin 2017 ondanks de moord nog hoop uit. Zwarte jongeren zullen opstaan op hun land te leiden. Niet alles wat in Zuid-Afrika geschiedt stemt tot zwartgalligheid. Er is rechtspraak, niet iedere moordenaar verdwijnt in de anonieme massa. Nu ik op nieuwssites elke dag lees over moordpartijen, rooftochten, gijzelnemingen en verkrachtingen op de plaas (veraf gelegen boerderij), ook in dorpjes niet zo ver van de stad, vrees ik de hoop stilaan te moeten opbergen. Het is bekend dat Zuid-Afrika het gewelddadigste land ter wereld is waar geen oorlog woedt. Zuid-Afrikaanse vrienden spreken al langer, nu sinds de moord op Tom Gouws met nadruk, over een onomkeerbare situatie. Oorlog tegen witte mensen. Ook vele zwarten en bruinmensen zijn slachtoffer voeg ik toe. Het land gaat naar de verdoemenis, zeggen zij. Zuid-Afrikanen die ik spreek, wit en ook bruin en zwart, zijn bang. Ze leven dagelijks in een beklemmende sfeer van angst. Iedereen is op zijn hoede, verschanst zich achter tralies. Indien kapitaalkrachtig genoeg worden alarminstallaties aangebracht. Het aantal privébewakingsdiensten neemt hand over hand toe. Mensen trachten zich zo goed mogelijk te beschermen tegen het gevaar dat achter elke hoek gluurt, zware criminaliteit die het land in een wurggreep heeft. De overheid is onmachtig. Het is niet meer beheersbaar.

Tom Gouws, auteur van vijf dichtbundels en toneelteksten, is ook in de Lage Landen bekend. Toen Gerrit Komrij in 1999 zijn bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten samenstelde, zijn drie gedichten van Gouws opgenomen. Hij was een graag geziene gast op poëzie- en kunstenfestivals. De doctor in de letterkunde schreef over Afrikaanse poëzie beklijvende bijdragen. Op 56-jarige leeftijd heeft een moordbende een bruusk einde gemaakt aan Gouws leven. Nochtans woonde hij met zijn gezin in een van die vele beveiligde compounds. Onderzoek moet uitwijzen hoe de moordenaars het pand konden betreden. De Afrikaanse letterkunde is na Winnie Rust in een nog diepere rouw verzonken. In een van de door Komrij gebloemleesde gedichten is sprake van “indringers [die] veilig buite” worden gehouden. Neen dus.

Met Ignaas Devisch hoop ik dat veel kinderen op Zuid-Afrikaanse scholen de poëzie van Tom Gouws mogen lezen. Laten we hopen dat zij niet alleen het tragische nieuws te weten komen, maar ook het dichterschap ontdekken. Dan is er nog hoop voor een complex land dat maar niet herstelt van die gruwelijke apartheidsperiode. Al vrees ik dat poëzie de wereld van Zuid-Afrika niet zal redden. Eens te meer geldt wat in een roman van de beminnelijke Winnie Rust staat: Dis ’n storie wat vertel moet word. Vandaag zijn er echter zoveel verhalen die moeten worden verteld dat niemand ze in Zuid-Afrika nog kan lezen. Laat staan er geloof aan hechten.

Yves T’Sjoen.

 

Ademen is langer leven

 

Zolang er lucht is in dit leven

wil ik vrolijk lachen in mijn longen

en krachtig langs mijn goede spieren

mijn keel met zoete zuurstof strelen.

 

Met volle teugen van de vreugde drinken

aan de bronnen van de adem openhartig.

Wat zacht is in de borst, is lavend

voor de dorst en lekker als gestilde honger.

 

Mijn longen zijn mijn beste vrienden,

ik heb ze lief, ik draag ze in mijn handen,

breekbaar als een koppel witte duiven.

 

Ik houd ze teder als de sneeuw en zuiver

in de weelde der genezing van dit leven,

ik bescherm ze als een moeder en een vader.

 

Paul Snoek, Welkom in mijn onderwereld (1978).

———————————————————

Versindaba voeg graag die volgende huldigingsgedigte aan Tom Gouws hierby. Indien jy ‘n gedig het om by te voeg, (of reeds in ‘n kommentaar ook wil wys,  stuur dit ook asseblief aan Versindaba:

 

Spiegel im spiegel

Nou kyk ons nog in ‘n dowwe spieël en sien ‘n raaiselagtige beeld,
maar eendag sal ons alles sien soos dit werklik is.
– 1 Kor. 13: 12

.

Hoe futiel is dit nie – ʼn spieël
wat in ʼn ander reflekteer en selfsaam
die een aan die ander
wys –

ʼn man en sy gesin kom tuis
sewe rowers wag hulle in: drie met wapens
vier daarsonder
goedsmoeds en trompop
is nie woorde
van verdriet nie, want hulle
reflekteer
mekaar nie, maar verklaar tog

die man op die kombuisvloer in eie bloed
sy vrou op haar knieë langs hom, rewolwer teen die kop
vir ʼn selfoon
en ʼn skootrekenaar
terwyl buite die tralies
ʼn amperse volmaan hierdie raaisel
buig tot eendag van aangesig
tot aangesig

soos musiekstukke wat mekaar terugkaats
as treursang vir ʼn digter.
Maar in godsnaam, hoe futiel
is dit nie.

.

– In memoriam: Tom Gouws, 25.07.18

(c) Louis Esterhuizen / Julie 2018

 

.

 

Huldigingshaikoe aan Tom Gouws

Somer het gebreek,
blare hang leeg en stil –
hy verken verder.

 

© De Waal Venter / Julie 2018

 

. 

Verwond
(Vir Tom Gouws)

 

In die begin was die woord
en in Stigmata, die skrywes juis óók oor die dood.

In hierdie land moet jy leer om lig te loop
katvoet, rats,
die rot,
die roes,
die roof
te (probeer) ontduik,
grotbewoner word,
ten einde te oorleef.

Hier op God se kleinhoewe
bestaanboer jy met vers, brand jy jou kers,
in Afrika, vir Afrika.

Maar, lewensgevaarlik word die besit van:
Handsak.
Selfoon.
Skootrekenaar.

En Iewers in hierdie droewe land is die geheue
van jou skootrekenaar nou reeds skoongevee
gestroop van gedig, van vers, van woord.

En al wat bly, die koeêlwond en jou stil mond.

.

© Clinton V du Plessis. Julie 2018

.

 

gedig vir woorde

 

dis nie dat ek na julle wat woorde is soek

(sê wié van wanneer ?)

want ek weet julle lê eweneens

agter my bloed kom klop

aan die sinnelose hart wat al lank

‘n eggokamer van vlerkslae is

en jaag soms sillabes op in die donker

soos die ettering van ou swere

weer bloei

 

luister

moenie blindemol speel

moenie ophou voel-voel na omlyning

van die herinnerde gesig

in die donker bloed nie

 

ek sal hier wees soos altyd

(effens vervloek van ‘n té lang reis)

in die leë gedig

om verby genade die holtes oop te hou

en die fees van vlervoëls weer verbeel

vir julle huis toe kom

 

en indien dit dan moet wees

dat ons ons afwesighede aanneem

is dit ook goed

sweer ek hier met my hand op papier

 

kyk

in die skryflaai van raaisels

is die goëlaar se handkaart gebore

en weggebêre

(myne ? van wanneer af ?)

 

neem dit

sodat julle die beweging

na mag maak

om aan die skyn

van volbringing te raak

 

© Breyten Breytenbach. 2018

.

Bloedmaan

By die dood van  Tom Gouws

 

 

Miskien het die digter sy potloodsak

reeds oopgerits, op dié eenmalige sfeer

gewag om tot Teken te verwoord –

sterflinge, soos ons almal,

sal vir jare nog hierdie skouspel

in stories oorvertel –

Miskien sou hy juis daardie aand

vredig wou boeke vat

om aan dié godswonder, soos die gras

van die veld, nederig dank te bring

toe die duisternis hom (voortydig) oorval.

 

© Eunice Basson, 2018.

 

 

 

Nini Bennett. Doodles en drome

Wednesday, February 14th, 2018

Dis ’n warm somersmiddag in 1963. Stanislaw Ulam sukkel om sy oë oop te hou; die wiskundekongres is vervelig. Gedagteloos begin hy om getalle neer te skryf, gevolg deur krabbels en lyne. Die wiskundige sit en doodle, maar vir die ander lyk dit of hy aandagtig sit en aantekeninge maak. Later sou dié genie uit sy skets vasstel dat die posisies van priemgetalle in ’n hoë digtheid uitgestippel lê in sekere horisontale, diagonale en vertikale lyne, wat bekend sou word as “Ulam se spiraal”.

Ons almal doodle van tyd tot tyd. Studente en skoolkinders doodle tydens klasse; en wie van ons teken nie deur die loop van ’n lang telefoongesprek abstrakte meetkundige konstruksies, spotprente van vriende, landskappe, of ander surreële simbole nie? ’n Doodle (ook bekend as ’n krabbel) kan kortliks beskryf word as ’n tekening wat iemand maak terwyl sy aandag op iets anders gevestig is. Vir die doel van hierdie artikel gebruik ek die woord “doodle”, omdat “krabbel” (vir my gevoel) eerder aan kinderkuns herinner, en moontlik beperkend is as dit kom by die kompleksiteit van visioenêre kreatiwiteit soos Ulam se spiraal, of die doodles van Leonardo da Vinci, waarin hy die wette van friksie neergelê het.

Doodles word bestudeer as onderdeel van handskrifontleding (grafologie), maar ook as kunsvorm (doodle art), byvoorbeeld die werk van Jabson Rodrigues en Jim Bradshaw, wat op hul beurt weer oorvleuel met spotprente en advertensiekuns. Alhoewel grafologie ’n nuttige hulpmiddel is om deur middel van skrifanalise sekere karaktereienskappe inherent aan ’n individu af te lei, word dit steeds as ’n feilbare pseudowetenskap beskou.  Nie almal is ewe begaafd as dit by doodles kom nie: die werk van ’n gewone persoon sal uiteraard verskil van iemand met kunstalent. ’n Doodle is onderworpe aan dieselfde logika as drome. Dit funksioneer soos dagdrome op papier. Die laer intellektuele dele van die brein is werksaam, en in hierdie ontspanne, verveelde, of onbewaakte oomblikke krabbel die persoon, soortgelyk aan ’n kind wat nie sy hand oplig terwyl hy ’n prent inkleur nie, omdat die oog-hand-koördinasie nog nie ten volle ontwikkel het nie. Daarom is doodles simbolies, abstrak, of gelaai met obskure droomsimboliek. In ’n studie wat professor Jackie Andrade, verbonde aan die Universiteit van Plymouth gedoen het, is bevind dat doodles mense help om beter te fokus en die geheue stimuleer. Die tekening tree op as tipe tussenganger tussen gedagteloosheid en gedagtedruk, en dit help om inligting makliker vanuit die geheue te herroep. Die persoon wat doodle se onderliggende bewussynsinhoud speel ’n rol. Die volgende items word dikwels geteken: harte (’n romantiese belewenis); motors en bote (’n begeerte om vakansie te hou, of ’n nomadiese wanderlust); kos (’n begeerte om te eet, veral as die persoon honger of op ’n dieet is); vuurwapens en messe (openlike of onderdrukte aggressie); tralies of webbe (as die persoon vasgekeer voel), ensomeer.

Hoe lyk die doodles van bekende skrywers en digters?

In die onderstaande foto het Vladimir Nabokov aantekeninge gemaak op die eerste bladsy van die Engelse vertaling van Kafka se The Metamorposis. Duidelik het hy ’n paar voorstelle (verbeterings?) in gedagte gehad. En let op die kewers en vlinders: Nabokov was ’n entomoloog van beroep, met spesialisering in Lepidoptera. Ongelukkig is sy navorsing, wat die klassifikasies van nuwe skoenlapperspesies insluit, eers na sy dood ernstig opgeneem.

Vervolgens ’n absurde doodle deur Samuel Beckett, soos uitgekrap in die oorspronklike notaboek van die manuskrip Watt.

Allen Ginsberg was ’n toegewyde Boedhis. Met die blom het hy vermoedelik ’n “Oṃ maṇi padme hūṃ”-lotus geteken, en ’n mens sou kon raai dat “AH” dui op die middelste lettergreep in die bekende “Om Ah Hum”-mantra.

Franz Kafka se angst is ook sigbaar in sy doodles. Alhoewel hy heimlik begeer het om ’n goeie kunstenaar te wees, het hy sy tekeninge weggesteek vir sy vriende en opdrag gegee dat dit verbrand moet word as hy tot sterwe kom. Dit het nie gebeur nie: na sy dood het herdrukke van Kafka se werk verskyn, kompleet met sy doodle-kuns as omslagontwerp, soos “Die man by sy lessenaar” getuig.

Onderstaande doodle vorm deel van ’n brief wat Charles Bukowski geskryf het aan die Sycamore Review, uitgawe 3.2. ’n Man met ’n groot neus en bottel whisky…

Hierdie bedrywige doodle het die Amerikaanse skrywer, Henry Miller, wat bipolêr was, tydens ’n maniese fase gemaak. Die skrywer was ook omstrede weens die seksueel eksplisiete inhoud van sy romans.

Alexander Pushkin was ’n begaafde kunstenaar, bekend vir die talle doodles in die kantlyne van sy manuskripnotaboeke. Hy het graag vriende, politici, hande en voete geskets. Sy doodles is later apart gebundel as Drawings by Alexander Pushkin.

Dit verbaas seker nie dat die Bengaalse digter, filosoof, dramaturg en mistikus, Rabindranath Tagore, ook ’n kunstenaar in eie reg was nie – hy het graag sy handgeskrewe gedigte geïllustreer.

Die digter-skilder, Breyten Breytenbach doen die omslagkuns van sy bundels self. Sketse, doodles en ander grafika vergesel ook sy poësie.

Verwysings: 

http://spierpoetryfestival.co.za/poet/breyten-breytenbach-2/

http://jayce-o.blogspot.com/2012/05/doodle-art-introduction.html

https://en.wikipedia.org/wiki/Doodle

http://flavorwire.com/147177/idle-doodles-by-famous-authors

https://www.amazon.com/Drawings-Alexander-Pushkin/dp/B00MD73F1E

http://isharethese.com/doodles-by-rabindranath-tagore/

Yves T’sjoen. Wanneer muren verbrokkelen

Tuesday, January 23rd, 2018

 

Wanneer muren verbrokkelen en dansende ruimten worden. Een gelegenheidstoespraak

 

Maître Breyten, geachte toehoorders,

Laat ik vanuit het verre Gent, alwaar de centrale gast van vanmiddag sinds 2014 de academische titel van doctor honoris causa draagt, hier in cultuurcentrum De Nieuwe Liefde met de spreekwoordelijke deur in huis vallen. Zowel de schilderijen van Breyten Breytenbach met het prominente vogelmotief als het literaire werk met alle beeldassociaties thematiseren het zwerversbestaan, de outsider en de vagebond, beklemming, dood, verval. Maar evenzeer, in de bewoording die de kunstenaar hanteert, “het ochtendlicht, beweging, sociale kritiek, memorie, verbeelding, bewustzijn en geweten”. En natuurlijk de liefde, getuige de verzamelbundel Lady One met “99 liefdesgedigte” (2000). Boven alles construeert Breyten “de Middenwereld-identiteit”. De schrijver en schilder verzetten zich met pen en penseel tegen de conventies en de verstikkende burgerlijke middelmaat. Als reiziger in de imaginaire maar o zo levensnoodzakelijke Middenwereld leiden zijn personages een nomadisch bestaan en zij streven naar individuele ongebondenheid, een vrijheid van denken, spreken en handelen. Belangrijk in het omvangrijke oeuvre is de publicatie van The Middle World Quartet, vier hybride samengestelde bundels met sprankelende en prikkelende essays én poëzie, waarin de schrijver politiek en filosofisch, in teksten bezaaid met persoonlijke notities, gedichten en essayistische beschouwingen, zijn eigen Middenwereld creëert. In essays, zoals verzameld in Parool / Parole. Versamelde Toesprake / Collected Speeches (2015), heeft hij overigens meermaals uitgeweid over de Middenwereld.

Sta mij toe een gedicht te lezen, in een vertaling van Krijn Peter Hesselink, die als sleuteltekst kan worden beschouwd.

Dansen

Het wordt zwaar

deze aarde op te geven

(maar wie of wat gaat weg?)

de verschrikkelijke ruimten van onteigening

altijd voor jou alleen

die donkere heuvel daar

als een kom schemerlicht

met bomen die nog sporen van wind dragen

in knoop en wond en ademwonder

en hier een modderstroom

hellingen en vlakten

en zware begroeiing

elk lijden is afstand –

hoe kun je weten van mensen in de modder?

wat wordt doorleefd? wat wordt gezien, gehoord

of enkel gefantaseerd

en wat doet ertoe?

als muren verbrokkelen

en de ongebreidelde kreet

zich in je ontvouwt

een weergalmende, schemerige bezwering

van dansende ruimten –

een stilte van wind

Het gedicht is de openingstekst van de opstellenbundel Notes from the Middle-World, vertaald door Krijn Peter Hesselink als Berichten uit de Middenwereld, het derde deel van het tetralogie The Middle World Quartet. In de slotregels zit een artistiek-existentieel programma vervat: “muren verbrokkelen” en worden uiteindelijk “dansende ruimten”. Alleen met een eigenzinnige taal kunnen muren van onverschilligheid en starheid worden geslecht. Het woord dat niet zozeer beredeneerd maar vooral zintuiglijk doorleefd is – “de ongebreidelde kreet” in het gedicht – heeft de inspirerende kracht van “een weergalmende […] bezwering”. De dichter Breytenbach is niet alleen een reiziger in woord en gedachten. Hij is bovenal een danser en een “windvanger” – dat is ook de titel van een bloemlezing die hij puttend uit zijn imposante poëzieproductie samenstelde: Die windvanger / The Windcatcher (2007). Intussen is er dat andere boek De zingende hand (2017), met prachtige vertalingen door Laurens van Krevelen. Het zintuiglijke, zingende woord vermag veel op voorwaarde dat de spreker er geloof aan hecht, dat hij erin gelooft, indien de taal “doorleefd” is. Alleen dan kunnen muren verbrokkelen. “[A]ls muren verbrokkelen” gaan volgens het lyrisch subject de ruimten vanzelf aan het dansen. We hoeven dat streven niet uitsluitend esthetisch in te vullen. Het heeft in het geval van Breyten Breytenbach ook een politiek-ideologische, zelfs een ethische en morele implicatie.

De tragische biografisch-anekdotische achtergrond is bekend. Breytenbach is een van de meest notoire blanke antiapartheidsactivisten in de geschiedenis van Zuid-Afrika. De strijd van de politieke activist tegen het perverse Zuid-Afrikaanse apartheidsregime leidde onder meer tot de oprichting van de Franse verzetsgroep Okhela. Breytenbachs inzet voor “mensen in de modder” in zijn vaderland leidde begin jaren zestig tot een jarenlange vrijwillige ballingschap in Europa. Na een terugkeer in Zuid-Afrika zonder visum is hij gearresteerd en veroordeeld tot negen jaar gevangenschap. Van 1975 tot 1982, dus zeven jaar effectief, is Breytenbach door Pretoria opgesloten op beschuldiging van terroristische activiteiten en de schending van een van de vroegste apartheidsdecreten, met name de Wet op het Verbod van Gemengde Huwelike (1949). Hij is immers gehuwd met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst. In 1982 kwam hij onder internationale druk vrij. De autobiografische neerslag van de periode vóór, tijdens en na de gevangenisperiode kunnen we lezen in de naar het Nederlands vertaalde prozatrilogie Een seizoen in het paradijs, De ware bekentenissen van een witte terrorist en Terug naar het paradijs. Breytenbach is een opusschrijven: de titels haken in elkaar, ze versterken elkaar door de talrijke intratekstuele verwijzingen, de vele sleutelmotieven.

Breytenbach is niet alleen wereldvermaard als verzetsstrijder tegen de op racisme en segregatie gefundeerde apartheidsideologie. Daarenboven geniet hij internationale bekendheid als dichter, romancier, essayist, taalactivist en ook als beeldend kunstenaar. Zowel het literaire als het schilder- en tekenwerk krijgen in Zuid-Afrika en ver daarbuiten weerklank. De poëzie en het proza zijn inmiddels in vele talen vertaald.

Wat is zo bijzonder aan het literaire oeuvre dat veelomvattend is, een productie die de afgelopen jaren in omvang en kracht toeneemt. Het artistieke project van Breytenbach houdt geen rekening met voorgeschreven regels. Geïnspireerd door de surrealistische écriture automatique ontwerpt Breytenbach in tekst en beeld een eigenzinnig beeldend en een grotesk-symbolisch geladen universum. De symbolentaal verwijst trouwens niet uitsluitend naar de geschiedenis en de orale tradities van Afrika, rituelen en magie van het Afrikaanse continent, het Zen-Boeddhisme, maar ook naar het werk van vele geestverwanten (naast vele anderen Celan, Cioran, Goya, Lucebert, Tu Fu), in de woorden van Breytenbach “tijdgenoten” in kunst en filosofie.

Breytenbach heeft artistieke disciplines waarin hij bedreven is, poëzie, essayistisch en lyrisch proza, en schilderkunst, ooit omschreven als expressievormen die tot mislukken zijn gedoemd. Gedichten en schilderijen staan met een term ontleend aan Paul Rodenko voor de kunst van het echec. Precies in de mislukking schuilt het onvoorwaardelijk engagement, de krachtige esthetiek en het vastberaden geloof van de dichter en beeldend kunstenaar. In een brief aan de schrijver André Brink, opgenomen in de bundel Met ander woorde / Vrugte van die droom van stilte, en door mij al eerder geciteerd vat Breytenbach dat streven als volgt samen: “[D]ink aan ’n wind; dit wat ons wil vaslê, die essensiële, is die wind, maar al wat ons kan sien en beskryf is die boom – hóé die boom lyk as gevolg van die wind. En so gryp ons die wind. En so probeer ek die stilte te sê”. Zowel het brieffragment als ‘Dansen’ kunnen mijns inziens als programmatisch-metaforische uitdrukkingen van Breytenbachs artistieke streven worden beschouwd. De kunstenaar probeert de afgelopen jaren in almaar méér woorden en gedichten de stilte te zeggen en dus de wind te vangen. De wind is zoals de stilte wendbaar en ongrijpbaar, onzegbaar. Maar dat hij er is, spreekt uit alles wat ons omgeeft, waar wij om geven, waarvan wij leven. De stilte wordt zichtbaar dankzij de taal, de wind is er omdat we de bomen zien.

Een slotbeschouwing. U begrijpt dat ik hier maar vluchtig enkele facetten van de publieke figuur, denker en dichter, aanraak. Als inspirator van het Gorée-instituut in Dakar en in zijn functie van oprichter van het pan-Afrikaanse magazine Imagine Africa brengt Breytenbach vandaag kunstenaars van het Afrikaanse continent en elders in de wereld samen. Hij is vanuit die optiek een bruggenbouwer die culturen met elkaar in contact brengt en kunstenaars en intellectuelen uitnodigt tot aanhoudende reflectie, discussie en uitwisseling van ideeën. Voor mij is Breyten in alle betekenissen van het woord de naam van een dichter, het heteroniem voor hybriditeit, metamorfose, voor wat hijzelf “betekening” noemt. Onlangs nog schreef ik in Ons Erfdeel naar aanleiding van de uitgave van De zingende hand dat Breytenbach al jaren kandidaat is voor de Nobelprijs Literatuur.

Deze tekst is de voordracht die ik op uitnodiging van Mirjam van Hengel uitsprak in De Nieuwe Liefde (Amsterdam) op zondag 21 januari 2018 (16u-17.30u.). Breytenbach las alle gedichten in het Afrikaans, de Nederlandse vertalingen van Krijn Peter Hesselink en Laurens van Krevelen zijn simultaan geprojecteerd op scherm.

© Yves T’sjoen. 2018

Breyten Breytenbach. Om die pampoen te soen

Saturday, September 16th, 2017

                                          « om die pampoen te soen »

(fragmente van ‘n brief uit WOKNAKWYS)

 

elke stilbeweegstonde van die dag
is gedig
wanneer jy ontvanklik is –
elke moment van mou en mansjet
ontmoeting met wat lewe
of gelewe het
‘n lewegewende lewensles

alles wat ooit bestaan het
alles wat ooit gelewe het
alles wat ‘n ruimte laat bewe
om ‘n merk te laat
vir die vergeet
van altyd se wees
want al manier om die lewe
verby vashou te onthou
is om dit veilig te bêre
onder die pols-sing van maanvergeet –
elke asemteug grasspriet goejop
voëlsang wolk potlood tong

is boeddha, my boet pampoen

alles wat bloei tot boeddhawees
is pampoenmaan
en jy net (‘n) bewuswording
om onder te gaan in die lewe
en so te bly bewe in die dood

jy mag maar huil
want alles huil
in stilte se syn

jy mag maar
intiem by nie-syn ingaan

daarom: indien jy boeddha
teenkom op die weg:
maak hom dood
met al die liefde
van jou vergaanbestaan

en éét daai soetpampoen

 

Liewe susters en sisters, koeke en kadawers, mede-sterwelinge, taalverknottes, grootbekke en stilblyers en swygsames en verkneukeraars, spieëlversottes, spotters, spoorsnyers –

Vir liewe broer Ampie wat saam met my gejolliebôjaan het toe die berg van ‘n onmoontlike revolusie uitgeklim moes word (en die dors ons oorval het), en vir julle almal wat ook soos kameraad Ampie en Jôrs Troelie moet begin aanlê uit die donker, boesempêlle word met die skaduwees (en die ore sluit vir die vergaanwete dat skaduwees die koggelende vernietiging van enige en alle substansie is :

Liewe Leser, jy wat al so lankal dood is, vir wie ek nog aanhou skryf omdat dit die enigste manier is om te vergeet en te laat gaan :

  jy lees hier, Leser

 en is daarmeegaande ewe hiér

 aandadig aan die gesigbaarmaak

 van woordverwording

 se bewelewe


Ek wou vir julle, vir jou, ‘n brief skryf soos dit hoort. Dit sou ‘n soort reisverslag kon wees van die afgelope pampoensiklus se swel en verrotting, van vlugte na verre eilande, van dans met die skemering as lig. Miskien om vir julle (jou) te vertel van die voortslepende verlange na sangerigheid.

 

jek is soms terneergeslaan

deur die donker vergang

van my denke

 

maar onthou dan :

niks wat nie neergeskryf is

sal weer kan bestaan nie

 

*

 

jek het te veel ewe windgat

                         rondgehang

met konsepte

                        bo my vuurmaakplek

 

en is nou die spreekwoordelike

                        gerookte snoek

dikbek van dronkverdriet

 

*

 

 

Nou wanneer mens begin soek na die uitgang (ganôg es ganôg) neem elke skrywe die gedaante van ‘n testament aan – ek bedoel, dit pas die magiese snyerskleed van verdwyning aan om seker te maak die moue is lank genoeg sodat die honde nie die hand wat die wind vang kan bykom nie, ook as verweer teen die koue natuurlik. Of dalk maak ek my verniet dit alles wys en bly die skrywe by wyse van spreke maar soos altyd ‘n pepermentjie om gesuig te word as teenspeeksel vir die voet in die mond se lawwe smaak.

Hierdie is egter nie ‘n testament nie, dêmmit ! Stel dit liewer vir julle voor as ‘n dêmmitse boerpampoen in die hoer se kruiwa gekarwei so al agter die stoot aan : om in die Boland begrawe te word in daardie gat wat slegs die eenhoring sal weet om verby donkerword in die maanlig te kom uitsnuffel.

 

Jek gee niks as belewenis aan

Maar wil julle tog maan :

Moet dit nie laat val nie !

 

 

besinning

           

ek skryf

in Afrikaans

met ander woorde

ek praat met die dooies

 

gisterende dooies

nou dooies van nou

die toekoms se dooies

sonder hede of verlede

 

is om’t ewe dood :

om leefwoord en woordbewe

nie te onthou : skryf ek

in Afrikaans

 

gedig vir woorde

 

dis nie dat ek na my woorde soek

(sê wié van wanneer ?)

want ek weet julle soek my eweneens

kom klop aan die sinnelose hart

wat lankal ‘n eggokamer

van vlerkslae is

en jaag soms sillabes op in die donker

soos die ettering van ou swere

weer bloei

 

luister,

moenie blindemol speel

moenie ophou soek

na omlyning van die herinnerde gesig

in die donker bloed nie

 

ek sal hier wees

soos altyd

(effens vervloek van ‘n té lang reis)

in die leë gedig

 

om verby genade die holtes oop te hou

en die fees van vlervoëls weer verbeel

vir julle huis toe kom

 

en indien dit dan moet wees

dat ons ons afwesighede aanneem

is dit ook goed

 

kyk,

in die skryflaai van raaisels

is die goëlaar se handkaart

gebore en weggebêre

(myne ? van wanneer af ?)

 

neem dit

sodat julle die beweging

na mag maak

om aan die skyn

van volbringing te raak


die sestiende versreël verbeel

 

ons word oud

en weet nie meer

dat ons verdrink in die lippe se inkskink

van blindbestaan nie

 

donkermaan pampoen

voorgeboorte klip

gee gesig

aan afwesigheid

 

pampoen geëet

het vergeet om te vergaan

behalwe geboen in die weerblink

van ‘n naam

 

om die saamsaam

van ons sinkende skip

met hierdie gewiglose soen

te verseël

 


om uit te kyk op niks

te belewe daar is niks

of selfs die vel van niks

of selfs die skyn van niks

wat uit kan kyk nie

 

asof die son om die planeet

sou wentel om die bome

teen die bult gebaai

in lig te vra vir die dans

van bewegingloosheid

 

wit bedwelming jasmyn

deur die raam

oop asemhaling van wind :

goeiemôre, son.

hoe ? nee, niks slaap nie

 

 

« going home without this sorrow /

   going home sometime tomorrow /

   going home to where it’s better than before /

   going home without this costume I wore… » (Oupa Lewe Cohen)

Pampoenmaandag, 2017

[© Breyten Breytenbach]

 

 

Gelyke Kanse se hofsaak teen US. Braam de Vries & Breyten Breytenbach se briewe ter ondersteuning

Saturday, August 12th, 2017

Abraham H. de Vries

Jy het seker al kennis geneem van die agteruitgang van Afrikaanse skole en die uitskakeling van byna alle Afrikaanse universiteite in Suid-Afrika. Dis waarskynlik een van die redes vir die groot belangstelling in die hofsaak oor die taalbeleid van die Universiteit van Stellenbosch wat oor ‘n paar dae begin. Bo en behalwe grondwetlike regte is is daar veel meer vir Afrikaans op die spel. Almal besef dit.

Die verhoor is geskeduleer vir 14-16 Augustus in die Kaapse Hoërhof voor regters D V Dlodlo en K M Savage. Dit word ook beskou as ‘n toetssaak vir die gebruik van inheemse tale in die Suid-Afrikaanse onderwysstelsel en is aanhangig gemaak deur Matie-studente en die beweging Gelyke Kanse, wat deur duisende Afrikaanssprekendes gesteun word.

Die universiteit erken in hofstukke dat Afrikaans nou tweede viool speel. Dit is strydig met die US se stigtingsvoorwaarde, aangesien die weldoener Jannie Marais, wat die totstandkoming van die universiteit met ‘n baie groot skenking moontlik gemaak het, dit gedoen het mits Afrikaans “geen mindere plaats” beklee nie.

Hierdie hofsaak is ‘n geleentheid waar ek my kan voorstel dat skrywers en taalliefhebbers aanwesig sal wil wees, vandaar die bostaande gegewens. Die laaste keer wat ons so by mekaar kon wees, was tydens André en Breyten se hofsake. Hierdie keer is die taal self op die spel.

Probeer kom asseblief.

Abraham (Braam) de Vries

***

Breyten Breytenbach

Vriende, kollegas, kamerade –

Hierdie is nie ‘n manifesto of ‘n politieke brief nie. Dit sou te maklik wees om die land se ontreddering te probeer saamvat en fokus op één fenomeen in ‘n Kaapse, « Zuma se ma… ! »

  (Djille wiet mos.)

Dis ook nie oor wat in die hof mag gebeur nie al is mens hoé erkentlik en dankbaar dat ‘n handjievol moediges  (wat toe nié ‘n skare wou word nie –  om Paul Eluard se wensdenkery op ‘n kritieke moment tydens die Résistance verkeerd aan te haal) by monde van regsverteenwoordigers die kans, nie eens gelyk nie, kry om die absurditeit van Stellenbosch Universiteit se onwettige taalbeleid aan die kaak te stel. Ons kan nie meer maak asof die dood nie in die geldpot is nie.

Nee, dis dalk net die skorre hartkreet van iemand soos julle, ‘n skrywer wat hom probeer bedien het van ‘n variant van ons Kreoolse menswordingsproses, Afrikaans – hopelik met die nodige eerbied en ootmoed teenoor die Groot Voorlopers wat ons bewussyn oop en diep en ryk en soepel en skeppend gemaak het, en met die skrynende wete dat ons besig is om ons verantwoordbaarheid teenoor hulle en ons verantwoordelikheid teenoor die komende geslagte te versaak. Teenoor almal :  die land, die geskiedenis, ons geheue, ons verbeelding… En daarmee saam die droom van menswaardigheid, die eksistensiële vryheid van die kans op regverdige saambestaan as burgers van die Groot Andersmaak, soos Jan Rabie dit genoem het.

En vir wat ?

Daar’s nie eens lensiesop in die dodepot nie.

Mens het deernis en medelye, al klink dit nie so nie, met De Villiers en Schoonwinkel en Koopman en die arme Mnr. Steyn en al die ander hansgatte vasgekeer in eiewaan en hoogmoed en hubris agter Stellenbosch se witgepleisterde grafmure. Soos die blinde sieners van ouds is hulle uile op die kluite van ‘n besoedelde en gekompromiteerde ‘morele hoëgrond’ , die ywerige eierbrekers ter wille van die omelet-nasie wat nooit bestaan het en nie eens meer ‘n vooruitvlug kan bied of selfs ‘n etiese verbeeldingsruimte van opregte bedoelings kan vergestalt nie.

Hulle is in die kak. Net soos ons almal maar. Want dit raak ons almal.

Hoekom volhard hulle in die eie-verwoesting wat veronderstel is om ruimte te skep vir ander-vervulling ? Is hulle slagoffers van selfhaat ? Die ‘daders’ – en uiteindelik die doodsbodes – vir demokrasie ? Die tyd sal leer, die geskiedenis dalk afreken met misdade teen die verlede, die doodmaak van ‘n droom van volwaardige burgerskap se saamskepping.

Maar het ons tyd ? Want intussen word mêtjies vlytig aangedra vir die aansteek van die brandstapel waarop die tale – Afrikaans – vernietig moet word.

Is dit dan nie genoeg van ‘n uitdaging vir ons wat twee-been is om regop in die duister met kop gelig na die lewende niet daar bo die onkenbare en tydlose en onverbeeldbare bewuswees te moet aftas met al ons sintuie nie ? Is die mens nie reeds onseker en begrensd genoeg nie ? Waarom die verdere verminking van sy vermoëns ? Is wat ons ‘taal’ noem dan nie ook die geheue aan ons patetiese poging om te bestaan in die groot waan van syn nie ? Is ons bydrae nie juis die omskrywing van die verskrikking wat ons belewe nie ?

Hoe is dit moontlik dat die implikasie sou wees dat Afrikaans – die enigste inheemse tongval/begripsoeke op die kontinent met die utopiese uitreik om haarself Afrikaans te wil noem (en roep) – net onthou sal word as  anomalie, ‘n gebrabbelde ‘kombuistaaltjie’ (asof dit alles sou sê !), die skending van ander se aanspraak op waardige ruimte ? Wie sal so oneerlik wees om te beweer die taal kom neer op ‘n generiese othering ?

Hoe het ons beland waar die mag van die sterkeres en hulle oorlewing (wat ook ons oorlewing is) berus op uitskakeling, verdowing, verkleinering, verbanning en ontkenning ?

Ons is almal mense. Ons is almal net mense. Hoe het ons as mense daarby uitgekom dat ons die beswadderde taal as die vreemdeling in die pad van vooruitgang dood moet gooi met klippe ? Omdat ons die uitdaging van respek-vir-ander-en-self nie kon akkomodeer nie ? Watter erkenning is dit dan van beneweling, bestaansangs en verwarring, en daardie magsvraatsug wat Afrikaans sien as die doring in die vlees van realisme !

Ons wéét immers dat ruimte slegs in beweging kan groei en net aan die omvang van ons empatie en die kontoere van gesonde menseverstand geken sal word. Daar is ruimte vir die méérheid van verskeidenheid soos teenoor die minderheid en minderwees en minderword en uiteindelike verstening in die gewaande éénheidsstrewe na één nasiestaat, daardie Rat deur die Party voor die volk se oë gedraai.

Moet ons dan waaragtig aanvaar ons beskik nie oor die billikheid, morele verbeeldingskrag en vernuf of vermoëns, of net die potensiaal van goeie begrip en buurmanskap, of eenvoudig die liefde om Afrikaans ook te laat lewe as gemeenskaplike bate nie ? As dit so moet wees kap ons mos die bastervolk – ons eie mense wat uit hierdie sterre en grond geboetseer is, plaaslik getaal is om uiting te gee aan die universele soeke na sin – se hande af en steek hulle oë uit.

Wat is ons mensetaal anders as ‘n eindelose en heldhaftige stryd om die groot-andersmaak-van-self, om ook ‘n veranderaar te mag wees en dusdoende die teksture van wat ons léwe en werklikheid noem te ervaar, verstaan, huldig, eerbiedig, omvorm en op te mag pas ? Ook sodat daardie lewe en werklikheidsontdekking met vuur en drif aangegee kan word aan hulle wat na ons kom !

Deur Afrikaans kleiner te wil maak, te stigmatiseer en demoniseer, maak ons die gemeenskap van mense armer. Dis inderdaad ‘n moedswillige misdaad teen die genetiese besef van die mensdom ontvang in ‘n droom van agentskap én evolusie, die groei na verandering wat wil doen om te mag weet ons is.

Moenie dat daar van ons gesê sal word : julle het meegehelp, al was dit ook net uit stilbly, om die mens in ons stil te maak en uiteindelik stil te laat word nie.

Afrikaans/Afferkaans vra nie om bevoorregting of verskansing nie ; Afrikaans eis net die grondwetlike vryheid om nié uitgerangeer, ingeperk, ge-ghetto, en daarom ‘n dooie zombie te word nie. As bontvolk verbonde tot die aanhou baklei vir geregtigheid, menswaardigheid, respek, gelyke kanse om vryheidskepping te verwesenlik in die saamdra van verskeidenhede as bestaans-imperatief, dring ons aan op die reg tot voortbestaan en die verwérkliking van kreolisering. Dit vra en verwag ons namens die oermoeders en die abbavaders, namens almal van ons wat miskien eenmalig hier is om saam te mag strewe en verder te kan skrywe aan die etos van ‘n daarstelling van omvorming. En ons vra dit vir die nakomelinge.

Ja, ons vra dit ook vir die Kakiebos élite : hulle met die maskers van straffelose anonimiteit en die agterstewes vernaam van sit op alle stoele, wat hoër probeer sing as hul eie poepholisme. Agterspoed is hulle voorland !

Maar net soos ons onderhandel hulle ook met die ewigheid van verantwoordelikheid. Wat sou ons ook anders kon doen ? Hoe power is ons middele tog nie… (En dit help nie dat ‘power’ in die imperiale taal mag beteken nie : ‘mag’ is nog altyd die weergee van swakheid.)

Al dra die boer ‘n goue koloniale ring bly selfverloëning steeds ‘n lelike ding.)

Wat gaan oorbly om aan te gee as omvormingsverantwoordelikheid ?

Indien ons nie vasstaan op ons reg as skrywers tot andersmaak nie – laat ander dit op hulle manier doen – gaan ons enigste oorblyfsel dalk ‘n kramat teen die hang van Vlaeberg moet wees, ‘n wegsteekgraf vir die taal waar die wind alle woorde wegwaai. (Solank daar nog iemand is wat weet van ‘kramat’.) En miskien sal daar op die geborduurde lap oor die afwesigheid uitgespel staan :

Hier lê ons geliefde bastertaal, in haar fleur genadiglik uit die lewe gewurg deur die daddies van die volk sodat sy jakkalskaal en onbeskaamd as versoeningsofferende sondebok geparadeer mag word om ons van alle sterwensskuld te onthef, tot in die vryheid van ewige stilte en vergeet.

(Solank iemand nog die taal sou kon skryf.)

Gun my die hoop om te glo my versugting word algemeen gedeel deur ons wat bywoners en stukwerkers van ons eie lot is. Dat dit ook so ervaar word deur ander. Daarom wil ek graag versoek dat my skor kreet van die uitgespoegde hart nie gepersonaliseer word deur ‘n naam nie. So-iets sal dit net maklik maak vir hulle/julle/ons wat nié wil lees wat ons almal weet nie. Djille wiet wie ek is (wat meer is as wat ek ooit sal waag om van myself of van julle te beweer) :

Jan Alleman

aka Blackface Buiteblaf

 

12 Augustus, 2017

 

PEN Afrikaans. Eer aan Breyten Breytenbach

Friday, June 9th, 2017

Breyten Breytenbach

Internasionale eer aan Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach, een van PEN Afrikaans se stigterslede, het op 25 Mei vanjaar die Zbigniew Herbert-prys in Warskou, Pole, in ontvangs geneem.
Die Herbert-prys is ’n internasionale literêre verering wat sedert 2013 jaarliks toegeken word vir uitstaande werk en intellektuele prestasies gekoppel aan die Poolse skrywer, digter en moralis Zbigniew Herbert.

Breyten het gesê dat hy dankbaar en bly is vir die prys namens almal wat in Afrikaans skryf. Hy het ook by die toekenningsgeleentheid in sy toespraak sterk protes aangeteken teen die manier waarop meertaligheid en minderhede tans in Suid-Afrika minag word:

“Ek kom van ’n aarde wat weer plat sal wees, waar die stabilisasie van diversiteit uitgedoof word deur ’n diepgaande gekoloniseerde politieke voortvarendheid in lofprysing van onkunde en onbevoegdheid.

“Dit is voorgeskryf dat die taal van my baie moeders en vaders, van hibridisering, van anderwording, stil sal word en ingesluk sal word in skaamte vir die verlede.”

[…]

“Alles daarvan sal platgevee word deur die moreel korrekte gewigtigheid van vrees, konformiteit, populistiese slagspreuke gedrapeer in die lykkleed van nihilisme, ook genoem historiese determinisme.

Of, anders gestel: Vir vooruitgang en gelykheid ‘is dit net natuurlik dat die meerderheid meer regte moet hê as die minderhede’, volgens pres. Zuma van Suid-Afrika.

“Enigiets, solank dit net nie ware transformasie is nie, ware bevryding is nie, ware menslike bemiddeling in die aangesig van ’n ewigheid wat ontvou, ware aanspreeklikheid vir die verlede en die toekoms met ’n werklike verantwoordelikheid teenoor die lewe.”

Die bestuur van PEN Afrikaans deel die kommer wat Breyten uitspreek, maar ons wens hom namens almal wat in Afrikaans skryf, geluk met die groot internasionale eer wat hom te beurt geval het.

Breyten se volledige toespraak en poësievoorlesing by die toekenningsgeleentheid is hier beskikbaar.

PEN Afrikaans

Bestuur

Breyten Breytenbach. Wat die droom is

Friday, May 12th, 2017

Yves T’sjoen. Zingzeggende zangvogels aan de Keizersgracht

Thursday, April 20th, 2017

Remco Campert en Breyten Breytenbach

 Zingzeggende zangvogels aan de Keizersgracht

Ja, zo is het! “De zanger is zijn lied”. De formulering klinkt in haar eenvoud apodictisch, in poëticale zin programmatisch. Ze komt als dichtregel voor in ‘De zanger’, in Hugo Claus’ dichterlijke magnum opus De Oostakkerse gedichten (1955). Tijdens een nocturne aan de Keizersgracht spraken Remco Campert en Breyten Breytenbach, coryfeeën van de Nederlandse respectievelijk de Afrikaanse poëzie in de twintigste- en vroeg-eenentwintigste eeuw, af en toe over de Vlaamse meester Hugo Claus. Breyten opende de tweespraak met een anekdote over een Nederlandstalige dichterstournee aan het begin van de jaren negentig in Zuid-Afrika. Ik meen in samenwerking met Adriaan van Dis. Breytenbach nodigde onder anderen Remco Campert, Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog uit voor optredens op diverse locaties, in Kaapstad, in Oudtshoorn. Claus sloot pas in Durban aan bij het eminente gezelschap van ‘Vijftig’, een plek waar de toehoorders misschien geen Nederlands en zelfs geen Afrikaans kenden. Naar Breytenbachs inschatting is het publiek desondanks ingepakt door het jazzy ritme van Camperts verzen.

De boekvoorstelling van De zingende hand, een Nederlandse bloemlezing met gedichten van Breyten Breytenbach in een vertaling van Laurens van Krevelen, was de aanleiding voor deze unieke reünie. Het was jaren geleden dat de dichters elkaar in de ogen keken en hun vriendschap hebben bezegeld. Breytenbach rakelde met pretogen en een sardonische lach het verhaal op, al dan niet verzonnen, van een literair festival in China waar hij voor het eerst kennismaakte met Camperts poëzie. In de ban van ’s dichters sonore melodie holde hij naar eigen zeggen de bescheiden Remco achterna en voerden zij daar ver weg een eerste gesprek. “Over de eeuwen heen” hebben sindsdien hun kronkelige paden gekruist. Bijvoorbeeld begin jaren zeventig, toen beiden geregeld optraden tijdens Poetry International in Rotterdam, en ook later na de vrijlating van Breytenbach in 1982. Enkele weken na zijn verschrikkelijke gevangenschap kwam de Zuid-Afrikaanse/Franse schrijver en schilder in Nederland de onderscheiding en het bijbehorende geldbedrag van de Jan Campertstichting in ontvangst nemen. Breytenbach sprak over Jan Campert, dichter van ‘De achttien dooden’, over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, over de band tussen vader Jan en zoon Remco.

Het geanimeerde gesprek tussen beide heren van stand, op discrete toon aangezwengeld door Campert-biografe Mirjam van Hengel, laveerde tussen beate bewondering voor elkaars imposante oeuvre en persoonlijke anekdotiek. Campert zong de lof van “die knappe man” Breytenbach wiens gedichten vanaf de eerste openbaring diepe indruk nalieten. Breyten, zo opperde Campert, breekt de taal niet open zoals Lucebert dat op onnavolgbare wijze doet. Breytenbachs poëzie heeft een vertellend karakter en neemt de lezer op sleeptouw naar een ander universum. Tegelijk gaat Breytenbachs literatuur in kritische zin over de wereld van vandaag. Remco, zo stelde Breytenbach, weet te raken met zijn bedrieglijk eenvoudige teksten waarin niets is wat het op het eerste gezicht lijkt.

Bijzonder innemend was Camperts voordracht van ‘Aan Breyten’, het gedicht dat hij tijdens Breytenbachs gevangenschap op vraag van het Breyten Breytenbach Comité en Poetry International schreef en dat in het bundeltje aan breyten breytenbach (1975) is opgenomen. Pas na zijn vrijlating heeft de schrijver de uitgave onder ogen gekregen. Maar goed ook, zo getuigde hij, want anders was de vrijheidsberoving van “de afgestorvene” nog veel eenzamer geweest. Remco las met breekbare stem, door ontroering bevangen, voor uit de nieuwe uitgave De zingende hand. Hij sprak terloops over de tijd van Galerie Espace in Amsterdam, waar de schilder Breytenbach meermaals exposeerde, en verwees naar het schilderij van Breytenbach in zijn woonkamer, een portret in profiel met blauwe veren op het hoofd. Als vanzelf kreeg het gesprek een ornithologische wending. Campert debuteerde in de Nederlandse poëzie zoals bekend met Vogels vliegen toch (1951) – de biograaf liet weten dat velerlei vogelsoorten Camperts literaire wereld bevolken – en Breyten tekende (pseudo-)realistische verhalen op in de bundel met memoires en verhalen Woordvogel (2008). Zowel Breytenbachs gedichten als het schilder- en tekenwerk bevatten reminiscenties aan een (symbolische) vogelwereld. Campert houdt van “laagvliegers”, blijft liever dicht bij de aarde “waarin we uiteindelijk allemaal terechtkomen”, Breyten rekent de dichters tot de categorie van de zangvogels die van diverse pluimage alle zingen zoals ze zijn gebekt.

De ontmoeting in het Zuid-Afrikahuis was een initiatief van Laurens van Krevelen, oud-directeur van Meulenhoff en vertaler van Breytenbachs poëzie in het Nederlands. De inspiratie is klaarblijkelijk gehaald bij het optreden dat Van Krevelen en Breytenbach verzorgden in het Zuid-Afrikahuis voor de studenten van de Universiteit Gent (november 2016). De avond in het schitterend gerestaureerde pand aan de Keizersgracht 141 zette in met vier gedichten: Breytenbach las de Afrikaanse teksten afgewisseld met de vertaling door Van Krevelen. Alweer werd duidelijk dat Afrikaans en Nederlands in een verraderlijke relatie tot elkaar staan. Breytenbach roemde de empathie, de creativiteit en “de sensitiviteit” waarmee zijn modeste vriend De zingende hand heeft aangepakt. Revelerend was de toelichting bij de titel, die refereert aan een bekende uitspraak van Henri Matisse, schilder van La danse (1909). Op een website vond ik onderstaand citaat van Matisse.

Si j’ai confiance en ma main qui dessine, c’est que pendant que je l’habituais à me servir, je me suis efforcé à ne jamais lui laisser prendre le pas sur mon sentiment. Je sens très bien lorsqu’elle paraphrase, s’il y a désaccord entre nos deux: entre elle et le je ne sais quoi en moi qui paraît lui être soumis. (Henri Matisse, 1972, opgenomen in: Joëlle Bolloch, La main, La photographie au Musée d’Orsay, Musée d’Orsay, 5 Continents, 2007, p.15).

De vaardige schildershand begint geleidelijk vanzelf te zingen, zingt zich los. Zoals in ‘De zanger’ van Hugo Claus de zanger uiteindelijk zijn lied wordt.

Beide dichters spraken tot slot in dithyrambische bewoordingen over de eeuwigheid van de poëzie, “het oudste genre dat nooit echt veranderingen ondergaat” (Breytenbach). Poëzie is de bron waaruit alles ontkiemt, de krachtigste zegging. Campert en Breytenbach wisselden woorden over de overgave aan de poëzie, het geloof in de suggestieve verbeeldende kracht van het gedicht. Een krachtiger pleidooi voor de poëzie heb ik zelden beluisterd. Aandoenlijk was de omhelzing waarmee de schrijvers afsloten, de tranen van herkenning, de kwetsbare fluisterstemmen, de aanraking, een moment van intimiteit. Alsof die fysieke tekenen nog iets moesten toevoegen aan de voelbare zindering die beider poëzie karakteriseert. Af en toe raken de dichtersstemmen elkaar en daarvan brachten beide schrijvers een beklijvende getuigenis, ook al viel hier en daar een veelbetekenende stilte. Soms schieten de woorden tekort. De avond in Amsterdam heeft voor het selecte gezelschap van toehoorders de artistieke bewondering en de vriendschappelijke omgang “over de eeuwen heen” van twee meesters in de naoorlogse poëzie zichtbaar en invoelbaar gemaakt.

Amsterdam, 18 april 2017.

© Yves T’Sjoen

Bron

Claudia Patuzzi, À propos. Décalages et metamorphoseshttps://ladroitebiaise.com/tag/henri-matisse/ (juli 2014).

Zie ook: http://www.litnet.co.za/remco-campert-en-breyten-breytenbach/