Posts Tagged ‘Breyten Breytenbach’

Yves T’Sjoen. Dichters des Vaderlands in de West-Kaap

Monday, September 21st, 2015

cats

Dichters des Vaderlands in de West-Kaap

Onder de kop ‘Breyten Breytenbach: “Ope gesprek oor taal nodig”’, gepubliceerd in Die Burger van 21 september, neemt Willem de Vries het volgende citaat op: “Maak mekaar sáám anders met Afrikaans”. Het krantenartikel refereert aan het gesprek dat Francis Galloway met de schrijver voerde tijdens de vierde editie van Tuin van Digters in Wellington (19-20 september 2015). Behartigenswaardige uitspraken zijn: “Ek praat van kreolisering, ek praat van saam mekaar anders maak. En Afrikaans ís dit” en ook: “[…] ons is besonder bevoorreg met hierdie taal wat ontstaan het uit tale wat op mekaar ingepraat en saam ’n ander taal geword het. Dit is die manier waardeur jy jouself leer ken. Dis ’n taal wat die wysies en deuntjies van ander tale in hom opneem en ook die textuur van ander tale”. Breytenbach spreekt over taal als een levend organisme, een levensbepalend medium dat zoals het menselijke bestaan en de natuur zelf voortdurend aan verandering onderhevig is en invloeden van andere talen en culturen ondergaat. Afrikaans wordt wel eens de zuster- of dochtertaal van het zeventiende-eeuwse Nederlands of Zeeuws-Vlaams genoemd. Die klemtoon is reductionistisch en doet geen recht aan de rijkdom van het Afrikaans. Het is, zoals Breytenbach stelt, een gecreoliseerde taal met tal van inheemse en buitengaatse invloeden. Afrikaans is, zoals elke levende taal, inderdaad “’n taal wat die wysies en deuntjies van ander tale in hom opneem en ook die textuur van andere taal”.

Dezer dagen zijn de Dichters des Vaderlands van Nederland en België te gast in de West-Kaap. Hun aanwezigheid is in menig opzicht niet onbelangrijk voor het contact tussen talen en schrijvers in die verschillende talen. Maar misschien zet hun passage in Wellington, Stellenbosch, Bellville en Kaapstad landelijke culturele instituten en personen, zoals de Akademie vir Kuns en Wetenskappe, aan het denken. Misschien kan een nieuw initiatief worden genomen in deze roerige tijden. Niet dat de wereld er in Zuid-Afrika spectaculair anders door wordt, maar het kan een daad van symbolische waarde zijn.

Met steun van het Nederlandse Letterenfonds en de Vertegenwoordiging van de Vlaamse regering in Zuid-Afrika namen Anne Vegter en Charles Ducal afgelopen weekend deel aan Tuin van Digters. Beiden lazen voor uit eigen werk, ook uit de gedichten die zij van ambtswege hebben geproduceerd, en zij zijn bij die gelegenheid in gesprek gegaan met respectievelijk Antjie Krog en Alfred Schaffer. Dat leverde interessante dialogen en kruisbestuivingen van ideeën en klankkleuren op. Ik denk bijvoorbeeld aan raakvlakken tussen Vegters en Krogs poëzie (in Mede-wete, 2014) die ik eerder onmogelijk kon opmerken en waar ook de Nederlandse schrijfster van te kijken stond. Daarnaast presenteerde Anne Vegter op uitnodiging een poëzieworkshop bij UWK in Bellville en op vrijdag 18 september een bijeenkomst over sexual abuse in de literatuur. Op maandagochtend 21 september waren Vegter en Ducal te gast in het college van Alfred Schaffer waar zij voor studenten Nederlands en Afrikaans uit eigen werk voorlazen en met de docent in gesprek gingen. Ook SAVN en UWK, op uitnodiging van Anastasia de Vries, zijn instituties waar de dichters uit Nederland en België hun opwachting maken.

De Wellingtonse uitspraak van Breytenbach in gedachten moet het postkoloniale contact tussen schrijvers uit het Nederlandse taalgebied en het Afrikaans van cruciaal belang worden genoemd. Niet uit misplaatste neokoloniale of melancholisch politiek-ideologische overwegingen, evenmin om linguïstisch-historische redenen (‘zuster- of dochtertalen’). Het transnationale gesprek, met auteurs uit verschillende taalgebieden, dus ook Afrikaans en Nederlands, is van grote betekenis voor een taal die weliswaar door de perverse taalideologie van apartheid is aangetast maar vooral steeds, ook vandaag en morgen, nieuwe impulsen ondergaat. Afrikaans en Nederlands hebben zoals alle zwarte inheemse talen veranderende texturen, eigen “wijsies en deuntjies”, die tot klinken moeten worden gebracht in een multiculturele omgeving. Het gebruik van de eigen moedertaal in het gesprek met de ander niet minder dan een mensenrecht. Breytenbach verwerpt de blinde anglificering en de markteconomische nivellering, niet alleen in Zuid-Afrika maar in globaal perspectief. De schoonheid en de rijkdom van Zoeloe en Xhosa, om me te beperken tot deze talen, zijn van onschatbare waarde. Ze bezitten een even rijke textuur en klankkleur als bijvoorbeeld het Afrikaans. Waarom zouden we dan met zijn allen (slecht) Engels spreken? Deze taalvariëteit, maar dan van het Nederlands, kwam helemaal tot uitdrukking tijdens de publieke optredens van Anne Vegter en Charles Ducal. Vlaams is de geuzennaam die men heeft bedacht voor het Nederlands dat ten zuiden van de Moerdijk wordt gesproken. Ook dit een teken van taaldiscriminering maar dan in het Nederlandse taalgebied.

Het ambt van Dichter des Vaderlands wordt in Nederland en België uiteenlopend ingevuld en heeft een heel andere geschiedenis. In Nederland introduceerde Gerrit Komrij naar Anglo-Amerikaans model de functie van Poet Laureate. Later namen ook Ramsey Nasr, Driek van Wissen en sinds kort Anne Vegter het mandaat op. In de historiek van het Vaderlandse Dichterschap ondergingen de spelregels in Nederland wel eens wijzigingen. De Nederlandse dichter wordt verondersteld teksten te ontwerpen die met de actualiteit zijn verbonden en die vervolgens in NRC Handelsblad worden afgedrukt. In tegenstelling tot Nederland is het Belgische Dichterschap des Vaderlands, pas een jaar geleden geïnitieerd, een literair initiatief dat door Poëziecentrum (Gent), Vonk & Zonen (Antwerpen) en het Maison de la Poésie (Namen) is ondernomen. Het is geen politieke maar een culturele daad. De Franstalig Belgische schrijfster Laurence Vielle neemt vanaf januari 2016 de fakkel van Charles Ducal over. Tegelijk wordt met ambassadeurs gewerkt: vandaag is de Waalse auteur Ducals vertegenwoordiger in Franstalig België en vanaf januari neemt Ducal die rol waar voor de nieuwe Dichter des Vaderlands. Charles Ducal lichtte in Wellington en Stellenbosch toe welke de doelstellingen zijn van het dichtersambt. Naast het slechten van de muur tussen taal- en cultuurgemeenschappen (in België gaat het over Nederlands, Frans en Duits) wil de Dichter des Vaderlands thema’s aansnijden die “zo veel mogelijk Belgen relevant vinden, wat de publieke opinie beroert”. Daarenboven wil hij of zij mensen dichter bij elkaar brengen en een tegengewicht bieden voor het neo-liberale rechtse discours dat vandaag het maatschappelijke leven in België domineert. Wat vooral van belang is: het is een manier voor Vlamingen de Franstalige dichters in België te leren kennen en andersom. Ten spijte van het culturele verdrag tussen de Nederlandse en Franse cultuurgemeenschappen bestaat veel onkunde en een stuitend gebrek aan belangstelling voor literatuur aan de andere kant van de taalgrens. Het aanstellen van ambassadeurs draagt er aanzienlijk toe bij dat er makkelijker toegang mogelijk is tot elkaars literaire netwerken en culturele organisaties. Wat ook anders is ten opzichte van de Nederlandse ambtsinvulling is dat de productie van de Belgische dichter steeds in drie talen bekend wordt gesteld. Door de teksten in de krant te publiceren is het de betrachting een zo breed mogelijk maatschappelijk veld te bereiken.

Ik keer terug naar de uitspraken van Breytenbach die door Die Burger zijn geciteerd. Aandacht voor onze medemens, voor elkaars cultuur en taal, zal bijdragen tot een verrijking van en meer cohesie in het sociale weefsel waarin we als individu bestaan. Tot een meer leefbaar bestaan. Vandaag staat de bevoorrechting en dus de status van het Afrikaans in Zuid-Afrika, en in het bijzonder op de universitaire campus van Stellenbosch, ter discussie. Vasthouden aan en verwijlen in het verleden is een slechte raadgever. Niet dat het Afrikaans als taal moet worden bestreden. Ze bloeit als nooit tevoren indien we het werk van zo vele interessante Zuid-Afrikaanse schrijvers lezen. Ze is even rijk, vitaal en ritmisch als alle andere inheemse talen. Breytenbach pleit vooral voor het behoud van de meertaligheid, voor een wereld in en van talen, met naast het Afrikaans prachtige zwarte talen die ook de moedertaal zijn van miljoenen mensen. Het gesprek tussen de talen moet worden bevorderd en zal vanuit dat respect en die aandacht van Zuid-Afrika een betere leefomgeving maken. Het is misschien een idee, zoals Alfred Schaffer opmerkte, ook in Zuid-Afrika een Dichter des Vaderlands aan te stellen en daar een werkbare formule voor te verzinnen. Misschien moeten enkele organisaties daarover eens samenzitten. Waarom zouden de teksten van die aan te duiden schrijver niet in de tien andere inheemse talen kunnen worden vertaald? Als dat lukt met een grondwet, dan ook met de poëzie. Transformatie, het woord dat vandaag om de haverklap in verhitte discussies valt, is inderdaad niet de omzetting van wit in zwart. Breytenbach spreekt over een geleidelijk proces waarbij inclusiveness en privileges vooral obstakels zijn. Hoewel de Belgische politieke en sociale context met drie taalgemeenschappen onvergelijkbaar is, kan de symbolische waarde van het Dichterschap des Vaderlands ook in Zuid-Afrika misschien gelden als antidotum. Een tegengewicht voor het conservatieve denken en de retrospectieve blik die de geesten verlamt. Het kan de kloof tussen mensen, zoals door een bepaald politiek discours uitvergroot, dichten en de aandacht voor de anderen aanscherpen. Ik ben nieuwsgierig welke schrijver in het complexe en door het verleden ontwrichte Zuid-Afrika moet worden voorgedragen als eerste Dichter des Vaderlands.

Yves T’Sjoen. Poëzie van Breytenbach bij Koppernik

Wednesday, September 16th, 2015

B-Breytenbach byY-Breytenbach (1)

Poëzie van Breytenbach bij Koppernik

Begin dit jaar berichtte Neder-l, het elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek, over de oprichting van uitgeverij Koppernik. Bart Kraamer, eertijds bevlogen en kundig poëzieredacteur van Meulenhoff, Chris de Jong en Huub Beurskens sloegen de handen in elkaar en gingen van start met een nieuw literair fonds. Naast romans en essays geeft Koppernik Nederlandstalige en vertaalde poëzie uit. In de mededeling is sprake van “elk jaar vier dichtbundels […]. Het eerste jaar zijn het bundels van gerenommeerde namen, die een fundament zullen leggen voor de kwaliteit van de reeks”. De dichter, romancier en essayist Beurskens, zo meldt Bart FM Droog, is aangesteld “als curator van deze exposities”.

Onlangs brak voor Koppernik de dageraad aan. Van Jan Lauwereyns verschenen twee boeken: Nouvelle. Een degustatie van het hart in zeven gangen (met de genreaanduiding ‘Fictie’) en het gedicht Theorie van de rondworm. Verder zagen ook de dichtbundels Hohner van Wiel Kusters, Waarom van Armando en In de loop van de woorden van Breyten Breytenbach het licht. Indien het mission statement spreekt over “een fundament […] voor de kwaliteit van de reeks”, dan worden met deze uitgaven hoge verwachtingen gecreëerd.

De afgelopen maanden liet de uitgeverij zich meteen opmerken. Naast vertaalde romans van onder anderen José Eduardo Agualusa, Stig Dagerman, Álvaro Enrigue en Cynan Jones bevat het fonds publicaties van Huub Beurskens, met de beckettiaanse roman Wachten op een vriend, en essayistisch én fictioneel proza van Wessel te Gussinklo.

De sober en bijzonder verzorgd uitgegeven bundels, met op de cover een eenvoudig letterontwerp en voor het binnenwerk een heldere typografie, kunnen vormelijk-esthetisch een verademing worden genoemd in het hedendaagse boekenlandschap. Dat de aandacht voor de boekesthetica niet haaks staat op de tekstkeuze voor het fonds, mag alvast uit alle gepresenteerde titels blijken.

Neem nu In de loop van de woorden van Breytenbach. Eind 2014, toen de dichter en beeldend kunstenaar het eredoctoraat van mijn alma mater in ontvangst nam, verscheen de fraaie bibliofiele editie Oorblyfsel bij Island Position/Pirogue in Kaapstad. Uit deze bundel heeft Blackface Buiteblaf, heteroniem van de schrijver en “buikspreker” voor revelerende tussenkomst van de schrijver en denker Breytenbach op Versindaba, een keuze gemaakt al dan niet in overleg met zijn vertaler Laurens Vancrevel. Naast de cycli ‘In de loop van de woorden’ en ‘Pijn en vleugel’ bevat de bundel, bij wijze van bruggenhoofd of als tussenschot, ‘Twee gedichten uit Manemoer: de Liesbeekverzen’. In de loop van woorden is nadrukkelijk doorgecomponeerd. Beide afdelingen sluiten af met dezelfde titel: ‘(in de loop van de woorden)’ – alle gedichtentitels worden overigens als parenthesen gepresenteerd. In het eerste titelgedicht hanteert de schrijver de passiefconstructie: “in de loop van de woorden/wordt het gedicht ontbloot/in de tred van een nachtvers/wordt een dode maan uitgestoten” en “opgehangen in de skeletten/tegen de heuvels van de hemel/worden vogelgrepen geregen/[…]”. Ter afsluiting van elk van de twee strofen, of als pointe, staat een expliciete als-vergelijking. Een analoge structuur vinden we terug in het afsluitende titelgedicht van de cyclus ‘Pijn en vleugel’: twee strofen met als paukeslag een vergelijking die het voorafgaande in perspectief plaatst. Hier is de passieve zinsconstructie achterwege gelaten en staat de handeling – in de tegenwoordige tijd – voorop: “de loop van de woorden/ontbloot het gedicht,/de tred van het nachtvers/baart het een dode maan” en “in geraamten opgehangen/op hemelheuvels/rijgen vogelvocalen/[…]”. Niet alleen de tijd onderging “in de loop van de woorden” een metamorfose, ook de taal zelf. Tegelijk plaatsen beide versies van het titelgedicht wat voorafgaat in een bepaald daglicht. Breytenbach heeft beide gedicht weliswaar analoog gecomponeerd, de zegging (zoals de beeldentaal) onderging een fundamentele wijziging. De varianten bieden de lezer een sleutel voor de betekenisgeving van de hele bundel. But it’s not all about “kennisbrij”.

Beide versies van het titelgedicht laten zien met hoeveel taalplezier en welke vernuftige componeertechniek deze woordkunstenaar aan de slag is gegaan. Zoals de bundeltitel aangeeft, bieden de gedichten vooral reflecties over taal. Ook al heeft het ik “een hekel om woorden/door mijn handen te laten stromen”, “toch is korstvorming het enige patroon/dat ik ken tegen het gestotter van bloedende/handen, en zo wordt er misschien/geluisterd zonder partij te kiezen”. De dichter denkt in parlandistisch getoonzette volzinnen na over “de schrijfdaad”, over de levenskracht en de noodzaak die uitgaat van het woord. Het begint al met een geestige enumeratie van m-woorden, “de morbide morfologie van woorden die met een m beginnen”. Een uitgangspunt dat de schrijver vervolgens zelf met de voeten treedt. Voor alle duidelijkheid: dit is geen lichtzinnig gegoochel met morfemen van een mompelende homo ludens. Het subject tracht met alle mogelijke middelen de conventionele taal te ontwrichten. En meteen ook de verstarde of verstikkende ideologie die er deel van uitmaakt, en “de arme mensen/[…] verzonken in een kennisbrij/zoals koeien in de modder/van de nacht/wanneer alle weetjes onthouden moeten worden”. Er is sprake van “de bittere etter”, elders spreekt het ik over “het rottende woord in je hoofd [dat] leeg [is]/van iedere betekenis of samenhang”. Daar tegenover staat de imperatief op het einde van ‘(de buikspreker)’, met de verwijzing naar Rimbaud: “en laat het dan een dans dansend/vrijheidsliederen zingen voor Afrika”. Wat hier over poëzie wordt gezegd, klinkt bevrijdend voor de lezer die naar “betekenis of samenhang” op zoek is.

Er gaat van deze bundel een aanstekelijke vitaliteit uit. Niet alleen de soepelheid, zeg maar de sensitieve dimensie van de taal, door Laurens Vancrevel schitterend vertaald naar het Nederlands, ook de vrije beeldassociaties en de swingende melodie van Breytenbachs taal, met hier en daar een onomatopee of een frivool klankwoord, spreken tot de verbeelding. Natuurlijk is ook deze verzameling gedichten bezaaid met interne en externe referenties, aan Breytenbachs oeuvre (de vogels (“vogels hebben geen geheugen”), het personage ‘Woordvraat’, de metafoor van de dans), literatuur en filosofie, het sjamanisme et cetera. Je hoeft die lagen echter niet te doorgronden om van de taalmuziek te kunnen genieten: “de hand maakt een zang/van de voorbijgang/van de dingen” in ‘(de schrijfdaad)’ 4. Uitgepuurde en zeer geconcentreerde teksten in de openingsafdeling wisselen af met uitgesponnen gedichten in ‘Pijn en vleugel’: ‘(de blaffende wijsgeer)’ en ‘(de slaap van de sjamaan is het verdwijnen van een kameleon)’.

Een van de meest beklijvende regels in deze erotiek van de taal lees ik in ‘(de reis van de nachttovenaar)’:

je zegt dat poëzie een schaduwspel is?

dat betekenis altijd op het punt staat te vertrekken

en het gedicht als een afgeworpen vervelling achterlaat?

Om te besluiten:

[…]

om als je terug bent uit de dood

aan jouw mensen in de gang te berichten

dat een gedicht altijd het verhaal vertelt

van een vervelde betekenis

(zonder zinspunt). Niet alleen op macroniveau is in In de loop van de woorden sprake van een hechte structuur, ook in dit gedicht – op microstructureel niveau – speelt Breytenbach met spiegelelementen en andere compositieprincipes. Wat me vooral fascineert in deze poëzie is de klank van de melodie, of de melodie van de klank, en de waarde die daaraan wordt gehecht. Zoals het spitante en programmatische motto voorafgaand aan ‘Pijn en vleugel’ luidt: “komen we om/dan komen we om/met een melodieus gebrom”. “Ja, zo is het! Zo is het nou precies!”, zoals Tonnus Oosterhoff  in een gesprek met Rutger Kopland ooit beweerde over wat een goed gedicht teweegbrengt.

Breyten Breytenbach. Vertaling in Engels

Tuesday, August 18th, 2015

Breyten Breytenbach. Translated to English by / vert. deur Waldemar Gouws

 

embarrassing knowledge of nightfall

(or a shy look on darkness)

 

what would be the difference

between halt and shalt

in particular since one should be moving haltingly

along to reach that far row of fruit trees

on the road to mount darkness

 

no hurry

clarity will dawn unaided

in the black firmament above

where embers at the camp down sites

of a host of light lives ago

are still aglow

 

but as you climb to the top of the mountain

to witness the oneness of heaven and earth

being disconcerted then

a wind in the eyes

smell of starsmoke somewhere

crickets lower down a kloof

the dark of the moon a chip of invisibility

and the choppy awareness that dying itself is eternal?

 

hardly up and about

and matter-of-factness flouted

already deluded to think that light could be understood

in the light of concerns

and hence to write twilight conscious

that all existence will come to doom

in the stench of the dead baboon?

 

isn’t this a disgrace?

 

(c) Tr. by Waldemar Gouws / 2015 of the unpublished poem ‘skaamkennis van die aand’ of Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach. Vertaling in Engels

Saturday, June 27th, 2015

Breyten Breytenbach. Translated to Enlish by / vert. deur Waldemar Gouws

 

poem

take me through a zone of snow
farmlands with bales of hay in summertime
where birds eat the patches of words
then swarm to rhythms in motion
towards clearness, towards some clearness

take me back over the courses of a life
where loved ones lie with decayed faces
in cribs of dust
show me the purpose of the tortoise tracks in the sand
let me see the stars another final
first time blessing the earth
with clearness, with thirsty clearness

let me grasp how the wind hangs out
flags and joys for the fluttering
in the tremor of tree tops
let me hear the child cry
the boy’s laugh on his way to school
the lament of the hailer of darkness at night
for clearness, for the dream of clearness

let me stretch this body for a while yet
over the folds and the sighs of a woman
let the quivering of the spinal column be a flame
it’s all right that dark like day against the window glass
sheds the recalled in seed of forgetting
and that love and grief were mentioned
for the sake of clearness, for the sake of the silent song of clearness

take me to the highest mountain
let me carry stones in my trouser pockets
fit the wings of plastic across my shoulders
that I might soar where everything blue crackles
and only the empty level sea-mirror glitters
of clearness, of the blinding quality of clearness

lower me into the deepest well
where walls are damp from the searching of hands
for the moon that like a thought
is bobbing faceless in the deep’s dark
string the flow of words like a rope around my neck
and let me hang from the raw intertwinement of clearness

but let me sit squatting in silence
let it all come and go
let me forget and be absorbed in coming and passing away
let me hear the heart swobbling in the void
as it is a journey, a space of breath
of clearness, oh the clearness

 

(©Tr. by Waldemar Gouws / 2015 of the unpublished poem “gedig” of Breyten Breytenbach)

 

 

Breyten Breytenbach. “en skielik is dit stil”

Monday, February 9th, 2015

en skielik is dit stil

(André, 7 Februarie 2015)

 

1.

miskien was jy bly dat dit byna verby was –

die lang vlug                             (die lewensvlug)

na misverstande

na mooi maniere van ander na die mond te praat

 

miskien het jy uitgesien na ‘n tuiskoms –

dat Europa uiteindelik koud en bar is

onder haar kors knarsende ys,

om in die koestering van ‘n berg

en onder dekruimtes van sterre

weer hitte in die litte te kry

 

miskien het jy deur die patryspoort gesien

hoe naak en klipperig begelei ‘n maan

in haar voleindiging

die metaalvoël se donker roete

 

miskien het jy kortpad gevat toe

ophou-lewe toe daar bo

omdat jy tog al halfpad was

na die doodsengel se skryfkamer

 

 

2.

wat afkom aarde toe

is soos alle geskrifte in vuur geuiter

maar net ‘n onvoltooide manuskrip sonder sin

geprewel met ‘n verbrande tong

 

is maar net die lyk

wat nou sonder skynsel is

en woordeloos stof sal word

 

miskien sal kewers ‘n stanza bou

in die holte in die grond

om daar te paar

soos brandende tonge

en vir mekaar verhale te vertel

as vormgewing van die donkerte

se woordelose geknetter

 

(c) Breyten Breytenbach / 07 Februarie 2015

 

Abdellatif Laâbi. “J’atteste” (Vertaling deur Breyten Breytenbach)

Wednesday, January 14th, 2015

Abdellatif Laâbi

 

Hierdie woorde, ‘n nederige gebed dat die barbarisme

nie hoop ook sal vermoor nie

 

                                                ek getuig

 

ek getuig net Hy wie se hart bewe

van liefde vir sy medebroermense

sal ‘n mens kan wees

net Hy wat vuriglik méér vir hulle

as vir homself wil hê

vryheid, vrede, waardigheid

net Hy wat Lewe as heiliger

beskou dan sy geloof en sy gode

ek getuig slegs Hy

wat onverpoosd

die Haat in hom en om hom bestry

sal mens kan wees

slegs Hy wat hom afvra

wanneer sy oë oopgaan op die môre

wat gaan ek vandag doén

om te sorg ek behou my waarde en trots

as mens?

 

(Uit Frans vertaal deur Breyten Breytenbach)

*

 

Ce texte, une humble prière pour que la barbarie ne tue pas jusqu’à l’espoir

 

J’atteste

J’atteste qu’il n’y a d’Etre humain

que Celui dont le cœur tremble d’amour

pour tous ses frères en humanité

Celui qui désire ardemment

plus pour eux que pour lui-même

liberté, paix, dignité

Celui qui considère que la Vie

est encore plus sacrée

que ses croyances et ses divinités

J’atteste qu’il n’y a d’Etre humain

que Celui qui combat sans relâche la Haine

en lui et autour de lui

Celui qui dès qu’il ouvre les yeux au matin

se pose la question :

Que vais-je faire aujourd’hui pour ne pas perdre

ma qualité et ma fierté

d’être homme ?

Abdellatif Laâbi

10 janvier 2015

 

Breyten Breytenbach. Huldeblyk: Tomaz Salamun (1941 – 2014)

Friday, January 2nd, 2015

Tomaz Salamun : 7 Januarie 1941 – 27 Desember 2014

 

Enkele dae gelede, so op die stert van die sterwende jaar (wat in doodstuipe nog steeds vloedwaters kon ontketen en vliegtuie uit die lug kon klap), het Tomaz Salamun sy dansskoene aangetrek en ligvoet tussen die sterre verdwyn. Miskien het hy besluit, « tot hier toe en nie verder nie. » Miskien het hy gevoel die duiseligheid en die verlies van ewewig is te veel ; dat dit nie die moeite werd is om te lewe as mens nie eens meer ‘n boek kan lees nie.

Ons verloor ‘n groot digter. Die merkwaardige is dat sy gedigte seker nou eers tot hulle enigmatiese en eie skoonheid gaan ontplooi. Vanaf die heel eerstes was hulle gekenmerk deur ‘n speelsheid, ‘n grensloosheid, ‘n verbeeldingsgebied wat in byna enige denkbare rigting kon strek, ‘n intelligensie en ‘n ‘logika’ wat die poësie vanselfsprekend gemaak het en slégs in die poësie kon lewe.

Natuurlik was die wêreld waarbinne hy opgegroei het, van oorloë en onderdrukking en mal ideologiese konstrukte en musiek en ‘n intense belewing van die absurditeit van menswees, ‘n vormende invloed –  as ‘Joegoslaaf’ (‘n suiderse Slawiër volgens die betekenis maar eintlik netsoveel van ‘n kunsmatige samevoeging as om ‘n Suid-Afrikaner te wees) van Sloweense afkoms uit ‘n kunssinnige familie, wat sonder komplekse of vrees vir die uitdoof en dood van die stam (daar is net ‘n raps meer as twee-en-‘n-halfmiljoen Sloweniërs) in sy moedertaal, Sloweens, bly skryf het. ‘n Wêreldburger – hy het seker ten minste vyf tale vlot gebruik ; ‘n ontwortelde burger van die Middelwêreld. Iemand wat nie gely het aan kopkolonisering nie en nie slaafs of kritiekloos die ‘vreemde’, solank dit maar eksoties en van ‘elders’ is, probeer naboots het nie. Iemand wat met humor vir jou kon verduidelik waarom Zizek byvoorbeeld, ‘n tydgenoot uit dieselfde wêrelddeel, ‘n holle vermaker is.

Enkele aanhalings uit die voorwoord van Christopher Merrill tot die keuse, in vertaling, van Salamun se gedigte (« The Four Questions of Melancholy »). Charles Simic (ook eens ‘n Joegoslaaf) wat verduidelik – « Here is something we can all count on : sooner or later our tribe always comes to ask us to agree to murder. » Salamun self, in « Folk Song » : « Every true poet is a monster, he destroys people and their speech. » Dalk het hy hom ook as ‘n monster ervaar, en as ‘n « sfeer wat deur die hemele spoed. » (En ek onthou van die foto’s wat Salamun se vrou Metka Krasowek die aand geneem het toe Ko Un so wild gedans het in die sleepwa wat ons agter ‘n trekker terug opstal toe vervoer het onder die sterre, van die strepe lig vasgelê op film soos dansende ‘engele’ om die dansers in die nag. Weer Simic : « The lyric poet is almost by definition a traitor to his own people. He is the stranger who speaks the harsh truth that only individual lives are unique and therefore sacred. He may be loved by his people, but his example is also the one to be warned against. The tribe must pull together to face the invading enemy while the lyric poet sits talking to the skull in the graveyard. »

 

by die heengaan van Tomaz Salamun, 27 desember 2014

 

« l’amour est fort comme un poème »

Carmen, Bizet

 

« Little robin,

  bones pinned to the cosmos.

  Who whistles, who calls ? »

(Untitled), Tomaz Salamun

 

1.

die mens se blouskrif loop tot waar die reis

verskiet in sterre

en nie verder nie

onderweg fluit nagvoëls in die kreupelhout

branders staan op om te swel en breek

laat seisoen wanneer dae saamkrimp

sal daar soms berge wees

gestolp onder ‘n laag sneeu

van mymering of ‘n geheue

aan ewige lewe

en nie verder nie

 

niks is verklaarbaar in die worp woorde nie

maar wanneeer die nag uitskei in dag

is alles aanwesig

soos dit nog altyd was

 

bome, ‘n snawelmaan getower uit rook

ook skaduwees en kinders se helder klokklanke

en nie verder nie

 

die mens kry sy laken

wat ‘n seil pas by die lyk

 

sy kis as sloep vir die gedagdroomde vaart

oorkant toe

 

en niks verder nie

 

 

 

 

2.

ons was saam hier voor die nag se oneinde
om te tuur in daardie ruimte

waar ‘n wenteling sononders

in die kolk verdwyn

 

en net die knettering skroeisels oorbly

as flonkerpetale oor ‘n swart tafeldoek

 

ek lig ‘n glasie op die stilte van jou verkoolde lippe, vriend –

al het die kyk my oë verblind

en is daar niks meer om te sien nie

 

 

3.

… het onthou van die halfmaanmuur

in die onderste tuin

waar twee suurlemoenboompies

nou skuilte soek

 

… daar byna uitgevee deur seisoene

geskryf sien staan :

 

rug téén die muur

van bergwindkoue uit die noorde

anderkant die grens om ballingskap

 

om die rug te draai

en oor einders te soek

na gerugte van vryheid

 

*

 

En hierdie huldigingsgedig van Bill Dodd :

 

For Tomaz Salamun

 

you’ve gone out now into your own

uncanny logic

where trees are trees and not trees

and looking is absorbed into light

 

we imagine you there

one step ahead of angels

two of devils

your tuft of grey hair

flapping in interstellar breeze

your boyish grin

as you show them

you have not died at all

but simply sidestepped

that dull thing called time and place

 

by now you’re ready again to

sneak up behind us

spring a fifth question of melancholy

vanish into your next impossible world

before we can turn

 

you always had so many lined up ahead

a world or two per poem

and since they all need winding up

from time to time

we know we’ll always glimpse you there

whizzing through your volumes

turning ineffable keys

clocking in and out of nowhere

leaving us gasping

a page behind

 

but grinning back at us

teasing us on—

 

‘the dance is here, there,

dance it,

dance it now!’

*

 

(c) Breyten Breytenbach / Desember 2014

Marlies Taljard: Met linte van sterre en sinne

Friday, December 12th, 2014

Vir Aardklop 2014 het Evette Weyers ʼn uitstalling van beeldhouwerke saamgestel met die tema “Letterlik en figuurlik”. Die meeste van die werke op uitstalling het op een of ander wyse aangesluit by taal, letterkunde en veral by die poësie. Baie van die werke was letterlike uitbeeldings van Afrikaanse idiome of segswyses, soos “die beste voetjie voor sit”. “Kaalvoet oor die Drakensberge” is ʼn beeld van voete met Voortrekkerkappies op en die “Drakensberge” in die agtergrond waarop ʼn verhaal oor Afrikaans geskryf is. Een van die interessantste beelde op die uitstalling was ʼn speelse konseptuele beeld oor transformasie, “Recycling of a Cycle”. Weyers beskryf dié beeld soos volg:

“My eerste poging in 1986 het plat geval oor die die saadjies nie goed gespruit het nie. Ek het my ou fiets op ʼn beeld-staander gemonteer, asof dit ʼn beeld was. Met vriende het ons die fiets losweg met klei bedek en met saadjies besprinkel wat daagliks natgemaak moes word, sodat die sade uitspruit. My idee was dat die fiets ʼn kunswerk word, en die kunswerk dan ʼn maaltyd word wat ons, formeel geplaas om die beeld, saam sou eet.”

Hierdie keer het die saadjies wel ontkiem (in my kombuis) en die beeld het inderdaad ʼn maaltyd geword. Drie van ons het dié beeldmaaltyd geëet. Evette skryf verder:

“Kuns het te doen met metafore en soms met die transformasie daarvan. Tydens die ysige winter in die Eerste Wêreldoorlog, het die beroemde skilder, George Braque, die eerste keer gesien hoe ’n mens ʼn water-emmer vol gate steek en vol brandende kole pak om dit te transformeer in ʼn verwarmer, en sodoende te oorleef in die koue. Dit het hom terdeë laat besef hoe vorm, funksie en betekenis kan transformeer. Hy het hierdie beginsel in sy briljante kubistiese skilderye toegepas.”

Nog ʼn beeld wat my al vantevore getref het weens sy wyd uitkringende assosiasies en intertekste, is Die Klank van ʼn stukkende gedig, gebaseer op ʼn gedig van Breyten Breytenbach, stukkende gedig uit sy eerste bundel Die ysterkoei moet sweet. Dit is ʼn bekende feit dat Evette Weyers besondere inspirasie uit Breytenbach se poësie put en dikwels deur middel van haar beeldhouwerk met hom in gesprek tree. Sy beweer: “Sy verbysterende kreatiwiteit lig my op tot hoog bokant myself.” Die feit dat Weyers uitgebreid oor haar kuns skryf, dra natuurlik daartoe by dat die breër publiek insig verkry in haar werkwyse en verdig op teoretiese vlak die intertekstuele weefsel van spesifieke werke. Dit is byvoorbeeld algemeen bekend dat haar man, Marius Weyers, die stukkende gedig op ʼn kleiblad geskryf het (omdat sy beweer haar eie handskrif is te onleesbaar). Toe die klei droog was, het sy die kleiblad gebreek, en dit word toe letterlik ʼn stukkende gedig. Daarna het sy gaatjies gesteek in elke skerf en dit aan ʼn spiraal opgehang as roer-beeld. Die skerwe stamp klingelend teen mekaar as die wind waai. Sy skryf: “Bo-op die spiraal het ek ʼn vereenvoudigde figuur van Breyten geplaas, as ʼn Boeddha, met sy 16e September pampoen in sy skoot; hy is net so kaal gestroop soos hy in die gedig is.”

Om die Breyten-figuur bo-aan die beeld akkuraat te kan interpreteer, moet die kyker egter ook kennis dra van die invloed van Zen-Boeddhistiese denke op Breytenbach se werk. Ook kennis van die interteks “16 September 2001” uit die bundel Die windvanger verruim die betekenis van die gedig. 16 September is natuurlik Breyten se verjaarsdag wat dikwels in sy werk gedokumenteer word. Die gedig waarna hierbo verwys is, begin só:

ʼn Man het vir hom ʼn pampoen gekoop op die Union Square

Market in New York City vir sy verjaardag die sestiende

September ʼn geboorteglips moet herdenk en gevier word daar

is nie meer baie oor nie en die wêreld word koud om ons.

In die nag kon die man nie slaap nie, “Hy het opgestaan en buite op die balkon / op sy hurke by die pampoen gaan sit” en met hom begin gesels. Toe die pampoen egter begin huil, gooi hy hom af

En polisie en

soldate het gekom met ʼn geloei uit die doderyk en met maskers en

masjiengewere en skynwerpers en die man soos ʼn vlieg vasgespeld

teen die muur van die balkon.

 

Die man begin hom verdedig, en die gedig sluit dan met die woorde:

Dis maar net ʼn storie en kyk hoe

stukkend lê die woorde nou! Wat sal ek tog hê om te onthou van

my verjaardag die sestiende september in New York City?

 

Met die geklingel van die stukkende gedig in my ore, onthou ek egter ook nog kommentaar wat Evette oor ʼn ander beeldhouwerk, “Gebruiksaanwysings” (ook na aanleiding van ʼn Breytenbach-gedig) geskryf het. Hierdie kommentaar kan ewe goed op die beeldhouwerk “die klank van ʼn stukkende gedig” (asook op baie ander van haar beeldhouwerke) van toepassing gemaak word. Eers die gedig:

 

Gebruiksaanwysings

eers kom die wind

die voël die vis die boom

die kind (die wind)

en ʼn begin van woorde

wat kleuterkleure aan geheue bind

met ʼn lint van klanke

 

die sterwe kom uit die lyf

soos getye tyd gestoot

deur ʼn larwe lewe van sterre en sinne

gestring aan wat om die oog

se einders knetter en brand

die verstrengelde voël, die vaste vis,

die ketter,        die kindse kind

die asem         weemoed

die hand          ʼn blinde hond

snoep-snoet teen        die bederfenis

 

van soet wind

 

En dan Weyers se kommentaar:

“Breyten is soos ’n rukwind wat deur jou huis en haard waai, deur jou oerwoude en landerye, deur die vergete boorde van jou verbeelding. Die betekenis vir my lê in die vrugte wat losgeruk is, dakplate wat soms afgewaai het, alles wat oopgekloof is en die klokke wat hy laat beier het. Die eggo’s van assosiasie, wat wyer en wyer uitkring deur jou lewe. Dit is reeds die persoonlike intimiteit van ’n gedig. Om ʼn logiese betekenis te moet skep is ’n heel ander reis, met sy eie openbaringe. Kortliks, die gedig begin as asem, lewe. Met linte van sterre en sinne string Breyten die heelal se ontstaan aan lewensiklusse van larwe tot mens, van sein en bewussyn tot kwyn en verdwyn. Vir my ruik die “soet wind” aan die einde van die gedig na katjiepiering, want so ruik die dood, volgens ʼn vriend wat op die grens geveg het. Maar steeds bly die grootste betowering van ʼn gedig vir my dat dit so evokatief is.

“Breyten is kreatief só aansteeklik. In antwoord op sy Lappaseit-doekboeke het kunstenaars hulle sluise oopgetrek, hulle riviere laat vloei en musiek gemaak om dit te vier. Die gedigte is getoonset en op CD vasgelê. Party van ons het beelde van die gedigte gemaak. Die toneelstuk Wemeltong, op die KKNK, was manjifiek. Dit gebruik bloot die teks van Breyten se doekboeke as ʼn toneelstuk, met die doekboeke self as deel van die stuk.

“Ons as lesers, toeskouers en toehoorders moes iets mooi skep om ons balans te behou te midde van soveel kreatiewe uitmuntendheid. Ons moes iets skep om ons aan die aarde te anker, anders sou ons wegwaai met die volgende orkaan van ʼn gedig.”

Besonder veelseggend is dat die beeldhouer dit as haar opdrag beskou om in gesprek te tree, te antwoord op die kunswerk van ʼn ander digter. Dat sy spontaan reageer op ander kunswerke wat haar ontroer. Hierdie is ʼn Ars Poetica, ʼn verhaal oor die werking van die muses.

Die meetsnoere het vir my in lieflike plekke geval

Die meetsnoere het vir my in lieflike plekke geval

ʼn Beeld wat baie Aardklopgangers aangegryp het, is die pragtige “Die meetsnoere het vir my in lieflike plekke geval”. Volgens die beeldhouer het sy weer eens haar inspirasie vir dié beeld geput uit ʼn bundel van Breyten Breytenbach, hierdie keer uit nege landskappe van ons tye bemaak aan ʼn beminde. Die laaste afdeling van hierdie bundel heet die meetsnoere het vir my in lieflike plekke geval. Dit bevat gedigte oor afskeid, verganklikheid, verval en die dood. Enkele strofes teen die einde van die afdeling uit die gedig die titel is: ʼn belydende woord uit die dood het my opgeval as deel van ʼn moontlike huiwerige interpretasie van die betrokke beeld:

woorde? landskap? wysie?

dis maar net ʼn netvlies refleksies

soos flitsende spieëls vir kommunikasie

met die ander land, kyk, die goud

is son wat gebeen het in die aarde

maar ruite is sonbriewe waarin jy

die verblindendste betekenisse kan lees

(…)

ek sê nog: die ewigheid

is om aan te hou vervel deur ʼn landskap

van oase na fontein langs trajekte

van klank, ʼn lied is ʼn roete,

(hierdie is my lied)

die land loop by my oë uit,

die meetsnoere het so mooi vir my geval[.]

 

In die laaste afdeling van die bogenoemde bundel word die dood as landskap uitgebeeld. Dikwels is die landskap egter ook die liggaam, want dit is juis die liggaam wat aan sterf onderworpe is. In Psalm 16:6 (Ou Vertaling), waar die woorde “Die meetsnoere het vir my in lieflike plekke geval, ja my erfenis is vir my mooi” oorspronklik verskyn, word inderdaad na ʼn land(skap) verwys. Die woord wat vertaal word met “meetsnoere” is die Hebreeuse woord “chebel” wat gebruik is vir ‘n maatlyn met knope daarin aangebring om lengte te meet soos wat ‘n gebou of ‘n kleinerige stuk grond gemeet sou word. In Weyers se beeld is die landskap die liggaam soos dit dikwels ook in die letterkunde as metafoor gebruik word. Die digter Dawid (die Psalmdigter) word by haar ʼn losstaande beeld wat oor die vrouebeeld hang en wat verplaas kan word, al na gelang van welke deel van die liggaam hy wil beskou. Om die vrou is die “meetsnoere” – die pragtige snoer met knope gedrapeer wat ons nog al koffiedrinkend in ʼn kafeetjie in Stellenbosch geknoop het voordat die beeld die eerste keer op uitstalling gegaan het …

Met hierdie blog het ek probeer aantoon hoe ryk die intertekstuele netwerk rondom moderne kunswerke kan word, veral weens moderne media wat dit moontlik maak dat so baie stemme gehoor kan word, so baie kommentaar verreken word en so baie tekste binne sekondes opgespoor kan word.