Posts Tagged ‘Brieven aan O.’
Monday, August 9th, 2010
Ha O.,
Uit ons telefoongesprek zojuist maak ik op dat ik in mijn vorige brief niet overal even helder ben geweest. In deze brief dus een toelichting.
 Elliott Smith
Op Youtube staat een filmpje waarin singer/songwriter Elliott Smith zijn houding ten opzichte van het schrijven (van liedjes) uiteenzet. Hij zegt in dat filmpje twee interessante dingen. Het eerste is de opmerking dat hij niet zozeer is geïnteresseerd in melodieën, maar veel meer in vormen. Hij bedoelt daar (denk ik) opeenvolgende akkoorden mee, en uit het filmpje blijkt ook dat hij lang niet alle akkoorden en grepen bij naam kent. Met andere woorden: hij zoekt bij het schrijven van liedjes eenvoudigweg naar de klanken en de bewegingen van klanken die hem bevallen - en kennelijk visualiseert hij die in vormen, beelden. Dat vind ik interessant omdat veel beeldende kunstenaars, Kandinsky bijvoorbeeld, het tegenovergestelde proberen: zij proberen muziek weer te geven in hun beelden.
De tweede interessante opmerking sluit hierop aan. Dit soort kunstenaars waagt zich op onbekend terrein. Onbekend voor henzelf, in ieder geval. Daar heb je lef voor nodig. En een zekere eigenwijsheid. Elliott Smith zegt in het filmpje dat je bij het schrijven niet teveel moet letten op wat anderen ervan vinden. “You like it, don’t you? So there must be something good about it,” citeer ik hem uit het hoofd. Ik denk dat grote kunst alleen kan ontstaan als de kunstenaar uitgaat van zijn eigen smaak, zijn eigen ideeën – en die alleen. Er zullen in zijn tijd vast veel mensen zijn geweest die vonden dat Satie rare zweefmuziek maakte. Denk je eens in wat er zou zijn gebeurd als hij zich die kritiek had aangetrokken. Niets! Hij had misschien gangbare muziek geschreven, in overeenstemming met de mode van zijn tijd. En we zouden het nu niet meer over Satie hebben.
Je haalde op je kaartje Herman Gorter aan, dat vind ik ook een sterk voorbeeld. Bij het schrijven van Verzen, schreef hij eens aan een vriend, wachtte hij met schrijven tot hij de gedichten hoorde klinken. Pas dan begon hij te schrijven. En als hij ophield, was dat omdat hij ‘óp’ was. Het resultaat is een van de meest eigenzinnige en gewaagde bundels die ooit in het Nederlands zijn geschreven. Hij heeft het er in de tijd dat de bundel verscheen (1890) niet gemakkelijk mee gehad. De kritieken waren honend, en zijn leerlingen (hij was toen leraar) pestten hem bijvoorbeeld met de opmerking dat ze hun ‘pennige pen-pen’ op de grond hadden laten vallen. Maar hij bleef radicaal vertrouwen op zijn eigen smaken en voorkeuren, zijn eigen instinct, en precies dat maakt hem naar mijn mening tot een van de grootste dichters die ons land heeft gehad.
Dat bedoelde ik in mijn vorige brief met de waarde van polemiek. Grote kunst is altijd polemisch, omdat het anders is. En het is groot omdat het dat anders-zijn heeft moeten veroveren op de omgeving, op de heersende smaak, en zodoende die heersende smaak heeft veranderd. Maar die eigen smaak en die eigen opvattingen, daar word je niet mee geboren. Die moet je ontwikkelen. En je ontwikkelt je smaak alleen als je met veel kunst kennis maakt, erover nadenkt – en erover discussieert. Het gaat er m.i. in een goede polemiek niet primair om de tegenstander te overtuigen. Het gaat om het kennis maken met, en wegen van, argumenten.
Het zal je misschien gek voorkomen, mij een lans te horen breken voor eigenzinnigheid en polemiek. Je kent me, en je weet dus dat ik van mezelf niet erg polemisch ben - integendeel. Dat zie ik eerlijk gezegd ook als mijn grootste handicap, en daarom moet ik bovenstaand, dat voor anderen misschien een open deur is, mezelf voortdurend voorhouden om überhaupt iets op te kunnen schrijven.
Smaken en voorkeuren zijn (als het goed is) voortdurend aan ontwikkeling onderhevig. Dat gebeurt onder invloed van andere smaken en voorkeuren. Er zijn naar mijn idee ook veel dichters die juist teveel op hun eigen instinct vertrouwen; die hebben misschien wel talent, maar ze vergeten dat talent te ontwikkelen. Je moet volgens mij, als je ooit ‘grote’ poëzie wil schrijven, óók voortdurend je eigen smaken en voorkeuren ter discussie stellen. De vraag is dus eigenlijk: hoe kun je tegelijk onder alle omstandigheden op je eigen smaken en voorkeuren vertrouwen, als je ze ook voortdurend ter discussie stelt? Mijn voorlopige antwoord is: er moet een focus zijn. Voor Gorter was dat uiteindelijk het communisme, voor Elliott Smith was dat, stel ik me voor, het plezier in het maken van de ‘vormen’.
Maar het blijft een zoektocht, schrijven – en een worsteling, kan ik je vertellen. De ene keer vind je wat je zelf hebt geschreven prachtig, de andere keer is dezelfde tekst troep. Je kunt eigenlijk helemaal niet op je eigen oordeel vertrouwen. En al helemaal niet op het oordeel van een ander. Want je weet nooit of hij, als hij zegt dat iets ‘mooi’ is, hetzelfde bedoelt als wat jij met dat woord bedoelt. En toch heeft Elliott Smith gelijk. Als iets mooi is, wéét je het. Du Perron schreef eens: “Maar tenslotte zijn onze gevoelens wel het meest onfeilbare in ons, ontegenzeggelijk; het minst bepaalbare, het veranderlijkste en, als het er op aan komt, het zekerste.”
Hartelijks,
(Edwin Fagel)
Sunday, July 18th, 2010
Ha O.,
Inderdaad heb ik de rol die poëzie in mijn leven speelt tijdens deze briefwisseling herhaaldelijk vergeleken met het geloof. Dit vanuit de gedachte dat het geloof zin geeft aan het leven van de gelovige, en dat de gelovige inspiratie haalt uit het geloof. Dat leek me vergelijkbaar met mijn houding t.o.v. poëzie. Maar nu ik dat zo van jou terug hoor klinkt het eigenlijk nogal aanmatigend. Ik heb te weinig ervaring met in God geloven om te weten hoe dat precies zit bij een gelovige. Dus ik weet ook niet in hoeverre mijn vergelijking klopt.
Hoewel ik uit een katholiek gezin kom, en ik ook tot mijn zestiende katholiek onderwijs volgde, is het geloof mij met weinig overtuiging bijgebracht. Met als gevolg dat ik ophield met geloven zodra ik over de Bijbel en het geloof begon na te denken. Feitelijk weet ik dus niet wat dat is, uit volle overtuiging geloven. Maar ik heb vaak gewild dat ik gelovig was, omdat de zinloosheid van het leven niet altijd even goed te dragen is. Poëzie helpt daarbij, een beetje. Ik dacht dat mijn liefde voor poëzie vergelijkbaar was met de liefde die een gelovige heeft voor God. Maar dat is een vergissing, geloof ik.
Poëzie is voor mij uiteindelijk niet meer dan een middel. Een middel dat me helpt grip te krijgen op de krankzinnige onderneming die het leven toch feitelijk is. Ik ‘geloof’ niet in poëzie, en poëzie is ook niet hetgeen mijn leven zin geeft. Dat is, hoe pathetisch het ook klinkt, het leven zelf. Het leven zelf fascineert me, in alle nuances en details. En kunst, alle kunst, toont deze nuances en details, o.a. door ze te isoleren. Door kunst ervaar ik (je, men) het leven dieper. En het biedt me tegelijk soms inzicht, soms troost, soms onderwijst ze me, soms spreekt ze me bestraffend toe. Net als God, denk ik soms – althans, als daar die vaderlijke, menslievende herder mee wordt bedoeld die ik in mijn jeugd altijd kreeg voorgeschoteld.
 E. du Perron (1899-1940). Foto (c) Erven E. van Moerkerken
Zodra er geloof in het spel is, zeg je, wordt een discussie daarover al snel een welles-nietes – je gelooft wel of je gelooft niet - en dus oninteressant. Je weet dat ik bewonderaar van E. du Perron ben, o.a. vanwege zijn polemische talent. Ik hoef je dus niet te vertellen dat ik vind dat polemieken heel waardevol kunnen zijn. Een volwaardige tegenstander die met gebruik van alle middelen probeert jouw standpunten onderuit te halen is voor iedereen, en zeker een kunstenaar, een zegen. Het dwingt je namelijk je eigen standpunten voortdurend kritisch te bekijken, en op die manier zo scherp mogelijk je eigen positie te bepalen.
De discussie over of God wel of niet bestaat – ik weet niet of die vruchtbaar is. Maar de discussie over wat poëzie is, wat goede poëzie is, welke rol poëzie speelt (of zou moeten spelen) in de maatschappij, om maar eens wat onderwerpen te noemen – dat zijn discussies die wat mij betreft op het scherp van de snede uitgevochten dienen te worden. Dit soort discussies zijn uiteindelijk van levensbelang. Niet om de poëzie. Maar om wat zij vertegenwoordigt. Dat deze discussies in dit tijdsgewricht eigenlijk vooral op een nogal lullige manier worden gevoerd (je noemde de Verstaanbaarheidsdiscussie, maar jij en ik kunnen allebei nog wel een paar voorbeelden noemen) getuigt, vind ik, van armoede.
‘Twist met ons, twist niet met mate’. Nijhoff, als ik me niet vergis. Precies dat waardeer ik aan onze briefwisseling, en ik hoop daarom dat je me nog veel van repliek wil dienen. Ter Braak verloor uiteindelijk zijn geloof in de polemiek (volgens Ewoud Kieft tenminste, in zijn studie Het Plagiaat) en ook ik zie dikwijls discussies voorbij komen die me de moed in de schoenen doen zinken. Maar dat zullen we dan maar beproevingen van het geloof noemen.
Als altijd hartelijk,
je
(Edwin Fagel)
Tuesday, June 22nd, 2010
 Au Lapin Agile
[1]
Hoi Edwin,
Als je weer eens in Parijs bent, is Au Lapin Agile een mooie plek om naartoe te gaan. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam Picasso hier veel, en een decennium later Du Perron. Nu is het een toeristisch ding, maar het cabaret is er nog steeds heel erg goed.
Bij het Gare du Nord werd ik aangesproken door een man van middelbare leeftijd. Hij wilde me bekeren. Omdat deze man me heel aardig leek, en hij oprecht begaan leek met mijn zielenheil, heb ik even de tijd genomen om met hem te praten. “Als ik kon,” zei hij, en hij maakte er de bijbehorende handgebaren bij, “dan zou ik mijn geloof vanuit mijn hart in het uwe planten.” Ik heb afscheid van hem genomen omdat M. in het hotel op me wachtte, de man bleef me nakijken tot ik de straat uit was.
Daardoor moest ik aan jou denken. Jij vergelijkt de manier waarop jij kunst beleeft consequent met het geloof. En als het op geloofskwesties aankomt, wordt het al snel een welles nietes. Ik denk dus dat het inderdaad het beste is het bij je slotopmerkingen daarover te laten. Maar net als jij wil ik dat niet doen zonder citaat. Maar dat moet even op een volgend kaartje.
 Parijs
[2]
Dit gedicht over kunst en werkelijkheid komt uit de nieuwe (prachtige) bundel van Wouter Godijn, Wiegeliederen en blaasmuziek. Het vat onze discussie tot nu toe volgens mij mooi samen. En relativeert hem tegelijkertijd:
De echte wereld
Moet je die boom zien, natuurlijk
is dat een echte boom. Daar kun je toch niet aan twijfelen?
Die dikke, vaderlijke stam,
die diepgravende wortels,
die breed uitwaaierende bladerenkroon.
Het summum van boom, de oerrrrrrr-boom,
zo’n boom zoals je als kind
tekende (en dus niet echt).
En die vrouw, moet je haar borsten zien haar tieten net de zon, als je er lang naar
kijkt zie je niets meer behalve… behalve haar…
Zo’n vrouw, daar wil je toch mee dan ga je je toch niet zitten afvragen of zo’n
vrouw wel echt…
Wat?
O.
Wist ik
niet.
Nee,
ik wist niet dat u er zo tegen aan keek.
Absoluut niet.
Nee.
Neenee… Ja,
dat verandert de zaak.
Uw redenering is me nu glashelder.
Het lijkt of ik me in een donkere kamer bevond
tot u het licht ontstak.
U hebt me volkomen, maar dan ook vól-kó-mén overtuigd.
Nederig
kniel ik voor u in het stof. Nederig. Wat
kan ik nu nog zeggen? Dat
de verschijnselen spelen?
met ons, trillend van hartstocht
verschijnen ze, maar zodra
we ze benaderen snellen ze
weg – zoals uw argumenten.
Kijk daar! Een echte luchtspiegeling!
(Uit: Wouter Godijn: Wiegeliederen en blaaskikkermuziek, Uitgeverij Contact, 2010)
Ik moet nu nog even wachten op M., hij staat onder de douche. We gaan straks naar het Centre Pompidou, eindelijk ga ik die Picasso waar je zo enthousiast over was in het echt zien. Het weer is hier trouwens
 Centre Pompidou
[3]
heerlijk, we hebben gisteren de hele dag rondgehangen in Montmartre, rond de Sacre Coeur.
In de trein hier naartoe trouwens een lange discussie met M. gehad, over onze briefwisseling. M. vindt dat je, als je het in je brieven over poëzie hebt, het alleen over een bepaald soort poëzie hebt. Bij veel dichters is de interpretatie wat minder problematisch dan jij voorstelt. Dus: hoezo heeft de dichter geen invloed op hoe de lezer zijn gedicht begrijpt? Dat komt natuurlijk neer op die ellendige Verstaanbaarheidsdiscussie (hoe denk jij daar trouwens over?). Ik heb geprobeerd jouw standpunt uit te leggen, maar daarbij merkte ik dat ik een aantal zaken niet goed kan plaatsen.
Je schrijft bijvoorbeeld dat je als dichter niets met je lezer hebt te maken. Houd er dan ook rekening mee, zou ik zeggen, dat de lezer zal vinden dat hij niets met je gedichten heeft te maken - en dat hij ze links zal laten liggen. En zonder lezer ben je geen dichter. Je identiteit wordt door je omgeving bepaald, niet door jezelf. Dat weet jij ook. Mij kun je dus niet wijsmaken dat het jou niet kan schelen wat andere mensen van je gedichten vinden. Ook jij trekt je de reacties van lezers aan. En dat lijkt me logisch. Me dunkt dat de dichter alles met zijn lezer te maken heeft. Anders lult hij maar wat in de ruimte.
Weet je trouwens dat ik Pan aan het lezen ben? Dat komt door Kees ’t Hart,
 Picasso, Au Lapin Agile
[4]
(mijn laatste kaartje), Kees ’t Hart dus, die er tijdens de Gorter-avond op Poetry International een heel bevlogen verhaal over hield. Ik weet niet meer precies wat hij zei, maar hij somde een reeks kritiekpunten op die altijd worden genoemd in het betoog waarom Pan zo’n gedrocht is (pathetisch, politiek onjuist, onsamenhangend, etc.). Toen zei hij: als ik al die eigenschappen zo eens bekijk: dat zou best eens een verdomd goed gedicht kunnen zijn! Dat vond ik interessant.
Je bedoelt dus zeker, als je zegt dat je niets met de lezer te maken hebt, dat een dichter het lef moet hebben rücksichtslos zijn eigen weg te gaan? Daarin geef ik je natuurlijk gelijk. Maar het is volgens mij zo goed als onmogelijk, als je tenminste niet als een blind paard alle reacties en recensies naast je neer wil leggen. Je kunt ook een volkomen verkeerde weg inslaan, namelijk, en dan heb je niet zoveel aan je lef.
M. staat naast me ongeduldig te zijn, ik sluit af. Leuk trouwens je weer te spreken op Poetry, maar veel te kort weer natuurlijk. Ik bel je zodra we terug zijn!
Groetjes uit Parijs dus (zou ik die nog bijna vergeten..)
O. (& M.)
(Edwin Fagel)
Monday, May 24th, 2010
Beste O.,
Als lezer heb ik niets met de dichter te maken. Als dichter heb ik niets met de lezer te maken. Mij gaat het erom wat de tekst met mij, mij persoonlijk, doet. Het is een intiem contact, dat tussen de tekst en mij. Niemand anders heeft daar iets mee te maken. En om je meteen maar voor te zijn: nee, dat leidt niet tot een al te vrijblijvende omgang met de tekst - integendeel. Juist dit gegeven zorgt er mijns inziens voor dat de dichter er zich rekenschap van moet geven dat hetgeen hij wil zeggen er ook werkelijk stáát. Anders heeft hij het niet gezegd. En dat de lezer altijd argumenten uit de tekst nodig heeft om tot een interpretatie te komen.
Woorden dragen nu eenmaal betekenis. En juist een dichter kan spelen met betekenissen, verbanden; maar – en daarin heb je gelijk - hij heeft er vanzelfsprekend geen invloed op hoe de lezer zijn tekst begrijpt. Daar moet hij zich dan ook helemaal niet mee bezig houden. Zoals de lezer zich niet bezig moet houden met wat de dichter bedoeld kan hebben. Het gaat om de tekst, en de relatie die de tekst met respectievelijk de dichter en de lezer aangaat.
Beste O., denk je nu echt dat ik schreef dat als je iets (een stoel, bijvoorbeeld) bedenkt, dat datgene dan ook direct maar bestaat, ongeacht wie de waarnemer is? Ik heb niet gezegd dat de werkelijkheid van het kunstwerk hetzelfde is als wat we dan maar voor het gemak ‘de’ werkelijkheid noemen. Wat denk je wel. Ik heb willen zeggen dat de werkelijkheid van het kunstwerk (voor mij, maar ik denk ook per definitie) net zo werkelijk is als ‘de’ werkelijkheid. Dat is niet hetzelfde. Beide ‘werkelijkheden’ zijn problematisch, zei ik, er is daarom geen reden om de ene werkelijkheid (‘de’ werkelijkheid) ‘waar’ te noemen, en de andere (die van het kunstwerk) ‘denkbeeldig’. Kunst is wezenlijker dan dat. Het is een zelfstandige werkelijkheid naast ‘de’ werkelijkheid.
 Gerard Reve
Volgens mij heb ik nu wel (voor voorlopig, althans) alles over gezegd wat ik er over te zeggen heb. Ik wil dit gedeelte van de discussie afsluiten met een opmerking uit Gerard Reves Nader tot U. Hij onderbreekt een gloedvolle erotische beschrijving met het tussen haakjes geplaatste: (- Mammie droomt hij dat nou allemaal, of is het echt? – Kind, niet zo zeuren.)
Je stelde in je brief ook nog de vraag, in reactie op mijn opmerking dat ik zoek, wáár ik dan naar zoek. Lastig daar antwoord op te geven. Waarom ervaart iemand kunst? Een begin van een antwoord dan. Er zijn geen zekerheden in dit leven; dat benadrukt deze briefwisseling ook volgens mij. Ik merk dat ik me bezig houd met kunst, en dus ook met schrijven, omdat ik zoek naar ‘houvast’, om het maar eens een beetje pathetisch uit te drukken. Er is weinig tot niets waar ik echt zeker van ben. Van poëzie ben ik zeker; al was het maar omdat ze de onzekerheid onder woorden brengt.
Volgens Vestdijk, in De toekomst der religie, streeft ieder mens van nature naar het ‘totale’ geluk. Dat is het natuurlijk ook: in gedichten, of preciezer: in de (verwoording van de) werkelijkheid zoek ik via de poëzie iets ultiems- wat dat ook moge zijn. Zoals de gelovige streeft naar het eeuwige leven. Natuurlijk weet ik wel dat ik het nooit zal vinden. De hoofdzaak is dat we bezig zijn, om Reve nog eens aan te halen.
Op je vraag naar het geweld dat gepaard gaat met het ‘scheppen’ ga ik in een volgende brief wel in, oké? Zeg tegen M. dat hij uit moet kijken voor loslopende stoelen, en ik spreek jullie allemaal snel weer!
Edwin
Wednesday, May 5th, 2010
Hoi Edwin,
Dat klopt natuurlijk niet, wat je zegt. De werkelijkheid van het kunstwerk staat vanzelfsprekend los van ‘de’ werkelijkheid.
 Het Scheppingsverhaal volgens Michelangelo
Stel: ik zet de stoel waar ik nu op zit bij de deur. Stel vervolgens dat M. met grote haast mijn studeerkamer binnenkomt, bijvoorbeeld omdat hij de tram wil halen maar zijn portemonnee ligt nog hier, zoiets. Hij zal over de stoel struikelen. En stel nu eens dat ik alleen maar bedenk, of alleen maar opschrijf, dat ik mijn bureaustoel bij de deur neerzet, en dat M. met dezelfde haast mijn kamer zal binnenkomen. We hoeven er denk ik niet over te discussiëren dat hij in dat geval niet over mijn stoel zal struikelen.
Natuurlijk volg ik je betoog wel. Je zegt dat M. alleen struikelt als hij erin gelooft dat er een stoel voor mijn deur staat, of die nu verzonnen is of niet. M.a.w.: als ik hem zó overtuigend heb verteld dat die stoel er staat, zal hij óók denken dat die stoel er staat en erover struikelen. Dan blijf ik er toch moeite mee houden dat je het zuiver individuele bestaan van je eigen gedachten promoveert tot een algemeen geldend bestaan.
Kijk. Het is natuurlijk waar dat alle waarnemingen uiteindelijk op een bepaalde plek in je hersenen worden verwerkt. Je kunt je dus inderdaad de vraag stellen hoe betrouwbaar die waarnemingen zijn (een vraag waar je trouwens nooit een definitief antwoord op kunt formuleren, omdat dat antwoord uiteindelijk op dezelfde plek in je hersenen terecht komt). Maar dat neemt niet weg dat iets óf bestaat (en dus, op welke manier dan ook, waarneembaar is), óf niet bestaat (en dus op geen enkele manier waarneembaar is). Jij zegt daarentegen: “Iets bestaat zolang je gelooft in het bestaan ervan.” Vergeef me het grapje, maar daar geloof ik niet in. Op die manier bestaat Sinterklaas ook, zolang ik maar stom genoeg ben om te geloven dat Sinterklaas bestaat.
Is dat wat jij met je poëzie probeert? Mensen te laten geloven? Waarin? In de ‘werkelijkheid’ van je poëzie? Waarom? Wat voeg je daarmee toe aan het leven van je lezer?
Het lijkt me een onderneming die tot mislukken is gedoemd. Ieder mens leeft in zijn eigen werkelijkheid. Mensen begrijpen elkaar niet, of laat ik zeggen: zelden. Misschien tref je op de honderd lezers inderdaad één ideale lezer die meegaat in jouw werkelijkheid, en die jouw werkelijkheid accepteert als ‘waar’, zoals je zegt. De kans is levensgroot dat hij jouw werkelijkheid op een totaal andere manier begrijpt dan je bedoeling was. (En voor de andere 99 lezers zijn jouw gedichten eenvoudigweg niet relevant voor hun leven.)
De door jou aangehaalde Bijbel is er wel het overtuigendste bewijs van hoe verschillend een tekst kan worden opgevat. Op basis van alleen de Bijbeltekst is er een veelvoud aan geloofsstromingen. En ook binnen een stroming is het maar de vraag in hoeverre men in hetzelfde gelooft, in hoeverre het concept ‘God’ dat de een aanhangt overeenkomt met het concept ‘God’ van de ander. Er zijn, zou je kunnen zeggen, zoveel geloofsstromingen als gelovigen. Jij zegt: “Voor mensen die in God geloven bestaat God”. Maar wat bedoel je dan nog met de term ‘God’? Daar heeft toch iedere gelovige een eigen interpretatie van? Hoe kun je zeggen dat God (voor gelovigen) bestaat, als het voor iedereen een andere, want persoonlijke God is? Wat bestaat er dan?
Zo is het ook met de werkelijkheid van gedichten, van kunst in het algemeen. Iedereen geeft er zijn eigen betekenis aan. Daarom begon ik over die nieuwsfeiten. Nieuwsfeiten vinden plaats. Er zijn mensen die controleren of de feiten zich inderdaad hebben voorgedaan, en die daar verslag van uitbrengen. Hetgeen je in kunst beschrijft, of laat zien, vindt niet plaats – of hooguit in je eigen hoofd. Het kan dus niet anders of hetgeen je beschrijft is een commentaar op, of een weergave van de werkelijkheid zoals jij die beleeft. Dat is kunst. Het is niet, zoals je zegt, van zichzelf een werkelijkheid. Dat kan gewoon niet.
Je eindigt je brief met de opmerking: “Omdat ik leef, zoek ik.” Dat klinkt natuurlijk mooi en sympathiek, maar wat zeg je ermee? Wat zoek je, of: waar zoek je naar? God? Zingeving? Een reden om gedichten te schrijven?
Als altijd je
O.
P.S. Ik kan je trouwens Een verbeelde God aanraden, een verzameling essays en beschouwingen over dit onderwerp, onder redactie van Johan Goud. In dat boek vind je een aantal betogen dat lijkt op het jouwe, en meer. Het ‘scheppen’ waar jij het over hebt, heeft ook een destructief karakter. Dat zit al in het scheppingsverhaal, maar je ziet het ook bijvoorbeeld in het werk van Picasso. Om te kunnen creëren, moest hij vernielen, vernietigen. Heb jij dat ook?
(Edwin Fagel)
Monday, April 19th, 2010
Ha O.,
 Conor Oberst
Je maakt m.i. een fout als je een onderscheid maakt tussen ‘de’ werkelijkheid, en de werkelijkheid van het kunstwerk. Waarom is kunst volgens jou iets dat buiten de werkelijkheid staat?
Ik stuur je in deze envelop ook even een kopie van de cd Fevers and mirrors van Bright Eyes. Sowieso een prachtige cd, maar het gaat me even om nummer 11, ‘An attempt to tip the scales’: een vrij kort liedje, dat echter wordt gevolgd door een (gefingeerd) radio-interview van een minuut of acht. Dit gesprek is om meerdere redenen bijzonder en grappig, niet in de laatste plaats omdat zanger Conor Oberst er de beeldspraak in uitlegt die in de teksten op de cd wordt gebruikt. Na een uitleg van de meest opvallende beelden, gaat het gesprek als volgt:
Interviewer: “How about this Ariënette, how does she fit in all this?”
CO: “I prefer not to talk about her. In case she’s listening.”
Interviewer: “O, I’m sorry. I didn’t realise she is an actual person.”
CO: “She isn’t. I made her up.”
Interviewer: “O, so she’s not real?”
CO: “Just as real as you and I.”
“Wat heeft die gesnoven?” zul je zeggen. Toch geeft dit misschien inderdaad wat vreemde gesprekje heel nauwkeurig weer wat ik bedoel. Kunst drukt volgens mij namelijk niet zozeer iets uit. Ze is. Ik bedoel dus: Kunst geeft m.i. geen uitdrukking aan een (visie op de) werkelijkheid, maar ze is zelf een werkelijkheid. Het schrijven van een gedicht zou voor mij niet de moeite waard zijn als dit niet het geval zou zijn.
Natuurlijk is het resultaat van het schrijven (tot op zekere hoogte) fictie. Oberst zegt het zelf: deze ‘Ariënette’ is geen vrouw van vlees en bloed. Maar dat betekent niet dat ze er niet is. Trouwens, is de ‘echte’ werkelijkheid, de werkelijkheid van vlees en bloed, niet net zo goed een fictie? Je sloeg me met een aantal nieuwsfeiten om de oren en impliceerde dat die belangrijker zijn dan kunst. Ik vraag me af op basis waarvan.
Je hebt alleen je vijf zintuigen om die werkelijkheid van vlees en bloed waar te nemen, en hetgeen je waarneemt wordt uiteindelijk in je hersens verwerkt. Wie zegt dat die werkelijkheid inderdaad is zoals we die waarnemen? Filosofen als Hilary Putnam wijzen daar ook op. Uiteindelijk maakt iedereen zijn eigen werkelijkheid, volgens mij. Ik zie dan ook niet wat het verschil is met het waarnemen van de werkelijkheid en het beleven van kunst.
Uiteindelijk komt het allemaal neer op de vraag in hoeverre je gelooft in hetgeen je waarneemt. Want zodra je gelooft in hetgeen je waarneemt, accepteer je datgene als ‘waar’. Dat geldt voor alles, dus ook voor kunst, ook voor poëzie. Als de kunstenaar een ‘Ariënette’ in het leven roept, en de beschouwer (of in dit geval: de luisteraar) gaat daar in mee – hoe kun je dan nog zeggen dat Ariënette niet bestaat?
Dat is mystiek. Schrijven is (o.a.) scheppen, het creëren van een werkelijkheid. Niet een ‘extra’ werkelijkheid, maar een extra dimensie aan ‘de’ werkelijkheid. En die werkelijkheid geldt noodzakelijkerwijs alleen voor degenen die deze werkelijkheid waarnemen en geloven in die waarneming.
Kunst heeft dus m.i. grote overeenkomsten met het geloof, elk geloof. Voor mensen die in God geloven bestaat God; voor mensen die niet in God geloven bestaat God niet. De Bijbel is het sprekendste voorbeeld van de scheppende kracht van het woord: “Het Woord is Vlees geworden.” Dat is volgens mij wat poëzie doet: wat geschreven staat, bestaat. Het is daarvoor nodig te geloven dat wat geschreven staat, inderdaad bestaat. (Zo bezien had Willem Kloos dat zo gek nog niet gezien, met zijn “’k Ben een God in het diepst van mijn gedachten.”).
Ik schrijf niet, denk ik, om te proberen een werkelijkheid te maken die ik in het dagelijks leven mis. Of om te proberen een (‘hogere’) werkelijkheid bloot te leggen die er wel is, maar die niet wordt waargenomen. Ik schrijf omdat ik leef. En omdat ik leef, zoek ik.
Je
(Edwin Fagel)
Friday, April 2nd, 2010
Hoi Edwin,
Er worden in Moskou mensen opgeblazen in metro’s. Mensen in Haïti creperen in tentenkampen. Het schandaal binnen de katholieke kerk wordt grotesk. De PVV dreigt een machtige partij te worden. Een meisje in Dordrecht wordt op een doordeweekse avond zomaar vermoord. Dit is een ontzettend heftige tijd, op meerdere gebieden. Waar denk jij de luxe vandaan te halen om op je kamertje te gaan zitten mijmeren over zoiets als de verhouding tussen kunst en werkelijkheid? Sta je dan niet juist los van de werkelijkheid die je zoekt?
 C.O. Jellema (1936-2003)
Je vraagt me wat ik denk dat het ‘waarheidsbeginsel’ van Jellema is. Je hebt je bedenkingen bij zijn term, maar spreekt ook het vermoeden uit dat jij en Jellema ongeveer hetzelfde bedoelen. Welk antwoord verwacht je van mij? Wil je dat ik je uitleg wat Jellema bedoelde, terwijl hij er zelf een heel oeuvre over heeft gedaan om dat onder woorden te brengen? Ik kan je alleen vertellen waarom ik je dat bundeltje toestuurde.
Of jouw ‘werkelijkheid’ overeen komt met de ‘waarheid’ van Jellema kan ik je niet zeggen. Je hebt niet gezegd wat jij met die term bedoelt. Ik zou zeggen dat Jellema’s ‘waarheid’ volgens mij in de kern religieus is – maar zonder dat het zich voegt naar de een of andere kerkelijke doctrine. Je zou het dus heel wel ‘God’ kunnen noemen, als dat woord niet zo beladen was geweest. Gorter noemde het ‘communisme’, Hadewijch noemde het ‘Minne’, Duinker noemde het ‘De waarheid waarover ik niets weet te zeggen’. Allemaal noemden ze het anders, maar volgens mij bedoelden ze ongeveer hetzelfde. En allemaal probeerden ze het via de poëzie te bereiken, of ten minste te vatten.
Ik ben ervan overtuigd dat al deze noties ficties zijn. Kennelijk hebben mensen een dergelijke fictie nodig om hun leven draaglijk te houden. Ze bedenken stuk voor stuk een ideaal en gaan daar naar op zoek. Waarom? Het dagelijks leven heeft ook zonder dat voldoende te bieden, lijkt me zo.
In een interview zei Jellema eens:
Een gedicht maken is een vorm van werkelijkheidsbeleving. Het is een manier van ‘er zijn’ die heel intens is, die ik ook heel intens beleef. Ik denk dat ik zelden zó het gevoel heb er te zijn als bij het maken van een gedicht. In die zin is het een soort creëren van een werkelijkheid.
Daar moest ik aan denken toen wij elkaar laatst spraken. En ik herhaal mijn vraag: waarom zou je een extra werkelijkheid creëren? Is de werkelijkheid die we hebben niet voldoende?
In een ander interview noemde hij het een behoefte aan ‘ontgrenzing’:
Het verlangen volledig op te gaan in mijn omgeving. Het verlangen naar het opheffen van het ik.
Ook dat roept de nodige vragen op, vind ik, want het opheffen van het ‘ik’ lijkt me tegengesteld aan het ‘er zijn’. En waar komt dat verlangen naar het opheffen van het ‘ik’ vandaan? Het is kennelijk een behoefte die meer dichters en mystici voelen – jij dus ook al. En ik snap wel dat ook dit een ‘vorm van werkelijkheidsbeleving’ is, dat hij de werkelijkheid zo intens wil beleven dat hij erin op wil gaan. Maar dan nog: is deze vorm van werkelijkheidsbeleving niet net zo goed een fictie?
De citaten van Jellema die je aanhaalde lijken me overigens helder genoeg. Als het schrijven van een gedicht het creëren van een werkelijkheid is, dan is het noodzakelijkerwijs alleen een werkelijkheid (of waarheid) binnen de grenzen van het gedicht zelf - en alleen ‘werkelijk’ of ‘waar’ voor degene die het gedicht leest (vooropgesteld dat die het óók als ‘werkelijk’ of ‘waar’ ervaart). Het gedicht kan misschien een algemeen geldende waarheid verwoorden, of dat pretenderen, maar het kan nooit een algemeen geldende waarheid zijn.
Is dat een beetje een antwoord op je vraag?
Ik sluit – net als jij- af met een gedicht. Het komt uit een bundel van Jellema die jij dus minder goed kent, namelijk In de koude voorjaarsnacht (1986), en ik kwam het vannacht – een koude voorjaarsnacht- weer tegen. Volgens mij zal het je wel aanspreken:
Ben ik jou aan de dingen kwijtgeraakt?
Weer die verstrooiing die geen woord kan bannen
voorgoed, hoe ook mijn zinnen zich inspannen
jou te beogen als een ongemaakt
beeld van aanbidding dat over mij waakt.
Boaz. De dragende. Uit vele mannen.
Aren te lezen, de korrels te wannen
van verre komend en tot nu genaakt,
zie ik je staan, de hoge, in het veld
met hoofd en schouders tot de sterren reikend
bijna, dit land bezit, jij eigenaar.
Erf, erfgenaam: in mijn vertaling waar
zolang ik het geloof, zolang ik kijkend
jouw beeld als landschap ken. En zo gespeld.
Als altijd hartelijk,
Je
O.
(Edwin Fagel)
Thursday, March 25th, 2010
Beste O.,
Erg bedankt voor Een open plek. Ja, ik ken Jellema, maar ik zou mezelf geen kenner van zijn werk willen noemen. Eigenlijk ken ik alleen die postume bundel goed, Stemtest, dat vind ik een erg mooie bundel. Een verrassende keuze - al snap ik wel, na ons gesprek in Ton’s Muziekcafé, waarom je me juist dit essaybundeltje stuurt. Het ziet er mooi uit trouwens, ik bedoel de vormgeving.
 C.O. Jellema - Een open plek
Ik ben geen filosoof, en ook geen theoloog, dus misschien kun je me even helpen: wat bedoelt Jellema met het ‘waarheidsbeginsel’? Het is volgens mij de kern waar al zijn essays, en ik denk ook zijn gedichten, om draaien. Maar ik krijg er niet goed de vinger op wat hij er nu precies mee bedoelt.
Heb je het boekje zelf gelezen? In het eerste essay legt hij namelijk aan de hand van een droom zijn opvattingen over poëzie uiteen. Hij citeert het verhaal van de droom letterlijk uit een verslag dat hij destijds (5 april 1983) direct na het wakker worden in een schriftje opschreef. In de droom wordt hij door een bevriend dichter (een afsplitsing van hemzelf, zegt Jellema zelf) uitgenodigd samen met hem het boek Ruth te gaan vertalen. En aan de hand van het kernwoord ‘vertalen’ komt Jellema dan tot de volgende conclusie:
Ik denk dat ik daarmee precies gezegd heb, waar het bij het maken van een gedicht om gaat. Om iets te begrijpen, niet in het systeem van een theorie, maar in de ordening van beelden, zodat het inzicht niet vooraf gaat aan de formulering, doch het voltooide gedicht inzicht achteraf pas mogelijk maakt. (p. 9).
De opmerking waar de droom mee begon is dan te plaatsen. Jellema zegt in zijn droom namelijk: “Ik ben geen pure estheet, maar een waarheidszoeker.” Hij legt dat uit met de opmerking dat een gedicht alleen in de vorm die het noodzakelijkerwijs kreeg ‘waar’ kan zijn: Geleid worden die reflecties door een achter alle bewuste of onbewuste beslissingen staand waarheidsbeginsel (p. 10).
Maar wat houdt dat waarheidsbeginsel dan in, weet jij dat? Jellema stelt de vraag zelf trouwens ook en hij beantwoordt hem als volgt: In elk geval ligt die door de esthetiek van de vorm heen ook weer buiten de esthetiek, hoewel niet anders dan in die ene vorm op die manier waar. In elk geval geen van te voren gekende waarheid, en geen algemeen geldige. Het is een waarheid die zichzelf voortbrengt in het gedicht en dan voor een bepaalde duur geldigheid heeft. (p. 10-11).
Ik vind dat wel mooi gezegd, maar echt heel veel helderder wordt het er wat mij betreft niet op. Hij komt er verderop in het boekje nog wel op terug. Hij schrijft in het daarop volgende essay bijvoorbeeld: En als ik hier het woord waarheid gebruik, versta ik dat vanuit zijn Griekse equivalent, de alètheia, dat oorspronkelijk de ‘onverborgenheid’ betekent. (p. 16).
Zelf zou ik geloof ik niet zo snel spreken van een ‘waarheid’, die in poëzie tot uitdrukking wordt gebracht. Er zit ook iets van een waardeoordeel in die term lijkt me: iets is waar, dus goed; of onwaar, dus slecht. Ik lees poëzie ook niet primair om inzicht te krijgen. Denk ik. Ik zou daarom eerder het woord ‘werkelijkheid’ gebruiken. Een ‘werkelijkheid’ is. En is voor iedereen verschillend. Een ‘werkelijkheid’ is niet waar of onwaar. Het is er.
Maar misschien begrijp ik Jellema wel helemaal verkeerd. Misschien bedoelt hij wel hetzelfde als wat ik bedoel met mijn ‘werkelijkheid’. Dus ik zou graag eens horen wat jij daarvan vindt.
Heb je trouwens de laatste Poëziekrant gelezen? Ik vond vooral die gedichten van Robert Hass in de vertaling van H.C. ten Berge erg goed. Die opmerking van jou, dat esthetisch genot erotisch van aard is, wist je dat die van Ezra Pound is? Dat zegt Hass tenminste. Ik dacht dat je hem zelf had verzonnen. Hieronder het gedicht, en dan ga ik slapen. Morgen weer vroeg op.
Ezra Pounds grondstelling
Schoonheid is sexueel, en sexualiteit
Is de vruchtbaarheid van de aarde en de vruchtbaarheid
Van de aarde is economie. Ofschoon hij op het punt van financiën
Geen aanbeveling voor dichters is,
Dacht ik aan hem in de drukkende hitte
Van nachtelijk Bangkok. Niet ouder dan veertien slentert ze op je af
Buiten het Shangri-la Hotel
En zegt in verstaanbaar Engels,
‘Wat denk je van een feestje, stoere jongen?’
Zo gaat het min of meer in zijn werk:
De Wereldbank regelt het krediet waarna de stuwdam
Driehonderd dorpen onder water zet en de dorpelingen hun weg vinden
Naar de stad waar hun dochters in de bomvolle straten oplossen
En de grote turbines van de dam, knap gefabriceerd
In Lund of Dresden of Detroit, gefinancierd
Door Lazard Frères in Parijs of de Morgan Bank in New York,
Mogelijk gemaakt door slimme donaties van Bechtel uit San Francisco
Of Halliburton uit Houston aan de plaatselijke politieke elite,
Aangedreven door de kracht van stromend water
Koren van glinsterend zilver zijn geworden,
Die stroomafwaarts dat blauwige flikkerlicht werpen
Over haar jukbeenderen en haar lieftallige huid.
(Robert Hass, uit: Time and Materials, 2007).
De door Ten Berge vertaalde selectie heet Een verhaal over het lichaam en komt ergens in dit jaar uit bij Meulenhoff. Ik ben in juli jarig. Onthoud dat.
Tot nader,
(Edwin Fagel)
|
|