Posts Tagged ‘Charles Ducal’

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 - foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)

 

Poësie as afgekoelde maaltyd

Monday, February 1st, 2010
Mosterd na die maal

Mosterd na die maal

Soos ek in Donderdag se Nuuswekker berig het, was ons nie suksesvol in ons onderhandelinge met die borg en uitgewer van Charles Ducal se Gedichtendag-essay om ‘n kopie daarvan vir die webblad te bekom nie. Alhoewel hulle nou nie juis uitgebrei het op die redes vir hul besluit nie, kom dit in wese daarop neer dat hulle die “heiligheid” van die boek wil beskerm deur nie dié belangwekkende teks voor daar ‘n jaar verloop het, op die internet beskikbaar te stel nie. En as sulks is dit hul goeie reg; hulle is immers die borg vir die publikasie daarvan. Nogtans is dié siening iewat kortsigtig, volgens my. Die hele idee van die Gedichtendag-essay is tog júís dat dit ‘n teks is wat tot die beskikking van elke poësieliefhebber (wêreldwyd?) gestel moet word. En waarom dan nie ook via die internet nie? Of dink die borge dat ons as Afrikaanssprekendes geen belang het by wat in hul taalgebied gebeur nie?! Nietemin, die borge se houding herinner ‘n mens op ‘n ongemaklike manier aan ‘n kind wat nie wil hê dat ander kinders ook met sy of haar speelgoed mag speel nie …

En op welke manier dien dít die digkuns, wonder ‘n mens.

Maar nou ja, die internet is ‘n geduldige masjien. Iemand - en vanoggend verswyg ek liewers name én skakels - het wel die slotgedeeltes van Charles Ducal se uitgebreide essay oorgetik en op die internet geplaas. Graag kopieer ek dan dié gedeelte volledig hieronder. Ook was Charles Ducal vriendelik genoeg om vir ons die lesing te stuur wat hy ten aanloop tot die publikasie van Gedichtendag-essay daaroor gelewer het. Dit op sigself is ‘n besonderse gebaar beslis die lees werd.

***

Ironies genoeg is ons Blogfokus vir Februarie, synde Valentynsmaand, “die liefde”. Joan Hambidge het spesiaal vir dié geleentheid ‘n essay oor die liefdesgedig geskryf en soos dit die geval was verlede maand, sal die bloggers ook mettertyd vertel van hul gunsteling liefdesverse en/of -bundel. (Philip de Vos het byvoorbeeld reeds sy stories oor die liefde geplaas.) So - laat kom die briewe vir die Brieweboks oor dié onderwerp en staan ‘n kans om die R250-geskenkbewys te wen.

Graag maak ons dan ook bekend dat Melanie Grobler se brief, Wordende digter, as die Januarie-wenner aangewys is. Veels geluk, Melanie! Hopelik sal dié koopbewys darem help dat jy ten minste een of twee van die boeke wat jy verloor het, sal kan vervang.

O, ja. Amper vergeet ek. Ons maandelikse Nuusbrief aan De Contrabas is gister geplaas.

A luta continua. Die stryd duur voort.

Mooi bly.

LE

 

Alsof de tekst zelf een afgekoelde maaltijd is

“Ik ben ervoor te lezen wat er staat. Ook al is het dikwijls niet duidelijk wat er staat en vraagt het veel verbeelding en interpretatie te zien wat er zou kunnen staan. Een gedicht is geen spons, geen projectiescherm, geen kapstok. Het is taal, het is tekst. Herman Servotte begon in 1971 zijn cursus Engelse poëzie met deze definitie: Poetry is highly organised speech. Dat staat sindsdien in mijn hoofd gebeiteld, boven de poort waardoor de gedichten mijn hersenen binnenstromen. Om te genezen van de willekeur van ‘wat ik erin zie’ en ‘wat ik erbij voel’, de vaagheid en onzorgvuldigheid van ‘mijn persoonlijke interpretatie’, het degraderen van het gedicht tot klankbord van mijn ‘creatieve verbeelding’. Een gedicht lezen is om te beginnen strikter, secuurder en geconcentreerder lezen dan men doorgaans gewoon is. Dat is onvermijdelijk, gezien dat ‘highly organised’ van de taal. En het vraagt tijd.

Misschien lezen daarom zo weinig mensen poëzie, ook onder hen die wel een ticket kopen voor de schouwburg om de dichters en dichteressen te horen voorlezen. Ik weet dat het een genot kan zijn te luisteren naar de muziek van het woord, ook al begrijpt men er niet zo heel veel van. Zoals het ook een genot is zappend door tv-land te dwalen en hier en daar een beeld op te pikken. En ook de meest vluchtige kennismaking blijft nog altijd een kennismaking, waarvoor geen dichter zich te goed moet achten. Maar het heeft ook iets denigrerends. Alsof het toch meer om de sfeer en de stemming gaat dan om de tekst. Alsof de woorden in de eerste plaats dienen om een soort fluïdum te creëren dat de toehoorder omwikkelt en doordringt en hem het gevoel geeft naar diepe diepte en hoge belangrijkheid te verhuizen. Na het feest stromen honderden gasten de zaal uit, en hoeveel verkochte bundels levert dat op? Die gasten zijn voldaan, het was mooi, er hoeft niets meer bij. Tot volgend jaar. Alsof de tekst zelf een afgekoelde maaltijd is, een verschaalde pint, een flets hangende bloem.”

 

© Charles Ducal (uit: Alle poëzie dateert van vandaag : gedichtendagessay 2010, Vlaams Fonds voor Letteren)

 

Studiedag Stichten Lezen

Friday, January 29th, 2010

Charles Ducal

 

Inleiding:

 

Charles Ducal

Charles Ducal

Mij is gevraagd om aan u het gedichtendagessay 2010 kort voor  te stellen. Het is getiteld: ‘Alle poëzie dateert van vandaag’, naar een versregel van Sybren Polet. Ik ben zowel dichter als leraar Nederlands derde graad ASO en heb beide terreinen in het essay proberen te verwerken. Gezien de beperkte tijd reduceer ik vandaag het essay tot een viervoudige vraagstelling, waarover we straks misschien even van gedachten kunnen wisselen.

Het essay is een pleidooi om poëzie te lezen, hardop en hardop-in-stilte, op zo’n manier dat het de poëzie tot haar recht laat komen. Poëzie wordt weinig gelezen en er ontstaan, bij jongeren en ook veel volwassenen, nogal snel moeilijkheids- of begrijpelijkheidsdrempels, waardoor men afhaakt.   

1. Een eerste vraag die ik mij stel is of we, als we jongeren met poëzie confronteren, we hen niet in de eerste plaats moeten leren lezen wat er staat.

 

DE ONTDEKKER - J.J. Slauerhoff

 

Hij had het land waarvoor hij scheep ging lief,

Lief, als een vrouw ‘t verborgen komende.

Er diep aan denkend stond hij dromende

Voor op de plecht en als de boeg zich hief

 

Was ‘t hem te moede of ‘t zich reeds bewoog

Onder de verten, waarin ‘t sluimerde,

Terwijl ‘t schip, door de waterscheiding schuimende,

Op de aanbrekende geboorte toevloog.

 

Maar toen het lag ontdekt, leek het verraad.

Geen stille onzichtbare streng verbond hen tweeën.

Hij wilde ‘t weer verheimelijken - te laat:

Het lag voor allen bloot. Hem bleef geen raad

Dan voort te varen, doelloos, desolaat

En zonder drift - leeg, over lege zeeën.

Een leerling 5de jaar krijgt dit gedicht, met enige uitleg over de auteur en de nodige woordverklaring, voorgeschoteld met de vraag op te schrijven waar het volgens hem over gaat. Hij schrijft: “Een man wil seks hebben met een vrouw. Hij stelt zich haar geslacht al voor, maar nu is het nog verborgen. De boeg die omhoog gaat is zijn erectie. Dan ligt hij op haar. Door de waterscheiding schuimende dringt zijn lid in haar naar binnen. Als de vrijpartij voorbij is, heeft hij spijt dat hij zich zo heeft laten gaan. Hij kent de vrouw niet eens. Hij zou het graag ongedaan maken, maar dat is natuurlijk onmogelijk. Hij is zijn zaad kwijt, nu voelt hij zich leeg.”

Lees maar, er staat niet wat er staat. Als men het over het wezen van de poëzie heeft, wordt geen versregel zo vaak geciteerd als deze van Martinus Nijhoff. Mijn eerste vraag is of deze opvatting niet vaak leidt tot een soort ‘vrijheid van de verbeelding’ die resulteert in een totaal gebrek aan respect voor wat er werkelijk staat en dus willekeur. Mijn ervaring van leraar leert me dat heel veel jongeren van het idee vertrekken dat dichters nooit schrijven wat ze bedoelen en dat je in een gedicht kan zien wat je zelf wil. Daarom zie ik een poëzieles vaak als een oefening in precies nagaan wat er semantisch en grammaticaal staat en daarvan te vertrekken: lees maar, er staat wat er staat.  Alleen dan, en alleen dan, is er ruimte te ontdekken wat er niet staat.

2-3. De tweede en derde vraag die ik mij stel hebben te maken met wat er niet staat. Of wat er staat en zich niet opent voor de lezer. Kortom, met begrijpelijkheid. Jongeren en ook wel veel volwassenen benaderen poëzie met een begrijpelijkheidscriterium dat aansluit bij hun leeservaring in proza. Ze verwachten dat een gedicht ‘duidelijk’ is. Een goed gedicht is natuurlijk heel vaak niet duidelijk, niet begrijpelijk in de strikt prozaïsche zin van het woord.en dat leidt vaak tot irritatie, veroordeling van wat dan gezochtheid, aanstellerij of poets’ poetry wordt genoemd. En omgekeerd zijn veel gedichten die heel erg eenvoudig ogen bij nader inzien complexer en raadselachtiger dan men eerst dacht. Laten we eens twee gedichten bekijken.

zoals je binnenkwam en dag zei,

en uit je kleren en je woorden stapte

 

(het voorlaatste wat je voor me uit-

deed was het woord ‘lieveling’

en het laatste een glimlach; toen

opende je de haakjes en ik kwam erin

en je sloot ze)

 

zo ging je ook weer weg, trok

enkele veel te dunne woorden

van afscheid om je heen

en rilde.

 

Een eenvoudig gedicht van Herman de Coninck, met heldere beeldspraak, dat zegt wat het zegt. Ik en jij, de liefde, de kortstondigheid, het afscheid. En toch staat hier een magisch woord dat het hele tafereeltje onduidelijk, interpreteerbaar, complex maakt: ‘rilde’. Leg maar eens uit wat dat betekent. Je trekt aan een touwtje dat niet eindigt. En door eraan te trekken kleurt het hele tafereeltje ineens anders. Minder onschuldig, minder speels, minder erotisch. Een koude-wind-vlaag over de probleemloze jarenzestigseks. Op dit woord blijft het gedicht openstaan, ook als ik het voor de twintigste keer lees. Dit is een van de voorbeelden die ik in het essay heb gebruikt om de vraag op te werpen of een goed gedicht niet altijd onbegrijpelijk is, ook als het begrijpelijk is.

 

IX

de spiegel draait haar raad

en het waterzaad paant paant paant

 

mijn zuster staat op straat

mijn vader knielt ernaast

het water rijst en tast tast tast

 

een huisdier stoot uit zijn kraan

ik hoor een hond ik hoor een schaap

en hoe het schanjemansschoften aanslaat omslaat aanslaat

 

geef hen een kans geef hen een bril

een vrije wil of bang

een anker voor de vaart

een nutspatroon voor ‘t pleinveeveer

een woning met de vaart er voor

of gewoon een staarkaak

 

ze zijn geen vader van de straat

ze zijn geen zuster van de brug

het water zaagt ze in de rug

tot in ‘t schaamschedel naakte merg

en schande terg t hen dat het hent

dat het hent t hent het haant

dat het henthaant

 

Dit gedicht is van Lucebert en het komt uit De dieren der democratie. Het heeft me veel geleerd en vooral afgeleerd. Ik gaf het jaren geleden aan mijn leerlingen om aan te tonen dat er een grens is, een communicatieve grens en dat over die grens poëzie betekenisloos wordt, een leeg spelletje. Ik zei dus onomwonden: ik vind dit onzin. Het staat vol woorden die niet bestaan, er is aan de opeenvolging van woorden en zinnen geen touw vast te knopen, je hebt de indruk dat er net zo goed wat anders kon staan, het spelletje met de t lijkt wel uit toeval geboren en die kippenren op het einde is ronduit flauw.

 

Maar het volgende jaar was ik er al zo zeker niet meer van. Ik moest toegeven dat het mij, ondanks alles, intrigeerde. Ik had niet langer de indruk in het ootje te worden genomen of mijn tijd te verliezen door het telkens weer opnieuw te lezen. Ik las bij Gombrich deze prachtige zinnen: “Ik geloof niet dat er verkeerde redenen zijn waarom men van een beeldhouwwerk of schilderij kan houden. Er zijn wel verkeerde redenen om niet van een kunstwerk te houden.” Misschien was het verlangen naar begrijpelijkheid, in de prozaïsche zin van het woord, wel een heel verkeerde reden om niet van dit gedicht te houden.

 

En nog een jaar later merkte ik een enorm plezier toen ik het voorlas. Ik vond het een zaligheid het in de mond te hebben. Het zong mijn wrevel om de onbegrijpelijkheid gewoon weg. Ik was het geleidelijk gaan ervaren als iets afs, onwrikbaar af, noodzakelijk zo en niet anders. Het was ook niet langer vreemd, het nam bezit van mij, ik betrapte mij erop regels eruit te prevelen aan de kassa in het warenhuis of op de fiets naar school. Kortom, op een heel ander niveau dan de gewone logische begrijpelijkheid ervoer ik dit gedicht als begrijpelijk. Pas toen ik de tirannie van het willen decoderen tot een proza-inhoud had stopgezet, begon ik ineens allerlei verbanden en associaties te zien. De dieren der democratie, de niet-stromenden, zij die willen varen, maar met een anker, die prat gaan op hun bril en vrije wil, maar zich bang vastklampen aan een nutspatroon. En tegelijk het op afstand geduwde water, stijgend en tastend, hen tergend in de rug en ondanks de ontkenning (de schande, het schofterige, het beschamende) hen dwingend te paren, te panen, deze hennen en hanen, deze trouwe hond en dit brave schaap.

 

Gedichten als dit ontstaan, vermoed ik, zeer spontaan en associatief, enkel in toom gehouden door een feilloos gevoel voor klank en ritme. Geeft men zich over aan die associatieve stroom, dan wordt het onbegrijpelijke begrijpelijk op een a-logisch niveau. In die zin stel ik mijn derde vraag, namelijk of een goed gedicht niet altijd begrijpelijk is, ook als het onbegrijpelijk is.  

 

4. Tot slot. Ik geloof in poëzie-onderwijs. Ik geloof dat het zin heeft in de les Nederlands een leeshouding aan te kweken tegenover poëzie die toelaat het leesbereik op te tillen boven wat evident consumeerbaar is. Ik vind daarom het lezen en bespreken van door de leerling als moeilijk ervaren gedichten erg nuttig. Ik vind de minimalistische manier waarop poëzie vaak wordt gepresenteerd in recente handboeken niet zo gelukkig, omdat ze de toegang tot zowel oudere poëzie (immers alle poëzie dateert van vandaag) als ‘moeilijkere’ poëzie nauwelijks helpt bevorderen. Om te eindigen met een zin uit het essay: “Ook al leest maar 2% van het geletterd publiek na de schooltijd nog poëzie, iedereen moet de kans krijgen tot die 2% te horen.”

 

Ik dank u.     

Charles Ducal

(Lesing gelewer tydens die Studiedag Stichten Lezen op 13 Januari 2010)

  

Poësie as teengif

Monday, January 25th, 2010
Charles Ducal

Charles Ducal

Hierdie week vier ons kollegas in die ander halfrond hul “Gedichtendag” en die Vlaamse digter, Charles Ducal, is spesiaal gevra om vir dié geleentheid ‘n essay te skryf wat gratis via alle boekwinkels versprei sal word. Die titel van Ducal se essay is “Alle poëzie dateert van vandaag.” Volgens die berig op Het Beschrijf handel dié pleidooi vir die poësie oor die krag en aktualiteit van die digkuns; ‘n tema wat nogal netjies aansluiting vind by ons eie Blog-fokus vir Januarie, soos die volgende aanhaling van getuig: “Massa’s gedichten strelen of verrassen even, en verslijten dan. Een prachtig gedicht brandt als een kus, snijdt als een mes, slaat in als de bliksem. Het zet de wereld in een onbekend licht. Het maakt de ogen wijder, de oren opener, het hart groter. Het is tegengif tegen zo veel: banaliteit, gezwets, verdoving, overdreven ernst, conditionering, moedeloosheid, eenzaamheid, routine, stress, winterkou. Het is soms spel, soms raadsel, een slag die de spijker in één keer binnendrijft, soms helderheid, soms mysterie. En altijd een lied.”

Verdermeer het Ducal op 13 Januarie ‘n kort lesing as voorspel tot sy essay gelewer wat handel oor die verskillende maniere waarop ‘n gedig gelees kan word. Fassinerend. Gaan kyk gerus hier.

Charles Ducal (1952) is die skrywer van etlike digbundels. Vir In inkt gewassen het hy die Herman de Coninck-prys ontvang. Sy mees onlangse bundel, Toegedekt met een liedje, is weer vir dieselfde prys genomineer. Vorige skrywers van die Gedichtendagessay is Paul Bogaert en Luuk Gruwez.

Heelonder volg een van Charles Ducall se gedigte.

***

Nuwe plasings gedurende die naweek is ‘n verwerkte weergawe van die omvattende onderhoud wat Charl-Pierre Naudé met Breyten Breytenbach gevoer het en wat in gister se Rapport verskyn het, asook twee nuwe gedigte deur Daniel Hugo. Aan die blogkant van sake herinner Andries Bezuidenhout ons aan James Phillips, een van die legendes in ons plaaslike musiekbedryf, terwyl Desmond Painter dit weer oor ‘n ánder musieklegende het … Mmm, en dan het ons ook ons eerste bydrae tot vandeesmaand se blogfokus deur Chris Coolsma, ‘n Nederlandse leser, ontvang en hy sê: Alles het met musiek begin … (Iets wat ook weerklank vind in die aanhaling oor Charles Ducal se pleidooi hierbo.)

Daarom - skep musiek met alle mag waar jy jou ook al hierdie week mag bevind; dit is (en bly) immers ons enigste verset teen al die geraas wat ons daagliks omring … 

Mooi bly.

LE

 

AFVAART

Een deur knarst, een lamp zoemt aan.
Betrapt vlucht een rat
het plafond in.

Gewekt uit het vlees stijgt
het rumoer van de honger.

Onwerkelijk zwaar hangt het stof
in de webben, onwerkelijk
weegt de stank.

Was u hier eerder al?

Onder de lading stijgt
traag en vet
de giftige stroom.

Kent u de regels aan boord?

Een motor slaat aan.
In de buizen begint het schudden,
het meel valt.

Kalm tekent de veerman
de ruggen,
controleert zijn getal.

 

© Charles Ducal (Uit: In inkt gewassen, 2006: Atlas Uitgewers)

 

Charles Ducal wen Melopee-prys

Thursday, October 8th, 2009
Charles Ducal

Charles Ducal

Op De Contrabas se webblad vind ek ‘n skakel na die bekendmaking van Charles Ducal as die eerste wenner van die nuut-ingestelde Melopee-prys vir poësie. Ducal het naamlik die prysgeld van € 2,500 ingepalm met sy gedig “Onvoorbereid”. Dié prys is deur die dorp Laarne ingestel en word toegeken aan die beste gedig in die Nederlandse digkuns vir ‘n betrokke jaar. Die organiseerders het die prys se instelling soos volg gemotiveer: “Poëzie is niet het meest populaire thema in het gemeentelijke politiek bedrijf. En toch is poëzie, net als andere kunstvormen, één van die stille facetten die de culturele eigenheid van een volk vormen. Daarom investeert een kleinere gemeente als Laarne in een poëzieprijs die in Vlaanderen zijn gelijke niet kent.” Amen.

Charles Ducal (skrywersnaam vir Frans Dumortier) is natuurlik jare reeds een van die mees opwindende digters in Vlaandere. Hy het reeds in 1987 gedebuteer met die onvergeetlike bundel Het huwelijk en dit twee jaar later opgevolg met , De hertog en ik. Laasgenoemde bundel is bekroon met die Prijs van de Vlaamse Gids en die Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Daarna het die volgende bundels gevolg: De meesterknecht (1992), Over de voorrang van rechts (1993), Moedertaal (1994), Naar de aarde (1998), In inkt gewassen (2006) en Toegedekt met een liedje (2009). Charles Ducal is tans dosent in Nederlands aan die Sint-Albertuscollege in Haasrode.

Vir jou leesplesier volg die wengedig heelonder.

Dan is dit ook pas bekend gemaak dat die Vlaamse fonds vir letterkunde Charles Ducal aangewys het om die “Gedichtendagessay” vir 2010 te skryf. Dié essays is ‘n reeks wat elke jaar op 31 Januarie verskyn en ‘n pleidooi vir die poësie bevat. Ducal is reeds die derde digter wie dié eer te beurt val. Die volledige berig kan hier glees word.

***

Weens persoonlike omstandighede sal ek nie vanmiddag by ‘n rekenaar wees wanneer die wenner van die Nobelprys vir Letterkunde om 13:00 GMT in Stockholm aangekondig word nie. Desmond Painter was egter vriendelik genoeg om in te stem om ‘n Spesiale Nuuswekker hieromtrent te doen. Jy kan dus rondom 16:00 op die webblad kom kyk wie die wenner is vanjaar. Nuwe toevoegings sedert gisteroggend is Yves T’Sjoen se inskrywing oor die literêre tydskrif Raster, wat as motto ”LIteratuur als avontuur” gehad het. Verder is daar in die Brieweboks nuus oor ‘n opwindende projek van Helena Conradie, en dan het ons webmeester ’n fotoblad met foto’s van al die deelnemers aan vanjaar se Versindaba saamgestel en dit hier geplaas. 

Lekker lees en hou dinge tog bymekaar vandag, hoor.

Mooi bly.

LE

 

Onvoorbereid

 

Als alles instort om dit onooglijk huis

is de kans groot dat wij, de aandacht afgeleid

door vegen, spatten, ogen op de ruit,

ons zullen moeten melden bij de tijd.

 

Het boek zegt: de stad wordt aan de gel gelijk,

de honden zullen van hun meesters eten,

het wordt zo heet dat alle vocht verdwijnt.

Het boek is oud, men zou dit kunnen weten,

 

maar men sterft makkelijker onvoorbereid.

 

Wij ook hebben gezwegen, druk bezig

met het peillood in de inkt

om van diep in ons de peilloosheid te meten

en niet te merken dat het stinkt.

 

© Charles Ducal