Posts Tagged ‘Chris Coolsma’

Chris Coolsma. De onmogelijke verzoening

Tuesday, May 8th, 2012

Naarmate de bezetting van Nederland door de Nazi’s langer geleden is, wordt het geluid van vergeving en verzoening steeds sterker.

Het gaat dan niet om vergeving van de misdaden van opgewekte misdadigers, maar om diegenen die verkeerde keuzen hebben gemaakt. Zoals altijd in morele kwesties, gaat het om een zeephelling. Waar ligt de grens van wel of niet vergeven? Een verzetsstrijdster maakt na 66 jaren bekend dat zij op grond van foute informatie een onschuldige heeft vermoord. Een soldaat heeft in het wildst van de strijd een ongewapende Nazi doodgeschoten – hij dacht dat de ander een wapen trok, maar het was een witte zakdoek geweest. Een ander heeft tijdens de zogenaamde politionele acties in Indonesië een ongewapende burger doodgeschoten, omdat hij verdacht werd van verzetsdaden.  In een concentratiekamp heeft een gevangene de houten kleppers van een ander gestolen, want die was toch al dodelijk ziek. Hij overleefde door die kleppers, de ander stierf inderdaad. Een jongen van 18 is, uit overtuiging dat het goed zou zijn voor zijn land, vrijwillig bij de moordenaarsbende van de SS gegaan, om tegen de Russen te vechten, niet wetend waar hij aan begonnen was. Hij heeft spijt betuigd toen hij merkte waar hij in verzeild was. Hij was moordenaar geworden, maar kon niet terug. Hij sneuvelde.

Tijdens de herdenking van de oorlogsslachtoffers van 40-45 wordt een gedicht van een scholier voorgelezen. Een comité heeft het gedicht uitgekozen van de achterneef van die jongen van 18 die bij de SS ging. Wie het wil lezen kan het gemakkelijk op internet vinden. Er ontstaat commotie, meer dan discussie, waar uit blijkt dat het hier om een morele kwestie van groot belang gaat. Het gedicht wordt niet voorgelezen. De oudoom is geen oorlogsslachtoffer, maar een dader, ook al was het uiteindelijk tegen wil en dank. Hij is slachtoffer van zijn eigen verkeerde keuze geworden.  Hoewel we allen feilbaar zijn en vrijwel niemand nooit verkeerde keuzen maakt, is dat geen reden om aan hem te denken op 4 mei. Dat is de dag waarop we denken aan onschuldige slachtoffers en degenen die gestorven zijn doordat ze tegen het ultieme kwaad kozen. De zeephelling van de ethiek gaat door een grijs landschap tussen wit en zwart. Het individuele drama van die oudoom behoort echter niet tot het gebied van collectieve rouw. Ik kan om zijn lot en dat van zijn familie treuren, maar daar houdt het mee op.

Nee, op 4 mei denken we maar beter aan degenen die geleden hebben buiten hun schuld en degenen die hun rug rechten wisten te houden, ook al dreigde de dood elk moment. Een voorbeeld van beide zag ik in een documentaire van het soort waar je eigenlijk liever niet naar kijkt, of alleen door geloken ogen, met afgewend gelaat.  Het soort dat je niet wilt zien en ook niet navertellen. De in Nederland bekende opinieonderzoeker Maurice de Hond zien we, met zijn zoon, een nauwelijks te verdragen bezoek brengenaan een van die afdelingen van de diepste hel, waar de Nazi’s zulke begeesterde ontwerpers van waren. In een barak in kamp Auschwitz zijn honderden joodse vrouwen onderworpen aan experimenten in het zo efficiënt mogelijk steriliseren. De moeder van Maurice was een van hen. Een familielid van haar was daar ook en blijkt nog te leven. Ze kan Maurice nog bijzonderheden vertellen uit die tijd – zo’n tijd waar niemand ooit nog over wil spreken. Hoe de vrouwen elkaar ontdekten, en hoe ze elkaar vanaf dat moment niet meer loslieten. Hoe ze samen met de anderen onbeschrijfelijke pijnen doorstonden en overleefden (nee, dit vertelt ze nauwelijks). Misschien ook wel, omdat deze vrouw op verzoek van de anderen in de beslotenheid van de slaapzaal Amerikaanse liedjes zong.

Dit is mijn gedicht dat haar herdenkt, met die andere vrouwen. Ik heb het voor de zeggingskracht vertaald in het Afrikaans, met de onmisbare hulp van Louis Esterhuizen.

Block 10

 

Die krete van pyn het in die mure getrek

‘n afbeelding van bloedrooi en rouswart deur waansinniges

bedwelm en beveel deur die kladskilder H.,

 

waansinniges in wit jasse, Herren Dr. Dr.,

– as daar ‘n god is wat bestaan weier hy hulle siele

maar daardie siele is al weggesny onder volksverdowing –

 

en tussen hierdie bespatte mure

 het die vroue saamgehok, hulle hande in angs verbonde,

terwyl hulle siele stukkend gesny is sonder verdowing,

 

en een van hulle het nogtans Amerikaanse liedjies gesing

oor die terugkeer na ‘n sonnige huis, waar die ongebore kinders

skoppelmaai in die skaduwee van bloedrooi struike

 

Chris Coolsma. Trommelstokkenregen

Wednesday, July 13th, 2011

Een tijdje geleden begon ik hier aan een serie over jazz. De lijst van onderwerpen stond al klaar:

Ploctones, Marnix Busstra Trio, The New Cool Collectieve, Benjamin Herman Trio, Jeff Neve, Michel Borstlap, Michiel Braams, Jesse van Ruller, Eric Vloeimans, Kiteman.

Het is natuurlijk een lijst van bands en personen. Een lijst die laat zien hoe springlevend en talentrijk de Nederlandse en Belgische jazz is. Het is een beperkte lijst, die gemakkelijk kan worden uitgebreid. Ik vraag me af wie dat weet, buiten de Lage Landen. Begrijp me niet verkeerd, het kan me niets schelen dat het Nederlanders of Belgen zijn. Het kan me schelen dat ze niet net zo wereldberoemd zijn als Amerikaanse jazzmusici. Omdat ze net zo zinsbegoochelend heerlijke jazz maken, en omdat ze zo origineel zijn, hun eigen stem hebben, nieuwe muziek uitvinden terwijl ze spelen. Omdat ze onderdeel zijn van het weefsel van de jazz, waar ze dagelijks nieuwe, oogverblindend mooie strengen en tapijten aan vast weven.

Ik merkte dat ik helemaal niet over die bands en personen wilde schrijven. Ik wilde teksten, vooral gedichten laten ontstaan uit hun muziek. Maar dat gebeurde helemaal niet, tot ik op een zondagmorgen in bed naar Vrije Geluiden lag te kijken. Vrije Geluiden is een verrukkelijke oase van muziek in een woestijn van wanklanken. Wat een cliché! Hoe moet ik dit uitleggen? Er is vrijwel geen televisieprogramma dat zoveel momenten van puur geluk heeft veroorzaakt in mijn leven. Het laatste programma van deze kwaliteit stamt uit de jaren zeventig van de vorige eeuw: de documentaires van Hans Keller en Cherry Duyns, en het Gat van Nederland, allemaal ook VPRO-programma’s. Als je een roker bent, denk dan aan die eerste trek na een periode van onthouding. Als je een drinker bent, denk dan aan dat eerste glas na een lange periode van drooglegging. Als je aan iets anders verslaafd bent, denk dan aan het orgasme dat het toegeven aan die verslaving korte tijd veroorzaakt. Denk voor mijn part gewoon aan een orgasme. Dan begrijp je ongeveer wat ik bedoel. Voordeel van Vrije Geluiden: het is niet slecht voor je gezondheid en het is geen sex.

Die zalige zondagmorgen zag ik een documentaire van Cherry Duyns over Han Bennink. Eerder al heb ik mijn liefde en bewondering voor die eenmans ritmesectie beschreven. Die morgen ontstond een gedicht. Het geeft weer wat ik zag en voelde, wat Bennink zei en volgens mij wilde zeggen. Mengelberg M is Mischa Mengelberg, te gekke pianist/componist. Anton G is Anton Goudsmit, wat mij betreft zijn kleinzoon in de muziek.

In de documentaire zien we ‘horenblik’, een expositie van voorwerpen die geluid maken, in een oude stal, het atelier van de drummer en van de schilder Bennink. Stel je bij dit gedicht voor hoe een eindeloze regen van trommelstokken neerklettert op een enorme snaredrum. Gedoseerd door Bennink, want de chaos in Bennink’s muziek is tot in de perfectie geregisseerd. Juist dat maakt mij om onbegrijpelijke redenen onbeschrijfelijk gelukkig.

Trommelstokkenregen

Ik denk aan Han Bennink

orde is schijn

ordening moet

de dood is de hoogste orde

systemen zijn dodelijk

maar om te overleven

is er ordening

orde is nooit absoluut

altijd bewogen zijn

altijd bewegen

trommelstokkenregen

ad lib

koester de chaos

aanbid het toeval

bedrijf de twijfel

belijd/beleid lijd/leid het nieuwe

Mengelberg M

Bennink H

Anton G: ptsioew gtchink  schao

orde ontstaat

uit wanorde

het grilligste moment

het gelukkigste ogenblik

bv de gekgeworden

schakelaar in 050

of Horenblik:

een regen

van trommelstokken

swingend schroot

een twee in de maat

het metrum van het kwaad

(fast) padam tie padom

toe padum ta podim

de stoel valt om

maar wel op de derde tel

orde ordes ordonnans

Ordnung macht

Tod

laatste hoogste woord

uitvlakken

nooit af

orde is schijn

gebruik oplosbare lijm

Legenda: 050 is een nummer van the Ploctones, opgenomen in Groningen (regionummer 050). Ergens in een solo van Goudsmit gebruikt hij het geluid van een razendsnel heen en weer klikkende gitaarschakelaar. Die vondst is 100% Bennink. Daarna bij mijn weten nooit meer gebruikt, omdat het dan een maniertje zou worden.

Desmond Painter. Droedelsak: Die versamelde versgrype van Walter Witman

Tuesday, April 12th, 2011
Fraktale Droedel

Fraktale Droedel

Toe Louis en Marlise my destyds gevra het om op hierdie webblad te blog, het ek dit sommer gou duidelik gemaak dat ek nie ‘n digter is nie. Nie. Nee. Glad nie. Ek ontken dit! Gaan weg! Die eerste sin wat ek in my eerste blog geskryf het, was dan ook: Ek is nie ‘n digter nie.

Eintlik is die waarheid natuurlik eerder dat ek, sedert kindsdae al, wel nou en dan gediggies skryf, maar dat ek gewoon nie genoeg talent en wilskrag het om dit regtig goed te doen nie. Let’s face it, ek gaan nooit ‘n bundel publiseer nie; en dis orraait: daar’s al klaar meer digters as lesers in Afrikaans! En daar is ander dinge wat ek graag wil skryf, en wat ek dink ek kan skryf.

Maar die blog as persoonlike sowel as openbare ruimte was natuurlik ook erg verleidelik: elke nou en dan moes ek eenvoudig een van my skryfseltjies plaas… Chris Coolsma het my verder ‘n soort alibi gegee: ek sou my kreatiewe vergrype ‘droedels’ noem, eerder as ‘gedigte’. 

Ek was gisteraand skielik lus om weer ‘n slag te droedel (seker maar die herfs…), en besluit toe om eers te gaan kyk hoeveel droedels ek in die verlede al hier geplaas het. Nogal ‘n hele paar! En skielik voel ek toe sommer jammer vir my maakseltjies: elkeen iewers vergete in die kuberruim… So hier verskyn hulle almal weer ‘n keer, as ‘n soort Versamelde Droedels, Deel 1.   

 

***

MISS JESUS (20/09/09)

(vir Hennie Aucamp)

 

 

Miss Jesus is die messias

 

die redder in die salon

 

wat sy noem ‘Die Dias’

 

oor sy van ver plekke kom

 

 

van Amsterdam aan wal

 

of op ‘n skip van Lissabon

 

Miss Jesus, wanneer die donker val

 

vanaand in die salon

 

 

soms sing sy kabaret

 

soos ‘n madame uit Berlyn

 

in haar visnetkouse en rooi korset

 

maak sy water van ons wyn

 

 

ja en soms dra sy gedigte voor

 

van Breyten en ene Breton

 

jou glas bly vol, jou hart loop oor

 

vanaand in die salon

 

 

en altyd preek sy redding

 

liefde, reise, die middernagson

 

Miss Jesus lei ons kring

 

vanaand in die salon

 

 

so glase omhoog: ‘Miss Jesus!’

 

en dan die koue ent na die peron

 

alles was tog so goddêm obvious

 

eenmaal in die salon

 

 

 

JY HET GRIEKELAND GEHAAT (28/09/09)

(na aanleiding van Ted Hughes se You hated Spain)

 

 

Jy het Griekeland gehaat

 

die son was vir jou te warm 

 

die rondloperhonde het aan jou gekou

 

hulle het dag en nag en sonder ophou

 

gekerm en byt om ons bed se enkels.

 

Later het ons nog net in jou slaap gepraat.

 

 

Jy het Griekeland gehaat

 

elke onverbiddelike heuwel met sy kerk

 

ver van alles swygend en die verploeterende hitte 

 

alewig in die middag en die eentonig afgewitte

 

ure met hulle stowwerige donkies en ooms

 

en swartgeklade tannies op straat.

 

 

Jy het Griekeland gehaat

 

die gekibbel en gelatenheid van die mense

 

die gefnuikte gasvryheid van elke gebaar:

 

Jy sou eensaam bly eerder as om jou te skaar

 

by die té intussen menswees van hierdie land

 

van eilande klip en baie water.

 

 

Jy het Griekeland gehaat.

 

Daagliks gedoog die bouer die argeoloog

 

want die lewe hier is altyd wat dit was en dan ook meer.

 

Jy het weggegaan in die wete dat niks wat teer

 

is tog oorbly waar soveel ten spyt oorleef. Liefde is ‘n ruïne hier

 

en elke dag ‘n duisend jaar te laat.

 

 

 

VOOR IN DIE WAPAD (28/09/10)

 

 

Die lewe is nie solied nie dis

 

aanhoudend in beweging en aan die geraas

 

maak. Die lewe maak ‘n aardige geluid:

 

Bome wat brand, bande op nat teer.

 

Jy soek verniet staanplek of stilte.

 

Die lewe bly in vloed, neem sy loop,

 

by wyse van spreke, in eie mond.

 

Die lewe bou onwyse huise op sand.

 

Die lewe is ‘n gedagte, woorde

 

wat nooit standpunt word

 

of sin. Die lewe is wat staan vergaan,

 

wat loop gaan dood. Die lewe is nie ‘n gedig

 

nie dis ‘n cliché in wording.

 

Want voor in die wapad brand daar

 

‘n voortvlugtige vlam, knetterend

 

en selfvernietigend op reis.

 

Natuurlik is dit kosbaar, die lewe.

 

Die lewe is die vet

 

is in die vuur.

 

 

 

LIEFS NIE OP STRAAT NIE (30/08/10)

 

 

Hy’s glo getref deur ‘n dwaalkoeël –

 

maar wie weet uit watter geweer?

 

Eenkant op die sypaadjie in ‘n poel

 

bloed lê hy: die flâneur.

 

 

 

BY DIE REüNIE (22/07/2010)

 

 

Jy sê simpel goed soos:

 

Die maan is ‘n semenvlek

 

op die swart onderbroek

 

van die aand, en ek

 

 

lag, want dít is hoe ons was

 

soveel jare terug

 

vol dooswyn en gedigte.

 

 

By die bicycle shed ‘n laaste sigaret.

 

Jy sê: Kyk, ek suig die aand

 

deur ‘n strooitjie op

 

tot die laaste droesem leeg;

 

 

en ek sê: Nee, soos ‘n Kreepy

 

Krauly wat laatnag lug sluk

 

in ‘n voorstedelike swembad –

 

 

onthou jy daardie geluid?

 

 

 

AANVAARDING (02/07/10)

(baie vry na ‘n gedig van Ziya Osman Saba)

 

 

Ek aanvaar die lewe waarin ek gebore is.

 

Ek aanvaar my gesig, die kleur van my vel.

 

Ek aanvaar hier en daar, ek aanvaar

 

Brackenfell, ek aanvaar die tong wat toeval

 

vir my uitgesteek het, al die kwynende klanke.

 

Ek’s ‘n man en ek aanvaar dit. Getroud, kinderloos

 

nog aanvaar ek, soos dat ek bogronds dwaal

 

maar ondergronds dood sal wees.

 

Ek aanvaar die bitterals van die lewe:

 

die fronsende gesig, die tewerige tong.

 

Ek aanvaar die bedelaar en die honger kind.

 

Daar’s ‘n oorlog, ek aanvaar dit; die bittereinder,

 

die vredesduif, die koerantverkoper,

 

en elke slaaf van God aanvaar ek.

 

Kontinente en valleie, koepelsvol son.

 

Ek aanvaar ek aanvaar ek aanvaar.

 

 

 

SONDAG (02/05/10)

(baie vry na ‘n gedig van Necati Cumali)

 

 

Vir drie dae lank sien ek al uit na Sondag –

 

want Sondag is die dag waarop sy my sal laat weet!

 

Glo my, vir drie dae al eet ek skaars my kos,

 

sukkel ek tot slaap, begeer ek dáárdie dag bo alle ander.

 

“Tot Sondag!” – so het ek dit beaam, en so begin te wag…

 

 

Maar ag, o aarde! Hoe skielik is dit dan weer

 

Sondag! My onbedaarde hart kom sit koggel in my keel:

 

Wat as sy nie die een is vir wie ek lief is nie?

 

Wat as sy nie is wat ek begeer?!

 

 

 

BY DIE DOOD VAN ‘N KIND (02/05/10)

(baie vry na ‘n gedig van Oktay Rifat)

 

 

Hy het gesterf, maar van sy dood is hy helaas

 

onbewus. Hulle plaas hom in ‘n kis, ry met hom weg – 

 

hy kan nie eers meer protesteer: ‘Nee, ek sál nie gaan nie!’

 

Sy legkaart het onvoltooid gebly, en van melk

 

en koekies is daar met sy aanland

 

ook geen sprake.

 

 

Hy het gesterf. Hy sal sy ooms nooit kan bedank

 

vir die dra van die kis, sy tannies vir die gerf aronskelke

 

op sy graf. Ag, die dood van ‘n kind…

 

Tog so anders as dié van ek en jy!

 

 

 

‘N NOTA LANGS JOU KUSSING (29/04/10)

(baie vry na ‘n gedig van Roberto Fernández Retamar)

vir Claire

 

 

Te veel herinneringe en té veel hoop

 

is daar al tussen ons gekonkel. Te veel lewe

 

by nabetragting gelewe vir ons reis om ooit te skei:

 

nie die jare wat ons in die gesig vat nie;

 

nie die jare wat ons net by benadering geleef het 

 

nie die somer se aftog nie, kan ons meer skei

 

nie. Tyd, daardie veerboot van soveel vlugte, spoor

 

van soveel verlore liefdes, van Stellenbosch na Grahamstad,

 

van Bellville na Havana, na weemoed, na ontsetting

 

selfs, na meer illusies as in drome kon – soveel so dat niks,

 

behalwe dít wat alle dinge skei, ons meer kan skei nie.

 

Meisie van gister en môre, vrou van my lewe.

 

 

 

(nóg ‘n kleindorpse lament) (11/03/10)

 

 

ek wou verder gaan

 

ek het geweet jy wag agter die plantasie

 

en jou fyn ondergoed het by my gespook

 

en hoe jy jou bene sprei, o jirre, met die grasie

 

van ‘n gaap… en na die tyd het ons gerook

 

en gelê en kyk na die maan

 

 

maar nee, ek wou verder gaan

 

ek moes weet wat wag verby die stasie

 

ek het gebrand om uit hierdie dorp te loop

 

maar ek droom, jy weet mos, vraatsig soos

 

‘n vlam… en na die tyd het ons gerook

 

en gelê en kyk na die maan

 

 

 

(07/05/10)

 

 

Hoe dun is ons dae. Jy kan hier net so min

 

by die tyd bedel as wat jy na die dood kan vra

 

in ‘n gedig. Jy kan aanhou soek, ja, aanhou op hoop

 

of jou verloor in háár arms – om die winste

 

van die wêreld weer te vind as sonlig

 

deur die oggend stroop. Maar ‘n digter

 

dag is jou nie beskore

 

nie. 

 

 

Chris Coolsma. Hollandse landschappen

Thursday, March 3rd, 2011

Landschap Porterville, SA

Nederlandse dichters schrijven niet veel over het landschap, terwijl het in Afrkaanse gedichten alomtegenwoordig is, zei een Afrikaanse vriendin eens tegen mij. Dat is erg aannemelijk. Want ‘wat is natuur nog in dit land’, schreef J.C.Bloem, ‘een heuvel met wat villaatjes ertegen’. Toch stak het mij, voor een nauwkeurige beschouwer is het Nederlandse landschap van een ongelofelijke schoonheid. Het kan bovendien alle decors bieden die de dichter wenst, van lieflijk en romantisch tot onheilszwanger. Tegen het spektakel van het fysieke paradijs Zuid Afrika leggen we het af, maar wie van kalme, onnadrukkelijke landschappen houdt, van het volmaakte evenwicht van een Zentuin, van een ruimte die ademt, kan in Nederland voldoende landschappen van zijn gading vinden. Er zijn altijd spiegels, zoals de filmer Bert Haanstra op een onvergetelijke manier heeft laten zien in zijn documentaire over het water. In de provincie waar ik woon lichten oeroude grafheuvels op in de bossen, vinden we sporen van keltische akkers in de hei, de hei die in augustus nog steeds verandert in een surrealistische golving met dieppaarse kleur. Als ik op de dijk van de Waddenzee sta, moet ik altijd denken aan het openingslied van ‘The Sound of Music’  en heb ik de neiging om mijn armen wijd uit te spreiden en in luid zingen uit te barsten.

De Waddenzee

De Waddenzee

De torens van de bijna altijd aanwezige wolken kunnen daarbij met gemak de alpen vervangen. Voordat dit betoog in een toeristenfolder ontaardt, ga ik een duit in het zakje van de Nederlandse landschapspoëzie doen. Drie gedichten die zich spontaan schreven. Waarmee een volgende serie regelmatig verschijnende blogs van start gaat.  Het volgende gaat over ‘the Interrogative mood’, een fascinerend boek van de amerikaanse schrijver Padgett Powell. Er schijnt een Zuidafrikaanse vrouw te zijn, die daar een blog aan wijdt. We zullen zien.

Padgett Powell

Padgett Powell

 

Altijd in Arcadië

 

Er is altijd landschap in mijn gedachten:

rondom jou, maar ook, vergeef me,

rondom de anderen, die veranderen,

maar het landschap blijft wat het was.

 

Een streek van veeteelt, zoals Kees schreef

of een rietlandje onder gebroken berken;

een besloten pad dat toch nog opent

op de vallei van een verborgen stroom;

 

of een onafzienbare vlakte met één boom

die daar ook maar alleen staat te wezen,

een vlakte van angst en vreze

voor als de bliksem in me zal slaan.

 

Er is altijd landschap in mijn gedichten:

een park of een vergezicht en de

zo gewenste horizon met de molen

of een klein bergsilhouet als een vrouwenborst,

 

want jij bent altijd in mijn gedachten:

het dorp in het landschap met de kerk

in het midden of de rafelige rand

van witte schimmel waar we dan

met een grote boog omheenlopen.

 

Er zijn altijd gedichten in mijn gedachten:

landschappen die veranderen met

de stroom van een riviertje of een

verborgen pad, dat – met vriendelijke dank –

steeds bedekt is met gevallen bladeren.

 

 

Herinnerde inventaris van een landschap met (mogelijke) verklaring

(zondag in november 2010)

 

1 horizon

1 bewolkte lucht, type Come rain come shine (versie Bill Evans)

1 weg, type landweg, ondersoort ooit verhard nu brokkelig

1 ondoorzichtig sparrenbosje

1 turfkuil (zegt het gidsje)

3 huizen, waarvan 1 type rommelboer

1 roestige tractor

1 grasberg onder zwart zeil bedekt met autobanden

1 zandbak type rommelboerkinderen

1 verschoten trampoline van de zaadgroothandel

1 varkensschuur, verlaten

1 voedselsilo, leeg

 

1 akker, kaal

1 jij op wandelschoenen, vrolijk

Buizerds (driemaal, miauwend)

Driverse onzichtbare kwinkeleervogeltjes

1 drabbige sloot, winterklaar

1 gelukkig mens, fluitend (alleen brilrand zichtbaar)

 

Geen andere mensen

Geen auto’s

Daarom misschien

 

 

Zoveel herhaling

 

Zoveel herhaling zou moeten vervelen

maar dan kijk je niet goed dan heb je

geen aandacht geschonken aan de mieren

 

aan de woerden die met zo bronstig gossamer

groen pronken en aan de krul in hun staart

die om nadere verklaring vraagt.

 

Aan de zuiverheid van het fluiten

van een lijster in de boomkroon

bij de boerenhoeve die nog hoeve is

 

want geen zitkuil maar mestkuil.

Dan vergeet je het patroon van de vaarten

het perspectief van de coulissen

 

en zelfs heb je niet gehoord dat

de lijster zichzelf herhaalt omdat

zijn liedje zo huiveringwekkend mooi is

 

 

 

 

Chris Coolsma. Early in the morning and I ain’t nothing but the blues.

Friday, November 19th, 2010

Een van de meer geslaagde onderdelen van het ontwerp ‘mens’ (over het geheel genomen toch gewoon een onhandig samengeknutseld systeem vol gebreken) is ons totale gebrek aan vermogen tot invoelen van de toekomst. Zo prijs ik mij gelukkig dat ik vroeger niet vermoedde dat ik later last zou krijgen van slapeloosheid. Dat het tellen van de schaapjes geen handig en vertederend trucje was van volwassenen om van je gezeur af te zijn, maar een bittere ervaring waar ze zelf regelmatig mee te maken hadden. Dus nu tel ik regelmatig schaapjes, wandel door het nachtelijke huis terwijl ik lauwwarme melk of muntthee drink, lees staande in dit of dat boek, ga weer liggen, pak het nachtkastboek en lees mezelf in slaap – met excuses aan de meestal bijzonder kundige schrijver – of praat wat met de kat, die dat maar niks vindt, vermoed ik, eten is een beter idee. Soms probeer ik te schrijven, wat onverstandig is, omdat je hersens nu juist rust moeten krijgen, maar soms helpt het toch, om iets van je af te schrijven. Op een zachte nacht, na ruim duizend schaapjes, wilde dit eerste gedicht in het Afrikaans eruit (de eerste regel is een intertekst van ‘winter is nie die beste tyd om te skryf nie’ van Marlise Joubert):

    nag is die beste tyd om te skryf


    nag is die beste tyd om te skryf
    gedagtes vra na stiltes

    slegs die sagte gebrom van skryfmasjiene
    kan ek verdra

    of die beweging van jou slaap
    wat ek nie kan hoor nie

    maar iewers in die huis kan voel
    jy sug

    die kombers beweeg die lug
    en die lug beweeg die gedagte

    en die gedagte blaas die pomp van die woordorrel
    nag is die beste tyd om te skryf

    Maar een andere, minder zachte nacht had onlangs zwaardere middelen nodig:


    Verlichting

    Vannacht vraten de muizenissen
    aan mijn ingewanden
    en hielden me wakker
    met hun rondzingend zeuren
    van ongerief en wereldleed

    Uit bed gestapt, lang uit het raam
    gestaard. Ik had geluk, er was
    ruimte voor de sterren en de
    nacht was van het diepere zwart
    van vroeger dat me altijd beangstigde

    terwijl het me nu geruststelde:
    alles gaat voorbij. Ik zag het oude licht
    en dacht aan de neutrino’s die nu
    door mij heen schoten, aan de straling
    die ik niet voelde of zag

    ik dacht aan de dodelijke schoonheid
    van de gasnevels, aan de zwarte gaten
    van absolute vergetelheid;
    aan de raadsels van wat
    daarachter is, of niet is, voorbij de grenzen

    van het heelal. Ik dacht aan het verste object
    ooit waargenomen, 13 miljard lichtjaren
    van ons vandaan, en in het licht van het nagloeien
    van de grote knal groeide in mij een
    helende lichtheid die ik was vergeten

    de lichtheid van het jonge heelal

    Ik heb deze, inderdaad romantische en niet postmoderne, gedichten van mijn hand – van mijn hoofd zou een betere uitdrukking zijn – hier opgenomen, omdat ik niet lui wil lijken en altijd maar weer met gedichten van anderen op de proppen wil komen. Maar ik begon hier natuurlijk over omdat Billy Collins ook aan slapeloosheid lijdt en daar op zijn gebruikelijke geestige manier de volgende gedichten over schreef. Ik weet niet hoe het een ander vergaat bij het lezen, maar ik heb voortdurend de neiging om sommige bijzonder geslaagde regels of welgekozen beeldspraak hardop te herhalen – een gewoonte waar mijn levensgezellin zelfs na 40 jaar nog niet echt aan kan wennen – , instemmend knikkend. Ik zet er ook wel een streepjes bij en af en toe schrijf ik ze voorin, met de bladzij erbij, om ze te kunnen vinden bij geschikte gelegenheden, wat vrijwel nooit gebeurt. (Het was dan ook weer geen geringe vreugde om te lezen dat Kees van Kooten precies datzelfde doet, zoals hij zegt: uit opdringerige geestdrift.) Nou ja, lees maar, het is allemaal weer een leerzaam en vermakelijk woordfeest, speciaal voor u genoteerd door een dier in pyjama.

    Nachtbrief aan de lezer

    Ik sta op uit het verwarde bed en ga naar buiten,
    een vogel die zijn nest verlaat
    een slak die vakantie neemt van zijn huis,

    maar alleen om op het gazon te staan,
    een doodgewone slapeloze
    te midden van het groeistelsel van tuin en bossen.

    Als ik jonger was, had ik misschien gedacht
    aan iets dat ik op een feest had gehoord,
    aan een bijzondere auto,

    de drukte van zaterdagnacht,
    maar nu ben ik alleen maar klaarwakker,
    een dier in een pyjama,

    dat alleen de klamheid van de nacht voelt
    en het briesje dat de toppen van de bomen beroert.

    De hond volgde me naar buiten
    en staat een stukje voor me,
    haar neus omhoog alsof ze

    de hoge witte bloemen opsnuift,
    vannacht zichtbaar in de verduisterde tuin,
    en er is iets dat ik je wilde vertellen,

    iets over het warme oranje licht
    in de ramen van het huis,
    maar nu vraag ik me af of je wel luistert

    en waarom ik de moeite doe om je dingen te vertellen
    die toch niets uitmaken,
    asspikkels, schilfertjes ijs.

    Maar dit is alles wat ik wil doen –
    je vertellen dat boven, in de bossen,
    een paar nachtvogels riepen.

    Dat het gras koud en nat was aan mijn blote voeten
    en dat op een bepaald ogenblik de maan,
    ogend als de top van Shakespeare’s

    beroemde voorhoofd,
    onverwacht verscheen, en
    een vliedende wolkenband verlichtte.

    Insomnia

    Na alle schapen in de wereld geteld te hebben
    som ik de wildebeesten, slakken,
    kamelen, leeuweriken, etc. op,

    gevolgd door alle dierentuinen en aquaria,
    land na land.

    Bij het eerste licht beland ik
    in een nachtmerrie over verdrinken in de Zondvloed,
    ik schreeuw over het wassende water
    naar de verstrooide Noach als zijn verbazingwekkende
    ark langs zeilt en al snel kleiner begint te worden.

    De enige boot op aarde, een silhouet aan de horizon,
    zal weldra verdwijnen.

    Stijgend en dalend op de wiegende golven
    concentreer ik me op het giraffenpaar,
    hun halzen uitgestrekt boven het dak,
    om te voorkomen dat mijn leven aan me voorbijflitst.

    Nadat alle dieren uit het oog zijn verdwenen
    drijf ik voort op mijn rug, de ogen gesloten.
    Ik verbeeld me hoe alle vissen van de schepping
    over een schutting springen in een weide van water,
    de ene kleurrijke soort na de andere.

    Nu ben ik nieuwsgierig hoe dat bij anderen is. Ik kan er niets tegen doen, maar het lukt me bijna nooit om deze gedichten voor te lezen, zonder dat mijn keel dichtknijpt aan het slot. Collins doet dat met mij. Hij kan mijn emoties besturen zoals een groot musicus dat kan. Hij kan er voor zorgen dat ik in lachen uitbarst, of dat ik een brok in mijn keel krijg ( bij de vergelijking van de opkomende maan met het voorhoofd van Shakespeare beide.) Als ik het gedicht ken – en dat is bij deze gedichten na de vertaalworsteling in hoge mate het geval – wordt het niet minder. Dan kan het zijn dat ik al eerder niet verder kom, zonder even adem te halen en de ontroering de baas te worden. Of ben ik een sentimentele oude man aan het worden?

Chris Coolsma. Jazz! (3)

Sunday, November 14th, 2010

Vanmorgen stond ik in mijn kamerjas bij de vleugel, haren in de war, en las deze vertaling van het gedicht ‘Piano Lessons’, die ik in 2008 maakte:

Pianolessen
1
Mijn leraar ligt met een stijve rug
naast de piano op de grond.
Ik zit kaarsrecht op de kruk.
Hij begint te vertellen dat elke toets
een andere kamer is;
ik ben de blinde die moet leren
om door alle twaalf te lopen
zonder de meubels aan te raken.
Ik voel hoe ik naar de eerste deurknop tast.

2
Hij vertelt me dat elke toonladder een vorm heeft
en dat ik moet leren hoe
ik mijn handen moet houden.
Thuis oefen ik met gesloten ogen.
C is een open boek.
D is een vaas met twee oren.
G is een zwarte laars.
E heeft de poten van een vogel.

3
Hij zegt dat de toonladder de moeder van de akkoorden is.
Ik zie haar ijsberen over de slaapkamervloer
wachtend op de thuiskomst van de kinderen.
Ze zijn uit naar dansclubs om schaduw en licht
van songs te werpen op paren die traag dansen
of naar elkaar staren over tafels.
Zo moet de muziek zijn. Immers,
net dat ene akkoord maakt je aan het huilen,
maar niemand luistert naar de toonladders
of naar hun moeder.

4
Ik doe mijn toonladders,
de oude bekende kinderliedjes.
Mijn vingers beklimmen de ladder van tonen
en dalen af zonder zich om te draaien.
Als iemand onder het venster langs liep
zou hij zich een meisje van tien voorstellen
aan het toetsenbord in een voorbeeldige houding,
niet mij, voorovergebogen in mijn kamerjas, haren in de war,
als een blanke Horace Silver.

5
Ik leer “It Might As Well Be Spring’
maar mijn linker hand zou liever
met muntjes rammelen in het duister van mijn zak
of een dutje doen op een armleuning.
Ik moet hem de muziek binnen slepen
Als een lastig en verwaarloosd kind.
Dit is de wraak van iemand die nooit
de pen mag vasthouden, of vaarwel zwaaien,
en die nu nooit de melodie mag spelen.

6
Zelfs als ik niet speel, denk ik aan de piano.
Zij is het grootste, zwaarste
en mooiste voorwerp in dit huis.
Ik draal in de deuropening om haar in me op te nemen.
En midden in de nacht stel ik mij haar voor,
deze hallucinatie op drie poten, beneden,
dit merkwaardige beest met zijn enorme maanverlichte grijns.

Ik las dit omdat er iets geweldigs is gebeurd, een wens is vervuld. Ik wilde gewoon Collins lezen en dit lag op de piano. Het kwam door een tweetalige bloemlezing (NL-Eng) van gedichten van Billy Collins, voorzien van commentaar. Het geschenk is nog groter, omdat een van mijn helden het heeft geschreven. Held is eigenlijk een verkeerd woord, misschien kan ik beter lievelingsschrijver schrijven, maar dat is ook niet goed, want hij is veel meer dan een schrijver.

Waarom is hij een van mijn helden? Om verschillende redenen, maar de belangrijkste is dat hij mij, en velen van mijn generatie, bijna vijfentwintig jaar lang regelmatig intens gelukkig heeft gemaakt. In mijn versie van de behoeftenpiramide van Maslow staan de kunsten aan de basis. Zij zijn voor mij het water en brood van het leven. En in mijn kunstenpiramide staat de diepzinnige humor bovenaan. Naar mijn onbewoonde eiland gaan de dvd’s met alle afleveringen van de programma’s van Kees van Kooten en Wim de Bie mee, net als vijf films van Laurel en Hardy (vooral ‘The musicbox’, zie http://uk.video.yahoo.com/watch/6687094/17370706 ) Want er kan niet genoeg gelachen worden en het fijnste lachen is lachen om onszelf.

Kees van Kooten is een van mijn helden, maar ik moet er nog bij zeggen dat hij dat vooral is omdat hij iemand is om heel veel van te houden. Helden staan op voetstukken, graag op de rug van een paard in een houding die iets zegt over de manier waarop ze zijn gestorven, maar Kees van Kooten staat gewoon met beide benen op de grond.

Dus nu heeft een van mijn helden een boek geschreven over een van mijn andere helden. Zijn boek leest als een persoonlijke kennismaking met Collins en zijn gedichten. In geestige en bescheiden en diepzinnige en zorgvuldige stukken licht van Kooten zijn keuze en zijn vertalingen toe. Bij zijn wandeling door de kamers van het huis van de poëzie van Collins komt hij natuurlijk ook bij de jazz uit. Collins en van Kooten zijn even oud en ze houden allebei zielsveel van de jazz. Heb ik alweer geluk, en jij ook, die dit leest. Kees van Kooten heeft ‘Nightclub’ (uit ‘Sailing Alone Around the Room’) en ‘The many faces of jazz’ verkozen, omdat hij zich zo in deze gedichten herkent. Maar ook omdat hij tot zijn grote geluk ontdekte dat Collins en hij dezelfde smaak hebben. En zo, al heb je dat nog niet beseft, lezer, ben jij in de zesde hemel beland. Door de componist, de musici, Collins, die luisterde en schreef, van Kooten die luisterde en schreef, en nu door jouzelf. Lees het voor aan een geliefde en je zult de zevende hemel bereiken. Geluk wordt immers vergroot als we de sensatie kunnen delen met een ander? Ik weet niet of dit voor iedereen geldt, maar ik wordt pas echt ontroerd door een gedicht of een muziekstuk, als ik die ervaar in het bijzijn van anderen.

Kees van Kooten is een zorgvuldige vertaler, maar hij is vooral een hertaler met een scherp inzicht in de moderne Nederlandse spreektaal. Zijn zorgvuldigheid blijkt bijvoorbeeld uit de keus voor ‘Jazzclub’ als vertaling van ‘Nightclub’ en niet voor ‘Nachtclub’, want ‘ er bestaan in Nederland nauwelijks nog gelegenheden die zich als nachtclub afficheren en de knettergekken waar Collins op doelt vind je er trouwens ook niet, omdat Nachtclubs worden gefrequenteerd door zakenmannen en jazzclubs door onzakelijke mannen.‘

Jazzclub (copyright Kees van Kooten 2010, ik schrijf het toch helemaal over, want mijn doel is dat de lezer zich nu enthousiast naar de boekhandel spoedt.)

Jij bent zo mooi en ik knettergek
dat ik verliefd op je ben
is een steeds weerkerend motief
in liedjes en gedichten.
Het omgekeerde schijnt maar niet te kunnen.
Ik heb nog nooit iemand horen zingen
ik ben zo mooi
en jij knettergek om verliefd op mij te zijn
hoewel mannen en vrouwen
dit vaak bij zichzelf denken.
Jij bent zo mooi, maar jammer genoeg knettergek
zegt men in de regel evenmin.
En ook niet jij bent knettergek als je mij mooi vindt.
Dat hoor je nu echt helemaal nooit.

Zonder duidelijke reden
luister ik vanmiddag naar Johnny Hartman
die met zijn donkerbruine stem
de versleten ideeën over liefde, schoonheid en gekte
nieuw leven kan inblazen als geen ander.
Denk aan de kringelende rook van
een sigaret die iemand even heeft weggelegd
op een babyvleugel om drie uur ‘s ochtends.
Rook die omhoogdrijft naar de spotjes
en daar onder in het donker
zit een handvol mooie knettergekken
aan kleine tafeltjes te luisteren,
sommigen met hun ogen dicht,
anderen leunen voorover tegen de muziek aan
alsof die hen overeind houdt,
of ze wiegelen ijsblokjes rond in hun glas
half in de maat en half in slaap.

Ja, hier heerst de geschifte schoonheid
die ontluikt na middernacht
en geen zin heeft om naar huis te gaan
vooral niet nu iedereen is betoverd
door de grote man met de tenorsax
die als een gouden vis aan zijn hals hangt.
Hij stapt naar de rand van het plankier,
bukt, geeft zijn instrument aan mij
en knikt dat ik moet spelen.

Dus neem ik het mondstuk tussen mijn lippen
En blaas met alle adem die ik in mij heb.
Wij zijn allemaal zo knettergek
Zeggen de eerste maten van mijn lange bopsolo,
zo allejezus knettergek
dat wij mooi geworden zijn
zonder het zelf te weten.

Kees van Kooten schrijft dat hij de gedichten van Collins heeft gekopiëerd en in de bijbehorende ceedeedoosjes heeft gestoken. Om Johnny Hartman te horen terwijl we het gedicht nog eens lezen, en nog eens, en nog eens, hoeven wij alleen maar te klikken op http://www.youtube.com/watch?v=ILDqWHutba0&feature=related. Veel geluk!

Kees van Kooten en de poëzie van Billy Collins, of Zo wordt U gelukkig, de Harmonie, Amsterdam, 2010, ISBN 9789061699576

Chris Coolsma. Jazz! (1)

Saturday, November 6th, 2010

Wat is er veel dat het leven waard maakt, geleefd te worden. Geliefden en vrienden allereerst, maar de kunst in bijna al haar vormen zit hen dicht op de huid. Al dikwijls heb ik gedacht dat ik een voorstander zou zijn van reïncarnatie, als ik mijn leven over mocht doen met de kennis van nu en de lichamelijke en geestelijke energie van een zeventienjarige. Dan zou ik weer proberen om het grootste deel van mijn leven te vullen met literatuur, klassieke muziek, jazz, goede popmuziek, alle vormen van beeldende kunst en films, veel films. Die zijn immers een cumulatie van veel van deze kunstvormen?

Maar ook vandaag is de tijd beperkt en moet ik me bepalen tot één van die voertuigen van de verrukking. En het wordt de jazz. Want wat maakt net zo gelukkig als de muziek die ‘tussen de toetsen ontstaat’ (Chick Corea)? Alles in jazz is onverwacht. Jazz is altijd nieuw en ontstaat altijd opnieuw. Het verrukkelijkste zijn de veranderingen aan ritme, structuur, melodie en harmonie, die plaatsvinden tijdens elke uitvoering. Probeer eens om mee te zingen of te fluiten met John Coltrane in zijn historische uitvoering van Equinox (http://www.youtube.com/watch?v=5m2HN2y0yV8), ook op Coltrane’s Sound (Rhino/Atlantic R2 75588). Lukt het? Dat bedoel ik. Hij komt altijd eerder of later, varieert altijd anders dan je dacht, herhaalt zichzelf nooit precies op dezelfde manier. Hij bedenkt het ter plekke en zelfs nu ik het voor de misschien wel zeshonderdste keer hoor, klinkt het alsof hij het weer uitvindt. De melodie is simpel en Coltrane blijft er dichtbij, maar vervelen doet hij nooit. Jazz is geestelijke vrijheid en bevrijding, onvoorspelbaarheid en twijfel, verrassing en schok, ontembaar en onsterfelijk. Wat me nu bij het verrukkelijke gedicht (of is het proza?) van Jules Deelder brengt:

Jazz is. Jazz leeft. Gebeurt. Beweegt. Jazz neemt. Jazz geeft. Jazz weet. Jazz spreekt. Jazz doet. Jazz laat. Jazz komt. Jazz gaat. Uniek. Muziek. Van vlees en bloed. Jazz waagt. Jazz wint. Breekt baan. Jazz bonkt. Jazz staat. Jazz valt. Is overal. Ontroert. Verwarmt. Grijpt bij de keel. Jazz knettert. Knalt. Ontketent. Heerst. Jazz heelt. Jazz zuivert. Lichaam. Geest. Jazz swingt. Jazz vecht. Is waar. Is echt. Geen loze kreet. Geen leeg gebaar. Jazz werkt. Versterkt. Ontwapent. Toont. Jazz laaft. Jazz loont. Is water. Brood. Jazz lacht. Jazz huilt. Jazz in. Jazz uit. Legt bloot. Daagt uit. Jazz kookt. Jazz bruist. Jazz troost. Jazz bijt. Jazz bloedt. Heeft schijt. Is zwart. Is wit. Is rood. Niet grijs. Jazz vloekt. Jazz moet. Verbroedert. Zoekt. Jazz vindt. Jazz wijst. Jazz schokt. Jazz eist. Jazz hoog. Jazz laag. Jazz voor. Jazz na. Jazz rookt. Jazz jaagt. Is eigen baas. Vereent. Verzoent. Begeestert. Woedt. Bevrijdt. Bewijst. Begrijpt. Vervoert. Jazz spreidt. Jazz sluit. Bezielt. Verrijkt. Geeft hoop. Verblijdt. Jazz schittert. Glanst. Jazz flitst. Jazz danst. Verhit. Zweept op. Bemint. Verleidt. Jazz roept. Jazz voelt. Jazz groeit. Jazz bloeit. Jazz blaakt. Jazz blijkt. Betovert. Geilt. Jazz ademt. Zweet. Jazz fluistert. Schreeuwt. Ontmaskert. Snijdt. Jazz glijdt. Jazz sluipt. Jazz slijpt. Jazz spuit. Jazz klinkt. Jazz dwingt. Jazz lonkt. Jazz blinkt. Jazz vraagt. Jazz raakt. Verlost. Verbaast. Viert feest. Verklaart. Is bitter. Zoet. Is hot. Is cool. Jazz ijlt. Vooruit. Voorbij. Ver weg. Dichtbij. Paraat. Bereid. Op weg. Altijd. Jazz was. Jazz is. Jazz blijft.

Lang geleden, in 1975, stond ik met mijn zoontje van twee jaar bij de rand van een podium op een pleintje in Utrecht. Op twee meter afstand speelden drie van de grootste Nederlandse mannen van de geïmproviseerde muziek met klank, tijd en ruimte. Een piepjonge Ernst Reisiger, toen al een duivelskunstenaar op de cello (voor recent werk zie http://www.youtube.com/watch?v=XAmoc2LMWJI&feature=related ). Maarten van Regteren Altena, bassist en componist. En Han Bennink, een geheel autonome niet-elektronische eenmans ritmesectie. (zie de unieke documentaire op http://video.google.com/videoplay?docid=-8470686043713694913# of koop de CD ‘Monk’ van Han Bennink, Michiel Borstlap en Ernst Glerum, http://gpmusic.nl/shop/ ) Ik geloof niet dat er verder iemand luisterde (sic!), maar mijn zoontje stond een uur lang op de hoek van het podium naar de musici te kijken en ik verdween naar hoger sferen. Geluid en ritme werden voor onze ogen opnieuw uitgevonden. Dat is jazz.

De verrukking die jazz en de aanverwante blues, soul en gospel altijd weer teweegbrengen, is ook onder woorden gebracht door Billy Collins. Ja, ik geef toe, ook daarom houd ik zo van zijn werk. In vijf gedichten improviseert hij op het thema van de ontroering en de sensatie die deze muziek veroorzaakt. Vandaag de eerste twee. Ik zeg het er weer eens bij: je moet ze voorlezen om de kracht van de gedichten ten volle te voelen. Daarvoor zou ik natuurlijk eigenlijk de Engelse versie moeten bijleveren. Als iemand dat graag wil, laat het me dan weten. Ik ben nu te lui om alles over te tikken.

Een zondagmorgen met de Sensational Nightingales

Het waren niet de Five Mississippi Blind Boys
die me die zondagmorgen
van de grond tilden
toen ik naar beneden reed voor de krant, wat sinaasappelen en brood.
Noch waren het de Dixie Hummingbirds
of de Soul Stirrers, ondanks hun opwekkende naam,
of zelfs de Swan Silvertones
die me inspireerden om over het tumult van de bomen heen
naar het open hemelgewelf te kijken.

Nee, het waren de Sensational Nightingales
die toevallig die vroege zondagmorgen
zongen op de gospelzender
en de eer moeten krijgen van het opstoten
van mijn ziel, de opwekking van de muizen daarbinnen.

Ik heb altijd van deze harmonie gehouden,
als vier, soms vijf treinen, naast elkaar
denderend over een golvend landschap –
maak er een trillend landschap van rode aarde van,
wilde bloemen groeien langs de zilveren sporen,
kanten tafelkleden bedekken de heuvels,
de mannen en vrouwen in witte hemden en jurken
lopen in de richting van een hoge spits.
Zondagochtend in perfect Georgia.

Maar ik ben hier niet om het geluid te beschrijven
van de falsetto die jammert en de sombere bas,
alt en tenor die zich daar knus in voegen;
alleen om te getuigen van mijn kleine hemelvaart
door hun gezang die morgen, zo evenwijdig,
over de gebruikelijke thema’s,
de hof van het lijden,
de druppels bloed op het voorhoofd,
de steen voor het graf in de heuvel,
en de oude vertrouwde golvende wateren
die we op een dag moeten oversteken.

God zegene de Sensational Nightingales,
dacht ik terwijl ik het geluid harder zette,
God zegene hun families en hun poeierblauwe pakken.
Ze staan ver van het zwijgende knielen
waarmee ik grootgebracht werd
ze staan handenklappend ver van de kaarsen
die gloeiden in de alkoven
en de verstarde ogen van heiligen
die neerstaarden uit hun hoeken.

O, mijn pet stond recht die zondagmorgen
en ik hield de auto keurig op de weg.
Niemand zou ooit geraden hebben
dat ik de lucht in werd getild door nachtegalen,
opgehesen door hun snavels als een lang spandoek
dat kronkelt in een lege blauwe lucht,
gevangen in de aankondiging
van deze hemelse, zeer bemoedigende tijding.

Ik hak wat peterselie terwijl ik luister naar Art Blakey’s versie van ‘Three Blind Mice’

En ik begin me af te vragen hoe ze blind zijn geworden.
Als het erfelijk was, konden ze broertjes en zusjes zijn,
en ik denk aan de arme moeder
piekerend over haar niets ziende jonge drieling.

Of was het een gewoon ongeluk, waren ze alle drie
gegrepen door een verzengende explosie, vuurwerk misschien?
Zo niet,
als elk van hen afzonderlijk blind was geworden,

hoe slaagden ze er dan in, elkaar te vinden?
Het is al moeilijk voor een blinde muis
om een ziende medemuis te vinden,
hoe zou dat gaan met vinden van twee blinden?

En hoe zouden ze, in hun minuscule duister,
ooit achter de vrouw van een boer aan hebben kunnen rennen
of wiens vrouw ook?
Om maar te zwijgen over het waarom.

Ze had zomaar hun staarten kunnen afhakken
met een slagersmes, antwoordt de cynicus,
maar de gedachte aan hen zonder ogen
en nu ook nog zonder staarten om door het vochtige te gras te slepen

of om de hoek van een plint te glippen
drijft de cynicus die altijd in mij rondlummelt
van zijn sofa en naar het raam
om de groeiende weekheid die hij voelt te verbergen.

Inmiddels snij ik uienringen
wat de oorzaak kan zijn van het vochtige steken
in mijn eigen ogen, hoewel Freddie Hubbard’s
trieste trompet in ‘Blue Moon’

dat het volgende nummer blijkt te zijn,
de zaken er nu niet bepaalt beter op maakt.

Chris Coolsma. Amsterdam 1966.

Tuesday, November 2nd, 2010

Op 30 september 1966, drie weken na mijn twintigste verjaardag, liep ik opgewonden ‘mijn’ boekwinkel aan de Scheldestraat in Amsterdam binnen. Zulke winkels bestaan bijna niet meer. Ze zijn opgegaan in ketens en verkopen bijna alleen  goedlopende boeken waar weinig risico aan kleeft. In  die tijd kon je er tussen de hoge rekken vol onbekende boeken doorscharrelen, wegdromend in een nieuwe wereld, op zoek naar nieuwe ontdekkingen. Een groot deel van mijn studietoelage werd er omgezet in de Anton Wachterromans, de eerste vertalingen van ‘Op zoek naar de verloren tijd’, dikke romans van Dostojevski en Tolstoj, bundels van Lucebert, Vroman en Verhagen, en een keur aan pas verschenen romans van Wolkers, Campert, Reve, Hermans en Mulisch. De boekverkoper was zelf verwoed lezer en had wel schik in dat studentje, duidelijk een groentje maar goed voor zijn omzet.

In mijn vergeelde exemplaar van ‘Bericht aan de rattenkoning’  staat dan ook ‘30/9/66′ onder mijn nog maar pas ontworpen handtekening, stijfjes en leesbaar. De boekverkoper had mij verteld dat er een boek van Mulisch aan stond te komen. Het zou gaan over de oproer van dat jaar in Amsterdam. Hij wist de titel nog niet, maar ik bestelde het, voor het eerst gebrand op een boek dat nog naar drukinkt zou ruiken. Ik wilde lezen wat ik had meegemaakt en waarvan ik de draagwijdte in de verste verte niet kon overzien.

Op 14 juni 1966 was ik ‘s morgens voor een schriftelijk tentamen Statistiek in een grote kale zaal boven de brandweerkazerne aan de Prinsengracht. Het was onrustig. Ergens halverwege het tentamen rukten brandweerwagens uit. Eenmaal buiten na het tentamen was er nog niet veel bijzonders te zien. Ik fietste langs de Nieuwezijds Voorburgwal naar het Spui op weg naar de broodjeszaak in de Langebrugsteeg, mijn weg naar de wetenschap (als ik nu door die steeg wandel, loopt het water me weer in de mond bij de herinnering aan de broodjes halfom, osseworst, pekelvlees en lever die daar werden klaargemaakt door een grofgebouwde man in witte jas met een altijd scheefstaand hoofd, die je met één priemend oog aan placht te kijken terwijl hij je in de maling nam in onvervalst Amsterdams. Even verderop wil ik een krantje kopen, maar de boekwinkel is verdwenen.)

Dit is wat over die dag in ‘Bericht aan de rattenkoning’ staat: ‘De volgende dag werd ik pas laat in de morgen wakker. Het was het soort stralend warme zomerdag, waarop ook Palingoproer, Aardappeloproer en Werklozenoproer waren uitgebroken; het was ook het soort weer van 10 mei 1940 (het begin van de  Duitse inval in Nederland, CC). Benieuwd ging ik de stad in, maar er scheen niets aan de hand te zijn. Het was druk, lunchtijd, en alle terrassen zaten vol medewerkers en medewerksters, die in hemdsmouwen en met opgetrokken rokken in de zon hingen. Naar men zegt is ook de Franse revolutie onopgemerkt voorbijgegaan aan andere buurten dan de Bastille. Tegelijk met de politie arriveerde ik op de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Wat een onvergetelijk aanblik! De Bastille was het gebouw van De Telegraaf en de zon scheen op een fantastische, stinkende ravage, waar duizenden mensen naar stonden te kijken. Omgegooide, brandende bestelwagens, het gebouw zelf met ingegooide ruiten, gebarrikadeerd, de stalen rolluiken van de drukkerij verbogen en ontwricht. De brandweer stond smeulende stapels kranten te blussen.’  In die menigte liep ik ook rond en ik herinner me zelfs dit beeld: ‘op een stoeprand zat een man van middelbare leeftijd zich alleen nog maar slap te lachen’.

Ik moet Mulisch daar dus gezien hebben, maar in een menigte kan je elkaar mislopen op een afstand van een meter. Ik kende zijn gezicht van de omslagfoto’s van zijn boeken.  Zoals vaker was het mijn negen jaar oudere broer die me had laten kennismaken met de schrijver. ‘Het stenen bruidsbed’ was een grote schok voor me geweest, alleen al vanwege het omslag: een foto van het volledig in puin gegooide Dresden, onder een zwaar beschadigd beeld van een Engel. Het boek gaf me voor het eerst een besef van de volle gruwelijkheid en chaos van de oorlog waar ik een kind van was. Het was ook de eerste keer dat ik minder in zwartwittinten over die oorlog ging denken. De bombardementen verloren met dat boek voor het eerst hun schijn van gerechtigheid. Daarna las ik ‘Voer voor psychologen’, dat ook al grote indruk maakte, doordat ik voor het eerst na ging denken over het verhaal van mijn eigen leven. Van dat boek onthield ik ook: ‘schrijven is stratenmaken: op je knieën liggen en achteruit kruipen’ .

Het sprak vanzelf dat ik het verslag van de gebeurtenissen in Amsterdam wilde lezen. Voor het eerst voelde ik me betrokken bij de politieke ontwikkelingen. Engagement, aangewakkerd door jonge mensen die in de voorhoede stonden.  Zo stond ik dus op 30 september al vroeg in de boekwinkel. Er lag een stapel boeken in bruin pakpapier op de grond. De winkelier had net het touw doorgesneden. Ik kreeg het eerste exemplaar, dat ik  die dag nog heb uitgelezen, na met een plechtig gevoel de datum te hebben toegevoegd aan de copyrightgegevens. Copyright 1966 Harry Mulisch Amsterdam. ‘Aankoop 30.9.66 Chris Coolsma. A’dam.’  ‘s Avonds op de sociëteit voerden we voor het eerst felle discussie over de gebeurtenissen in de stad. Een wat oudere student politicologie dacht dat er revolutie kon uitbreken. De relletjes, die tot dan toe een speels karakter hadden gehad, waren omgeslagen in een steeds grimmiger veldslag. Er waren ruiten ingegooid en brandjes gesticht. De politie, in de ogen van de jeugd tot dan toe een sullig stel oude mannen in slonzige uniformen, was overgegaan op een vorm van geweld die alleen maar woede losmaakte. Sommigen vonden het gezag veel te slap, anderen vonden het gezag losgeslagen. De studenten, in de ogen van de politie tot dan toe een sullig stel oudachtige jongens in slonzige pakken, waren veranderd in revolutieprekende oproerkraaiers. Dat het maar om een kleine groep studenten ging, leek de dienders te ontgaan. Dat het vaak vooral spel was, begreep het zenuwachtige gezag (door Mulisch als ‘regentendom’ aangeduid) niet. Mensen die naar adem snakken moet je niet de strot dichtknijpen.

Twee weken na de Telegraafrellen merkten we dat er iets voorgoed veranderd was. Mijn studentenvereniging hield elk jaar een grachtenloop, een estafettewedstrijd tussen eerstejaars en het sociëteitsbestuur. Daartoe werden door ons alle kruisingen van de Leidsgracht met dwarsstraten afgezet, zodat we onbelemmerd door het verkeer onze rituele hardloopwedstrijd konden houden. Maar dit jaar verschenen er, al tijdens de feestelijkheden bij de sociëteit, politieagenten op de bruggen. Er werd met geweld gedreigd als we de grachtenloop zouden houden. Het regentendom en de Hermandad, de kip, de smeris probeerde de revolutie de kop in te drukken, maar voorlopig werd het tegendeel bereikt: mijn generatie wilde vrijheid en verandering. Ook dat beschrijft Mulisch in Bericht aan de rattenkoning. Al ging de revolutie in Nederland niet door. Mulisch had het al gezien: in Nederland eindigt de opstand uiteindelijk altijd in de slappe lach. Laten we hopen dat hij voorgoed gelijk zal krijgen.